id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.144 Rolnummer: A. 226745/VII-40435 Zaak: Arrest 253144 - Natuurbehoud - Vergunningen - 03/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 06:24 Fiche Arrest nr 253.144 van 3 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : heropening debatten Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.144 van 3 maart 2022 in de zaak A. 226.745/VII-40.435 In zake :
(2009)omdat de overheid na deze beleidslijn de bestreden beslissing genomen heeft en deze beleidslijn nog altijd tot op heden te consulteren valt op de website van de OVAM. Er dient vanuit gegaan te worden dat deze beleidslijn het heersende milieubewustzijn anno 2011 uitdrukt, dat het toetsingskader vormt voor de beoordeling van de kennisvoorwaarde bij erfgenamen. Het kan niet worden ingezien, mede op grond van het gelijkheidsbeginsel, waarom dit toetsingskader niet wordt toegepast op de verzoekende partijen. In de motivering wordt nergens een verantwoording voor de strengere beoordeling gegeven. De verklaring die achteraf door de verwerende partij in haar memorie van antwoord wordt gegeven, ontbreekt in de bestreden beslissing. De gegeven materiële motivering is aldus niet afdoende en draagkrachtig. Met betrekking tot het vijfde subonderdeel merken de verzoekende partijen op dat het arrest waarnaar de verwerende partij verwijst in haar memorie totaal vreemd is aan de zorgvuldigheidsplicht in het kader van artikel 23 van het bodemdecreet. In het arrest waarnaar zij hebben verwezen, nr. 193.596 van 28 mei 2009, worden de burgerrechtelijke regels, de voorzienbaarheid van de schade, bij de bespreking van het redelijkheidsbeginsel wel in feite bijgetreden. Het is aldus niet zo dat het redelijkheidsbeginsel bij de toetsing of de overheid in redelijkheid tot haar bevinding is gekomen dat de verzoekende partijen onzorgvuldig gehandeld hebben, volstrekt autonoom is van burgerrechtelijke regels maar dat deze burgerrechtelijke regels en het redelijkheidsbeginsel minstens samen blijken te sporen en in de feiten ook effectief tot hetzelfde resultaat leiden. Dat een redelijke invulling van de VII-40.435-41/55 zorgvuldigheidsplicht ook niet anders dan kan worden vorm gegeven aan de hand van principes van het burgerlijk recht aangezien deze de basis vormen van de Belgische samenleving. De overheid kan in redelijkheid niet totaal abstractie maken van deze burgerrechtelijke principes inzake de zorgvuldigheidsplicht. Dat ook in de rechtspraak van de Raad van State inzake de zorgvuldigheidsplicht en in artikel 50 van Vlarebo die een neerslag is van deze rechtspraak deze burgerrechtelijke principes terug te herkennen zijn. Het komt de Raad van State wel degelijk toe om, op grond van arrest nr. 193.596, minstens via de redelijkheidstoets te oordelen of de verwerende partij in redelijkheid tot haar beslissing is gekomen dat de verzoekende partijen hun zorgvuldigheidsplicht niet correct ingevuld hebben. Aldus is het redelijkheidsbeginsel betreffende de zorgvuldigheidsplicht (en uiteraard niet betreffende het vreemdelingenrecht) minstens gelijklopend met het burgerlijk recht, zo het burgerlijk recht niet al van toepassing is zoals de verzoekende partijen, net zoals de verzoekende partij in arrest nr. 193.596, aanvoert. Met betrekking tot het eerste subonderdeel van het derde middelonderdeel merken de verzoekende partijen op dat zij geen algemene kritiek geven op de regelgeving maar aantonen dat de kennisvoorwaarde niet zo streng mag worden ingevuld dat alleen de cascaderegeling maar ook de “zorgvuldigheidsplicht” zelf op een objectieve aansprakelijkheid neerkomt, namelijk dat men in alle gevallen, ook zonder alarmsignalen, komt tot een schending van de zorgvuldigheidsplicht. De verzoekende partijen zijn te dezen niet gehouden al het mogelijke te doen om aanwijzingen van risicogrond naar boven te halen, zonder enig alarmsignaal. De verzoekende partijen maken ook duidelijk