← België

Arrest 253148 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.148 Rolnummer: A. 232766/VII-41013 Zaak: Arrest 253148 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 06:24 Fiche Arrest nr 253.148 van 3 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.148 van 3 maart 2022 in de zaak A. 232.766/VII-41.013 In zake : de NV RINKKAAI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Toon Smets kantoor houdend te 1160 Oudergem Vorstlaan 280 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. Ignaas VANDENABEELE
  2. de BV SOUVERAIN 400 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 14 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0394 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 december 2020 in de zaak 1920-RvVb-0146-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 1 april
  5. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.013-1/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 20 oktober 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Deborah Smets, die loco advocaat Toon Smets verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Met een besluit van 30 augustus 2019 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar (GSA) aan de nv RINKKAAI de omgevingsver- gunning voor de ontwikkeling van een woonproject met zes bouwvolumes dat 308 private woningen en 1.627m² commerciële ruimte bovenop de ondergrondse parkeergarage omvat. VII-41.013-2/8
  9. Het bestreden arrest: – verwerpt de exceptie van de nv RINKKAAI van onontvankelijkheid van de vordering van VANDENABEELE en de bv SOUVERAIN 400 tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de GSA – verklaart het ambtshalve aangevoerde middel wegens het ontbreken van de rechtsgrond, na de vernietiging van de verkavelingsvergunning bij arrest nr. RvVb-A-2021-0393 van 10 december 2020, gegrond – vernietigt de vergunningsbeslissing van de GSA waarvoor voormelde “verkave- lingsvergunning de rechtsgrond vormt”. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep exceptie Vandenabeele en de bv Souverain 400
  10. Zij voeren aan dat “kennelijk recent een nieuwe verkavelings- aanvraag [werd] ingediend door [Rinkkaai] voor de verkaveling van het betrokken terrein. Dit doet vragen rijzen naar het actuele belang van [Rinkkaai] bij haar cassatieberoep. De eventuele vernietiging van het bestreden vernietigingsarrest kan haar geen voordeel opleveren. Het cassatieberoep is in die zin dan ook onont- vankelijk”.
  11. De nv Rinkkaai repliceert dat het recent verkavelingsdossier op meerdere punten afwijkt van de in 2017 ingediende aanvraag, in de aanvraag uitdrukkelijk gesteld wordt dat geen afstand wordt gedaan van de eerdere aanvraag en er op heden geen nieuwe verkavelingsvergunning voorligt, laat staan dat deze nieuwe verkavelingsvergunning op datum van de uitspraak in voorliggende cassatieprocedure definitief en uitvoerbaar zou/zal zijn. Een vernietiging van het bestreden arrest heeft tot gevolg dat de RvVb zich, anders samengesteld, over het destijds ingediende beroep moet uitspreken. De kans is daarbij niet onbestaande dat de RvVb het beroep verwerpt, waardoor het alsnog mogelijk wordt de beoogde verkavelingsvergunning te bekomen, minstens om een kans daartoe te maken. VII-41.013-3/8 Beoordeling
  12. De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om een onwettige uitspraak van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het anders samengesteld rechtscollege wordt voorgelegd zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege.
  13. Het cassatieberoep van de nv Rinkkaai tegen het bestreden arrest is gericht tegen de ontvankelijkverklaring van de vordering van Vandenabeele en de bv Souverain
  14. Ingeval van cassatie dient de RvVb zich opnieuw uit te spreken over de ontvankelijkheid van de vordering van Vandenabeele en de nv Souverain
