← België

Arrest 253146 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.146 Rolnummer: A. 231779/VII-40922 Zaak: Arrest 253146 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 06:24 Fiche Arrest nr 253.146 van 3 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.146 van 3 maart 2022 in de zaak A. 231.779/VII-40.922 In zake : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Roger DE RESE (overleden) geding hervat tegen 1. Rose-Anne VERSCHEURE, Doornstraat 316, 8200 Brugge 2. Veronique DE RESE, Woudweg naar Zedelgem 30, 8490 Jabbeke 3. Stefaan DE RESE, Stationsweg 16, 8380 Brugge 4. Ignace DE RESE, Zonnelaan 53, 8430 Middelkerke -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 14 september 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. HHC-I-1920-0038 van het Handhavingscollege van 4 augustus 2020 in de zaak 1819-HHC-0054-I. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 8 oktober 2020. VII-40.922-1/12 Nadat het verzoekschrift werd betekend aan Roger De Rese heeft zijn raadsman met een brief van 17 november 2020 laten weten dat zijn cliënt op 16 november 2020 is overleden. De verzoekende partij heeft een verzoek tot hervatting van het geding ingediend tegen de erfopvolgers van Roger De Rese. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 24 juni 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari 2022. Staatsraad Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelien Bruyninckx, die loco advocaat Gregory Verhelst verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.922-2/12 III. Feiten 3.1. In het bestreden arrest worden de feiten kort samengevat als volgt: “Op 24 november 2018 controleert de gewestelijke toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos een groep jagers op het bezit en het bij zich dragen van het jachtverlof en gebruik van toegelaten munitie voor de jacht. Bij deze controle wordt bij de verzoekende partij vastgesteld dat de munitie in zijn jachtgeweer loodhagel bevat. Deze vaststellingen worden opgenomen in het verslag van vaststelling nr. VV.IW.63A.048/18, afgesloten op 3 december 2018 en verzonden op 6 december 2018. Met een brief van 17 december 2018 brengt de gewestelijke entiteit de verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, op te leggen en nodigt ze de verzoekende partij uit om schriftelijk haar verweer mee te delen. In hetzelfde aangetekend schrijven werd een voorstel tot betaling van een geldsom gedaan, waarop de verzoekende partij niet is ingegaan. De verzoekende partij bezorgt zijn schriftelijk verweer met een email van 10 januari 2019 aan de gewestelijke entiteit. Op 19 februari 2019 organiseert de gewestelijke entiteit een hoorzitting in aanwezigheid van de verzoekende partij en haar raadsman. De gewestelijke entiteit legt op 19 april 2019 de vermelde bestuurlijke geldboete op. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend met een aangetekende brief van 20 december 2019”. 3.2. Roger De Rese dient bij het Handhavingscollege een beroep in tegen deze beslissing van 19 april 2019. Met arrest HHC-I-1920-0038 van 4 augustus 2020 vernietigt het Handhavingscollege de beslissing van de gewestelijke entiteit. Dit is het bestreden arrest, waarvan de motivering als volgt luidt: “Beoordeling door het College 1 Toepasselijke regelgeving Artikel 10 van het Jachtvoorwaardenbesluit stelt: 'Voor het uitoefenen van elke vorm van jacht of van bestrijding worden in voorkomend geval de volgende soorten munitie gebruikt: 1° voor ree: kogelpatronen voor getrokken loop waarvan de normale trefenergie minimaal 980 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt; VII-40.922-3/12 2° voor edelhert, wild zwijn, moeflon en damhert:

  1. a)kogelpatronen voor getrokken loop met een nominaal kaliber, uitgedrukt of omgerekend in millimeter niet kleiner dan 6,5 mm, waarvan de normale trefenergie minimaal 2200 J op 100 m afstand van de loopmond bedraagt;
