← België

Arrest 253187 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.187 Rolnummer: A. 233460/VII-41089 Zaak: Arrest 253187 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-14 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 06:26 Fiche Arrest nr 253.187 van 10 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.187 van 10 maart 2022 in de zaak A. é.460/VII-41.089 In zake :

  1. Dumitru Vasil MANCIU
  2. Niculina Carmen MANCIU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Van de Cauter kantoor houdend te 1050 Brussel Dautzenbergstraat 42 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 16 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beschikking van de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 21 januari 2021 en van arrest nr. RvVb-A-2021-0730 van de RvVb van 11 maart 2021 in de zaak 2021-RvVb-0045-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 28 mei
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.089-1/18 Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 24 september 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 februari
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Van de Cauter, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Op 22 april 2020 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een eengezinswoning.
  9. De provinciale stedenbouwkundige ambtenaar verklaart het administratief beroep van de verzoekende partijen tegen voormelde vergunningsbeslissing op 23 juli 2020 onontvankelijk en onvolledig. VII-41.089-2/18
  10. In de bestreden beschikking van 21 januari 2021 stelt de voorzitter van de RvVb vast dat het beroep op het eerste gezicht laattijdig en bijgevolg klaarblijkelijk onontvankelijk is omdat uit de door de verzoekende partijen bijgebrachte stukken en het administratief dossier blijkt dat de kennisgeving van de bestreden beslissing aan de verzoekende partijen dateert van 30 juli 2020 zodat de termijn voor de verzoekende partijen om tegen deze beslissing beroep in te dienen derhalve verstreek op 14 september 2020 “met toepassing van artikelen 5 en 6 Procedurebesluit”, terwijl de verzoekende partijen hun beroep hebben ingediend met een aangetekende brief van 23 september
  11. Het bestreden arrest verklaart het beroep van de verzoekende partijen tegen voormelde beslissing van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar klaarblijkelijk onontvankelijk wegens laattijdigheid. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie
  12. De bestreden beschikking van de voorzitter van de RvVb is geen in laatste aanleg gewezen beslissing in de zin van artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
  13. Het cassatieberoep tegen de bestreden beschikking is niet ontvankelijk. Exceptie van de provincie
  14. De provincie werpt op dat de middelen die de verzoekende partijen aanvoeren ook hadden kunnen worden aangevoerd in de procedure voor de RvVb. Ze hebben dit kennelijk nagelaten, terwijl ze er wel degelijk van op de hoogte waren dat hun verzoekschrift onontvankelijk dreigde verklaard te worden wegens laattijdigheid. Zij besluit dat de middelen bijgevolg niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in graad van cassatieberoep kunnen worden aangevoerd. VII-41.089-3/18 Beoordeling
  15. De exceptie hangt samen met het onderzoek van de middelen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
  16. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 6 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: procedurereglement RvVb). De verzoekende partijen zetten uiteen dat artikel 6 van het procedurereglement RvVb onder meer bepaalt dat de betekening met een aangetekende brief, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, geacht wordt plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief en dat de datum van de poststempel bewijskracht heeft zowel voor de verzending als voor de ontvangst. De RvVb past deze bepaling verkeerd toe, aangezien in het dossier van de provincie voor de RvVb de poststempel ontbrak die op het afgiftebewijs moet staan, alsook het afgiftebewijs zelf zodat de provincie niet bewijst dat ze haar beslissing op 30 juli 2020 heeft verstuurd zoals ze beweert. De bestreden beslissingen dienden voor de berekening van de beroepstermijn op de poststempel op het afgiftebewijs