id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.145 Rolnummer: A. 228462/VII-40577 Zaak: Arrest 253145 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 03/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 06:24 Fiche Arrest nr 253.145 van 3 maart 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.145 van 3 maart 2022 in de zaak A. 228.462/VII-40.577 In zake : de VLAAMSE BEROEPSVERENIGING TANDARTSEN (VBT) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Callens kantoor houdend te 1040 Brussel Tervurenlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Slegers kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BELGIAN UNION OF ORTHODONTIC SPECIALISTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benito Boone kantoor houdend te 2930 Brasschaat Klaverheide 8 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 juni 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 9 april 2019 vanwege de Leidende Ambtenaar van de Dienst geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering betreffende de erkenning van de Belgian Union of Orthodentic Specialists (afgekort BUOS) als representatieve beroepsorganisatie in de zin van art. 211, § 2 en 212 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de VII-40.577-1/10 verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De Belgian Union of Orthodontic Specialists heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 september 2019. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft op 10 juni 2021 een verslag opgesteld. Op 3 februari 2022 heeft zij een aanvullend verslag neergelegd betreffende de vraag tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2022. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefaan Callens, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Pierre Slegers, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Benito Boone, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-40.577-2/10 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De artikelen 211 en 212 van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (hierna: GVU-wet) bepalen: “Art. 211. § 1. Overeenkomstig de door de Koning vastgestelde modaliteiten organiseert het Instituut om de vier jaar verkiezingen op basis van welke de vertegenwoordiging van de representatieve beroepsorganisaties van de artsen wordt geregeld in de door de Koning aangeduide organen van het Instituut. De verkiezingen zijn geheim en geschieden volgens het kiessysteem van evenredige vertegenwoordiging. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden waaraan de beroepsorganisaties van de artsen moeten voldoen om als representatief erkend te worden. Daarenboven bepaalt Hij voor elk orgaan de verhouding van de algemeen geneeskundigen en de geneesherenspecialisten, inzonderheid rekening houdende met de opdracht van dat orgaan. § 2. De Koning bepaalt de data waarop uiterlijk een kiessysteem zoals dat waarin is voorzien voor de beroepsorganisaties van de artsen en waarvan Hij de modaliteiten vaststelt, wordt verruimd tot de beroepsorganisaties van tandartsen alsook de in artikel 26 bedoelde organisaties van beroepen of inrichtingen, diensten of instellingen. Art. 212. De Koning kan bepalen aan welke voorwaarden de beroepsorganisaties van de tandheelkundigen alsook de in artikel 26 bedoelde organisaties van beroepen of inrichtingen, diensten of instellingen moeten voldoen om als representatief te worden beschouwd. De Koning bezit dezelfde macht ten aanzien van de organisaties van beroepen of inrichtingen, diensten of instellingen vertegenwoordigd in de krachtens artikel 29 opgerichte technische raden”. 3.2. In uitvoering van deze bepalingen werd het koninklijk besluit van 25 februari 2015 aangenomen tot vaststelling van de voorwaarden waaraan de beroepsorganisaties van tandartsen moeten voldoen om als representatief te worden erkend evenals van de nadere regelen betreffende de verkiezingen van vertegenwoordigers van de tandartsen in sommige beheersorganen van het VII-40.577-3/10 Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (hierna: koninklijk besluit van 25 februari 2015). Artikel 1 van dit besluit bepaalt: “§ 1. Om als representatief te worden erkend zoals bedoeld in artikelen 211, § 2, en 212 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, moeten de beroepsorganisaties van de tandartsen voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° statutair de verdediging van de beroepsbelangen van alle tandartsen tot hoofddoel hebben; 2° zich statutair richten tot de tandartsen van ten minste twee gewesten, bedoeld in artikel 3 van de Belgische Grondwet; 3° statutair van de aangesloten tandartsen jaarbijdragen innen gelijk aan minimaal het bedrag van wat wordt toegekend aan de ambtenaren van de federale overheid ingevolge de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector onverminderd de statutaire bepalingen die gelden voor tandartsen die minder dan vijf jaar gerepertorieerd zijn bij het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, hieronder ‘RIZIV’ genoemd; 4° aantonen dat wordt beantwoord aan de vorengenoemde bepalingen, minstens voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin de datum waarop de kiezerslijst wordt opgesteld; 5° voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar met de in 4° voorziene datum minstens 400 individueel aangesloten leden-tandartsen, gerepertorieerd bij het RIZIV, tellen die in orde zijn met de betaling van de in 3° bepaalde bijdrage. § 2. (…) § 3. (…) § 4. (…) § 5. (…) § 6. (…)”. 