← België

Arrest 253184 - Milieuvergunningen - 10/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.184 Rolnummer: A. 225999/VII-40365 Zaak: Arrest 253184 - Milieuvergunningen - 10/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-14 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:26 Fiche Arrest nr 253.184 van 10 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.184 van 10 maart 2022 in de zaak A. 225.999/VII-40.365 In zake : de GEMEENTE ERPE-MERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47, bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ELECTRABEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tangui Vandenput en Patrik De Maeyer kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 juni 2018 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 1 december 2016, houdende het weigeren van de milieuvergunning voor het exploiteren van drie windturbines, gelegen op percelen tussen de Seskenskouter en de Egemstraat te Erpe-Mere, gegrond wordt verklaard, de beroepen weigeringsbeslissing wordt opgeheven en aan de nv Engie Electrabel de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend. VII-40.365-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Electrabel heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 15 oktober
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 augustus 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 februari
  4. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelien Bruyninckx, die loco advocaat Jürgen De Staercke verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Laurens De Brucker, die loco advocaten Tangui Vandenput en Patrik De Maeyer verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.365-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 1 december 2016 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor het exploiteren van een park met drie windturbines, gelegen op een terrein tussen de Seskenskouter en de Egemstraat te Erpe-Mere. 3.
  7. Tegen deze beslissing stelt de tussenkomende partij bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
  8. Na het inwinnen van een aantal -al dan niet voorwaardelijk gunstige- adviezen, verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het ingestelde beroep op 26 mei 2017 ongegrond en bevestigt zij de beroepen weigeringsbeslissing. 3.
  9. Bij arrest nr. 240.181 van 14 december 2017 vernietigt de Raad van State het voormelde ministerieel besluit van 26 mei
  10. 3.
  11. Ingevolge het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 1 december 2016 hernomen. In dat kader worden opnieuw een aantal adviezen uitgebracht die gunstig, dan wel voorwaardelijk gunstig, zijn over het beoogde project. 3.
  12. Met het thans bestreden besluit van 15 juni 2018 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep van de tussenkomende partij gedeeltelijk gegrond. De bevoegde Vlaamse minister verleent een milieuvergunning voor het exploiteren van een windturbinepark bestaande uit twee windturbines en weigert voor het overige de aanvraag. VII-40.365-3/14 Daarenboven wordt de verleende milieuvergunning afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden. VII-40.365-4/14 IV. Onderzoek van het elfde middel Standpunt van de partijen
  13. In een elfde middel wordt de schending aangevoerd van “de motiveringsverplichting zoals o.m. vervat in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en in het beginsel van behoorlijk bestuur van de motiveringsplicht en van artikel 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit”. Het middel wordt als volgt toegelicht: “[…] Doordat volgens artikel 11 par. 4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen -het inrichtingsbesluit- zijn de agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin, waar behoudens bijzondere bepalingen de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid, voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven toelaatbaar zijn.... Volgens artikel 15 par. 4.6.1 van het inrichtingsbesluit gelden voor de landschappelijk waardevolle gebieden beperkingen met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen en dat in deze gebieden alle handelingen en werken mogen worden uitgevoerd die in overeenstemming zijn met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. Uit een samen lezing van artikel 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit volgt immers dat in landschappelijke waardevol agrarisch gebied de aangevraagde werken niet alleen in overeenstemming dienen te zijn met deze bestemming (planologische toets), maar dat zij eveneens de schoonheidswaarde van het landschap dienen te vrijwaren (esthetische toets). Uit de motiveringsplicht vloeit voort dat elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking, die uitgaat van een bestuur en beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn. […] Terwijl de bestreden beslissing niet op niet afdoende motiveert waarom de aanvraag en het vergunde de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet in het gedrang brengt. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk erkend dat de aanduiding ‘landschappelijk waardevol’ voornamelijk is ingegeven door de natuurgebieden die het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Uitgaande van deze premisse is het evident dat dan in het licht van artikel 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit dient te worden onderzocht of het VII-40.365-5/14 aangevraagde/vergunde de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zoals ingegeven door de omliggende natuurgebieden niet in het gedrang brengt. Dergelijke esthetische toets wordt niet uitgevoerd. In de bestreden beslissing wordt weliswaar betoogd dat de turbines een structurerend merkteken zullen vormen als markering van de nabij gelegen autosnelweg en dat er een bundeling zou zijn met de autosnelweg. Maar zulks impliceert uiteraard nog niet dat de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zoals ingegeven door de omliggende natuurgebieden niet in het gedrang wordt gebracht. Nergens wordt de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zoals ingegeven door de omliggende natuurgebieden in de beoordeling betrokken. Zulks is uiteraard niet aanvaardbaar: indien de bestreden beslissing erkent dat de schoonheidswaarde wordt ingegeven door de omliggende natuurgebieden, dan dienen deze natuurgebieden ook in de beoordeling te worden betrokken. Op het einde van de bestreden beslissing wordt weliswaar in het kader van de beoordeling van artikel 5.6.
