id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.195 Rolnummer: A. 226890/XIV-37893 Zaak: Arrest 253195 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 10/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-18 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 06:27 Fiche Arrest nr 253.195 van 10 maart 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 253.195 van 10 maart 2022 in de zaak A. 226.890/XIV-37.893 In zake : Filip VANGENECHTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van: 1) “[h]et besluit van de directrice van de directie het personeel federale politie dd. 01 oktober 2018 waarbij is vastgesteld dat verzoeker geen laureaat is van de kennisproef in het kader van het directiebrevet”; en 2) “[h]et besluit van de directrice van de directie [van] het personeel [van de] federale politie, van onbekende datum, tot toepassing van een correctiecoëfficiënt van 1,3605 op de resultaten van alle kandidaten”. XIV-37.893-1/16 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december 2021 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is commissaris van politie bij de lokale politiezone Antwerpen (PZ 5845). XIV-37.893-2/16 3.2. Verzoeker heeft zich kandidaat gesteld voor deelname aan de promotie-opleiding voor hoofdcommissaris van politie (opleiding directiebrevet). Bij schrijven van 6 april 2018 werd verzoeker ervan in kennis gesteld dat hij voor het onderdeel ‘kennisproef’ een score van 86,40/150 behaald had, en dat hij derhalve niet geslaagd was vermits een minimumscore van 60% (of 90/150) vereist was. Tegen deze beslissing heeft verzoeker het beroep tot nietigverklaring nr. 225.429/XIV-37.744 ingediend, dat werd verworpen met ’s Raads arrest nr. 243.213 van 12 december 2018 nadat de bestreden beslissing bij beslissing van 4 juli 2018 door de verwerende partij was ingetrokken. Bij de kennisgeving van de beslissing van 6 april 2018 werd tevens meegedeeld dat er een correctiecoëfficiënt van 1,3605 was toegepast op de resultaten van de kandidaten. Die beslissing tot toepassing van een correctiecoëfficiënt werd door verzoeker niet aangevochten. 3.3. Na intrekking van de beslissing dat verzoeker niet geslaagd was in de kennisproef heeft de directeur van de directie van het personeel (DRP) op 25 september 2018 (opnieuw) beslist toepassing te maken van een correctiecoëfficiënt van 1,3605 op alle resultaten. Dit is de tweede thans bestreden beslissing. 3.4. Op 1 oktober 2018 wordt een nieuwe beslissing genomen over het resultaat van verzoeker op de kennisproef. Verzoeker behaalt opnieuw 86,40/150 en is derhalve opnieuw niet geslaagd vermits hij niet de vereiste minimumscore van 60% behaalt. Dit is de eerste thans bestreden beslissing. XIV-37.893-3/16 IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie betreffende de eerste bestreden beslissing 4. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het belang van verzoeker wat de eerste bestreden beslissing betreft. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze exceptie ongegrond is en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop te antwoorden, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het beroep verzet. 5. De exceptie wordt verworpen. B. Exceptie betreffende de tweede bestreden beslissing Standpunt van de partijen 6. Volgens de verwerende partij heeft verzoeker evenmin een belang bij het aanvechten van de tweede bestreden beslissing aangezien de vernietiging ervan hem geen voordeel kan verschaffen. De verwerende partij stelt dat het verzoekschrift het belang niet of nauwelijks motiveert. Er wordt louter aangevoerd dat een samenhang zou bestaan tussen de twee bestreden beslissingen. Nochtans betreffen beide beslissingen afzonderlijke aspecten, waarbij de ene beslissing een correctiecoëfficiënt toepast en de andere beslissing het niet-slagen vaststelt. Elke beslissing bestaat afzonderlijk, minstens blijft ze overeind zonder de andere beslissing. Het niet-bestaan van