id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.156 Rolnummer: A. 227393/IX-9504 Zaak: Arrest 253156 - Personeel van de rechterlijke orde - 03/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 06:24 Fiche Arrest nr 253.156 van 3 maart 2022 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.156 van 3 maart 2022 in de zaak A. 227.393/IX-9504 In zake: Caroline DELESIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Greet VLAEMINCK woonplaats kiezend te 8630 Veurne Iepersesteenweg 5 bus 00.01 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 februari 2019, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 6 december 2018 waarbij Greet Vlaeminck wordt benoemd tot vrederechter van het kanton Ieper en in subsidiaire orde tot vrederechter in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement West- Vlaanderen. IX-9504-1/27 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Greet Vlaeminck heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 3 mei
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 januari
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, en de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9504-2/27 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2018 verschijnt een vacature voor een vrederechter van het eerste kanton Ieper. 3.
- Er melden zich vier kandidaten, onder wie verzoekster en de tussenkomende partij. Op dat ogenblik is verzoekster vrederechter van het kanton Menen. De tussenkomende partij is vrederechter van het eerste kanton Oostende. 3.
- De vertegenwoordigers van de balies van Brugge, Ieper, Kortrijk en Veurne verlenen op 23 augustus 2018 over verzoekster een gemeenschappelijk advies ‘zeer gunstig’. Op 24 augustus 2018 verstrekken zowel de korpschef waar de plaats vacant is als de korpschef van verzoekster – in feite dezelfde korpschef, namelijk de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen, maar in een verschillende hoedanigheid optredend – eveneens advies, waarin telkens wordt besloten dat verzoekster een uitstekend kandidaat is. 3.
- De vertegenwoordigers van de balies van Brugge, Ieper, Kortrijk en Veurne verlenen op 1 augustus 2018 over de tussenkomende partij een gemeenschappelijk advies ‘gunstig’. Op 24 augustus 2018 verstrekken zowel de korpschef waar de plaats vacant is als de korpschef van de tussenkomende partij – nog steeds één en dezelfde voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van IX-9504-3/27 het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen – eveneens advies, waarin telkens wordt besloten dat de tussenkomende partij een uitstekend kandidaat is. 3.
- De Nederlandstalige benoemings- en aanwijzingscommissie (BAC) van de Hoge Raad voor de Justitie beslist, de kandidaten gehoord, om de tussenkomende partij voor benoeming voor te dragen. 3.
- Met het bestreden koninklijk besluit van 6 december 2018 wordt de tussenkomende partij benoemd tot vrederechter van het kanton Ieper en, subsidiair, in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen. Die benoeming steunt op de volgende overwegingen: “Overwegende dat het ambt van vrederechter van het eerste kanton Ieper, met een benoeming in subsidiaire orde in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 1 juni 2018, vacant is sedert 1 januari 2017; Overwegende dat mevr. Vlaeminck Greet, vrederechter van het eerste kanton Oostende, houder is van het diploma licentiaat in de rechten in de Nederlandse taal; Overwegende dat de door de wet voorziene adviezen werden gevraagd op 5 juli 2018; Overwegende dat deze adviezen werden uitgebracht binnen de wettelijke termijn; Overwegende dat de Nederlandstalige Benoemings- en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie op 27 september 2018 werd verzocht een voordracht te verrichten; Overwegende dat deze kandidaat met de vereiste meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen werd voorgedragen door deze commissie voor de vacante plaats van vrederechter van het eerste kanton Ieper, op grond van volgende motivering: Blijkens de uitgebrachte adviezen dient de kandidaat geschikt te zijn om op een zelfstandige en kwalitatieve wijze de zittingen van een vredegerecht voor zijn/haar rekening te nemen. Door het autonoom werken van een vrederechter is een onmiddellijke inzetbaarheid vereist zodat de goede werking van de rechtbank verzekerd blijft. De voor te dragen kandidaat dient derhalve op de hoogte te zijn van de wetgevende evoluties en dient over een grondige kennis te beschikken van de materies eigen aan een vredegerecht. Het vredegerecht van het eerste kanton Ieper zal naar aanleiding van de hervormingen vanaf 1 januari 2019 worden hertekend. Het nieuwe kanton Ieper zal bevoegd zijn voor de volledige stad Ieper, Zonnebeke, Langemark-Poelkapelle en Staden. Dit betekent dat binnen het kanton nagenoeg het volledige IX-9504-4/27 spectrum van bevoegdheden van de vrederechter wordt behandeld. Een goede kennis van de wet op de geesteszieken en de wet op de landpacht is door de specifieke gebiedsomschrijving van het nieuwe kanton Ieper (aanwezigheid psychiatrische instelling en landelijk gebied) een vereiste. Door de aanwezigheid van een psychiatrische instelling zal de kandidaat zich op sociaal vlak moeten kunnen inleven. In het kanton bevinden zich ook veel rusthuizen zodat de kennis van de wet op de bewindvoeringen bij de kandidaat dan ook van groot belang is. De kandidaat moet tevens in staat zijn om beslissingen te nemen en de gave hebben om heldere en gemotiveerde vonnissen te redigeren. Vertrouwdheid met het reilen en zeilen van het vredegerecht, alsook geografische nabijheid en kennis van het kanton worden omschreven als pluspunten. Als eerstelijns- en nabijheidsrechter zijn communicatieve vaardigheden een absolute vereiste. Cruciaal daarbij is de gave om vlot en spontaan in sociale interactie met de rechtzoekende te treden. Van de voor te dragen kandidaat wordt ten slotte een grote flexibiliteit, mobiliteit en aanpassingsvermogen verwacht. Ook collegialiteit en een vlotte samenwerking met het gerechtspersoneel zijn troeven. […] Greet Vlaeminck behaalde in 1994, met onderscheiding, het diploma van licentiaat in de rechten. In 1998 behaalde ze, met grote onderscheiding, het diploma van licentiaat in de criminologische wetenschappen. Ze was van 1 oktober 1994 tot 31 maart 1996 opgenomen op