van de aangetekende zending gesteund te zijn, terwijl dit stuk door de provincie niet werd neergelegd. De RvVb heeft zijn beslissing verkeerdelijk gesteund op het buiten termijn neergelegde ontvangstbewijs en heeft artikel 6 van het procedurereglement RvVb dan ook verkeerd toegepast aangezien in het dossier van de provincie geen poststempel aanwezig is en het bewijs van verzending dus niet aangebracht is. De verzoekende partijen besluiten dat de RvVb, bij gebrek aan bewijsstuk van VII-41.089-4/18 verzending, hen het voordeel van de twijfel had dienen te verlenen en hun beroep ontvankelijk had dienen te verklaren. Door te stellen dat het bewijs van verzending geleverd is door een bewijs van ontvangst dat geen poststempel bevat, geeft de RvVb aan artikel 6 van het procedurereglement RvVb een interpretatie die die bepaling niet toelaat. Indien de RvVb dit artikel correct had geïnterpreteerd, zou vastgesteld zijn dat de provincie de verzending niet bewees en zou hun beroep ontvankelijk zijn verklaard. Zij voegen toe dat zij in hun verantwoordingsnota voor de RvVb artikel 6 van het procedurereglement RvVb hebben geciteerd en er aldus op hebben gewezen hoe de bewijsvoering moest gebeuren. Door nadien in het bestreden arrest te verklaren dat de aangetekende zending op 30 juli 2020 is verstuurd, zonder een datum van poststempel aan te brengen, is niet bewezen dat de brief verstuurd werd, noch dat die door hen ontvangen werd. Er is immers geen poststempel op het bericht van ontvangst te zien waarop ook geen poststempel hoort te staan, maar enkel een zelfklever van de post met het referentienummer van de zending en een handtekening van de ontvanger of een bericht van niet-afgifte. Op het bericht van ontvangst is een zelfklever aangebracht en een bericht van niet afhaling, maar geen poststempel. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat pas in het bestreden arrest wordt verduidelijkt hoe de RvVb de verzending en ontvangst bewezen acht, terwijl deze uitleg niet in de beschikking stond. Het bestreden arrest beoogt aan te tonen dat het bewijs van ontvangst volstaat om de poststempel te vervangen als bewijs voor verzending en ontvangst, terwijl artikel 6 van het procedurereglement RvVb stelt dat het bewijs van zowel verzending als ontvangst door de datum van de poststempel wordt aangebracht, die in casu ontbreekt. De RvVb spreekt zich in het arrest tegen en past artikel 6 van het procedurereglement RvVb verkeerd toe. Een overheid kan een bij reglement vastgestelde bewijsvoering niet door een andere vervangen. De provincie heeft de vermelding van de datum van afgifte bij de post zelf aangebracht want haar dossiernummer staat op de witte zelfklever. De rode sticker van de postdiensten bevat niet de vermelding waar de provincie naar verwijst. Zij besluiten dat zij hierop niet vroeger konden reageren. VII-41.089-5/18 Beoordeling
  17. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat: - de RvVb op 17 december 2020 aan de provincie heeft gevraagd om het geïnventariseerde administratief dossier in te dienen in het kader van de behandeling volgens de verkorte procedure bedoeld in artikel 59, § 2, van het procedurereglement RvVb, - de provincie aan de RvVb op 21 december 2020 toegang verleent tot het administratief dossier in het Omgevingsloket, - het rechtsplegingsdossier een e-mail van 20 januari 2021 bevat, waarmee het ontvangstbewijs van de betekening van de beslissing van de provinciale omgevingsambtenaar aan de RvVb werd bezorgd en dat deze aanvulling van het administratief dossier dateert van voor de beschikking van 21 januari 2021, - de beschikking van 21 januari 2021 steunt op het administratief dossier waarvan dit ontvangstbewijs deel uitmaakt, - het verweer van de verzoekende partijen in hun verantwoordingsnota tegen de beschikking dat hun beroep op het eerste gezicht laattijdig en bijgevolg klaarblijkelijk onontvankelijk is, beperkt is tot de brief van 30 juli 2020 waarvan zij stellen dat zij die niet hebben ontvangen, en geen betrekking heeft op het ontvangstbewijs waarmee het administratief dossier van de provincie voor de RvVb op 20 januari 2021 werd aangevuld.
  18. Door aldus het middel niet voor de RvVb aan te voeren, kunnen de verzoekende partijen het derhalve niet voor het eerst in cassatieberoep opwerpen.