de tweede bestreden beslissing beïnvloedt het resultaat van de eerste bestreden beslissing immers niet, namelijk verzoeker blijft niet geslaagd voor de kennisproef. Na toepassing van de correctiecoëfficiënt behaalt hij immers 86,4/150 (hetzij 57,6%), wat reeds onder de minimumgrens van 60% is. Zonder correctie zou de score 38,68% bedragen, ruim onder de minimumgrens van 60%. Een vernietiging van de tweede bestreden beslissing zal geen impact kunnen hebben op het verloop van de promotieopleiding, aangevat op XIV-37.893-4/16 21 januari 2019 zodat het aanvechten ervan verzoeker dan ook geen voordeel verschaft. 7. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat wettelijke voorschriften zijn wat ze zijn. Indien de Raad van State op grond van de aangevoerde middelen tot vernietiging zou besluiten, dient verzoeker een nieuwe kans inzake de kennisproef te krijgen. Nu de verwerende partij zich genoodzaakt zag om een correctiecoëfficiënt toe te passen, moet zij toch wel toegeven dat er iets aan de kennisproef schortte. Dat een correctiecoëfficiënt moest worden toegepast, houdt in dat “gelet het niveau van getoetste kennis eigenlijk toch wel voldoende was om toegelaten te worden tot de opleiding” en het valt een overheid die goed en zorgvuldig bestuurt toe hieruit lessen te trekken “inzake de organisatie en concretisatie van volgende kennisproeven” opdat verzoeker dan kan “worden getoetst aan de hand van een ernstige kennisproef en niet aan de hand van een gebrekkige die het aanwenden van een correctiecoëfficiënt noodzaakt”. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat hij zijn belang niet alleen ontwaart in het gegeven op zich dat hij, na een vernietiging van de tweede bestreden beslissing, de kennisproef kan hernemen. Hij beklemtoont dat de toepassing van de correctiecoëfficiënt inhoudt dat de kennisproef zoals die voorlag ondeugdelijk was en dat er “iets markant aan schortte” zodat de toepassing van een correctiecoëfficiënt noodzakelijk was. Aldus heeft verzoeker wel degelijk een belang bij de vernietiging van deze beslissing “enerzijds moreel gelet aldus komt vast te staan dat de gehanteerde methodiek onwettig en ook ondeugdelijk was” en “anderzijds materieel en heel concreet praktisch” omdat het een directe weerslag heeft op het te verlenen rechtsherstel ingeval van vernietiging van de eerste bestreden beslissing alwaar een nieuwe kennisproef moet worden georganiseerd. Het is de overheid dan duidelijk dat haar proef zelf deugdelijk moet zijn zodat er geen nood is aan enige correctie achteraf. XIV-37.893-5/16 Beoordeling 8. Een vernietiging van de tweede bestreden beslissing waarbij die correctiecoëfficiënt wordt ingevoerd leidt niet tot het door verzoeker beoogde resultaat, namelijk dat de kennisproef waaraan hij heeft deelgenomen, moet worden “overgedaan” of “hernomen”. Vooreerst dient de Raad van State immers vast te stellen dat uit het administratief dossier blijkt dat (1.) de selectieprocedure waarvan deze kennisproef deel uitmaakte op 30 november 2018 is afgerond, (2.) de promotieopleiding met het oog waarop de selectieprocedure is gevoerd in januari 2019 is aangevat en, (3.) daarenboven eind juni 2020 is afgerond. Nog daargelaten dat verzoeker geen belang heeft bij een vernietiging van de correctiecoëfficiënt al was het maar omdat hij, zonder toepassing van de correctiecoëfficiënt, (ruim) onder de vereiste minimumscore van 60% blijft, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat hij heeft nagelaten tijdig de individuele voorbeslissingen met een schorsings- of annulatieberoep te bestrijden waardoor veertig kandidaten die na toepassing van de door haar betwiste correctiecoëfficiënt zijn “heropgevist”, tot het vervolg van de selectieprocedure zijn toegelaten. Doordat deze “heropgeviste” kandidaten inmiddels de opleiding hebben afgerond, kan het “hernemen” of “overdoen” van de kennisproef omwille van het onwettig bevinden van de correctiecoëfficiënt hem geen voordeel verschaffen. Dat lijkt des te meer te moeten gelden nu verzoeker in zijn vierde middel - dit is het enige middel dat betrekking heeft op (de deugdelijkheid van) de toepassing van een correctiecoëfficiënt - aanvoert dat de toepassing van een correctiecoëfficiënt, welke ook, strijdt met artikel 12, subsidiair artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006. 9. Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de tweede bestreden beslissing. Het voorliggende beroep wordt hierna derhalve beoordeeld in zoverre het is gericht tegen de eerste bestreden beslissing die verder wordt aangeduid als “de bestreden beslissing”. V. Onderzoek van de middelen XIV-37.893-6/16 A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10. In zijn verzoekschrift voert verzoeker in het eerste middel een schending aan van artikel 4, 3°, van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 doordat in strijd met die bepaling uit niets blijkt dat het daarin bedoelde selectiereglement werd opgesteld door de directeur van de directie van het personeel of een door hem aangewezen personeelslid noch dat het werd goedgekeurd door het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie (CCGPI), terwijl dit reglement van groot belang is aangezien het de antwoordelementen en beoordelingselementen bevat die in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de kennisproef. Het selectiereglement, aldus verzoeker, doet dat ook door te voorzien in referentie “antwoordelementen” en “beoordelings- elementen” dewelke worden aangereikt door de “experts in elk domein”. Omwille van het determinerend karakter van deze elementen met het oog op de beoordeling en het al dan niet-geslaagd zijn, heeft een kandidaat er belang bij dat dat selectiereglement tot stand komt op de door de regelgeving bepaalde wijze. Wanneer dat niet het geval is, tast dit gebrek de geldigheid van de selectieproeven alsook de erop behaalde resultaten aan en kan het aldus behaalde resultaat niet ten grondslag liggen van een niet-slagen voor de noodzakelijk af te leggen (kennis)proef. Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat uit het door de verwerende partij bijgebrachte stuk waaruit de goedkeuring van het selectiereglement door het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie moet blijken “een bijzonder warrig stuk is”, wat hij detailleert en dat hieruit “niet duidelijk blijkt dat het CCGPI effectief goedkeuring heeft gehecht aan het integrale selectiereglement hetwelk zou zijn opgesteld door de directeur van de directie van het personeel of een door hem aangewezen personeelslid.” XIV-37.893-7/16 In zijn laatste memorie herneemt verzoeker zijn grieven. Hij “benadrukt” daarbij dat volgens hem het coördinatiecomité enkel aanpassingen aan het selectiereglement heeft goedgekeurd, dat niet blijkt dat het gehele reglement door dat comité is goedgekeurd en dat uit de elektronische briefwisseling duidelijk zou blijken dat hetgeen de directeur communiceert voor haar bedoeld is om goedgekeurd te worden door het directiecomité van de Federale politie, terwijl zij zulks op eigen gezag moet doen. Het valt het coördinatiecomité toe om al dan niet goed te keuren, daar dat evenwichtig is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lokale en de Federale politie. Wanneer de leden van het federale directiecomité in werkelijkheid de opsteller zijn van het reglement “is een vrij debat omtrent de inhoud niet meer mogelijk”. Beoordeling 11. Het te dezen relevante artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 zoals gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 ‘tot wijziging van verschillende teksten inzake bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie’, voorziet dat het selectie- en opleidingsreglement wordt opgesteld door de directeur van de directie van het Personeel van de Federale politie of het door hem aangewezen personeelslid en wordt goedgekeurd door het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie. Dat reglement bepaalt (