de lijst van advocaat-stagiairs bij de balie van Dendermonde. Vervolgens was ze van april 1996 tot en met september 1997 juriste bij het sociaal secretariaat Hulp der Patroons. Bij ministerieel besluit van 4 september 1997 werd ze, met ingang van 1 oktober 1997, benoemd tot gerechtelijk stagiair bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Bij ministerieel besluit van 14 april 1999 werd ze, met ingang van 1 juli 1999, benoemd tot gerechtelijk stagiair bij de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Bij koninklijk besluit van 15 oktober 2000 werd ze benoemd tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Bij koninklijk besluit van 1 juli 2008 werd ze aangewezen in het mandaat van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Veurne. Bij koninklijk besluit van 3 april 2013 werd de kandidate benoemd tot vrederechter van het eerste kanton Oostende. Uit het dossier blijkt dat ze een ruime aandacht heeft voor bijscholing en vorming. Ze volgde de afgelopen vijf jaar voornamelijk opleidingen in verband met beschermde personen, woninghuur, handelshuur, mede-eigendom en burenhinder, volgde de Postuniversitaire cyclus Willy Delva in 2016 en de opleiding rechtskroniek vrede- en politierechters in
- Van de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement West- Vlaanderen, in de hoedanigheid van korpschef van de entiteit waar IX-9504-5/27 de te begeven plaats vacant is, verkrijgt de kandidate een zeer gunstig advies. In het advies overweegt de korpschef onder meer dat de kandidate reeds vrederechter is van het eerste kanton Oostende waardoor ze vertrouwd is met de materie van een vredegerecht, het leiden van zittingen en het redigeren van vonnissen. De kandidate is luidens het advies een ‘betrokken’ magistraat met verantwoordelijkheidszin, die thans haar loopbaan een wending wil geven die nauwer aansluit bij haar persoonlijkheid en haar moet toelaten meer voldoening in haar professionele activiteit te vinden. Tijdens het onderhoud bleek dat de kandidate bijzonder gemotiveerd is om vrederechter van het kanton Ieper te worden. Het takenpakket van een vrederechter, dat veelzijdigheid en flexibiliteit vergt, daagt haar nog steeds uit en blijft boeien. De werkomgeving, centrum Oostende, en de hoge graad van anonimiteit en isolement sluiten echter minder aan bij haar persoonlijkheid en bij de wijze waarop ze haar functie als vrederechter wil invullen. Ze is ervan overtuigd dat een meer landelijke stad in de Westhoek, zoals Ieper, waar ze al graag heeft gewerkt en waarmee ze verknocht is, meer mogelijkheden biedt zodat ze de proximiteit echt zal voelen en dat ze ten volle zal openbloeien als nabijheidsrechter. Ze ziet de vacature van vrederechter te Ieper als een unieke opportuniteit om terug een gelukkiger magistraat te worden. Nog luidens het advies voldoet de kandidate volkomen aan het profiel dat van een vrederechter mag worden verwacht. Ze wordt geschikt geacht, gelet op haar reeds professionele ervaring als vrederechter en het beschikken over de vereiste vaardigheden. Daarnaast beschikt ze over zeer goede communicatieve vaardigheden en communiceert ze op een zeer efficiënte wijze. Ze weet dat ze met een nieuwe benoeming subsidiair benoemd wordt in het volledig arrondissement en is ook bereid om zich mobiel en flexibel op te stellen binnen de gerechtelijke structuur van het arrondissement West-Vlaanderen. Binnen de context van het creëren van de randvoorwaarden waardoor magistraten binnen het korps zo goed mogelijk functioneren, dient deze kandidatuur volgens de korpschef te worden ondersteund. Het advies besluit dat de kandidate dan ook zeer geschikt is en dat ze een uitstekende kandidate is. Ook in de hoedanigheid van korpschef van de kandidate verstrekt de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement West- Vlaanderen een zeer gunstig advies. In dit advies overweegt de korpschef dat Greet Vlaeminck over een uitstekende kennis van het burgerlijk recht beschikt en mede door haar ervaring als vrederechter alle materies eigen aan een vredegerecht beheerst. Ze drukt zich uit in een heldere en verzorgde taal en is vlot in haar mondelinge communicatie. Haar kwalitatief goede vonnissen zijn goed gestructureerd en geschreven in een duidelijke taal. Het advies vervolgt dat de kandidate besluitvaardig is maar veel werk IX-9504-6/27 en energie stopt in het maken van haar vonnissen waardoor de beraadtermijnen soms worden overschreden. Het vredegerecht van het eerste kanton Oostende behoort op gebied van werklast tot de zwaarste kantons van het arrondissement. De kandidate levert grote inspanningen om de beraden zoveel als mogelijk binnen termijn te houden. Ze gaat respectvol om met de rechtzoekenden en luistert respectvol naar zowel partijen als advocaten. Ze volgt op regelmatige basis opleidingen. Ze komt stipt haar afspraken na, werkt georganiseerd en met planning. De kandidate is heel open van geest, is steeds bereid om te luisteren en wil zeer betrokken zijn als magistraat. Het advies stelt voorts dat ze een uitstekende vrederechter en een zeer goede juriste is, dat ze uitermate gemotiveerd is, dat ze ervan overtuigd is dat het meer landelijke karakter van de Westhoek haar beter zal liggen en dat ze ten volle zal kunnen openbloeien als nabijheidsrechter en als magistraat meer betrokken zal zijn. Het advies besluit dat ze over de professionele ervaring en vaardigheden beschikt om ook in Ieper een uitstekend vrederechter te zijn. Het gemeenschappelijk advies vanwege de balie tot slot luidt ‘gunstig’ en stelt dat de kandidate bekwaam is en over het juiste profiel beschikt. Ze heeft als vrederechter te Oostende de afgelopen vijf jaar bewezen over de nodige kwaliteiten en kwalificaties te beschikken als vrederechter. Ze is bijzonder gemotiveerd voor deze nieuwe uitdaging en wordt aanzien als een goede kandidate die over alle vereiste kwaliteiten beschikt om de taak als vrederechter op zich te nemen. Gedurende de hoorzitting maakt Greet Vlaeminck een standvastige, overtuigende, oprecht gemotiveerde en goed voorbereide indruk. Ze weet de vragen van de leden van de benoemingscommissie op een vlotte en weloverwogen wijze te beantwoorden en geeft hierbij blijk van een doorleefd beeld van de taken en de verantwoordelijkheden die inherent zijn aan het door haar geambieerde ambt. Gedurende het gesprek