  2. b)kogelpatronen voor gladde loop van het kaliber 20, 16 en 12; 3° voor klein wild: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een diameter van 4 mm niet overschrijdt; 4° voor waterwild: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een diameter van 4 mm niet overschrijdt; 5° voor overig wild: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een diameter van 4 mm niet overschrijdt of kogelpatronen. In afwijking van het eerste lid, 4°, is het voor het uitoefenen van bijzondere jacht en bestrijding toegestaan voor waterwild gebruik te maken van kogelpatronen, op voorwaarde dat deze niet in een horizontale baan afgeschoten worden. Met behoud van de toepassing van het eerste en het tweede lid is het voor het uitoefenen van elke vorm van jacht of van bestrijding verboden om de volgende soorten munitie te gebruiken: 1° randvuurkogelpatronen; 2° fosforkogelpatronen; 3° lichtspoorkogelpatronen; 4° patronen met een volmantel en kogels die niet vervormen bij het treffen; 5° loodhagel; 6° zinkhagel.’ Artikel 16.3.23 DABM stelt: ‘Bij de vaststelling van een milieu-inbreuk kunnen de toezichthouders een verslag van vaststelling opstellen. Ze bezorgen dat onmiddellijk aan de gewestelijke entiteit. Ze bezorgen gelijktijdig een kopie van het verslag van vaststelling aan de vermoedelijke overtreder. De Vlaamse Regering kan de vorm van het verslag van vaststelling bepalen, alsook welke andere overheden geïnformeerd kunnen worden over de vastgestelde milieu-inbreuken, vermeld in het eerste lid, en de wijze waarop dat moet gebeuren.’ Artikel 16.3.14, §1 DABM stelt: ‘§1. Toezichthouders mogen zaken onderzoeken of laten onderzoeken. Zij mogen ze onder meer beproeven of laten beproeven, er monsters van nemen of laten nemen, ze meten of laten meten en ze analyseren of laten analyseren. Zij mogen daartoe verpakkingen openen of laten openen. Als het onderzoek niet ter plaatse uitgevoerd kan worden, mogen zij de zaken tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs meenemen tijdens de periode die vereist is om het onderzoek uit te voeren.' 2 De motivering in de bestreden beslissing De verwerende partij motiveert over de toerekenbaarheid van de verzoekende partij het volgende: ‘ Artikel 10, 5° van het Jachtvoorwaardenbesluit 2014 [verbiedt] het gebruik van loodhagel. VII-40.922-4/12 Vermoedelijke overtreder was op 24 november 2018 aan het jagen met loodhagel. Uit zijn jachtgeweer werden 2 patronen loodhagel gehaald en in zijn zak zat een handvol - 10 à 15 - hagelpatronen. Vermoedelijke overtreder werpt op dat hij geen enkel schot heeft gevuurd met het staalhagel. De geschonden bepaling verbiedt ‘het gebruik’ van loodhagel. Uit de vaststellingen en uit het document met de jachtopstelling overgemaakt tijdens de hoorzitting blijkt dat vermoedelijke overtreder zich samen met andere jagers en drijvers met honden op het jachtrevier van de heer Ampe bevond in positie om te schieten. Uit de verklaring tijdens de hoorzitting blijkt ook dat men zich midden in de jacht bevond. Vermoedelijke overtreder deelde verbalisant bovendien mee dat het ongepast was om hem tijdens de jacht te storen. Derhalve staat voldoende vast dat vermoedelijke overtreder bezig was met de jacht. [De] in beslag genomen patroon bevond zich in het wapen waarmee vermoedelijke overtreder zich opgesteld had. Derhalve was er wel degelijk sprake van het gebruik van loodhagel. Vermoedelijke [overtreder] betwist het feit dat [de] in beslag genomen patroon een hagelpatroon betrof en meent dat het staalhagel was. De test op magnetisme wees echter uit dat het geen staalhagel betrof aangezien de hagelkorrels niet magnetisch waren. De test op hardheid wees uit dat het loodhagel betrof aangezien de toezichthouder de hagelkorrel met een keukenschaar in twee kon knippen en deze hardheid overeen kwam met loodhagel. Ook op de hoorzitting toont vermoedelijke overtreder hagelpatronen met exact hetzelfde opschrift als degene die bestuurlijk in beslag werd[en] genomen en waarvan aangetoond werd dat deze loodhagel bevatten. Het staat derhalve afdoende vast dat het een hagelpatroon betrof. Vermoedelijke overtreder betwist dat de inbeslagname van [de] patroon met loodhagel voor analyse correct