- a)de nadere regels betreffende de organisatie van de verschillende proeven, (
- b)de manier waarop de punten voor de verschillende proeven en subproeven worden toegekend alsook, in voorkomend geval, de weging van die proeven met het oog op het bepalen van de rangschikking en tot slot, (
- c)de organisatieprincipes van de stage. Uit het e-mailverkeer dat is gevoerd door de directeur van de directie van het personeel blijkt dat die op 20 september 2017 een “fiche directiecomité federale politie” (met daarbij gevoegd het opgestelde selectie- en opleidingsreglement voor het behalen van het directiebrevet) bezorgt aan het hoofd van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie van de Federale XIV-37.893-8/16 politie om het voor goedkeuring te agenderen op een vergadering van het directiecomité van de Federale politie die plaats vindt op 2 oktober 2017 en om het vervolgens over te leggen aan het eerdergenoemde coördinatiecomité. Voorts bevat het administratief dossier tevens een uittreksel uit de notulen van de vergadering van het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie van 17 oktober 2017 waarbij de voorgestelde wijzigingen aan het selectiereglement worden goedgekeurd. Ondanks dat verzoeker deze documenten nogal warrig vindt, volstaan zij om de Raad van State ervan te overtuigen dat de directeur het selectiereglement zoals het genoemde artikel 4, 3° het vereist, heeft opgesteld. Doordat zij het reglement overmaakt aan de algemene directeur van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie van de Federale politie blijkt reeds dat zij “op haar gezag” de verantwoordelijkheid voor het opstellen ervan opneemt. Bovendien is het selectiereglement, zoals diezelfde bepaling vereist, in zijn totaliteit aan het coördinatiecomité overgelegd dat in zijn vergadering van 17 oktober 2017 de wijzigingen die eraan zijn aangebracht, aanvaardde. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verwerende partij aantoont dat het selectiereglement door het coördinatiecomité van de geïntegreerde politie wordt bijgevallen. 12. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 13. In het tweede middel van zijn verzoekschrift voert verzoeker een schending aan van “het beginsel dat vervat is in de rechtsspreuk patere legem quam ipse fecisti en van het onpartijdigheidsbeginsel”. Verzoeker zet uiteen dat ter gelegenheid van het examen richtlijnen werden gegeven waaronder het verbod om op het (examen)document aantekeningen aan te brengen die toelaten de kandidaat te identificeren en dat enkel het deelnemingsnummer van de kandidaat mocht XIV-37.893-9/16 worden vermeld, wat ertoe strekt een strikte neutraliteit en objectiviteit bij de verbetering door de correctoren na te streven. Uit de correctieformulieren van zijn kennisproef blijkt evenwel dat, per vraag, telkens niet alleen het deelnemingsnummer, maar tevens de identiteit van verzoeker wordt vermeld. Het staat dus vast dat de correctoren hebben verbeterd met kennis van de identiteit van verzoeker wat strijdt met het patere legem - beginsel, dat inhoudt dat het bestuur ertoe is verplicht de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld te eerbiedigen bij de concrete toepassing ervan, met name te dezen het na te leven vereiste van neutraliteit en objectiviteit bij de verbetering door de correctoren van de examens. Door de anonimiteit te doorbreken is de objectiviteit en neutraliteit aangetast waardoor er minstens een schijn van partijdigheid is gewekt en het onpartijdigheidsbeginsel is geschonden. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker daaromtrent nog dat, anders dan de verwerende partij voorhoudt, uit niets blijkt dat de oorspronkelijke verbetering van de kennisproef anoniem is gebeurd. Zulks valt in ieder geval niet af te leiden uit het bijgebrachte stuk 12 van het administratief dossier dat een omzendbrief van het college van procureurs-generaal bij de hoven beroep betreft. Verzoeker beklemtoont dat trouwens niet valt in te zien waarom een vermelding van de identiteit plots nodig zou zijn geweest alwaar de correctoren in volle vakantieperiode zijn verzocht om de “nodige concrete gegevens aan te reiken door het voegen van de gedetailleerde overzichten van de correcties op een uniforme wijze.” De verwerende partij slaagt er niet in om maar een begin van rechtvaardiging aan te dragen waarom de anonimiteit moest worden opgeheven. In zijn laatste memorie voegt verzoeker daaraan nog toe dat de “meest plausibele reden is […] om ervoor te zorgen dat de 2de verbetering inderdaad qua punten in lijn zou liggen met de eerste”, wat de schijn van partijdigheid om zijn minst pertinent maakt. In de mate de verwerende partij in haar laatste memorie nog elementen aanhaalt die zijn gemaakt in een ander dossier, die door verzoeker niet zijn gekend en door de verwerende partij ook niet zijn XIV-37.893-10/16 bijgebracht, kan daar omwille van het recht van verdediging van verzoeker geen rekening mee worden gehouden. 14. De verwerende partij betwist dat de verbetering door de twee correctoren niet is gebeurd op anonieme basis. Zij stelt dat verzoeker vergeet dat de verbetering van het examen waarvan het resultaat werd overgemaakt op 6 april 2018, is gebeurd op anonieme basis. De correctoren hebben hun verbeterwerk individueel uitgevoerd, zonder enige inmenging op grond van de examenbundels van de verschillende kandidaten, allen genummerd zonder vermelding van enige naam. De puntenscores werden na verbetering overgemaakt aan de Nationale Politieacademie (ANPA). Gelet op de ingediende beroepen bij de Raad van State, ook door verzoeker, werd vastgesteld dat de specifieke formele motivering ontbrak in de eerste beslissing van niet-slagen van 6 april 2018, waardoor deze beslissing werd ingetrokken op 30 juli 2018. In volle vakantieperiode zijn de correctoren vervolgens verzocht om de nodige concrete gegevens aan te reiken door het voegen van de gedetailleerde overzichten van de correcties op een uniforme wijze. Het omzetten van hun correcties in een uniforme formalisering heeft zijn beslag gevonden in de eerste bestreden beslissing, waarbij alle puntenoverzichten en gedetailleerde overzichten van de correcties werden gevoegd, samen met de vragen en de Nederlandstalige modelantwoorden. Zo beschikte de kandidaat over alle nuttige informatie om de beoordeling en verbetering door de correctoren te kunnen begrijpen. Het opstellen van de gedetailleerde puntenoverzichten, op uniforme wijze, heeft overigens geenszins de scores van verzoeker beïnvloed in vergelijking met de anonieme score die verzoeker heeft behaald in de beslissing van 6 april 2018 zodat geen enkele benadeling van verzoeker blijkt. In haar laatste memorie herneemt de verwerende partij haar verweer en beklemtoont dat geen enkel element doet vermoeden dat er ter zake enige partijdigheid in hoofde van de correctoren zou hebben gespeeld, integendeel zelfs. Het gaat volgens haar niet op om te stellen dat de tweede verbetering even nadelig was als de eerste verbetering wanneer de eerste anoniem werd uitgevoerd “en waarbij de scores nogmaals grondig werden herbekeken bij de tweede verbetering”. Het feit dat de puntenscore nauwelijks moest worden bijgestuurd, XIV-37.893-11/16 zegt volgens de verwerende partij “veel”. Het is een feit dat verzoeker niet geslaagd was op basis van de objectieve en anonieme eerste verbetering. Het is dan geruststellend dat bij de tweede verbetering, waar ook duidelijk werd gecommuniceerd over de motieven, geen grote aanpassingen werden gedaan aan de puntentoekenning. Het gegeven dat verzoeker de tweede maal nog steeds niet is geslaagd, is geen argument om daar enige partijdigheid uit af te leiden. Verder verwijst de verwerende partij nog naar een “gelijklopende zaak”, waarin het auditoraat het in die zaak aangevoerde “middel van de partijdigheid” ongegrond