met de commissie verduidelijkt de kandidate dat ze destijds bewust voor de functie van vrederechter heeft gekozen en dat ze zichzelf als een echte nabijheidsrechter ziet. Ze stelt dat ze in Oostende, dat een atypisch vredegerecht is en waarin het landelijke volledig ontbreekt, het vrederechterschap evenwel minder goed kan invullen vanuit de functie van nabijheidsrechter. Ze is ervan overtuigd dat de materies en het karakter van het vredegerecht van het eerste kanton in Ieper meer in de lijn liggen van hoe ze het ambt van vrederechter ziet en wil invullen. De kandidate geeft voorts aan dat ze zich goed heeft geïnformeerd over het kanton, onder meer bij de vrederechter en ter griffie. Ze stelt dat de opmerking in één van de adviezen in verband met het overschrijden van termijnen van beraad juist is en duidt dat ze eenmalig een zaak meer dan drie maanden in beraad heeft gehad, bij gebrek aan ondersteunend personeel, maar dat het evenwel zeer uitzonderlijk is dat ze niet IX-9504-7/27 binnen één maand uitspreekt. Tot slot stelt ze dat ze na een langdurige afwezigheid omwille van medische redenen in november het werk hervat. De commissie is van oordeel dat Greet Vlaeminck over de vereiste persoonlijke en juridische kennis en vaardigheden beschikt om een zeer goed vrederechter van het eerste kanton Ieper te zijn. Met haar ruime professionele ervaring, haar ervaring van vijf jaar als vrederechter in een moeilijk kanton, haar uitstekende kennis van het burgerlijk recht, haar grondige kennis van en vertrouwdheid met de materies van het vredegerecht, haar ervaring met het leiden van zittingen, haar ervaring met het redigeren van vonnissen, haar zeer goede schriftelijke en mondelinge communicatieve vaardigheden, haar geografische kennis van het kanton, haar leergierigheid, haar gevolgde relevante opleidingen, haar bereidheid om zich mobiel en flexibel op te stellen, haar besluitvaardigheid, haar luisterbereidheid, haar respectvolle bejegening van de rechtzoekenden, haar openheid van geest, haar zeer sterke gemotiveerdheid en haar zeer lovende adviezen beantwoordt de kandidate in zeer hoge mate aan het vooropgestelde profiel, is ze onmiddellijk inzetbaar en beschikt ze over de nodige troeven om het ambt tot eenieders voldoening te vervullen. […] Caroline Delesie behaalde in 1986, met onderscheiding, het diploma van licentiaat in de rechten. Ze was advocaat aan de balie te Brussel van 1986 tot
- Van 1990 tot 1992 was ze parlementair medewerker en van 1992 tot 1993 was ze kabinetsadviseur op het kabinet van de minister van Justitie. De kandidate werd in 1993 benoemd tot substituut-procureur des Konings te Kortrijk en in 1996 tot arbeidsauditeur te Kortrijk- Ieper-Veurne. In 1999 werd ze benoemd tot rechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk en in 2004 werd ze benoemd tot vrederechter van het kanton Menen. Sinds 1998 is de kandidate (onder)voorzitter van de Commissie voor financiële hulp van slachtoffers van opzettelijke geweldmisdaden, onder meer bevoegd voor terrorisme. Ze is sinds 2010 docent burgerlijk recht aan de West-Vlaamse Politieschool en doceert sinds 2015 de huurwetgeving aan schuldbemiddelaars en OCMW-medewerkers. Daarnaast begeleidt ze sinds 2004 studenten van de KULAK bij de rechtsvragen (tweede bachelor) en zomerstagiairs van de KU Leuven. Uit het dossier blijkt dat de kandidate de afgelopen vijf jaar voor het ambt van vrederechter relevante opleidingen volgde, onder meer inzake bewindvoering, bescherming meerderjarige onbekwamen, burenhinder, erfdienstbaarheden en appartementsrecht. In 2004 volgde ze de Postacademische vorming bemiddeling in familiezaken. Van de voorzitter van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van het gerechtelijk arrondissement West- IX-9504-8/27 Vlaanderen verkrijgt de kandidate twee maal een onderscheiden zeer gunstig advies, enerzijds in de hoedanigheid van korpschef van de kandidate en anderzijds in de hoedanigheid van korpschef van de entiteit waar de te begeven plaats vacant is. In het advies in die laatste hoedanigheid uitgebracht besluit de korpschef dat Caroline Delesie zeer geschikt is voor het ambt van vrederechter van het kanton Ieper en dat ze een uitstekende kandidate is. Het gemeenschappelijk advies vanwege de balie luidt eveneens ‘zeer gunstig’. Gedurende de hoorzitting antwoordt Caroline Delesie doordacht en concreet op de vragen die haar door de leden van de benoemingscommissie worden gesteld. Ze maakt hierbij een zeer goede en professionele indruk en geeft doorheen haar antwoorden blijk van een doorleefd beeld van de taken en de verantwoordelijkheden die inherent zijn aan het door haar geambieerde ambt. Gedurende het gesprek met de commissie verduidelijkt de kandidate dat ze de ervaring van bijna vijftien jaar die ze heeft opgebouwd als vrederechter in het kanton Menen, verder wil zetten in een ander kanton. Ze benadrukt haar affiniteit met het kanton Ieper. Als gelijkenis met het kanton Menen ziet ze de aanwezigheid in beide kantons van een psychiatrische instelling. Het kanton Ieper is daarentegen stedelijker maar met ook meer landpacht dan in Menen. Ze stelt dat ze zeer graag vrederechter is maar dat ze het wel wat moeilijk had toen de materiële bevoegdheid veranderde omdat er juridisch interessante zaken werden weggehaald. Ze vindt het van belang dat een vrederechter ook aanwezig is en een team vormt met de griffie. De kandidate benadrukt tot slot dat haar postulatie ingegeven is vanuit een positieve keuze en dat ze er klaar voor is om elders met volle inzet dezelfde functie uit te oefenen. Niettegenstaande de commissie rekening houdt met de ruime professionele ervaring van de kandidate, haar ervaring van vijftien jaar als vrederechter, haar vertrouwdheid en affiniteit met het kanton Ieper, haar ruime ervaring met het leiden van zittingen en het redigeren van vonnissen, haar zeer goede kennis van en vertrouwdheid met de materies van het vredegerecht, haar leergierigheid, haar gevolgde relevante opleidingen en haar zeer gunstige adviezen is ze van oordeel dat Greet Vlaeminck zich voor deze specifieke vacante plaats van haar onderscheidt door haar ter hoorzitting meer overtuigende oprechte motivering naar het betrokken vacante ambt toe. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat Greet Vlaeminck de meest bekwame en geschikte kandidaat is voor deze vacante plaats.’ Overwegende dat uit wat voorafgaat tevens blijkt, dat betrokkene aan de wettelijke benoemingsvoorwaarden voldoet; Overwegende dat de Nederlandstalige Benoemings- en Aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten en het IX-9504-9/27 proces-verbaal van voordracht aan de Minister van Justitie heeft medegedeeld, tegen gedagtekend ontvangstbewijs, op 6 november 2018; Overwegende dat de voordracht van deze commissie uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerd is; Overwegende dat op grond van bovenstaande motivering, tot benoeming van de voorgedragen kandidaat dient te worden overgegaan.” IX-9504-10/27 IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- Het enige middel is geput uit de schending van de artikelen 10, 11 en 151 van de Grondwet, van artikel 259ter, §§ 1 - 4, van het Gerechtelijk Wetboek, van de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, van de formele- en materiëlemotiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel, van het beginsel van gelijke toegang tot het openbaar ambt en van de verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten voor een openbaar ambt onderling te vergelijken. Volgens verzoekster werd het bestreden besluit genomen zonder daadwerkelijke en zorgvuldige vergelijking van alle relevante titels, aanspraken en verdiensten van de kandidaten. Zij stelt over zichtbaar grotere aanspraken te beschikken die een dergelijke graad van evidentie vertonen dat het onbegrijpelijk is, zeker in het licht van het gewenste profiel, dat eraan wordt voorbijgegaan. Verzoekster wijst erop dat ook de BAC dit profiel als vertrekpunt van haar advies vermeldt, doch de vergelijking van de kandidaten op basis daarvan is niet correct gebeurd. Die vergelijking lijkt uit te gaan van gelijkwaardige titels en verdiensten, zodat het aspect van de “meer overtuigende oprechte motivering naar het betrokken ambt toe” als criterium van onderscheid gebruikt is. Verzoekster stelt: “Met dit aspect zou echter pas rekening kunnen worden gehouden indien op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat, twee gelijkwaardige kandidaten zouden voorliggen […]. Uit de verleende adviezen over de twee kandidaten blijkt echter dat dit niet het geval is. De adviezen van de vertegenwoordigers van de balie zijn zonder meer verschillend. Over de verzoekende partij wordt een ‘zeer gunstig’ advies verleend en over de benoemde kandidaat een ‘gunstig’ advies. De adviezen van de korpschef (zowel in hoedanigheid van korpschef van de magistraten als korpschef van de vacante plaats) zijn voor de twee IX-9504-11/27 kandidaten telkens ‘zeer gunstig’, maar inhoudelijk zijn er opmerkelijke en duidelijke verschillen, zeker in het licht van het – door deze korpschef ingevulde – gewenste profiel […]. Verder zal blijken dat uit de adviezen in het dossier onder meer blijkt dat deze kennis over de wet op de geesteszieken en de wet op de bewindvoeringen in hoofde van de verzoekende partij aanwezig is en telkens positief wordt aangeduid. In de adviezen over de benoemde kandidaat komt dit nergens aan bod. In het gewenste profiel wordt dit als ‘vereiste’ en als ‘van groot belang’ aangemerkt. Indien één van de kandidaten hierop duidelijk gunstiger scoort, dan kan hier niet zonder meer worden over heen gestapt. Ook de communicatieve vaardigheden, die als een ‘absolute vereiste’ in het gewenste profiel worden aangeduid, worden in hoofde van de verzoekende partij gunstiger omschreven dan in hoofde van de benoemde kandidaat.” Vervolgens gaat verzoekster overheen acht bladzijden in concreto in op de (verschillen in de) uitgebrachte adviezen. Zij merkt op dat daarnaast op de hoorzitting geenszins een fundamenteel onderscheid tussen de beide kandidaten is gebleken. Toch wordt in de voordracht en dus ook in het bestreden benoemingsbesluit het onderscheid tussen de twee kandidaten uitsluitend op basis van de hoorzitting gemaakt. De tussenkomende partij zou een meer overtuigende, oprechte motivering hebben voor het ambt. Dergelijke beoordeling behoort volgens verzoekster niet tot de grondwettelijk en wettelijk vereiste vergelijking van de aanspraken en verdiensten. Zo dit al een rol zou kunnen spelen, dan enkel indien er volledig gelijkwaardige kandidaturen voorliggen. Zij besluit: “Uit bovenvermelde vaststellingen blijkt dat bepaalde onderdelen van het gewenste profiel in hoofde van de benoemde kandidaat niet aan bod komen in de verleende adviezen (en wel als heel positief bij de verzoekende partij). De inhoud van de adviezen over de verzoekende partij zijn ook gunstiger zijn (in de conclusie bij het advies van de balie én in de concrete bewoordingen in de andere adviezen). Minstens wordt in de voordracht en de bestreden beslissing op geen enkele wijze stilgestaan bij deze verschillen. IX-9504-12/27 De aanspraken en verdiensten van de onderscheiden kandidaten werden niet op een zorgvuldige wijze met elkaar vergeleken en afgewogen op basis van objectieve en pertinente criteria. De verzoekende partij beschikt over zichtbaar grotere aanspraken die een dergelijke graad van evidentie vertonen dat het onbegrijpelijk is, zeker in het licht van het door de korpschef waar de plaats vacant is gewenste profiel, hoe men eraan voorbij zou kunnen gaan ten voordele van de benoemde kandidaat. De verwerende partij heeft gehandeld op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou handelen. Door mevrouw Vlaeminck te verkiezen boven de verzoekende partij, heeft de verwerende partij kennelijk onredelijk gehandeld.”