3.3. Het ministerieel besluit van 26 februari 2015 tot vaststelling van de praktische organisatie van de verkiezingen van de vertegenwoordigers van de tandartsen zoals bedoeld in artikel 211, § 2, en 212 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd 14 juli 1994, regelt het concrete verloop van de sociale verkiezingen. Hoofdstuk II heeft betrekking op de erkenning van representatieve beroepsorganisaties van tandartsen. VII-40.577-4/10 3.4. Op 7 maart 2019 dient de tussenkomende partij een aanvraag in bij de leidend ambtenaar van het RIZIV om erkend te worden als representatieve beroepsvereniging in de zin van artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 februari 2015. De tussenkomende partij is de overkoepelende tweetalige beroepsvereniging van de “Belgische Beroepsvereniging van Nederlandstalige Orthodontisten” (BBNO) en de “Union francophone des Orthodontistes de Belgique” (UFOB) en werd opgericht op 12 juni 2017 in toepassing van de wet van 31 maart 1898 op de beroepsverenigingen. Artikel 3 van de statuten bepaalt het maatschappelijk doel: “
- a)De houders van de bijzondere beroepstitel van tandarts-specialisten in de orthodontie nationaal te groeperen, teneinde hun beroepsbelangen te bestuderen, te beschermen en te ontwikkelen;
- b)Het bevorderen van een degelijke universitaire opleiding tot specialist in de orthodontie en dento-faciale orthopedie, en een kwalitatief hoogstaande orthodontie en dento-faciale orthopedie na te streven;
- c)Bij te dragen tot het scheppen en het bewaren van een doelmatig solidariteit en een onberispelijke beroepswaardigheid in de betrekkingen tussen haar leden, net als tussen deze en de patiënten, de andere tandheelkundigen, de geneeskundige gemeenschappen en de openbare machten;
- d)De materiële en morele belangen van haar leden te verdedigen bij elke betrokken instantie, alsook de beroepsbelangen van haar leden bij de federale overheden en andere beleids- en beroepsinstanties te vertegenwoordigen;
- e)De materiële en morele belangen van haar leden verdedigen op internationaal vlak;
- f)Op algemene wijze zich bezig te houden met al hetgeen betrekking heeft op de tandheelkundigen;
- g)De Vereniging heeft tot doel het onderwijs, continue bijscholing, research en elke wetenschappelijke activiteit welke verband houdt met de orthodontie en de dento-faciale orthopedie, voor zijn leden mogelijk te maken en te promoten”. 3.5. Op 10 maart 2019 hebben de tussenkomende partij en de Belgische Vereniging Parodontologie (BVP) het RIZIV aangeschreven om te wijzen op het gebrek aan vertegenwoordiging van de tandarts-specialisten als één van de oorzaken van de hoge “deconventionering” in 2019. 3.6. De leidend ambtenaar van het RIZIV erkent op 9 april 2019 de tussenkomende partij als representatieve beroepsorganisatie: VII-40.577-5/10 “Overwegende dat statutaire documenten en schriftelijke bewijsmiddelen die betrekking hebben op de Belgian Union of Orthodontic Specialists, Grondwetlaan 94 te 1090 Jette, deel uitmaken van deze aanvraag, waaruit blijkt dat de vereniging : 1. statutair als maatschappelijk doel heeft op algemene wijze zich bezig te houden met al hetgeen betrekking heeft op de tandheelkundigen, en dit zonder onderscheid van woonplaats, en zich aldus richt tot de tandartsen van alle gewesten, en derhalve van tenminste twee gewesten van het land, 2. statutair van de aangesloten tandartsen jaarbijdragen int (2018: 100 €);”. Dit is het bestreden besluit. Het wordt met een aangetekend schrijven van 9 april 2019 ter kennis gebracht aan de tussenkomende partij. 3.7. Eveneens met een aangetekend schrijven van 9 april 2019 ontvangt ook de verzoekende partij haar beslissing van die datum tot erkenning als representatieve beroepsorganisatie. 3.8. Bij e-mailberichten van 14 en 22 april 2019 tracht een bestuurder van de verzoekende partij bij het RIZIV te informeren naar de andere erkende representatieve beroepsorganisaties. Per e-mailbericht van 23 april 2019 wordt door het RIZIV meegedeeld dat de andere deelnemers nog niet officieel zijn bekendgemaakt. 