  19. Het eerste middel is bijgevolg niet ontvankelijk. VII-41.089-6/18 B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
  20. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 74 van het procedurereglement RvVb. De verzoekende partijen betogen dat de provincie deze bepaling heeft geschonden aangezien ze: - geen geïnventariseerd administratief dossier heeft ingediend, gelet op het ontbreken van een inventaris, hoewel zij op 17 december 2020 door de RvVb uitgenodigd werd het geïnventariseerd dossier binnen de acht dagen mee te delen, - geen antwoordnota heeft ingediend zodat de verzoekende partijen de argumentatie van de provincie niet kenden, - niet bewijst wanneer ze haar stukken heeft ingediend, - niet bewijst dat de griffier haar een bijkomende termijn heeft verleend voor de indiening van stukken. De beschikking van 21 januari 2021 en het bestreden arrest zijn dan ook gebaseerd op een onbestaand, minstens gebrekkig administratief dossier. Als de provincie een genummerde inventaris had ingediend zoals artikel 74 van het procedurereglement RvVb dat voorschrijft, was er geen twijfel geweest over de aard en het aantal van de neergelegde stukken, noch over de datum van hun neerlegging. Bovendien diende de RvVb vast te stellen dat de provincie geen (genummerde) inventaris en geen bewijs van verzending (het afgiftebewijs) had toegezonden en had hij haar kunnen aanmanen dat alsnog te doen binnen een bepaalde termijn. Dat is niet gebeurd. Ten slotte had de RvVb overeenkomstig artikel 74 van het procedurereglement RvVb bij gebrek aan bewijs van verzending de door de verzoekende partijen aangehaalde feiten voor bewezen moeten beschouwen. Een door de provincie zelf opgesteld ontvangstbewijs kan daar niets aan veranderen. Het erop vermelde postnummer bestaat zelfs niet, voor zover de verzoekende partijen dat weten na mondeling informatie bij bpost te hebben ingewonnen. Zij besluiten dat, indien de RvVb artikel 74 van het VII-41.089-7/18 procedurereglement RvVb had toegepast, hun beroep ontvankelijk zou zijn verklaard. Zij voegen toe dat artikel 59, § 2, van het procedurereglement RvVb verwijst naar artikel 74 en er slechts gedeeltelijk van afwijkt in die zin dat er inderdaad geen antwoordnota moet worden neergelegd. Er dient wel een geïnventariseerd administratief dossier neergelegd te worden aangezien artikel 59, § 2, daarvan niet afwijkt. Zij stellen te hebben vastgesteld dat het dossier niet geïnventariseerd was zoals artikel 74, § 1, voorschrijft en bovendien niet volledig was omdat er geen afgiftebewijs werd bijgevoegd. Artikel 74 van het procedurereglement RvVb is dus deels van toepassing en werd duidelijk geschonden omdat het administratief dossier niet geïnventariseerd was. Beoordeling
  21. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat: - de RvVb op 17 december 2020 aan de provincie heeft gevraagd om het geïnventariseerde administratief dossier in te dienen in het kader van de behandeling volgens de verkorte procedure bedoeld in artikel 59, § 2, van het procedurereglement RvVb, - de provincie aan de RvVb op 21 december 2020 toegang verleent tot het administratief dossier in het Omgevingsloket, - het rechtsplegingsdossier een e-mail van 20 januari 2021 bevat, waarmee het ontvangstbewijs van de betekening van de beslissing van de provinciale omgevingsambtenaar aan de RvVb werd bezorgd en dat deze aanvulling van het administratief dossier dateert van voor de beschikking van 21 januari 2021, - de beschikking van 21 januari 2021 steunt op het administratief dossier waarvan dit ontvangstbewijs deel uitmaakt, - het verweer van de verzoekende partijen in hun verantwoordingsnota tegen de beschikking dat hun beroep op het eerste gezicht laattijdig en bijgevolg klaarblijkelijk onontvankelijk is, geen betrekking heeft op de afwezigheid van een geïnventariseerd administratief dossier, een antwoordnota van de provincie, het VII-41.089-8/18 bewijs door de provincie van het indienen van haar stukken, het bewijs dat de griffier de provincie een bijkomende termijn heeft verleend voor de indiening van haar stukken.