is gebeurd aangezien hij hiervoor geen document heeft moeten ondertekenen. Uit de vaststellingen blijkt echter dat vermoedelijke overtreder reeds vertrokken was op het ogenblik dat verbalisant het formulier ‘tijdelijke afstand van zaken voor nader onderzoek’ uit de dienstwagen had gehaald en hij dit aan vermoedelijke overtreder wou bezorgen. Uit deze elementen blijkt derhalve dat de toezichthouder de intentie had om een schriftelijk bewijs van dit formulier aan vermoedelijke overtreder te bezorgen. Bovendien is de schending van het niet tegen schriftelijk bewijs in beslag nemen van zaken voor nader onderzoek, zoals bepaald in artikel 16.3.14, §1 DABM, niet voorgeschreven op straffe van nietigheid van het onderzoek zodat de schending van deze bepaling geen invloed heeft op de vaststellingen. Bovenvermelde feiten maken een schending uit van: • Jachtvoorwaardenbesluit 2014 artikel 10. en vallen daarmee onder de definitie van een milieu-inbreuk als bedoeld in artikel 16.1.2, 1° DABM, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Voor zover het wel degelijk loodhagel zou betreffen, werpt vermoedelijke overtreder op dat hij het milieumisdrijf in ieder geval niet bewust heeft gedaan en dat hij per ongeluk patronen [met] loodhagel i.p.v. patronen met staalhagel zou hebben gebruikt. In essentie werpt vermoedelijke overtreder VII-40.922-5/12 hiermee de afwezigheid op van opzet of van een moreel element dan wel feitelijke dwaling. De bewering van vermoedelijke overtreder dat het niet om een intentionele inbreuk gaat, doet geen afbreuk aan het bestaan van de inbreuk. Hoewel de feiten zonder kwaad opzet werden gepleegd, is dit voor de concrete toerekenbaarheid van de feiten irrelevant gezien het DABM geen vereiste van een bijzonder opzet voor milieu-inbreuken voorschrijft opdat deze toerekenbaar zouden zijn. Ook elke door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde milieu-inbreuk is toerekenbaar. Van een redelijk voorzichtige jager mag men verwachten dat deze zijn patronen vooraf grondig controleert, of zo nodig laat controleren door een derde indien zijn zicht dit met meer toelaat, indien hij in het bezit is van zowel lood- als staalhagel vooraleer hij zijn jachtwapen hiermee vult. Vermoedelijke overtreder werpt tot slot op dat er geen verklaring van hem werd afgenomen en dat zijn rechten van verdediging derhalve geschonden zouden zijn. Vermoedelijke overtreder heeft echter van verbalisant een kopie van het proces-verbaal ontvangen waarin vermeld staat dat men een verklaring kan sturen kan naar ‘AMMC’, de vroegere benaming voor de ‘cluster sanctionering en advisering’. Vervolgens heeft vermoedelijke overtreder een verweerschrift ingediend en heeft zijn relaas tijdens de hoorzitting [uitvoerig] kunnen doen. Derhalve is geen sprake van een schending van de rechten van verdediging, hoorrecht of recht op tegenspraak. De milieu-inbreuk staat vast in hoofde van overtreder’. 3 De bewijslast 3.1 Een bestuurlijke geldboete betreft een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering behelst onder meer dat het bewijs van de feiten en het daderschap kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van het vastgestelde milieumisdrijf aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld, zoals onder meer bepaald in artikel 6, lid 2 EVRM, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en inhoudelijk vlak. 3.2 In een eerste onderdeel, samen gelezen met het vierde en vijfde onderdeel van het middel stelt de verzoekende partij onder andere dat het verslag van vaststelling als niet-tegenstelbaar moet aanzien worden omdat de toezichthouder [de] patroon van de verzoekende partij heeft meegenomen zonder het formulier 'tijdelijke afstand van zaken voor nader onderzoek' aan de verzoekende partij ter ondertekening aan te bieden. Volgens de verzoekende partij werden de rechten van verdediging geschonden bij gebreke van tegenspraak bij het meenemen voor verder onderzoek van [de] patroon. 