- In de memorie van antwoord wijst de verwerende partij erop dat artikel 259ter, § 4, GerW niet bepaalt welke concrete criteria de benoemende overheid in overweging moet nemen bij het vergelijken van de titels en verdiensten van de verschillende kandidaten, zodat die overheid vrij is in de keuze van de kwaliteiten waarop zij de nadruk wil leggen. Volgens haar is verzoekster “ten onrechte van mening dat de adviezen van de korpschef (in beide hoedanigheden) dan wel zeer gunstig zijn, doch inhoudelijk duidelijk verschillen, én dit zeker in het licht van het gevraagde profiel van de Vrederechter in het kanton Ieper”. Vervolgens overloopt ook de verwerende partij in detail de stukken van het benoemingsdossier en in het bijzonder de over de beide kandidaten verleende adviezen. Volgens haar blijkt daaruit “dat op zorgvuldige en weloverwogen wijze een beslissing werd genomen die juridisch en feitelijk correct is”. Met betrekking tot het advies van de vertegenwoordigers van de balie West-Vlaanderen stelt de verwerende partij dat verzoekster de impact van één gunstig advies tegenover één zeer gunstig advies niet mag overschatten, zodat één zeer gunstig advies haar nog geen voorsprong kan bieden om benoemd te worden. Zij merkt op dat “het advies van de balie wat betreft mevrouw Delesie van een bijna ongeziene en ongewone excellentie getuigt” waarbij rekening moet IX-9504-13/27 worden gehouden met het feit dat zij nooit werd gehoord en haar echtgenoot “sinds 1997 lid van de Raad van de Orde van Advocaten te Kortrijk is”. Die “feitenschets” kan verklaren waarom het advies van de balie zonder wezenlijke inhoudelijke motivering doorweegt in het voordeel van verzoekster. Trouwens, zo stelt de verwerende partij nog, wanneer rekening wordt gehouden met voorgaande adviezen naar aanleiding van andere kandidatuurstellingen – die aan de BAC werden voorgelegd en waarvan dus kon worden kennisgenomen – moet worden vastgesteld dat de benoemde kandidate eveneens als een uitmuntende kandidate geldt. De verwerende partij citeert ruim uit de vroegere adviezen en bij wijze van voorbeeld wordt inzonderheid gewezen op het volgende: “De voorgaande vergelijking stelt dat mevrouw Delesie een uitstekende kennis van het strafrecht en het burgerlijk procesrecht heeft. Ook mevrouw Vlaeminck heeft burgerlijke en strafkamers voorgezeten. Zij heeft eveneens de bijzondere opleiding ‘onderzoeksrechter’ gevolgd. Tevens heeft zij jaren beroepen tegen vonnissen van het Vredegerecht behandeld. Dit zijn elementen waarmee de vertegenwoordiger van de balie West-Vlaanderen blijkbaar geen rekening gehouden heeft bij het verleende advies inzake mevrouw Vlaeminck. Hierdoor werd wellicht een misleidend beeld geschetst dat niet alle verdiensten van mevrouw Vlaeminck bespreekt.” De verwerende partij leidt uit voorgaande adviezen over de tussenkomende partij af dat het advies van de vertegenwoordigers van de balie eenzijdig is en niet afdoende rekening houdt met de capaciteiten van de benoemde kandidate. De verwerende partij verwijst opnieuw naar de voorgaande adviezen in andere benoemingsprocedures, waar zij het advies bespreekt van de korpschef waar de plaats vacant is. Zij stelt dat verzoekster meer waarde tracht toe te kennen aan bepaalde woorden die voor haar positiever zouden zijn. Evenwel is het zo dat de eindvermelding van beide kandidaten ‘zeer gunstig’ is en dat beiden als uitstekende kandidaten naar voor worden geschoven. Vervolgens overloopt de verwerende partij het advies verleend als korpschef van een kandidaat die al magistraat is. Ook hier tracht verzoekster IX-9504-14/27 meer waarde toe te kennen aan bepaalde woorden die voor haar positiever zouden zijn. De verwerende partij wijst erop dat de eindvermelding bij beide kandidaten ‘zeer gunstig’ luidt en dat beiden als uitstekend naar voor worden gedragen. Wel wordt nog de volgende toelichting gegeven inzake het respecteren van de beraadtermijnen en het argument inzake de bewindvoeringsdossiers en de kennis van de wetgeving inzake geesteszieken: “
- Wat betreft het respecteren van de beraadstermijnen blijkt uit de stukken van het dossier (Zie stuk nr. C.
- en C.15.) dat mevrouw Vlaeminck geconfronteerd is geweest met een zeer grote onderbezetting in de REA en één van de zwaarste kantons (Oostende I) als Vrederechter. Uit de stukken wordt op zeer positieve wijze beschreven hoe mevrouw Vlaeminck hier mee omging. Onterecht wil mevrouw Delesie hier een negatief verhaal van maken. Bovendien is er allesbehalve sprake van het regelmatig overschrijden van de beraadstermijnen. Ook in de transcriptie bij het interview tussen mevrouw Vlaeminck en de benoemings- en aanwijzingscommissie wordt dit toegelicht door de kandidaat.
- Inzake de bewindvoeringsdossiers en de kennis van de wetgeving inzake geesteszieken kan het zijn dat mevrouw Delesie meer ervaring heeft met deze materie omwille van de aanwezigheid van de gesloten instelling in het kanton Menen. Zij is reeds meer dan 15 jaar Vrederechter in een landelijk kanton. Sluitend bewijs (cijfermateriaal) wordt hier evenwel niet van voorgelegd. Dat mevrouw Delesie professioneel eventueel meer mogelijkheden heeft gehad, hoewel niet bewezen, zich met deze bepaalde materie bezig te houden, is eventueel te danken aan haar langdurig Vrederechterschap. Dit betekent niet dat mevrouw Vlaeminck er niet (of minder) mee in aanraking is gekomen en per definitie een minder goede kandidaat zou zijn.
- Evenwel dient opgemerkt dat ook in het kanton Oostende I een centrum voor geestelijke gezondheidszorg (CGG Noord-West- Vlaanderen) en twee ziekenhuizen (AZ Sint-Jan en AZ Damiaan) met psychiatrische afdeling is gelegen, alsook rusthuizen (St. Monica en St. Elisabeth). Het kan bezwaarlijk worden gesteld dat mevrouw Vlaeminck geen enkele ervaring zou hebben met dossiers inzake bewindvoering of geesteszieken […], noch omwille van een mogelijks beperktere ervaring een minder geschikte kandidaat zou zijn. Dit wordt allerminst concreet aangetoond. Overigens is het evenzeer zo dat de hervormingen van het kanton Ieper de nood aan een magistraat met deze ervaring in het kanton Menen niet vermindert of wijzigt. In beide kantons zijn magistraten met kennis ter zake noodzakelijk. Ook dit is een afweging die door de benoemings- en aanwijzingscommissie zal zijn gemaakt.” De verwerende partij gaat ook dieper in op de vergelijking van de profielen door de BAC. Zij wijst erop dat een positieve motivering volstaat. IX-9504-15/27 Zij stelt dat beide kandidaten “o.b.v. hun ervaring, kennis, scholing, leergierigheid, communicatieve vaardigheden, besluitvaardigheid, affiniteit met het kanton Ieper en zeer gunstige adviezen” zeer geschikt zijn “met gelijkwaardige aanspraken”. De door verzoekster ingeroepen verschillen steunen op een zeer eenzijdige en overdreven negatieve interpretatie van de adviezen en een onvolledige kennis van het benoemingsdossier van de tussenkomende partij. Uit de transcriptie van het interview blijkt immers dat laatstgenoemde wel ervaring heeft met gedwongen opnames en bewindvoeringen en dit liefst zou willen uitbreiden. Er mag van worden uitgegaan dat de tussenkomende