  22. Dit middel werd niet aangevoerd voor de RvVb en kan derhalve niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in het cassatieberoep worden opgeworpen.
  23. Het tweede middel is bijgevolg niet ontvankelijk. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen
  24. De verzoekende partijen voeren de schending aan van Boek VIII van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: NBW) inzake het bewijs. De verzoekende partijen doen gelden dat de administratieve rechtbank aanvullend de regels van het Gerechtelijk Wetboek (hierna: Ger.W.) dient toe te passen, hetgeen volgt uit artikel 2 Ger.W. dat ook van toepassing is op administratieve rechtscolleges. Zij stellen dat uit artikel 870 Ger.W. en artikel 8.4, lid 5, NBW volgt dat de bewijsregels van het Burgerlijk Wetboek aanvullend ook op administratieve rechtscolleges van toepassing zijn en in het bijzonder de regels inzake de bewijslast. De verzoekende partijen ontkennen dat zij het schrijven van 30 juli 2020 of enige melding betreffende een aangetekend schrijven dat op het postkantoor moest afgehaald worden hebben ontvangen en lichten toe dat zij zich voor hun administratief beroep gebaseerd hebben op de brief van 24 augustus 2020 houdende de beslissing waarin duidelijk staat dat er een cassatieberoep bij de Raad van State [lees: beroep bij de RvVb] mogelijk is. Voor hen vond de betekening dan ook pas plaats op 24 augustus 2020 op basis van de gewone brief van de RvVb [lees: de provinciale omgevingsambtenaar] en is het beroep dat op 23 september 2020 werd ingesteld dan ook tijdig. Op basis van artikel 6, eerste en tweede lid, van het procedurereglement RvVb is tegenbewijs mogelijk. Er is geen bewezen datum VII-41.089-9/18 van verzending of ontvangst van de brief van 30 juli
  25. Het ontvangstbewijs is geen bewijs van verzending, alleen de poststempel is dat. Zij stellen geen negatief bewijs te kunnen leveren en dus ook geen stukken hieromtrent te kunnen neerleggen. Zij verwijzen naar het gemeen recht en in het bijzonder artikel 8.6, lid 1, NBW, dat op 1 november 2020 in werking trad. Gelet op het gebrek aan bewijs van verzending op basis van de poststempel op het afgiftebewijs moest het waarschijnlijk feit dat zij de brief niet ontvangen hebben als bewezen worden beschouwd. Minstens dienen zij op dat vlak van het voordeel van de twijfel te kunnen genieten. Op ongemotiveerde wijze stelt het bestreden arrest dat de regels van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zouden zijn. Als de provincie niet bewijst dat zij haar beslissing op 30 juli 2020 betekend heeft, wat het geval is gelet op het ontbreken van een stuk met de poststempel in haar dossier, dient er nochtans -gelet op het feit dat artikel 5 [lees: 6] van het procedurereglement RvVb het de verzoekende partijen toestaat het tegenbewijs te leveren- noodzakelijkerwijze en aanvullend naar de bewijsegels in het Burgerlijk Wetboek te worden teruggegrepen, zoals artikel 8.6 NBW. Door het feit dat de RvVb geweigerd heeft de bewijsregels van het Burgerlijk Wetboek toe te passen, werd hen ten onrechte verweten dat ze het bewijs van de niet-ontvangst niet aanbrachten. De verzoekende partijen voegen toe dat het middel duidelijk is en geen betrekking heeft op de feitelijke beoordeling van de zaak, aangezien het de vraag betreft of de burgerrechtelijke bewijsregels op de procedure voor de RvVb van toepassing zijn en dat zij in dit verband de schending van artikel 8.6, eerste lid, NBW hebben ingeroepen. Het middel betreft het feit dat de RvVb weigert de regels van het NBW inzake het bewijs toe te passen. Ter informatie voegen zij er nog aan toe dat zij de postdiensten wel hebben ondervraagd, maar dat de post hen geen informatie kon verschaffen. Beoordeling
  26. Artikel 870 Ger.W. is eigen aan de burgerlijke rechtspleging en bijgevolg niet toepasselijk op de rechtspleging voor de RvVb die op eigen regels is gegrond. VII-41.089-10/18
  27. Artikel 6 van het procedurereglement RvVb bepaalt: “De betekening met een aangetekende brief wordt, behalve in geval van bewijs van het tegendeel door de geadresseerde, geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief. De datum van aanbieding door de postdiensten geldt, niet de feitelijke kennisneming van de beveiligde zending op een later tijdstip. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst. De betekening door afgifte tegen ontvangstbewijs wordt geacht plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs. De bij het decreet en dit besluit bedoelde termijnen lopen eveneens tegen de minderjarigen, de ontzette personen en andere onbekwamen. Het College kan de termijnen van hun verval ontheffen wanneer het vaststaat dat de vertegenwoordiging van die personen niet tijdig was verzekerd voor het verstrijken van de termijnen”.