3.3 VII-40.922-6/12 Het verslag van vaststelling luidt onder meer als volgt: ‘Op zaterdag 24/11/2018 om 11:15 zien wij vanop de Slijpesteenweg richting vaartdijk-zuid een groep jagers. We zien zes jagers geposteerd achter de hoeve vaartdijk zuid nr 58. De drijvers met honden en de jagers voor de voet bevinden zich nog op een afstand van ruim 1 km rechts van mij. om 11:27 komen wij aan de vierde geposteerde jager, wij brengen hem op de hoogte van onze naam, bevoegdheid en vragen zijn jachtverlof voor te leggen en de munitie uit zijn wapen te overhandigen. Wij stellen vast dat dit twee patronen caliber 20 zijn die LOODHAGEL bevatten. Wij tonen hem nogmaals dat er op de patroon merk GAMEBORE type BLACK GOLD 20/70 nummer 5 van 30gr met Fibre prop geen verwijzing staat naar de legering van de hagelkorrels en bij gevolg loodhagel is. Indien het geen loodhagel is staat er op de patroon welke hagelsoort het wel is zoals de meest gebruikte ‘steel’ voor staalhagel of bismut voor bismuthagel. Wij delen hem mee dat wij omwille van zijn betwisting één patroon bestuurlijk meenemen. Dit doen we op basis van artikel 16.3.10 derde punt 3 voor onderzoek van zaken. Meteen gaat verdacht nog een toon hoger en eist de patroon terug omdat hij deze nu nodig heeft om te jagen. Wij zeggen hem nogmaals dat hij deze patronen niet mag gebruiken om te jagen. Wij brengen hem op de hoogte dat wij voor deze inbreuk een verslag van vaststellingen zullen opmaken, wij nemen één patroon mee. Omdat de situatie met verdachte, die drager is van een wapen, mogelijks gaat escaleren maken wij hem duidelijk dat wij hier nu niet verder over gaan discussiëren en gaan verder naar de volgende geposteerde jager. Wanneer wij aankomen aan de dienstwagen nemen wij het document ‘Tijdelijke afstand van zaken voor nader onderzoek’ Bijlage 2 en rijden naar Vaartdijk zuid waar de jagers en drijvers na hun drift verzamelden. Het was de bedoeling om daar het document door DE RESE te laten onderteken[en] maar er was niemand meer aanwezig.’ Het blijkt duidelijk uit het verslag van vaststelling dat de verzoekende partij betwist dat [de] patroon loodhagel bevat. Om deze reden neemt de toezichthouder een patroon mee zodat dit verder kan onderzocht worden. Het onderzoek naar loodhagel kon niet ter plaatse uitgevoerd worden. De tests achteraf bij de verwerende partij (test op magnetisme en test op hardheid) waaruit blijkt dat [de] patroon dat werd onderzocht loodhagel bevat, is het beslissend en enig decisief element waarop de boetebeslissing is gesteund. In de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de ‘intentie’ van de toezichthouder om het formulier te bezorgen afdoende vond omdat de toezichthouder naar zijn dienstwagen is gegaan om het formulier uit zijn dienstwagen te halen maar dit niet kon overhandigen omdat de verzoekende partij toen reeds was verdwenen. Ook stelt de verwerende partij dat de schending van artikel 16.3.14, §1 DABM niet voorgeschreven is op straffe van nietigheid. De verwerende partij stelt dat het vaststaat dat [de] patroon loodhagel betreft en dat deze loodhagel zich in het wapen van de verzoekende partij bevond. De verwerende partij besluit dat de inbreuk van VII-40.922-7/12 het gebruik van loodhagel tijdens de jacht toerekenbaar is aan de verzoekende partij. 3.4 Artikel 16.3.14, §1 tweede lid DABM vereist dat een schriftelijk bewijs moet afgegeven worden aan de overtreder indien de toezichthouder zaken meeneemt. Hoewel niet expliciet op straffe van nietigheid voorgeschreven, vormt deze decretale verplichting in ieder geval een substantiële vormvereiste, die ertoe strekt het tegensprekelijk karakter van de in beslag genomen materialen te vrijwaren, en elke discussie over de herkomst van de nadien onderzochte hagel uit te sluiten. Uit de uiteenzetting blijkt dat de verzoekende partij stelt dat niet wordt aangetoond dat de onderzochte hagel wel degelijk deze is die werd aangetroffen bij de verzoekende partij, minstens wordt dit in vraag gesteld. Bij een betwisting van een vaststelling moet des te zorgvuldiger met het verder te onderzoeken bewijsmateriaal worden omgesprongen. De niet-naleving van de vormvereisten voorgeschreven in artikel 16.3.14, §1 DABM raakt de rechten van verdediging. Het blijkt duidelijk uit het verslag van vaststelling dat de toezichthouder geen formulier bijhad, omdat hij terug moest keren naar zijn dienstwagen om het te gaan halen. De discussie of de verzoekende partij al dan niet nog aanwezig was op het terrein, doet niet ter zake. In elk geval acht het College niet afdoende bewezen dat de niet-afgifte van het formulier moet toegerekend worden aan de verzoekende partij. De versies van partijen lopen wat de chronologie betreft uiteen. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat er een situatie van overmacht of dwaling heeft plaatsgevonden waardoor het op het moment van de in beslagname van [de] patroon het formulier niet aan de vermoedelijke overtreder kon worden meegegeven. Dat de toezichthouder de 'bedoeling' had om het document af te geven en te laten ondertekenen, zoals vermeld in de bestreden beslissing, doet niet anders besluiten. Evenmin is het niet relevant of de vermoedelijke overtreder verbaal agressief werd, omdat dit plaatsvond bij de controle, toen reeds bleek dat de toezichthouder het formulier niet meehad, aangezien het in zijn dienstwagen was achtergebleven. De verwerende partij wijst er in haar antwoordnota nog op dat er wel een schriftelijk bewijs voorligt omdat het formulier werd opgenomen in bijlage 2 van het verslag van vaststelling, hetgeen op 6 december 2018 werd overgemaakt aan de verzoekende partij. Artikel 16.3.14, §1, tweede lid DABM impliceert evenwel de verplichting om het schriftelijk bewijs mee te geven op het moment van in beslagname, zodat het recht op tegenspraak en het bewijs van herkomst van wat inbeslaggenomen is, zonder discussie kan worden vastgelegd. Zulks blijkt ook uit de Parlementaire Voorbereiding (Parl. St. Vl. Parl. 1249/1, 35): ‘Als een onderzoek ter plaatse niet mogelijk is, kan – blijkens het tweede lid – de toezichthouder, voor zover zulks natuurlijk materieel mogelijk is, de zaken in kwestie meenemen tegen ontvangstbewijs voor de tijd die is vereist om de nodige onderzoeken te verrichten’. VII-40.922-8/12 Verder stelt de verwerende partij nog dat uit het verslag van vaststelling duidelijk blijkt dat wel degelijk [de] patroon afkomstig van de verzoekende partij werd meegenomen voor verder onderzoek. Er wordt in het verslag van vaststelling echter enkel vastgesteld dat 'een patroon' van de verzoekende partij wordt meegenomen maar door het ontbreken van het formulier wordt niet afdoende als naar recht aangetoond dat dit [de] loodhagelpatroon betreft waarop de inbreuk gebaseerd is. Dit blijkt ook niet uit het vervolg van het verslag van vaststelling. Bovendien blijkt wel duidelijk uit het verslag van vaststelling dat de verzoekende partij de vaststelling dat het loodhagel is betwist. De stelling dat de verzoekende partij dit zelf later zou erkend hebben, kan het College niet afleiden uit de voorliggende documenten. Door louter te steunen op de ‘intentie’ van de toezichthouder om het formulier te bezorgen en op het feit dat artikel 16.3.14, §1 DABM niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven, schendt de verwerende partij de decretaal voorgeschreven substantiële vormvereisten, alsook het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging. 3.5 De verzoekende partij kan gevolgd worden waar hij stelt dat er geen tegensprekelijk bewijs is dat [de] patroon dat door de toezichthouder werd onderzocht en de basis vormt voor de bestuurlijke geldboete, ook [de] patroon is die afkomstig is uit het vuurwapen van de verzoekende partij door het ontbreken van het schriftelijk bewijs. Minstens is ter zake twijfel mogelijk, die ten goede moet komen aan de vermoedelijke overtreder. Het College acht de inbreuk en de toerekenbaarheid van deze inbreuk aan de verzoekende partij onvoldoende bewezen als naar recht. De vaststellingen vervat in het vermeld verslag van vaststelling, zijn onvoldoende coherent en decisief om de verzoekende partij als dader aan te wijzen. De bewijslast voor het bestaan van het daderschap rust op de gewestelijke entiteit. In het kader van het vermoeden van onschuld, waarop elke verdachte zich kan beroepen, dient gerede twijfel uitgelegd te worden in het voordeel van de verzoekende partij. 