← België

Arrest 253158 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.158 Rolnummer: A. 223542/IX-9157 Zaak: Arrest 253158 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 03/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-10 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 06:24 Fiche Arrest nr 253.158 van 3 maart 2022 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 253.158 van 3 maart 2022 in de zaak A. 223.542/IX-9157 In zake: Ilse WUYTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Coel kantoor houdend te 2800 Mechelen Kardinaal Mercierplein 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten François Tulkens en Tim Souverijns kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de selectiecommissie voor de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 6 oktober 2017 waarbij de kandidaatstelling [van Ilse Wuyts] voor de betrekking van Directeur-Diensthoofd (rang A4) open verklaard bij Brussel Mobiliteit wordt afgewezen”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9157-1/4 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 13 juli
  3. Op 9 september 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. Verzoekster heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. IX-9157-2/4
  6. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. IV. Rechtsplegingsvergoeding
  7. In haar memorie van wederantwoord vraagt verzoekster “[t]otaal ondergeschikt” om, “indien [de Raad van State] zou vaststellen dat het beroep [zijn] belang verloren zou hebben […] de rechtsplegingsvergoeding […] te verminderen tot het minimumbedrag van €140,00 gelet op de kennelijke eenvoud van de zaak nu […] het [de Raad van State] niet toekomt om na ontwikkeling der gronden van de ontvankelijkheid nog kennis te nemen van de middelen ten gronde”.
  8. Die vraag verdient evenwel geen gunstig gevolg. Luidens artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding immers een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Het is derhalve, in tegenstelling tot hetgeen waarvan verzoekster lijkt uit te gaan, niet het werk dat de Raad van State uiteindelijk heeft met de beslechting van het geschil dat de maatstaf is voor een eventuele verlaging van de rechtsplegingsvergoeding op grond van “de complexiteit van de zaak”, zoals bedoeld in artikel 30/1, § 2, eerste lid, 2°, van de voornoemde gecoördineerde wetten. In dit geval ziet de Raad van State geen reden om tot “de kennelijke eenvoud van de zaak” te besluiten in hoofde van de in het gelijk gestelde partij. Er wordt aan deze partij dan ook, zoals zij vraagt in haar memorie van antwoord, een rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van 700 euro toegekend. BESLISSING
  9. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit. IX-9157-3/4
  10. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drie maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9157-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.158 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.648 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.