  28. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van het procedurereglement RvVb dat stelt dat de betekening door afgifte tegen ontvangstbewijs geacht wordt plaats te vinden op de datum van het ontvangstbewijs, strekt de regeling van het bewijs van het NBW zich niet uit tot het bewijs van betekening in de rechtspleging voor de RvVb.
  29. Het komt de Raad van State niet toe zich in tweede instantie uit te spreken over de bewijswaarde van het door de verzoekende partijen aangevoerde tegenbewijs, met name hun verklaring dat zij het aangetekend schrijven van 30 juli 2020 niet ontvangen hebben. De Raad van State treedt immers als cassatierechter, overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, niet in de beoordeling van de zaak zelf.
  30. Het middel wordt verworpen. VII-41.089-11/18 D. Vierde middel Standpunt van de verzoekende partijen
  31. De verzoekende partijen voeren de schending aan van het principe van goed bestuur.
  32. De verzoekende partijen zetten uiteen dat elke administratie dient te handelen volgens het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en dat de RvVb een onafhankelijk Vlaams bestuursrechtscollege en dus een orgaan van de Vlaamse overheid is en dan ook op een open en transparante wijze moet communiceren met de belanghebbenden. De verzoekende partijen stellen dat zij werden misleid door de gewone brief van 24 augustus 2020 die de indruk gaf dat de termijn slechts vanaf die datum een aanvang nam en merken op dat de RvVb deze misleiding ook toegeeft in het bestreden arrest. Daardoor hebben zij hun beroep zogezegd buiten de termijn van 45 dagen na de beweerde verzending van de beslissing van 30 juli 2020 ingesteld. Beoordeling
  33. Het middel noopt de Raad van State tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb. De Raad van State is daartoe als cassatierechter niet bevoegd.
  34. Het middel wordt verworpen. VII-41.089-12/18 E. Vijfde middel Standpunt van de verzoekende partijen
  35. De verzoekende partijen voeren de schending van de rechten van verdediging en van een eerlijk proces in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verzoekende partijen bekritiseren het procesverloop bij de RvVb. Zij stellen de indruk te hebben dat de RvVb alleen maar streng was voor hen en niet voor de tegenpartij zodat zij ten onrechte in de onmogelijkheid worden gesteld om de zaak ten gronde te bespreken. Zij dienden immers op straffe van onontvankelijkheid een reeks vormvereisten na te leven terwijl de provincie vrijgesteld werd van het neerleggen van een inventaris, het afgiftebewijs met de poststempel en zelfs nog één dag voor de beschikking van de RvVb een nieuw stuk, met name het ontvangstbewijs, mocht neerleggen. De RvVb had dit stuk wegens laattijdige neerlegging op basis van artikel 74 van het procedurereglement RvVb uit het dossier moeten weren. Deze onrechtmatige handelswijze van de RvVb, die zijn beschikking en arrest steunde op een laattijdig neergelegd en een niet-geïnventariseerd stuk, heeft ervoor gezorgd dat hun beroep onontvankelijk werd verklaard. De verzoekende partijen voegen toe dat, indien de provincie een (niet geïnventariseerd) dossier heeft neergelegd, de situatie van artikel 59, § 2, derde lid, van het procedurereglement RvVb niet van toepassing kan zijn en het bijvoegen van nieuwe stukken door de administratieve overheid verboden is. Door het toekennen van een niet reglementair voordeel aan de provincie -meer bepaald de aanvulling van het administratief dossier met een nieuw en beslissend stuk na de termijn van 8 dagen die werd verleend aan de provincie- strijden de partijen met ongelijke wapens en worden de rechten van verdediging van de verzoekende partijen geschonden. Deze onrechtmatige handelswijze heeft ervoor gezorgd dat hun beroep onontvankelijk werd verklaard. VII-41.089-13/18 Beoordeling