  14. § 1 VCRO wel een beoordeling opgenomen of de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden. Maar de beoordeling of de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden in het kader van artikel 5.6.
  15. § 1 VCRO dient qua toetsingsnorm te worden onderscheiden van de esthetische toets vervat in artikel 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit die impliceert dat de schoonheidswaarde niet mag worden aangetast. Het volstaat in het kader van artikel 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit niet om een aantasting van schoonheidswaarde ‘tot een aanvaardbaar niveau’ te beperken. In dit opzicht dient trouwens opgemerkt te worden dat de bestreden in het kader van 5.6.
  16. § 1 VCRO expliciet erkent dat de turbines op het lokale landschap effectief een belangrijk effect hebben. De bestreden beslissing erkent op die manier eigenlijk dat de turbines de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zoals ingegeven door de omliggende natuurgebieden dus eigenlijk effectief aantasten. Door een van de drie turbines niet te vergunnen tracht de vergunning de aantasting van het landschap binnen het toetsingskader van artikel 5.6.
  17. § 1 VCRO weliswaar ‘tot een aanvaardbaar niveau te beperken’. Zulks neemt uiteraard niet weg dat de resterende twee turbines het landschap dus nog steeds aantasten. Nergens voorziet artikel 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit dat de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zou mogen worden aangetast in zoverre die aantasting ‘tot een aanvaardbaar niveau’ zou zijn beperkt. De bestreden beslissing is in het licht van de esthetische toets vervat in artikel 11, 4.1 en 15, 4.6.1 van het inrichtingsbesluit dan ook geenszins afdoende gemotiveerd”.
  18. De verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing voldoet aan de motiveringsplicht, dat de impact op de landschappelijke waarde van het betrokken agrarisch gebied eerder beperkt is omdat het over slanke constructies gaat die als naaldvormig worden ervaren, dat zij de visuele impact volledig en VII-40.365-6/14 afdoende heeft beoordeeld, dat er wordt gekozen voor een bundeling van de windturbines met de E40 die het bestaande landschap reeds markeert en dat precies om de visuele impact te beperken slechts twee van de drie windturbines werden vergund.