dat zij de bestreden beslissing bekritiseren en niet de regelgeving. De verzoekende partijen voeren aan dat de overheid bij zijn exorbitante bevoegdheid inzake bodemsanering in redelijkheid niet de privaatrechtelijke regels inzake de zorgvuldigheidsplicht terzijde mag schuiven en aldus het zorgvuldigheidsbeginsel niet mag invullen als een nieuwe objectieve aansprakelijkheid, namelijk een aansprakelijkheid die altijd zal komen vast te staan, zodat in de cascaderegeling de laatste trap, de eigenaars, nooit kunnen voldoen aan de kennisvoorwaarde voor het onschuldig bezit. De bestreden beslissing creëert een objectieve aansprakelijkheid, eens er oude vergunningen bestaan in een archief zullen de verzoekende partijen altijd hun zorgvuldigheidsplicht miskend hebben, wat ook de concrete omstandigheden van de zaak zouden zijn. Met betrekking tot het VII-40.435-42/55 tweede subonderdeel stellen de verzoekende partijen dat het duidelijk is dat zij de kennelijk onredelijke invulling van de zorgvuldigheidsplicht aanvoeren in het kader van de bodemproblematiek, bij gebrek aan indicaties van het bestaan van een risicogrond. Met betrekking tot het derde en vierde subonderdeel verwijzen de verzoekende partijen naar rechtspraak waaruit blijkt dat deze “concrete omstandigheden” vereist voor een niet kennelijk onredelijke en evenredige invulling van de geldende zorgvuldigheidsplicht. Bij elk arrest gaven zij aan waarom zij in dit licht de zorgvuldigheidsplicht niet hebben geschonden. Ondanks het feit dat de verwerende partij stelselmatig in globo beweert dat volledige (sub)onderdelen onduidelijk zouden zijn, slaagt zij er toch telkens in nuttig te repliceren. Ook het laatste onderdeel is voldoende duidelijk, zoals blijkt uit het feit dat de memorie van antwoord in randnummer 38 nuttig heeft kunnen repliceren op het standpunt van de verzoekende partijen dat de motivering nalaat de concrete omstandigheden te vermelden waardoor de verzoekende partijen op grond van hun zorgvuldigheidsplicht de oude vergunning hadden moeten laten opzoeken bij de stad Turnhout. Dit randnummer 38 is een herneming van het kernstandpunt van de verwerende partij waarop de verzoekende partijen al aan het begin van de memorie hebben gerepliceerd. Aangezien de beide partijen nuttig hebben kunnen repliceren, is dit subonderdeel dan ook ontvankelijk.
- De verwerende partij doet in de laatste memorie gelden dat het schrijven van de stad Turnhout aan de vzw Vlabotex “niet als argument [wordt] aangehaald in de beoordeling van de kennisvereiste” en dat de brief van de stad Turnhout aan één der verzoekende partijen na het openvallen van de nalatenschap enkel in de “vaststellingen” van de bestreden beslissing voorkomt maar niet in de beoordeling van de kennisvereiste. De vraag die te dezen rijst is niet of de verzoekende partijen in een niet-gedigitaliseerd archief op zoek moesten gaan naar een 49 jaar oude vergunning, maar wel of zij in het kader van de algemene zorgvuldigheidsplicht gehouden waren navraag te doen “omtrent de historiek van het onroerend goed bij de stad Turnhout” in het bijzonder omdat zij zelf aangaven nooit geweten te hebben waartoe het onroerend goed werd aangewend. Het is in die omstandigheden niet onzorgvuldig of kennelijk onredelijk te oordelen dat een erfgenaam in 2009 in het kader van de zorgvuldigheidsplicht navraag moest doen omtrent de historiek van het onroerend goed bij de gemeente. Indien de VII-40.435-43/55 verzoekende partijen dat wel hadden gedaan zou aan het licht zijn gekomen dat er sprake was van droogkuisactiviteiten waarover bij het openvallen van de nalatenschap in 2009 bekend dat deze voor verontreiningingsproblematiek konden zorgen. Een blanco bodemattest naar aanleiding van een verkoop betekent dat de OVAM voor het betreffende perceel over relevante gegevens beschikt in haar grondeninformatieregister, hetgeen niet noodzakelijk betekent dat de grond niet verontreinigd is.