  36. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat: - de RvVb op 17 december 2020 aan de provincie heeft gevraagd om het geïnventariseerde administratief dossier in te dienen in het kader van de behandeling volgens de verkorte procedure bedoeld in artikel 59, § 2, van het procedurereglement RvVb, - de provincie aan de RvVb op 21 december 2020 toegang verleent tot het administratief dossier in het Omgevingsloket, - het rechtsplegingsdossier een e-mail van 20 januari 2021 bevat, waarmee het ontvangstbewijs van de betekening van de beslissing van de provinciale omgevingsambtenaar aan de RvVb werd bezorgd en dat deze aanvulling van het administratief dossier dateert van voor de beschikking van 21 januari 2021, - de beschikking van 21 januari 2021 steunt op het administratief dossier waarvan dit ontvangstbewijs deel uitmaakt, - het verweer van de verzoekende partijen in hun verantwoordingsnota tegen de beschikking dat hun beroep op het eerste gezicht laattijdig en bijgevolg klaarblijkelijk onontvankelijk is, geen betrekking heeft op de schending van hun rechten van verdediging en van een eerlijk proces.
  37. Dit middel werd niet aangevoerd voor de RvVb en kan derhalve niet op ontvankelijke wijze voor het eerst in het cassatieberoep worden opgeworpen.
  38. Het vijfde middel is niet ontvankelijk. VII-41.089-14/18 F. Zesde middel Standpunt van de verzoekende partijen
  39. De verzoekende partijen voeren de schending van artikel 149 van de Grondwet. Zij stellen dat in de bestreden beslissingen niet wordt uitgelegd op welk stuk de bewering is gebaseerd dat de provincie haar beslissing op 30 juli 2020 heeft verstuurd. Dit kan immers niet op basis van een ontvangstbewijs omdat er een bewijs van een poststempel ontbrak, zodat de provincie niet bewijst dat zij de betekening conform artikel 6 van het procedurereglement RvVb heeft gedaan. De verzoekende partijen stellen dat de RvVb dit gebrek aan bewijs had moeten opmerken. Daarnaast wordt ook niet uitgelegd waarom de bewijsregels van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, waarvan Boek VIII op 1 november 2020 in werking is getreden, niet aanvullend van toepassing zouden zijn en waarom de verzoekende partijen een negatief bewijs moeten leveren in de zin dat ze de aangetekende brief van 30 juli 2020 nooit ontvangen hebben. Voor deze niet-toepassing van de burgerrechtelijke bewijsregels geeft de RvVb geen uitleg. Zij voegen toe dat de RvVb niet louter en op tegenstrijdige wijze kon verwijzen naar een ontvangstbewijs omdat het procedurereglement RvVb vereist dat men moet verwijzen naar de poststempel die op het afgiftebewijs wordt gezet. Beoordeling
  40. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde VII-41.089-15/18 of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  41. Het bestreden arrest overweegt na ambtshalve onderzoek in het kader van de vereenvoudigde procedure: “De verzoekschriften moeten op straffe van onontvankelijkheid worden ingediend binnen de termijnen vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: Omgevingsvergunningsdecreet), met toepassing van artikel 4 Procedurebesluit. Luidens artikel 105, §3 Omgevingsvergunningsdecreet wordt het beroep ingesteld binnen een vervaltermijn van vijfenveertig dagen die ingaat hetzij de dag na de datum van de betekening, voor die personen of instanties aan wie de beslissing betekend wordt, hetzij de dag na de eerste dag van de aanplakking van de beslissing in de overige gevallen. Uit de door de verzoekende partijen bijgebrachte stukken en uit het administratief dossier blijkt dat de aangetekende zending