beoordeelt. Beoordeling Vooraf - inzake een niet-neergelegd overtuigingsstuk 15. In de mate verzoeker in zijn laatste memorie aanklaagt dat de verwerende partij het auditoraatsverslag in de zaak waarnaar zij verwijst niet bijbrengt, dat verzoeker daarvan derhalve geen kennis heeft, zodat hij erover geen standpunt kan innemen en er dus, zonder schending van zijn recht op verdediging, geen rekening mee kan worden gehouden, moet hij worden bijgevallen. Daargelaten nog de vaststelling dat het een keuze is van de verwerende partij om te beslissen een procedurestuk dat deel uitmaakt van een rechtspleging waarin verzoeker geen partij is, maar dat zij voor haar verweer klaarblijkelijk nuttig acht om redenen die haar eigen zijn, in het debat te brengen, kan met een dergelijk stuk, wanneer verzoeker geen kennis ervan heeft of redelijkerwijze ervan kan hebben, geen rekening worden gehouden zonder dat dit stuk aan tegenspraak wordt onderworpen. Het moet derhalve worden neergelegd bij het in het debat brengen. 16. Aangezien dit stuk, om redenen die de verwerende partij eigen zijn, niet is neergelegd wordt met het op dit stuk gesteunde verweer geen rekening gehouden. XIV-37.893-12/16 Inzake de grond van het middel 17. In zoverre de verwerende partij repliceert dat de “oorspronkelijke verbetering” anoniem is gebeurd, wordt vastgesteld dat op de antwoordformulieren enkel het individueel nummer en niet de identiteit van verzoeker wordt vermeld. Daartegenover staat dat het (oorspronkelijk) administratief dossier van de kennisproef enkel de antwoordformulieren bevat en dat op deze antwoordformulieren geen annotaties van de correctoren terug te vinden zijn. Dit administratief dossier bevat geen stukken waaruit blijkt op grond van welke motieven de correctoren hun score per antwoord hebben bepaald. Het bestaat dus slechts uit de antwoorden van verzoeker op de vragen, terwijl geen gegeven wordt bijgebracht waaruit de wijze blijkt waarop die antwoorden werden verbeterd. Na intrekking op 30 juli 2018 van de eerdere beslissing waarbij verzoeker niet geslaagd werd verklaard, wat - zoals de verwerende partij in haar memorie van antwoord zelf aangeeft - is gebeurd nadat werd vastgesteld “gelet op de ingediende beroepen bij de Raad van State, ook door verzoeker” dat de specifieke formele motivering ontbrak in de eerste beslissing van niet-slagen van 6 april 2018, zijn dezelfde correctoren verzocht om op geformaliseerde wijze motiveringsfiches die de score per antwoord verantwoorden, op te stellen. Die operatie, die er in wezen toe strekt de verbetering (en de onverbrekelijk cq. ondeelbaar ermee samenhangende verantwoording van de toegekende scores) te voltooien, heeft plaatsgevonden tussen 30 juli 2018 en 25 september 2018. Deze fiches zijn bij de thans bestreden beslissing gevoegd, waarbij vastgesteld wordt dat telkens niet enkel het individueel examennummer wordt vermeld, maar tevens de identiteit van de verzoeker. Aldus werd zijn anonimiteit in de loop van het verbeteringsproces doorbroken. Verzoeker moet voorts worden bijgevallen waar hij stelt dat in het examenboekje (de antwoordformulieren) wordt vermeld dat het verboden is aanduidingen aan te brengen die toelaten de kandidaat te identificeren XIV-37.893-13/16 en dat enkel het deelnemingsnummer op elk blad mag worden vermeld, wat door de verwerende partij niet wordt betwist. De verwerende partij was er bijgevolg toe gehouden de anonimiteit bij de verbetering te waarborgen om, zoals verzoeker aangeeft, een neutrale en objectieve verbetering te waarborgen omdat bij gebrek daaraan er minstens een schijn van partijdigheid ontstaat. Dat het gebrek aan anonimiteit bij de “tweede” (begrijp: het overdoen van
