← België

Arrest 253189 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 10/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.189 Rolnummer: A. 231309/VII-40876 Zaak: Arrest 253189 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 10/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-14 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 06:26 Fiche Arrest nr 253.189 van 10 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.189 van 10 maart 2022 in de zaak A. 231.309/VII-40.876 In zake : de BVBA QUIRYNEN ENERGY FARMING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ilse Cuypers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 9600 Ronse Grote Markt 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 16 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring “van enerzijds het Besluit van het departement Omgeving, afdeling Handhaving van 19 mei 2020 houdende de veiligheidsmaatregelen volgens artikel 16.7.
  2. DABM en anderzijds het besluit van het departement Omgeving, afdeling Handhaving van 29 mei 2020 houdende weigering tot opheffing van de veiligheidsmaatregelen van 19 mei 2020”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.876-1/7 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 maart
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Victoire Willemot, die loco advocaat Ilse Cuypers verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verzoekende partij baat een grote vergistingsinstallatie uit te Merksplas. Haar installaties veroorzaken hierbij veel “run-off” water, dit is water dat van de daken en de terreinen afstroomt en in de beek terechtkomt bij gebreke aan riolering in dit gebied. Dit run-off water is vervuild en kan niet zomaar geloosd worden, waardoor de verzoekende partij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen, waaronder de aanleg van een opslagbekken dat als buffer dienstdoet, nadat zij hiertoe was aangemaand door de afdeling Handhaving. 3.
  7. Op 13 december 2018 nam de toezichthouder van de afdeling Handhaving een lozing van verontreinigd water in oppervlaktewater waar. Dit VII-40.876-2/7 leidde tot proces-verbaal AN64.H1.0002-
  8. Het geloosde water betrof grondwater dat wordt onttrokken aan de zone onder het opslagbassin waarin verontreinigd terreinwater wordt opgeslagen, opdat de druk op de bodem van het bassin niet tot scheuren van de folie ervan zou leiden. 3.
  9. Op 24 januari 2019 signaleerde een vertegenwoordigster van de verzoekende partij dat een lek werd waargenomen in het opslagbassin voor verontreinigd hemelwater. Zij vermeldt hierbij dat men vermoedt dat dit lek aanleiding zou kunnen geven tot de vastgestelde overschrijdingen van het opgepompt grondwater dat op 13 december 2018 werd geloosd. 3.
  10. De afdeling Handhaving neemt op 26 maart 2019 telefonisch contact op met de verzoekende partij en vraagt om een stand van zaken en een plan van aanpak. 3.
  11. Op 29 maart 2019 bevestigt de milieucoördinator van de verzoekende partij dat de vastgestelde overschrijdingen van het opgepompt grondwater dat op 13 december 2018 werd geloosd, werden veroorzaakt door weglekkend water uit het opslagbassin voor verontreinigd hemelwater. Tevens wordt gemeld dat het opslagbassin volledig zal worden geledigd tegen de zomermaanden waarna de herstellingswerken zouden kunnen aanvatten. Op 5 april 2019 wordt een concretere timing bezorgd van de geplande werken. De werken zouden voor 15 september 2019 zijn afgerond. Dit wordt bevestigd op 13 juni 2019, waarbij wordt gesteld dat het bassin tegen 15 juli 2019 volledig leeg zal zijn. 3.
  12. Op 14 mei 2020 werd vastgesteld dat het zeil dat de bodem vormt van het opslagbassin op diverse plaatsen boven het wateroppervlakte van het opgevangen verontreinigd terreinwater zichtbaar was. Omdat hierdoor een onveilige situatie wordt gecreëerd en een potentieel gevaar op bodem- en grondwaterverontreiniging, werd op 19 mei 2020 een veiligheidsmaatregel opgelegd. Dit is de eerste bestreden beslissing. VII-40.876-3/7 3.
  13. De afdeling Handhaving ontvangt op 25 mei 2020 een schrijven van de raadslieden van de verzoekende partij, waarbij dezen trachten aan te tonen dat er geen risico op bodem- en grondwaterverontreiniging zou bestaan, en zij verzoeken de veiligheidsmaatregel op te heffen. Dit verzoek werd geweigerd aangezien er geen concrete maatregelen werden voorgesteld om lekken in het bassin te voorkomen. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
  14. Op 11 juni 2020 werd vastgesteld dat naast het opslagbassin water met een hoog debiet aan de oppervlakte uit de bodem omhoog kwam. Het water had een diepe geul uitgesleten. Het water werd gecollecteerd in een pompput en vervolgens naar het opslagbassin voor verontreinigd terreinwater gepompt. Na herhaaldelijk aandringen bij de verzoekende partij werd bevestigd dat dit water afkomstig was van een lek in het opslagbassin. Dit werd genotuleerd in het proces-verbaal met nummer AN64.H1.0098-
  15. 3.