waarmee de betekening van de beslissing van 23 juli 2020 is geschied op 30 juli 2020 is verstuurd doch dat deze zending, na vruchteloos aanbieden, niet werd afgehaald bij de postdiensten. Dit is ook zo vastgesteld in de vermelde beschikking van 21 januari 2021 van de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Reeds bij het verzoekschrift werd de brief van 24 augustus 2020 van de verwerende partij gevoegd en daaruit blijkt dat deze al eerder aangetekend werd verzonden op 30 juli 2020 en dat de verzoekende partijen deze brief dan niet afhaalden bij de postdiensten. Er staat ook uitdrukkelijk in vermeld dat dit de reden is waarom deze brief nogmaals per gewone zending wordt bezorgd. Met de verzoekende partijen kan akkoord worden gegaan dat in deze gewone brief van 24 augustus 2020 nog de beroepsmogelijkheid bij de Raad vermeld worden. Evenwel moet ook worden vastgesteld dat er uitdrukkelijk wordt verwezen naar de website van de Raad waar eveneens ontegensprekelijk staat dat de vervaltermijn voor het indienen van een beroep bij de Raad begint te lopen de dag na deze van de betekening van de bestreden beslissing, wanneer VII-41.089-16/18 dergelijke betekening vereist is. In deze was de betekening vereist en kon de vervaltermijn dan onmogelijk beginnen te lopen met de kennisgeving bij gewone brief. Waar de verzoekende partijen nog betwisten dat hen de aangetekende brief van 30 juli 2020 niet werd aangeboden door de postdiensten moet eerst worden vastgesteld dat ze niet met goed gevolg kunnen verwijzen naar de bewijsregels in het Burgerlijk Wetboek. Artikel 6, eerste lid Procedurebesluit bepaalt dat de betekening met een aangetekende brief wordt geacht plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel van de aangetekende brief. De datum van aanbieding door de postdiensten geldt. De datum van de poststempel heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst tot bewijs van het tegendeel. De verzoekende partijen stellen louter de aangetekende brief van 30 juli 2020 niet te hebben ontvangen en ook geen kennisgevingbericht. In het dossier is evenwel een door de post afgetekend bewijs van ontvangst aanwezig waarop zowel de datum van verzending als de verklaring niet-afgehaald staat vermeld. De verzoekende partijen kunnen aldus niet volstaan met hun loutere stelling zonder de postdiensten hierover ondervraagd te hebben of minstens er inlichtingen over te hebben gevraagd. Er ligt een duidelijk bewijs van ontvangst voor dat ingevolge het Procedurebesluit bewijskracht heeft nu het tegendeel niet wordt aangetoond. De termijn voor de verzoekende partij om tegen deze bestreden beslissing beroep in te dienen, verstreek derhalve op 14 september 2020, met toepassing van artikel 105, §3 Omgevingsvergunningsdecreet en met toepassing van artikel 4 Procedurebesluit. De verzoekende partijen hebben hun beroep ingesteld met een aangetekende zending van 23 september
  42. In hun verantwoordingsnota overtuigen zij niet dat er redenen van overmacht of onoverwinnelijke dwaling zijn die de laattijdigheid van hun beroep kunnen verantwoorden”.
  43. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest niet uitlegt op welk stuk de bewering is gebaseerd dat de provincie haar beslissing op 30 juli 2020 heeft gestuurd en waarom de bewijsregels van het Nieuw Burgerlijk Wetboek niet aanvullend van toepassing zijn, mist feitelijke grondslag.
  44. Het bestreden arrest is naar eis van artikel 149 van de Grondwet met redenen omkleed.
  45. Het middel wordt verworpen. VII-41.089-17/18 BESLISSING
  46. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  47. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-41.089-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.