partij als ervaren vrederechter kennis heeft van landpacht. De BAC mag rekening houden met de actuele noden en het gewenste profiel voor het specifieke vacante ambt. Welnu, verzoekster “had zonder twijfel en objectief gezien goede vaardigheden en was bekwaam, doch zij had in vergelijking met mevrouw Vlaeminck niet het meest geschikte profiel voor het specifieke vacante ambt omdat zij hiertoe niet dezelfde motivatie aan de dag legde”. Wat die “meer overtuigende motivering” betreft, haalt de verwerende partij een aantal passages aan uit de voormelde transcripties. Zij wijst erop dat verzoekster niet overtuigend kon uitleggen waarom zij het kanton Menen wou inruilen voor het kanton Ieper. Daartegenover staat de in het interview gebleken gedrevenheid van de tussenkomende partij, “stelliger en overtuigender”, om nabijheidsrechter te willen worden. De verwerende partij stelt dat magistraten die de taak van nabijheidsrechter in een bepaald kanton niet of onvoldoende op zich kunnen nemen, de kans moeten krijgen dit in een ander kanton te doen en nog dat in de mate dat verzoekster reeds aan dat profiel voldeed wat betreft haar ambt in Menen, “het dan ook logisch [was] dat [de tussenkomende partij], die in Oostende niet te volle haar functie kon uitvoeren zoals gewenst, o.g.v. haar bijzondere motivering, werd verkozen boven [verzoekster]”. IX-9504-16/27
- In haar memorie wijst de tussenkomende partij erop dat de adviezen van de balie op verschillende wijze tot stand zijn gekomen én steunen op appreciaties van telkens andere advocaten, zodat de vraag kan rijzen of de relevante titels, aanspraken en verdiensten van de kandidaten wel correct en eerlijk tegenover elkaar werden afgewogen. Met betrekking tot de adviezen van de hiërarchie, belichaamd in de persoon van één voorzitter, meent zij dat er geen overwegend of doorslaggevend belang aan mag worden gehecht, zoals verzoekster het wel doet. Zij wijst erop dat er bij de voorzitter scepsis was ingevolge haar ziekte. De verstandhouding tussen haar en de voorzitter was trouwens nooit optimaal, getuige daarvan haar vraag om bijkomend ondersteunend personeel waarop nauwelijks gereageerd werd. De “valse noot” in het advies van de voorzitter – het overschrijden van de termijnen van beraad – heeft zij voor de BAC gemotiveerd gekaderd en gestaafd met stukken, onder meer met betrekking tot de specifieke personeelsproblematiek van het eerste kanton Oostende en de “niet steeds evenwichtige werklastverdeling”. Zij voegt er nog aan toe dat de voorzitter in zijn advies geen melding maakt van de bijzondere door haar geleverde inspanning voor het inkantelen van de “oude” dossiers bewindvoering in de nieuwe wet, niettegenstaande zij in Oostende ook een vijfhonderdtal dossiers beschermde personen onder zich had en alle inkantelingen gebeurden. Overigens zegt de voorzitter anderzijds uitdrukkelijk dat zij “alle materies eigen aan een vredegerecht beheerst” en is er geen vrederechter in België die niet de wet inzake de bescherming van meerderjarige onbekwamen of de wet geesteszieken kent, moet kennen en daarmee dagelijks wordt geconfronteerd. De tussenkomende partij voert aan dat verzoekster een zeer eenzijdig beeld schetst, waar zij het dossier beperkt tot de uitgebrachte schriftelijke adviezen, terwijl dat dossier heel wat andere relevante gegevens en stukken bevat die er integraal deel van uitmaken. Zij stelt dat de benoemende overheid de uitgebrachte adviezen helemaal niet in detail naast elkaar moet leggen, ze woord na woord citeren, vergelijken en afwegen om vervolgens aan te geven en te verantwoorden waarom zij eventueel te detecteren nuances in het IX-9504-17/27 voordeel van deze of gene kandidaat al dan niet wenst te volgen. In die hypothese hadden de BAC en de benoemende overheid ook de vele andere door haar gevoegde adviezen, benoemingsbesluiten en evaluaties als vrederechter in de afweging moeten betrekken. Doordat in de hoorzitting wettelijk voorzien is, mag daaraan een conclusie worden verbonden. Zo niet, zou daaraan alle betekenis worden ontnomen. Omdat de BAC, alsook de verwerende partij tot de vaststelling kwamen dat verzoekster en de tussenkomende partij gelijkwaardige kandidaturen hadden, mocht met het criterium ‘motivering naar het te begeven ambt’ rekening worden gehouden omdat dat criterium legitiem is, niet onverenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, noch willekeurig of onredelijk. Zij wijst erop dat in het verplicht door iedere kandidaat te gebruiken standaardformulier zeer ruim plaats is voorbehouden voor “uw motivatie”. Vervolgens overloopt de tussenkomende partij haar motivering en die van verzoekster. De motivering van verzoekster vat zij samen als het willen van een andere omgeving als nieuwe uitdaging, om sleur en routine te vermijden. De tussenkomende partij zelf gaf aan dat zij niet gelukkig was in het kanton waar zij vrederechter was en dat zij rust vond in de wetenschap dat in de nabije toekomst een aantal andere kantons in Zuid-West-Vlaanderen zouden vrijkomen. Zij concludeert dat de BAC, en mét haar de verwerende partij, haar motivering meer overtuigend en oprecht heeft bevonden, hetgeen op grond van de motivatiebrief van de onderscheiden partijen en vooral van de transcripties van de hoorzittingen begrepen en gevolgd kan worden. Besluiten doet zij onder meer als volgt: “Op grond van het voorliggende dossier kon de verzoekende partij naar het oordeel van de tussenkomende partij geen direct zichtbare grotere aanspraken laten gelden op het te begeven ambt of nog, waren de aanspraken van de tussenkomende partij helemaal niet ‘duidelijk veel kleiner’. IX-9504-18/27 Volgens de tussenkomende partij zijn de adviezen waarop de verzoekende partij zich baseert ter ondersteuning van haar beweerd direct zichtbare grotere aanspraken, in het licht van het volledige dossier, niet van die aard dat zij de verzoekende partij dusdanig kennelijk grotere aanspraken op de benoeming verleenden dat de benoemende overheid het bijzonder relevante criterium van de motivering van de kandidaten naar het te begeven ambt toe, daarvoor moest laten wijken. De tussenkomende partij meent dat aan dit criterium, pertinent voor de te begeven functie, geen kennelijk onevenredig groot belang werd gehecht en dat het niet elke redelijkheid tart dat dit criterium in casu doorslaggevend was.”