  19. De tussenkomende partij laat het volgende gelden: “Een landschappelijk waardevol agrarisch gebied is een agrarisch gebied dat in overdruk als landschappelijk waardevol wordt bestempeld. Hieruit volgt dat, in beginsel, met toepassing van artikel 4.4.9 VCRO, het niet is uitgesloten om windturbines te vergunnen in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden. Evenwel stelt het typevoorschriftenbesluit als vereiste dat de effecten van de inplanting ten aanzien van de landschappelijke kwaliteiten in een lokalisatienota dienen te worden beschreven en geëvalueerd. Bijgevolg is de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling of de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar is, er steeds toe gehouden een toets op de schoonheidswaarde van het gebied uit te voeren, hetgeen inhoudt dat in de bestreden beslissing de bestaande toestand, alsook het effect van de aangevraagde inrichting op die bestaande toestand, afdoende wordt beschreven en beoordeeld. Voormelde esthetische toets vloeit voort uit artikel 15.6.4.1 van het lnrichtingsbesluit, dat bepaalt dat in landschappelijke waardevolle agrarische gebieden alle werken en handelingen toegelaten zijn die in overeenstemming zijn met de bestemming als agrarisch gebied, bosgebied, groene ruimte, parkgebied of bufferzone, op voorwaarde evenwel dat ze de schoonheidswaarde van het gebied niet in het gedrang brengen en betreft niet dezelfde toets als de toets betreffende de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening. […] Tussenkomende partij wenst in het kader van de beoordeling van de schoonheidswaarde van het landschap evenwel op te merken dat het niet aan Uw Raad toekomt zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van het project met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De vergunningverlenende overheid heeft in dit kader immers een discretionaire bevoegdheid. Indien Uw Raad echter van oordeel zou zijn dat hij in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht bevoegd zou zijn om na te gaan of de verwerende partij bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot de bestreden beslissing is gekomen, stelt tussenkomende partij dat niet anders kan worden vastgesteld dan dat de verwerende partij een omstandige en afdoende motivering omtrent de schoonheidswaarde gaf. Op pagina 18 van de bestreden beslissing nam de verwerende partij immers volgende motivering op: […] Aldus heeft de verwerende partij de effecten op de schoonheidswaarde van het landschap wel degelijk onderzocht, zodat de aangevoerde schending van VII-40.365-7/14 de formele motiveringsplicht onder geen enkel beding kan worden weerhouden. […] Louter ten overvloede wijst tussenkomende partij op het gegeven dat voormelde motivering uitdrukkelijk betrekking heeft op de esthetische toets en geenszins verband houdt met de toets betreffende de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening. Dit blijkt uitdrukkelijk uit de omstandigheid dat de hoger geciteerde motivering de schoonheidswaarde van het landschap op zorgvuldige wijze inventariseert en duidelijk vaststelt welke eisen er ter vrijwaring van het landschap moeten worden gesteld, namelijk dat het open ruimtegevoel dient te worden gevrijwaard en dat het dienaangaande slechts aangewezen is WT1 en WT3 te vergunnen, teneinde de laatste open ruimte te vrijwaren en de visuele hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken, hetgeen volledig in lijn ligt met de vereisten die door de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het kader van de esthetische toets worden opgelegd”.
  20. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij nog dat de aanwezigheid van een motivering aangaande de schoonheidswaarde van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, niet betekent dat er sprake is van een afdoende motivering.
  21. De verwerende partij verwijst in haar laatste memorie opnieuw naar de in de bestreden beslissing uitgedrukte motieven omtrent de esthetische toetsing. Voorts stelt zij dat het feit dat “het gebied als ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ wordt bestemd, […] nog niet [betekent] dat het er ‘ook landschappelijk waardevol uitziet’” en dat bij de esthetische toetsing van het project moet uitgegaan worden van de “werkelijke visuele aspecten”, eerder dan van de theoretische gewestplanbestemming.
  22. In haar laatste memorie beklemtoont de tussenkomende partij vooreerst dat het niet aan de Raad van State toekomt om zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van het project met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Voorts stelt zij dat het aspect waarbij de windturbines een duidelijke structuur aan het aanwezige landschap geven wel degelijk betrokken mag worden in de beoordeling van de esthetische toets, dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij “van oordeel was dat één van de belangrijkste redenen waarom de schoonheidswaarde van het landschap niet wordt VII-40.365-8/14 aangetast de omstandigheid betreft dat er slechts twee windturbines worden vergund, aangezien op die manier de open ruimte in het relatief kleine landbouwgebied gevrijwaard wordt” en dat de opgegeven motieven geen “motivering van de motivering” vereisen. Tot slot merkt zij op dat de criteria met betrekking tot het bundelingsprincipe en de lijninfrastructuren, die vermeld worden in omzendbrief RO/2014/02, niet betrokken mogen worden bij de vraag naar de vrijwaring van de schoonheidswaarde van het gebied.