  16. Een opvolgingscontrole wordt uitgevoerd op 24 mei 2020, waarbij bleek dat het lek afkomstig was van een losse klemband aan een aanzuigleiding in het opslagbassin. Op het moment van de inspectie was het bassin nagenoeg volledig geledigd en was de positie van dit lek visueel zichtbaar. Het lek is intussen gedicht. Er werden tot op heden geen bijkomende lekken vastgesteld in het opslagbassin voor verontreinigd terreinwater. 3.
  17. Op 16 juli 2020 kwam er opnieuw een schrijven van de raadslieden van de verzoekende partij, met andermaal het verzoek tot opheffing van de veiligheidsmaatregel. Uit dit verzoek blijkt dat scheuren in het bassin kunnen worden voorkomen mits voldoende onderhoudsmaatregelen worden uitgevoerd. Op 3 september 2020 wordt opnieuw een proces-verbaal opgesteld, dat deze vaststellingen bevestigt. Mits toepassing van de onderhoudsmaatregelen die worden voorgesteld door de onderhoudsdeskundige en de nodige periodieke analysen op het drainagewater dat wordt onttrokken van onder het opslagbassin, kan het risico op bodem- en grondwaterverontreiniging aldus worden gereduceerd en ingeperkt tot een aanvaardbaar niveau. De veiligheidsmaatregel werd bij besluit VII-40.876-4/7 van 3 september 2020 aldus opgeheven onder voorwaarden. 3.
  18. Het verzoek om de eerste veiligheidsmaatregel op te heffen werd op 4 september 2020 zodoende opnieuw geweigerd, weliswaar zonder enige verwijzing naar het intrekkingsbesluit van daags tevoren. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
  19. De verwerende partij werpt volgende exceptie op: “Bij besluit van het departement Omgeving, afdeling Handhaving, van 3 september 2020 werd de eerste bestreden beslissing voorwaardelijk opgeheven. Dit heeft als onmiddellijk gevolg dat ook de tweede bestreden beslissing (die er toe strekte de eerste beslissing te zien opheffen) geen enkele relevantie meer heeft. Beide bestreden beslissingen zijn uit de rechtsorde verdwenen. Het annulatieberoep is dan ook zonder voorwerp geworden, minsten ontbeert de verzoekende partij het vereiste belang. De vordering dient als onontvankelijk te worden afgewezen”.
  20. De verzoekende partij reageert hierop als volgt: “Verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het eerste bestreden besluit (voorwaardelijk) werd opgeheven, waardoor ook het tweede bestreden besluit (de initiële weigering tot opheffing van het eerste bestreden besluit) ‘geen relevantie meer heeft’, waardoor finaal het vernietigingsberoep van verzoekende partij zonder voorwerp is geworden, minstens het aan verzoekende partij het rechtens vereiste belang ontbreekt. Verzoekende partij sluit zich aan bij het standpunt dat, ingevolge het nemen van het besluit van verwerende partij d.d. 3 september 2020 (zie nieuw stuk 14), het vernietigingsberoep tegen het eerste bestreden besluit zonder voorwerp is geworden. Het tweede bestreden besluit strekt tot weigering van de opheffing van het eerste bestreden besluit, dat intussen toch werd opgeheven. Doch het tweede bestreden besluit is niet formeel uit het rechtsverkeer verdwenen. Dienaangaande kan het standpunt van verwerende partij aldus niet gevolgd worden. Omdat het tweede VII-40.876-5/7 bestreden besluit ingevolge de opheffing van het eerste bestreden besluit thans geen rechtsgevolgen meer kan ressorteren, komt het gepast voor om het om het tweede bestreden besluit te vernietigen omwille van de duidelijkheid van het rechtsverkeer.[…] […] De tijdigheid van het inleidend verzoekschrift en het principieel wettelijk vereiste belang van verzoekende partij bij onderhavige procedure wordt door verwerende partij niet betwist”. Beoordeling
  21. Uit de redactie van het besluit van 3 september 2020 waarnaar in de feitenuiteenzetting wordt verwezen, blijkt dat de veiligheidsmaatregelen worden opgeheven. Er wordt geen datum vermeld in het dictum van dit besluit, doch uit de motivering van dit besluit dient te worden afgeleid dat de opgeheven veiligheidsmaatregelen werden opgelegd door een besluit van 20 mei 2020, dit is de eerste bestreden beslissing. Ten aanzien van deze bestreden beslissing dient aldus te worden geconcludeerd dat zij niet langer het voorwerp kan uitmaken van het huidige beroep. Met betrekking tot de tweede bestreden beslissing volgt uit het voorwerp van deze beslissing, dat zij ingevolge het tussengekomen besluit van 3 september 2020 zinledig is geworden. Het huidige beroep dient dan ook als onontvankelijk, bij gebrek aan voorwerp te worden verklaard. V. Kosten
  22. Aangezien het voorwerp van het huidige beroep niet teloor is gegaan door toedoen van de verzoekende partij, is het gepast de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij. VII-40.876-6/7 BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het beroep.
  24. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.876-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.