  15. De nv Rinkkaai heeft belang bij het instellen van haar cassatieberoep tegen het bestreden arrest.
  16. De exceptie wordt verworpen. Het cassatieberoep is ontvankelijk. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de nv Rinkkaai
  17. De nv Rinkkaai voert de schending aan van artikel 105, § 2, eerste lid, 2° van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna:OVD), gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, 1° van datzelfde decreet. Zij zet uiteen dat de causaliteitsvereiste op een restrictieve manier moet worden geïnterpreteerd. De RvVb kan niet toelaten dat éénieder om VII-41.013-4/8 eender welke reden en in eender welke hoedanigheid een vernietigingsberoep tegen een bepaalde vergunningsbeslissing kan instellen. De vereiste van causaliteit houdt in dat de aangevoerde hinderaspecten of nadelen ter ondersteuning van het belang bij een beroep bij de RvVb “oorsprong moet vinden in de tenuitvoerlegging van de vergunningsbeslissing of in de (al dan niet toekomstige) exploitatie van de vergunde bouwwerken”. Er moet met grote mate van voorzichtigheid worden omgesprongen met de beoordeling van de vereiste van causaliteit in situaties waarin projectgebieden gelegen zijn binnen de contouren van een ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP). In dergelijke situaties lijkt de hinder en nadelen die voortvloeien uit bouwwerken hun oorsprong niet vinden in een bij de RvVb aangevochten vergunningsbeslissing maar in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften van dat specifieke RUP, in het bijzonder wanneer deze zeer gedetailleerd van aard zijn. Zij wijst erop dat een gunningsbeslissing in bepaalde gevallen niet meer dan een loutere uitvoeringstitel kan zijn om de verordenende voorschriften van een RUP uit te voeren. De causaliteitsvereiste lijkt aldus te vereisen dat de RvVb geval per geval moet nagaan of de door een verzoeker aangevoerde vormen van hinder en nadelen voortvloeien uit de bestreden vergunningsbeslissing dan wel uit een hogerliggend instrument dat voorziet in vormgevende stedenbouwkundige voorschriften. Zij besluit dat de RvVb door dit onderzoek naar de causaliteitsvereiste niet uit te voeren het bepaalde in art. 105, § 2 OVD in samenhang gelezen met artikel 2 OVD heeft geschonden. Beoordeling
  18. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van de exceptie van de nv Rinkkaai van onontvankelijkheid van de vordering van Vandenabeele en de nv Souverain 400 om volgende redenen: “
  19. Op grond van artikel 105, §2, eerste lid, 2° van het Omgevingsver- gunningsdecreet kan ‘het betrokken publiek’ een beroep instellen bij de Raad tegen een in laatste administratieve aanleg genomen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning. Artikel 2, eerste lid, 1° van het Omgevingsvergunningsdecreet definieert ‘het betrokken publiek’ als volgt: VII-41.013-5/8 ‘elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn’
  20. De aanvraag beoogt een woonproject met zes volumes die samen 308 private woningen en 1.627m² commerciële ruimte omvatten bovenop een ondergrondse parkeergarage. Het betoog van de verzoekende partijen overtuigt. Het valt niet uit te sluiten dat het aangevraagd project een nadelige impact kan hebben op de bewoning en eigendom van het pand van de verzoekende partijen. De verzoekende partijen wijzen er ook terecht op dat het instellen van een beroep tegen een ruimtelijk uitvoeringsplan geen vereiste is om op ontvankelijke wijze beroep in te stellen bij de Raad tegen een verleende omgevingsvergunning. Het is zonder belang in te gaan op de verwijzing van de tussenkomende partij naar de verleende verkavelingsvergunning, die immers bij arrest nr. RvVb-A-2021-0393 van 10 december 2020 werd vernietigd. ”
  21. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, RvS-wet treedt de afdeling bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het komt derhalve de Raad van State als cassatierechter niet toe het vervuld zijn van de vereiste in voormeld artikel 2, eerste lid, 1°, OVD na deze feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen.
  22. Luidens deze laatste bepaling is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden, “betrokken publiek” overeenkomstig artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, OVD die een beroep kan instellen bij de RvVb tegen een in laatste aanleg genomen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning. VII-41.013-6/8 Uit deze bepaling volgt dat de RvVb bij betwisting hoort te onderzoeken of de verzoekende partij gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de voor hem bestreden vergunningsbeslissing.
  23. Het middel dat stelt dat de RvVb “geval per geval moet nagaan of de door een verzoekende partij aangevoerde vormen van hinder en nadelen voortvloeien uit de bestreden vergunningsbeslissing dan wel uit een hogerliggend instrument dat voorziet in vormgevende stedenbouwkundige voorschriften” gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel faalt in zoverre naar recht.
  24. Door met de in randnummer 13 aangehaalde overwegingen de exceptie van de nv Rinkkaai te verwerpen, schendt het bestreden arrest niet artikel 105, § 2, eerste lid, 2° in samenhang gelezen met artikel 2, eerste lid, 1°, OVD.
  25. Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. VII-41.013-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.013-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.