- De verzoekende partijen antwoorden in de laatste memorie dat zij voldoende kennis hadden van het gebruik van het onroerend goed, met name ouderlijke woning van erflater tot 1953, verhuring door de erflater als winkel-woning in een bekende handelsstraat na 1953 en verhuring vanaf 2001 aan het CAW en dat zij hieruit “een normaal gebruik konden vaststellen als verhuurde winkel-woning”. Beoordeling
- Artikel 2 van het bodemdecreet bepaalt wat wordt verstaan onder: “[…] 4° bodemverontreiniging: aanwezigheid van stoffen of organismen, veroorzaakt door menselijke activiteiten, op of in de bodem of opstallen, die de kwaliteit van de bodem op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig beïnvloeden of kunnen beïnvloeden; […] 7° historische bodemverontreiniging : bodemverontreiniging die tot stand gekomen is voor 29 oktober 1995; 10° verontreinigde gronden: gronden waar de bodemverontreiniging tot stand kwam en gronden waar de verontreinigende stoffen of organismen zich hebben verspreid of waar de bodemverontreiniging schadelijke gevolgen heeft; […] 13° risicogrond: grond waarop een risico-inrichting gevestigd is of was; 14° risico-inrichtingen : fabrieken, werkplaatsen, opslagplaatsen, machines, installaties, toestellen en handelingen die een verhoogd risico op bodemverontreiniging kunnen inhouden en die voorkomen op een lijst die de Vlaamse Regering opstelt; […]”. VII-40.435-44/55 Artikel 23, § 2 van het bodemdecreet bepaalt: “§ 2 De eigenaar is niet verplicht om het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering uit te voeren, als de OVAM op basis van het dossier van de grond of het gemotiveerd standpunt van de eigenaar van oordeel is, dat hij cumulatief voldoet aan de volgende voorwaarden: 1° hij heeft de bodemverontreiniging niet zelf veroorzaakt; 2° de bodemverontreiniging is tot stand gekomen voor het tijdstip waarop hij eigenaar van de grond werd; 3° hij was niet op de hoogte en behoorde niet op de hoogte te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik dat hij eigenaar van de grond werd. De Vlaamse Regering kan bepalen met welke elementen rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de eigenaar niet op de hoogte was of niet op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving. […]”.
- Het bestreden besluit heeft aangenomen dat de verzoekende partijen de historische bodemverontreiniging waarvan sprake in het verslag van het oriënterend bodemonderzoek van 2 december 2014, meer bepaald met tetrachlooretheen in het grondwater, niet zelf hebben veroorzaakt en dat deze bodemverontreiniging tot stand is gekomen voor het tijdstip waarop zij blote mede-eigenaars van de grond werden, meer bepaald ten tijde van “de exploitatie van een droogkuis in de periode 1960-1969”.
- Te dezen is de centrale vraag of de verzoekende partijen al dan niet voldoen aan artikel 23, § 2, 3°, van het bodemdecreet, met name of zij op het ogenblik waarop zij door erfopvolging blote mede-eigenaars werden van de grond op de hoogte waren of behoorden te zijn van de verontreiniging. Wat die voorwaarde betreft, mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de beslissende overheid om vast te stellen dat een eigenaar of een gebruiker van de grond al dan niet op de hoogte was of behoorde te zijn van een verontreiniging. De Raad van State kan alleen onderzoeken of de overheid in redelijkheid tot de bevinding is gekomen dat een eigenaar of gebruiker al dan niet aan die voorwaarde voldoet. VII-40.435-45/55 De voorwaarde dat een eigenaar of gebruiker niet op de hoogte behoorde te zijn van de verontreiniging is nauw verbonden met de zorgvuldigheidsplicht. Een eigenaar moet worden geacht de verontreiniging te kennen, indien aangenomen kan worden dat een zorgvuldig optredend eigenaar het nodige zou hebben gedaan om zich op de hoogte te stellen betreffende de verontreiniging. Het bodemdecreet voorziet niet in een afwijkende regeling voor erfgenamen van een verontreinigde grond. Derhalve geldt voor erfgenamen eveneens de zorgvuldigheidsplicht. Voor het nakomen van die plicht kan het desgevallend aangewezen zijn om bij de aanvaarding van een nalatenschap de nodige voorzichtigheid in acht te nemen. Deze zorgvuldigheidsplicht moet worden gekaderd in de tijdsgeest en er moet rekening worden gehouden met hoe een zorgvuldig optreden algemeen werd ingevuld op het ogenblik van de overdracht van de verontreinigde grond. Hoe groter het milieubewustzijn inzake bodemverontreiniging is, hoe groter de zorgvuldigheid is die van een erfopvolger ter zake kan worden verwacht. In dat verband dient de Raad van State vast te stellen dat het milieubewustzijn vanaf 1995 alsmaar groter en specifieker is geworden onder meer door het aannemen van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, de erkenning door de Vlaamse regering bij besluit van 14 september 2007, in uitvoering van voormeld decreet, van de vzw Vlaams Bodemsaneringsfonds voor de Textielverzorging (de vzw Vlabotex) als bodemsaneringsorganisatie, en het bodemdecreet van 27 oktober 2006 dat het voormelde decreet heeft opgeheven.