- de)verbetering de scores van verzoeker geenszins heeft beïnvloed in vergelijking met zijn oorspronkelijke score zodat hij hierdoor geenszins is benadeeld is, overtuigt niet. Immers aldus maakt de verwerende partij zo al te eenvoudig abstractie van wat volgt. Het gegeven dat verzoeker bij het tweede nazicht nagenoeg eenzelfde score behaalde als bij de eerste beoordeling doet geen afbreuk aan de vaststelling, niet alleen dat die aanvankelijke score ontoereikend was om te slagen in de kennisproef - zodat de huidige score voor hem even nadelig is - maar bovendien dat verzoeker tegen die eerdere beslissing een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend (cfr. de in punt 3.3 aangehaalde zaak 225.429/XIV-37.744) waarin hij, onder meer inzake de toegekende scores, de schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht heeft aangevoerd en waarvoor, zoals de verwerende partij zelf in haar verweer aangeeft, werd vastgesteld dat “de specifieke formele motivering ontbrak”. Dat is precies wat aanleiding is geweest voor de verwerende partij om die beslissing in te trekken en om de hier bestreden beslissing te nemen waarbij aan verzoeker dezelfde scores werden toegekend, deze keer gemotiveerd aan de hand van verbeteringsfiches waarop evenwel de identiteit van verzoeker wordt vermeld. De verwerende partij draagt geen enkele verklaring aan voor de noodzaak van de onthulling van de identiteit van verzoeker noch om welke reden de door haar aan de kandidaten en correctoren (en dus zichzelf) opgelegde regel moest worden doorbroken, zodat evenmin een reden voorligt waarom verzoeker anders werd behandeld dan de overige kandidaten, waarvan de anonimiteit ten tijde van de eerste verbetering wel werd gegarandeerd. Zulks houdt een schending in van het patere legem-beginsel. Het valt de Raad van State voorts niet toe om daarvoor in plaats van de verwerende partij een reden - zo die er al zou zijn - te bedenken. In die concrete omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de onthulling van de identiteit van verzoeker bij de tweede verbetering hem niet heeft benadeeld, XIV-37.893-14/16 louter op grond van de vaststelling dat de scores - zij het dit keer gemotiveerd -, niet werden gewijzigd. In die concrete omstandigheden doet de onthulling van de identiteit van verzoeker bij de tweede verbetering minstens een schijn van partijdigheid ontstaan, met name dat die onthulling een bepaald doel heeft gediend en zo een onafhankelijke en objectieve verbetering in het gedrang werd gebracht. 18. In de mate dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog aanvullend aanvoert eensdeels dat “geen enkel vermoeden van partijdigheid voorligt” en, anderdeels, dat “een anonieme verbetering nooit kan gegarandeerd worden indien het gaat over een handgeschreven kennisproef die wordt afgenomen in een examenlokaal”, overtuigt haar verweer niet. Dergelijk standpunt - daargelaten nog dat verzoeker zich niet beroept op een schending van het onpartijdigheidsbeginsel doch op een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel - spoort alvast geenszins met wat de verwerende partij in haar eigen selectiereglement voorziet en wat daarmee wordt beoogd, namelijk dat de identiteit van de deelnemer “niet rechtstreeks, noch onrechtstreeks” van de antwoordbladen mag kunnen worden afgeleid. Een handelwijze - daargelaten of die zou getuigen van de vereiste goede trouw - die erin zou bestaan dat tijdens het examen aantekeningen zouden worden gemaakt welke kandidaat waar heeft plaatsgenomen om aldus achteraf het toegekende uniek nummer “te matchen” met de identiteit van de betrokken kandidaat, is onverenigbaar met het selectiereglement en het daarmee beoogde doel van neutraliteit, minstens zou het evenzo getuigen van onzorgvuldig handelen cq. onbehoorlijk bestuur. 19. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur van de directie van het Personeel van de Federale politie van 1 oktober 2018 waarbij is vastgesteld dat verzoeker geen laureaat is van de kennisproef in het kader van het directiebrevet. XIV-37.893-15/16 2. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-37.893-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div