- In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat de korpschef in zijn advies een eigen appreciatie geeft over het gewenste profiel voor de te begeven betrekking, maar dat dit profiel geen vooraf opgesteld functieprofiel is dat uitgaat van de Hoge Raad voor de Justitie. Het vormt bijgevolg geen bindend standpunt lastens de verwerende partij. Het profiel kan gelden als een richtsnoer, doch vormt niet het zwaartepunt van de benoemingsprocedure. De BAC is evenmin gebonden door dat advies en kan tot conclusies komen die ervan afwijken. Er dient te worden opgemerkt dat de verwerende partij in de memorie van antwoord de verschillende adviezen van beide kandidaten naast elkaar heeft gepositioneerd, niet om de zaak post factum te motiveren maar om op basis van de stukken te illustreren dat beide kandidaten gelijke aanspraken kunnen voorleggen en er ter zake tot vergelijking van titels en verdiensten is overgegaan. Uit de extensieve vergelijkingen blijkt dat beide kandidaten vergelijkbare profielen hebben en over de kwaliteiten beschikken om invulling te geven aan het (gewenste) profiel. Dat de bestreden beslissing uiteindelijk verwijst naar het criterium van de persoonlijke motivering als doorslaggevend element is niet onwettelijk. Geen enkele bepaling verbiedt zulks, noch is deze beoordeling onredelijk. De voordracht van een kandidaat dient geen woordelijke afweging per criterium en per kandidaat te bevatten om aan te tonen dat de titels en verdiensten van de kandidaten afdoende met elkaar vergeleken zijn. Het IX-9504-19/27 volstaat dat de vergelijking blijkt uit de benoemingsdossiers en dit is te dezen het geval. De kennis omtrent de wetgeving bewindvoering en geesteszieken is nuttig, doch geen “absolute” vereiste, daar dit niet in de vacature is bepaald. Het loutere verschil in eindconclusie in de adviezen van de balie lijkt op basis van het standpunt van de BAC en in het kader van het hele benoemingsdossier, geen noemenswaardige impact te hebben gehad. Het advies van de balie is eerder summier gemotiveerd en verduidelijkt niet concreet waarom het gunstig is ten aanzien van de tussenkomende partij en zeer gunstig voor verzoekster. De balie-adviezen komen op verschillende wijze tot stand en steunen op subjectieve appreciaties van telkens andere advocaten zonder dat hier een specifieke vooraf bestaande, geobjectiveerde terminologie dient te worden gehanteerd. Indien het gebruik van bepaalde begrippen niet is verplicht, mogen aan lichte nuanceverschillen niet noodzakelijk al te verregaande gevolgen worden gekoppeld. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de tussenkomende partij ervaring heeft met dossiers inzake beschermde personen en dat zij alle materies eigen aan het vrederechterschap beheerst. Elke vrederechter is bekend met de wet inzake de bescherming van meerderjarige onbekwamen of de wet geesteszieken en wordt daarmee veelvuldig geconfronteerd. Dit is voor de tussenkomende partij niet anders. Er wordt in de bestreden beslissing tevens verwezen naar haar opleidingen inzake beschermde personen. Beoordeling
- De korpschef waar de plaats vacant is, omschrijft het gewenste profiel van de kandidaat als volgt: IX-9504-20/27 “De voor te dragen kandidaat dient geschikt te zijn om op een zelfstandige en kwalitatieve wijze de zittingen van een vredegerecht voor zijn/haar rekening te nemen. Door het autonoom werken van een vrederechter is een onmiddellijke inzetbaarheid vereist zodat de goede werking van de rechtbank verzekerd blijft. De voor te dragen kandidaat dient derhalve op de hoogte te zijn van de wetgevende evoluties en dient over een grondige kennis te beschikken van de materies eigen aan een vredegerecht. Het vredegerecht van het 1e kanton Ieper zal naar aanleiding van de hervormingen vanaf 1 januari 2019 worden hertekend. Het nieuwe kanton Ieper zal bevoegd zijn voor de volledige stad Ieper, Zonnebeke, Langemark-Poelkapelle en Staden. Dit betekent dat binnen het kanton nagenoeg het volledige spectrum van bevoegdheden van de vrederechter wordt behandeld. Een goede kennis van de wet op de geesteszieken en de wet op de landpacht is door de specifieke gebiedsomschrijving van het nieuwe kanton Ieper (aanwezigheid psychiatrische instelling en landelijk gebied) een vereiste. Door de aanwezigheid van een psychiatrische instelling zal de kandidaat zich op sociaal vlak moeten kunnen inleven. In het kanton bevinden zich ook veel rusthuizen zodat de kennis van de wet op de bewindvoeringen bij de kandidaat ook van groot belang is. De kandidaat moet tevens in staat zijn om beslissingen te nemen en de gave hebben om heldere en gemotiveerde vonnissen te redigeren. Vertrouwdheid met het reilen en zeilen van het vredegerecht, alsook geografische nabijheid en kennis van het kanton worden omschreven als pluspunten. Als eerstelijns- en nabijheidsrechter zijn communicatieve vaardigheden een absolute vereiste. Cruciaal daarbij is de gave om vlot en spontaan in sociale interactie met de rechtzoekende te treden. Van de voor te dragen kandidaat wordt in het kader van de nieuwe wet op de mobiliteit ten slotte een grote flexibiliteit, mobiliteit en aanpassingsvermogen verwacht. Ook collegialiteit en een vlotte samenwerking met het gerechtspersoneel zijn troeven.” Noch het advies in zijn geheel, noch dit onderdeel van het advies is bindend voor de benoemende overheid. Uit het bestreden besluit blijkt evenwel dat eerst de BAC en vervolgens de benoemende overheid dit profiel is bijgevallen. Het wordt immers in de gemotiveerde voordracht overgenomen en uit niets blijkt dat de commissie het geheel of ten dele oneens was met dit gewenste profiel. Het is zeker als vertrekpunt voor de vergelijking van de kandidaten gebruikt.
- Dat profiel bevat in de eerste plaats heel wat “algemene” kwaliteiten die idealiter bij elke vrederechter aanwezig zijn, zoals: autonoom IX-9504-21/27 kunnen werken, onmiddellijke inzetbaarheid, grondige kennis van de materies eigen aan een vredegerecht, communicatieve vaardigheden, flexibiliteit, aanpassingsvermogen, vlotte samenwerking met het gerechtspersoneel. Aangenomen mag worden dat de BAC in redelijkheid uit de benoemingsdossiers – en dus inzonderheid de verleende adviezen en de hoorzitting – mocht afleiden dat er op die punten, samengenomen, sprake is van gelijkwaardige kandidaten, die beiden immers al vele jaren tot grote tevredenheid het ambt van vrederechter uitoefenen en “uitstekend” of “volkomen” beantwoorden aan het profiel van een vrederechter. 10.
- De verwerende partij noch de tussenkomende partij spreekt tegen dat het benoemingsbesluit uitgaat van grotendeels gelijkwaardige kandidaten, waarbij de uitgesproken motivatie van de tussenkomende partij – namelijk “haar ter hoorzitting meer overtuigende oprechte motivering naar het betrokken vacante ambt toe” – doorslaggevend is gebleken voor de keuze tussen beiden. Voorts stelt de tussenkomende partij terecht dat motivatie een toegelaten beoordelingscriterium is. Bij het indienen van de kandidatuur wordt zelfs uitdrukkelijk een “Brief betreffende uw motivatie” verwacht. Bij gelijkwaardigheid van de kandidaten op andere punten mag dit bijgevolg een zelfs doorslaggevend criterium vormen. 10.
- Bij lectuur van de uiteenzetting die de beide kandidaten hebben gegeven tijdens de hoorzitting kan in redelijkheid niet worden ontkend dat de tussenkomende partij in vergelijking met verzoekster een veel meer gedreven, geconcretiseerde en doorleefde motivatie voor het geambieerde ambt kon aantonen. Verzoekster stelt dat ook zij bijzonder gemotiveerd is, maar zij kwam op de hoorzitting toch niet goed uit de verf hierover. IX-9504-22/27 11.