3.6 De overige middelonderdelen worden niet onderzocht nu ze niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden. Het middel is in de aangegeven mate gegrond”. IV. Ontvankelijkheid 4. De verzoekende partij zet uiteen dat ze na het overlijden van Roger De Rese nog steeds belang heeft bij haar cassatieberoep: “De finaliteit van een cassatieberoep bestaat er in om een onwettige uitspraak van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling opnieuw aan het rechtscollege wordt voorgelegd zodat VII-40.922-9/12 de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege (RvS 1 oktober 2020, nr. 248.401, Lauwereys). Verzoekster heeft er in het inleidend cassatieberoep op gewezen dat het bestreden arrest de inwilliging inhoudt van het beroep tot nietigverklaring van de oorspronkelijke verwerende partij tegen het besluit van de gewestelijke entiteit van de afdeling Handhaving van 19 april 2019 waarbij aan wijlen de heer DE RESE een exclusieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 600 euro. Verzoekende partij wordt in het arrest ook veroordeeld tot de kosten van het geding. Verzoekster heeft een belang bij de vernietiging van (één van) beide beslissingen (dus zowel de nietigverklaring van het besluit van verzoekster als de veroordeling tot de kosten), ook na het overlijden van de oorspronkelijke verwerende partij. Het arrest heeft bovendien een principieel karakter, aangezien de beoordeling de deur wagenwijd open zet voor misbruiken en de controletaak van de toezichthouders disproportioneel bemoeilijkt en in sommige gevallen zelfs onmogelijk dreigt te maken. Verzoekster behoudt derhalve haar belang bij de verdere afhandeling van de cassatieprocedure. Het gegeven dat de heer Roger DE RESE inmiddels overleden is, tast het belang van verzoekster bij het cassatieberoep niet aan. Dit beroep kan immers nog steeds leiden tot de vernietiging van een voor verzoekster nadelig arrest. Het is hierbij in beginsel zelfs niet relevant of na het overlijden van de heer De Rese nog een nieuwe bestuurlijke geldboete zou kunnen opgelegd worden. De Raad van State toetst als cassatierechter immers enkel de wettigheid van de jurisdictionele beslissing, zonder in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Bovendien werd in dit geval reeds een bestuurlijke geldboete opgelegd, en wel bij beslissing van de gewestelijke entiteit van 19 april 2019, dit is voor het overlijden van de heer Roger De Rese. Met het bestreden arrest wordt de administratieve geldboete retroactief vernietigd. Wanneer de Raad van State evenwel zou overgaan tot de vernietiging van het bestreden arrest van het Handhavingscollege, dan herleeft de beslissing tot het opleggen van de bestuurlijke geldboete opnieuw. Minstens in het geval van een reeds (voor het overlijden) opgelegde bestuurlijke geldboete is er geen reden om aan te nemen dat die boete, eens opgelegd, niet mee zou overerven op de rechtsopvolgers ten algemene titel als een schuld (lastens de overheid die de boete heeft opgelegd) die deel uitmaakt van de nalatenschap”. VII-40.922-10/12 Beoordeling 5. Uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit de waarborgen die voortvloeien uit de algemene beginselen van het strafrecht, die ook van toepassing zijn op administratieve geldboeten met een overwegend repressief karakter, volgt dat de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van de straffen en van het vermoeden van onschuld in acht dienen te worden genomen. (GwH nr. 119/2009 van 16 juli 2009, overweging B.6.3). De voorziening heeft bijgevolg geen bestaansreden meer en is zonder voorwerp. Het door de verzoekende partij ingeroepen belang behoeft geen nader onderzoek. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-40.922-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.922-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.