- Indien de erfopvolger wist of behoorde te weten dat de betrokken grond in het verleden gebruikt werd voor risicoactiviteiten, geldt dergelijke kennis als voldoende indicatie voor mogelijke bodemverontreiniging. De kennisvereiste van artikel 23, § 2, 3°, van het bodemdecreet veronderstelt daarentegen niet dat de betrokkene bij de eigendomsverwerving gedetailleerd op de hoogte is of behoort te zijn van alle aspecten van de bodemverontreiniging of van de mogelijke ernst ervan. VII-40.435-46/55
- Artikel 50 van Vlarebo luidt als volgt: “Bij de beoordeling van het feit of de eigenaar al dan niet op de hoogte was of op de hoogte behoorde te zijn van de bodemverontreiniging op het ogenblik van de verwerving, vermeld in artikel 12, § 2, 3°, en artikel 23, § 2, 3°, van het Bodemdecreet, wordt in het bijzonder rekening gehouden met de volgende elementen: 1° het tijdstip van de verwerving; 2° vermeldingen of aanwijzingen in de aankoopakte; 3° de hoedanigheid van de eigenaar; 4° de ervaring of beroepskennis van de eigenaar; 5° de aard, de zintuiglijke waarneembaarheid of de algemene bekendheid van de bodemverontreiniging; 6° de aard van de inrichting die aanleiding heeft gegeven tot de bodemverontreiniging; 7° de toestand van en de voorkennis over de verontreinigde grond; 8° beschikbare documenten met betrekking tot de verontreinigde grond”.
- Na een overzicht van de standpunten van de verzoekende partijen en van de OVAM en van de feiten die uit het administratief dossier naar voren komen, wordt in de bestreden beslissing de eigen motivering van de verwerende partij vermeld: “Overwegende dat de beroepers mede-eigenaar geworden zijn van de grond op 4 september 2009, dit is het moment van overlijden van de heer XXXX; dat hij de vader was van XXXX en XXXX en de grootvader was van XXXX, XXXX en XXXX; dat de beroepers bijgevolg in een bijzondere hoedanigheid verkeren, met name deze van erfgenamen; dat met toepassing van artikel 50, 3° VLAREBO-besluit van 14 december 2007 de bijzondere hoedanigheid van de erfgenaam een specifieke invulling van de kennisvoorwaarde rechtvaardigt; dat de positie van de erflater daardoor bij de beoordeling wordt betrokken; dat op hypothetische wijze wordt nagegaan of de erflater, indien deze het statuut van onschuldig eigenaar zou aanvragen, hiervoor in aanmerking zou komen; dat, indien dit het geval is, diens erfgenamen worden geacht te voldoen aan de kennisvoorwaarde en dus het statuut van onschuldig eigenaar op hen overgedragen wordt, indien zij tevens kunnen aantonen dat zij de verontreiniging niet zelf hebben veroorzaakt en dat de verontreiniging is ontstaan voordat zij eigenaar werden; dat deze specifieke invulling is uitgeschreven in een beleidslijn die wordt gehanteerd bij de beoordeling van de kennisvoorwaarde voor erfgenamen; dat deze beleidslijn werd opgemaakt om tot een meer soepele beoordeling te kunnen komen voor erfgenamen die hebben geërfd van een erflater die aan de vrijstellingsvoorwaarden zou hebben voldaan; dat indien de erflater echter niet aan deze voorwaarden zou hebben voldaan, alsnog een beoordeling gemaakt wordt van de eigenaar-erfgenaam in concreto; dat om te kunnen oordelen of het gunstig is, vanzelfsprekend eerst de voorwaarden dienen te worden onderzocht In hoofde van de erflater; VII-40.435-47/55 Overwegende dat de erflater, de heer XXXX, eigenaar was van de betrokken grond sinds 1953; dat de historische verontreiniging met tetrachlooretheen in het grondwater die werd aangetroffen op de grond, door de bodemsaneringsdeskundige wordt gelinkt aan de droogkuisactiviteiten die hebben plaatsgevonden op het terrein van 1960 tot maximaal 1972; dat de droogkuisinrichting op de grond niet werd geëxploiteerd door de heer XXXX zelf; dat de heer XXXX de grond heeft verhuurd aan de exploitant van de droogkuisinrichting; dat het bijgevolg vaststaat dat de verontreiniging is tot stand gekomen nadat de heer XXXX eigenaar is geworden van de grond; dat hij bijgevolg niet zou kunnen voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 23, §2 Bodemdecreet van 27 oktober 2006; dat hij niet zou kunnen worden vrijgesteld van de verplichting tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek en desgevallend bodemsanering; Overwegende dat aangezien de erflater niet voldoet aan de geldende vrijstellingsvoorwaarden voor een eigenaar, de kennisvoorwaarde dus gewoon beoordeeld moet worden in hoofde van de eigenaars-erfgenamen zelf; dat de beroepers mede-eigenaar zijn geworden van de grond op 4 september 2009, na het overlijden van de heer XXXX; dat dit het