- Het blijft evenwel zo, dat verwacht mag worden dat naast de sub 9 bedoelde “algemene” kwaliteiten van een goede vrederechter, uitdrukkelijk ook aandacht uitgaat naar welbepaald die criteria die eigen zijn aan het kanton Ieper: de criteria die blijkens het op dat punt niet tegengesproken profiel van “groot belang” zijn (“kennis van de wet op de bewindvoeringen”) of zelfs “een vereiste” (“goede kennis van de wet op de geesteszieken en de wet op de landpacht”). 11.
- In de adviezen van de korpschef is over verzoekster specifiek over deze criteria het volgende te lezen: - Haar ervaring met een gesloten psychiatrisch ziekenhuis is een bijzondere troef. - De aanwezigheid van een psychiatrische instelling met een gesloten afdeling in een kanton geeft haar taak een bijzondere dimensie. - Zij ziet het nieuwe kanton Ieper als een nieuwe uitdaging, zeker nu het kanton bevoegd wordt voor een gesloten psychiatrische instelling. Haar ervaring is dan ook een enorme troef. - Zij heeft reeds veertien jaar professionele ervaring als vrederechter met een psychiatrische instelling en beschikt uitermate over de vereiste vaardigheden. - Ook in het kader van de bewindvoeringen en gedwongen opname kan de kandidaat zich volledig schikken naar de sociale achtergrond van de beschermde persoon. - Haar sociale betrokkenheid bij de bewindvoeringsdossiers en geesteszieken getuigt van een groot maatschappelijk engagement. - Zij heeft de nieuwe wet inzake de bescherming van meerderjarigen in samenspraak met de griffie kunnen omzetten in het nieuwe statuut binnen een termijn van twee jaar. - Vooral haar ervaring als vrederechter van het kanton Menen met een gesloten psychiatrische instelling maakt van haar een geschikte kandidaat-vrederechter voor het nieuwe kanton Ieper. Zelf onderstreept verzoekster op de hoorzitting blijkens de motivering van het benoemingsbesluit nog “haar affiniteit met het kanton Ieper”. IX-9504-23/27 Als gelijkenis met het kanton Menen “ziet ze de aanwezigheid in beide kantons van een psychiatrische instelling”; het kanton Ieper “is daarentegen stedelijker maar met ook meer landpacht dan in Menen”. In de adviezen over de tussenkomende partij is niets te lezen dat specifiek refereert aan de criteria ‘goede kennis van de wet op de geesteszieken en de wet op de landpacht’ (“een vereiste”) en ‘kennis van de wet op de bewindvoeringen’ (“van groot belang”). Het bestreden besluit geeft een samenvatting van de hoorzitting waarin evenmin wordt teruggekomen op deze criteria. 11.
- Uit de adviezen valt bijgevolg niet dadelijk af te leiden dat de beide kandidaten, die voor de algemene vereisten elkaars evenknie zijn, ook gelijkwaardig zijn voor deze bijkomende, maar gewichtige criteria. Over de tussenkomende partij lezen deze adviezen als de bevestiging dat zij inderdaad aan de algemene vereisten in het profiel uitermate goed voldoet; op de specifieke vereisten wordt evenwel niet ingegaan, in tegenstelling tot het lof dat met betrekking tot verzoekster is geschreven. Nu kan het zeer wel zo zijn dat niettegenstaande het stilzwijgen van de adviezen de tussenkomende partij op dezelfde hoogte staat als verzoekster met betrekking tot de kennis van deze domeinen, maar verzoekster en na haar de Raad van State kunnen niet nagaan of en hoe de BAC dit heeft onderzocht en vastgesteld. Terwijl dit een uitermate belangrijk element is volgens het profiel, laat de motivering niet toe na te gaan of en zo ja, hoe ermee rekening is gehouden bij het onderzoek en de vergelijking van de kandidaten. 11.
- Hetgeen de verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt, namelijk dat de benoemde kandidate ook ervaring heeft met dossiers bewindvoering of geesteszieken, moet als een nieuw motief worden gekwalificeerd. Waar de tussenkomende partij in haar memorie melding maakt van het “inkantelen” van de ‘oude’ dossiers bewindvoering in de nieuwe wet en IX-9504-24/27 van het feit dat zij in Oostende een vijfhonderdtal dossiers beschermde personen onder zich had, kan de Raad van State niet om de vaststelling heen dat noch in de adviezen van de voorzitter noch in de motieven van het benoemingsbesluit – en dus in de voordracht van de BAC – daarvan melding wordt gemaakt. 11.
- Het staat niet aan de Raad van State om zelf de vergelijking over te doen en al zeker niet aan de hand van andere stukken in het benoemingsdossier die in de voordracht niet ter sprake zijn gebracht en die betrekking hebben op andere ambten en noodzakelijk ook andere profielen. 11.
- Door niet uitdrukkelijk in de motieven aandacht te schenken aan de criteria die specifiek voor een vrederechter van het kanton Ieper vereist of ten minste van groot belang worden geacht, kan niet worden nagegaan door verzoekster noch vervolgens de Raad op grond van welke gedachtegang de BAC de gelijkwaardigheid van beide kandidaten heeft kunnen doortrekken naar deze aspecten, terwijl dit allesbehalve voor de hand ligt op grond van de verleende adviezen.
- Gelet op deze vaststellingen kan het beter presteren door de tussenkomende partij op vlak van ‘motivatie’ er niet zonder meer toe leiden dat daardoor het vereiste profiel alsook de op basis van dat profiel in de adviezen vastgestelde verschillen omtrent de kennis van de wet op de geesteszieken en de wet op de bewindvoeringen tussen de kandidaten terzijde worden geschoven. Er is niet aangetoond dat verzoekster en de tussenkomende partij ook daarin kandidaten met gelijkwaardige aanspraken zijn. Er is met andere woorden ook niet aangetoond dat het element ‘motivatie’ als doorslaggevend element tot de voorkeur voor de tussenkomende partij mocht leiden.
- Wat ten slotte – en ten overvloede – de adviezen van de balie betreft, spreekt de verwerende partij niet tegen dat het advies van de balie wat verzoekster betreft, in haar woorden “van een bijna ongeziene en ongewone excellentie getuigt”. Zij trekt de geloofwaardigheid van dat advies nu in twijfel. Dat is niet meer de plaats en tijd om zulks te doen: uit geen enkel stuk van het IX-9504-25/27 administratief dossier blijkt dat hetzij de BAC, hetzij de benoemende overheid het advies van de balie over verzoekster heeft gerelativeerd. De adviezen van de balie spreken bijgevolg de hiervóór gedane vaststellingen niet tegen.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 6 december 2018 waarbij Greet Vlaeminck wordt benoemd tot vrederechter van het kanton Ieper en in subsidiaire orde tot vrederechter in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement West-Vlaanderen.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door IX-9504-26/27 Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9504-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.156 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div