  23. De verzoekende partij wijst er in haar laatste memorie op dat de bestreden beslissing tegenstrijdig gemotiveerd is “door enerzijds voor te houden de laatste open ruimte te willen vrijwaren en te erkennen dat de turbines worden ingeplant in een relatief klein open landbouwgebied, en anderzijds toch twee windturbines in het open landbouwgebied te vergunnen” en dat nergens in de bestreden beslissing wordt overwogen dat “de turbines een duidelijke structuur zouden geven aan het landschappelijk waardevolle open landbouwgebied”. Beoordeling
  24. Overeenkomstig artikel 5.6.7, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), waarvan toepassing wordt gemaakt in de bestreden beslissing, kan een milieuvergunningsaanvraag gunstig geadviseerd en vergund worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: “1°de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2°de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund”. Indien de vergunningverlenende overheid deze afwijkingsregeling wenst toe te passen, zal zij derhalve moeten onderzoeken en VII-40.365-9/14 motiveren waarom het beoogde project stedenbouwkundig vergunbaar is in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift.
  25. Volgens de bepalingen van het van toepassing zijnde gewestplan “Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem” is het projectgebied gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarvoor de bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit) gelden. Artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit luidt als volgt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. [...]”. Artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit bepaalt: “De landschappelijk waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen”. Uit de samenlezing van deze voorschriften volgt dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst: ten eerste een planologisch, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen inrichting in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied, en ten tweede een esthetisch, dat inhoudt dat de inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap. VII-40.365-10/14
  26. De aangevraagde windturbines zijn volgens de bestreden beslissing vergunbaar door toepassing te maken van de afwijkingsmogelijkheid voorzien in artikel 4.4.9 VCRO. Een landschappelijk waardevol agrarisch gebied is een agrarisch gebied dat in overdruk als landschappelijk waardevol wordt bestempeld. Hieruit volgt dat, in beginsel, met toepassing van artikel 4.4.9 VCRO, het niet is uitgesloten om windturbines te vergunnen in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden. In dit verband wordt niet betwist dat het besluit van de Vlaamse regering van 11 april 2008 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen vereist dat de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling of de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar is, er steeds toe gehouden is een toets op de schoonheidswaarde van het gebied uit te voeren, hetgeen inhoudt dat in de bestreden beslissing de bestaande toestand, alsook het effect van de aangevraagde inrichting op die bestaande toestand, afdoende wordt beschreven en beoordeeld. De vergunningverlenende overheid mag daarbij niet veronachtzamen dat de door het gewestplan gegeven bestemming op de toekomst is gericht, zodat het gegeven dat het betrokken landschap op het ogenblik van de te nemen vergunningsbeslissing reeds zou zijn aangetast, geen vrijgeleide is om nog tot verdere aantasting van het beschermde landschap over te gaan. Daarom kan de vergunningverlenende overheid niet voorbij gaan aan de gewestplanbestemming op grond van de beschouwing dat de landschappelijk waardevolle kwaliteiten van het betrokken gebied actueel reeds ondermaats zijn of genuanceerd zouden moeten worden in het licht van bepaalde feitelijke ontwikkelingen.