3.9. Op 29 april 2019 ontvangen de verzoekende en de tussenkomende partijen van het RIZIV een e-mail met kiesinstructies. Daarbij worden de erkende beroepsverenigingen opgelijst: - VBT (verzoekende partij); - Société de Médecine Dentaire asbl (SMD); - BUOS (tussenkomende partij); - Verbond der Vlaamse Tandartsen (VVT); - Chambre Syndicale Dentaire (CSD). VII-40.577-6/10 3.10. De stemming in het kader van de sociale verkiezingen van tandartsen 2019 vindt via een elektronische toepassing plaats in de periode van 29 mei tot en met 17 juni 2019. De stemuitslag wordt op 24 juni 2019 gepubliceerd op de website van het RIZIV. Hieruit blijkt dat BUOS 11,39 % van de stemmen en VBT 13,23 % van de stemmen behaalde. Drie mandaten worden toegekend aan BUOS en vier aan VBT. IV. Rechtspleging - samenhang 4. In haar laatste memorie verzoekt de tussenkomende partij om de voorliggende zaak samen te voegen met de zaken gekend onder nrs. G/A 230.103/VII-40.752 en 230.100/VII-40.751, die volgens haar in essentie hetzelfde doel nastreven, namelijk het weren van de tussenkomende partij uit de beheersorganen van het RIZIV. Volgens haar “zijn deze procedures allemaal te herleiden tot de in casu bestreden beslissing van de Leidend Ambtenaar, en worden in deze procedures dezelfde middelen ontwikkeld”. Beoordeling 5. De tussenkomende partij maakt niet aannemelijk dat het in het licht van een goede rechtsbedeling vereist is dat de zaken samen worden behandeld. Zij maakt evenmin aannemelijk dat de zaken onderling zo nauw verknocht zijn dat ze niet afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. Een vlotte rechtsbedeling vereist integendeel dat de zaken binnen een redelijke termijn worden beslecht. Het verzoek tot samenvoeging wordt afgewezen. V. Ontvankelijkheid Standpunten van de verwerende en de tussenkomende partijen VII-40.577-7/10 6. De verwerende partij werpt als exceptie in de eerste plaats de onbevoegdheid van de Raad van State op. Het recht op deelname aan de sociale verkiezingen van vertegenwoordigers van tandartsen als subjectief recht vloeit volgens haar voort uit artikel 211, § 2 en 212 van de GVU-wet, en veronderstelt dat de beroepsorganisatie die zich op dat recht beroept voldoet aan de voorwaarde erkend te zijn als een representatieve beroepsorganisatie overeenkomstig de voorwaarden zoals bepaald in het koninklijk besluit van 25 februari 2015. Het voorwerp van voorliggend beroep tot nietigverklaring betreft volgens haar niet de betwisting over de kwalificatie “representatieve beroepsorganisatie”, maar wel een geschil betreffende het subjectief recht, waarvoor de Raad van State met toepassing van artikel 144 van de Grondwet, dat bepaalt dat geschillen over burgerlijke rechten bij uitsluiting tot de bevoegdheid van de rechtbanken behoren. niet bevoegd is. Conform artikel 167 GVU-wet, dat onder meer bepaalt dat zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 52, § 3, van die wet, de betwistingen in verband met de rechten en plichten voortvloeiend uit de wetgeving en reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren, is volgens de verwerende partij de arbeidsrechtbank bevoegd om kennis te nemen van huidig geschil. Daar de termijn van één maand na kennisname op 29 april 2019 reeds vervallen is, kan het geschil, eveneens overeenkomstig voormeld artikel 167, niet meer worden doorverwezen naar de arbeidsrechtbank daar het laattijdig is. Beoordeling 7. Uit de samenlezing van de artikelen 211 en 212 GVU-wet en artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 25 februari 2015 volgt duidelijk dat de erkenning van de representativiteit van een beroepsorganisatie van (tand)artsen een constitutief bestanddeel is om deel te nemen aan de verkiezingen met het oog op vertegenwoordiging in de wettelijke organen. Slechts wanneer een VII-40.577-8/10 beroepsvereniging als representatief werd erkend kan zij deelnemen aan die verkiezingen. Artikel 167, eerste lid, van de Gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen luidt: “Zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 52, § 3, behoren de betwistingen in verband met de rechten en plichten voortvloeiend uit de wetgeving en reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank.” Artikel 14, § 1, eerste lid van de Rvs-wet bepaalt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege werd toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring (…).” De wetgever heeft de geschillenbeslechting met betrekking tot deze materie aan de arbeidsrechtbank toevertrouwd. Het is daarbij zonder belang of het al dan niet gaat over een subjectief recht en of de beslissende overheid al dan niet beschikt over een gebonden of discretionaire bevoegdheid. De Raad van State heeft bijgevolg geen rechtsmacht om kennis te nemen van het voorliggende geschil. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van VII-40.577-9/10 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.577-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div