  27. Voor de beslechting van de door het middel aangebrachte rechtspunten, zijn de volgende overwegingen in de bestreden beslissing van belang: “Overwegende dat een milieuvergunningsaanvraag conform artikel 5.6.7, § 1, van de VCRO gunstig kan geadviseerd worden en vergund worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: […]; Overwegende dat volgens de Landschapsatlas en een overzicht van het beschermde erfgoed, opgesteld door het Agentschap voor Onroerend Erfgoed, er in de omgeving van de site verschillende relictzones, lijnrelicten, puntrelicten en sites zijn, die geklasseerd zijn als beschermd erfgoed, die VII-40.365-11/14 mogelijks beïnvloed worden door het windturbinepark; dat het windturbinepark ten zuiden en ten westen wordt omsloten door de relictzone ‘Land van Molenbeek’; dat ten oosten van de projectzone het lijnrelict ‘Molenbeek Gijzegem-Erwetegem’ en ten westen het lijnrelict ‘Molenbeek Wichelen-Borsbeke’ zijn gelegen; dat in de onmiddellijke omgeving van het windturbinepark de puntrelicten ‘Watermeulen Ottergem’, ‘Sint-Paulus Bekeringskerk’, ‘sint-Lambertuskerk Vlekkem’, ‘Hoeve Diepenbirg’, ‘Sint-Martinuskerk Bambrugge’, ‘Van der Biest Molen’ en ‘Pastorie Mere’ zijn gelegen; dat de ‘Vallei Molenbeek’ ten zuiden van de projectzone is geklasseerd als beschermd landschap; dat de ‘omgeving Watermolen Ten Broeck’ ten zuidoosten van het projectgebied en de ‘Ruststraat 3’ ten noorden ervan, zijn aangeduid als beschermd stads- of dorpsgezicht; Overwegende dat deze windturbines een belangrijk effect hebben op het lokale landschap; dat het een relatief klein open landbouwgebied betreft; dat de ruimtelijke draagkracht van dit open gebied bijgevolg beperkt is; dat het visuele aspect, gelet op bovenstaande beschermde relicten van onroerend erfgoed, van bijzonder belang is; dat drie windturbines de draagkracht van het gebied overschrijden; dat het aangewezen is het open ruimtegevoel te vrijwaren; dat het daarom aangewezen is slechts WT1 en WT3 te vergunnen; dat op die manier de laatste open ruimte wordt gevrijwaard, zonder de ruimtelijke draagkracht te overschrijden en de visuele hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken”.
  28. In de aangehaalde motieven wordt erkend dat de ruimtelijke draagkracht van het betrokken gebied “beperkt is” omdat het gaat om een “relatief klein open landbouwgebied”. Evenzeer wordt in de bestreden vergunningsbeslissing erkend dat de windturbines een “belangrijk effect hebben op het lokale landschap” en dat de visuele impact ervan, rekening houdend met de opgesomde beschermde relicten van onroerend erfgoed, van “bijzonder belang” is. Uit dezelfde motieven kan echter geen afdoende verantwoording afgeleid worden voor het vergunnen van twee windturbines met elk een ashoogte van maximaal 108 meter, een rotordiameter van maximaal 104 meter en een maximale toprotorhoogte van 152 meter, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten op de schoonheidswaarde van het betrokken gebied en met de effecten op de omliggende relictzones, lijnrelicten, puntrelicten, beschermde landschappen en beschermde stads- of dorpsgezichten. De betrachting van de verwerende partij om het “open ruimtegevoel” en “de laatste open ruimte” te vrijwaren door slechts een vergunning te verlenen voor twee van de drie aangevraagde windturbines, doet niets af aan de voormelde vaststelling. VII-40.365-12/14
  29. Het middel is gegrond. BESLISSING
  30. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 15 juni 2018 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 1 december 2016, houdende het weigeren van de milieuvergunning voor het exploiteren van drie windturbines, gelegen op percelen tussen de Seskenskouter en de Egemstraat te Erpe-Mere, gegrond wordt verklaard, de beroepen weigeringsbeslissing wordt opgeheven en aan de nv Engie Electrabel de gevraagde vergunning gedeeltelijk wordt verleend.
  31. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.365-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.365-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.