← België

Arrest 253196 - Politie (federale reglementen) - 10/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.196 Rolnummer: A. 227177/XIV-37917 Zaak: Arrest 253196 - Politie (federale reglementen) - 10/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-18 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 14:00 Fiche Arrest nr 253.196 van 10 maart 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 253.196 van 10 maart 2022 in de zaak A. 227.177/XIV-37.917 In zake : David HILAERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5344 SCHAARBEEK-EVERE-SINT-JOOST-TEN-NODE (PZ BRUNO) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 11 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het Politiecollege van de Politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Node, ook gekend als politiezone Brussel Noord of BruNo, PZ 5344, van 13/12/2018, ter kennis gebracht aan verzoeker bij ongedateerde brief, per-mail ter kennis gebracht aan diens beroepsorganisatie VSOA op 20/12/2018, houdende de beslissing tot ontslag van ambtswege wegens onregelmatige afwezigheid van meer dan 10 dagen”. II. Verloop van de rechtspleging XIV-37.917-1/19
  2. Bij het tussenarrest nr. 245.119 van 9 juli 2019, nadat een verslag werd opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, is het debat heropend, het beroep tot nietigverklaring verwezen naar de gewone rechtspleging en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek wat de (gewone) vordering tot schorsing betreft. Bij het tussenarrest nr. 246.623 van 15 januari 2020 is de op 4 maart 2019 ingediende (gewone) vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 december 2021 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. XIV-37.917-2/19 Advocaat Siegfried De Mulder, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De feiten zijn weergegeven in het tussenarrest nr. 246.623 van 15 januari
  5. Er wordt naar verwezen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  6. In haar laatste memorie verzoekt de verwerende partij de Raad van State om de “nieuwe stukken 22 en 23” uit het debat te weren. Zij voert aan dat stuk 22 dat verzoeker met zijn memorie van wederantwoord heeft bijgebracht, een in het Frans opgestelde verklaring van 7 februari 2020 betreft (waarbij tevens een “dagelijks prestatieblad” is gevoegd), zonder duidelijke vermelding van de identiteit van de ondertekenaars van die verklaring. In die verklaring, aldus de verwerende partij “wordt gesteld dat deze betrekking heeft [op] de omstandigheden waarop verzoeker zijn post heeft verlaten op de datum van “10/02/2018” tot “11/02/2018”” waarbij de ondertekenaars ervan aangeven dat zij zich, gelet op het tijdsverloop, onmogelijk de precieze feiten kunnen herinneren. Uit het bij die verklaring gevoegde “dagelijks prestatieblad” zou dan weer moeten worden afgeleid dat F.T., auteur van het verslag van 21 november 2018 waarin de dienstverzaking door verzoeker wordt bevestigd, niet aanwezig was in de nacht van 10 op 11 november 2018 zodat F.T daarover geen uitspraak kon doen. Stuk 23 heeft verzoeker bij zijn laatste memorie gevoegd. Het betreft een dienstrooster van een collega van verzoeker waaruit volgens die laatste zou blijken dat verzoeker “in XIV-37.917-3/19 rust” was op 11 en 12 november 2020 en dus niet onrechtmatig afwezig was. Nieuwe stukken, aldus de verwerende partij, kunnen slechts uitzonderlijk worden aanvaard wanneer het betrekking heeft op ontwikkelingen die zich na het indienen van het verzoekschrift hebben voorgedaan. Verzoeker poogt zelfs niet te rechtvaardigen waarom hij deze stukken pas meer dan anderhalf jaar na de indiening van het verzoekschrift in de procedure bijbrengt. Verzoeker toont niet aan dat de stukken met betrekking tot het dienstrooster van 10 en 11 november 2018 niet reeds bij het door hem op 11 januari 2019 ingediende schorsingsverzoek bij uiterst dringende noodzakelijkheid konden worden bijgebracht, noch dat de verklaring van zijn voormalige collega’s niet op dat moment kon worden bekomen. Bovendien heeft verzoeker nadien nog ruim de mogelijkheid gehad om deze stukken eerder in de procedure bij te brengen, en in het bijzonder vóór de indiening van de memorie van antwoord door de verwerende partij op 6 april
  7. Noch tijdens de korte debattenprocedure, noch tijdens de (gewone) schorsingsprocedure heeft verzoeker van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Beide stukken zijn laattijdig en moeten omwille van de eerbied voor het recht van verdediging uit het debat worden geweerd. Beoordeling
  8. Wat deze bijkomende stukken 22 en 23 betreft, moet worden opgemerkt dat stukken ter staving van het standpunt van verzoeker die reeds bij het verzoekschrift hadden kunnen worden gevoegd, zonder de rechten van de verdediging in het gedrang te brengen, niet op ontvankelijke wijze naar aanleiding van het indienen van de memorie van wederantwoord, laat staan van een laatste memorie, kunnen worden ingediend. Er valt niet in te zien waarom verzoeker de betrokken stukken te dezen niet reeds bij zijn verzoekschrift had kunnen voegen. Overigens ontberen deze stukken elke relevantie omdat, zoals hierna blijkt, waar het te dezen om gaat niet is of verzoeker bij het verlaten van de dienst in de nacht van 10 op 11 november 2018 zijn collega’s heeft verwittigd doch XIV-37.917-4/19 wel dat hem wordt verweten dat hij niet tijdig zijn medische attesten bij zijn werkgever heeft ingediend zoals zijn politioneel statuut nochtans vereist.
  9. De stukken 22 en 23 worden uit het debat geweerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. In een eerste middel van zijn inleidend verzoekschrift verwijt verzoeker de verwerende partij “[o]nzorgvuldig handelen van de tuchtrechtelijke overheid; [m]ateriële motiveringsverplichting van bestuurshandelingen; het vermoeden van vrijwillige uitdiensttreding werd weerlegd; schending van artikel 125 WGP”. Verzoeker voert in essentie de schending aan van artikel 125 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) krachtens hetwelk “een onregelmatige afwezigheid van minstens tien dagen [kan] leiden tot een ontslag van ambtswege”. Verzoeker verduidelijkt dat het gaat om een gemeenschappelijke bepaling ten aanzien van alle politiepersoneel en dat de voorwaarden nader zijn bepaald in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol. Met verwijzing naar rechtspraak stelt verzoeker dat een aantal duidelijke grenzen aan de toepasbaarheid en draagwijdte van het genoemde artikel 125 van de wet van 7 december 1998 worden gesteld. Die rechtspraak is gebaseerd op “het vaste beginsel dat voormelde bepalingen gebaseerd zijn op een (weerlegbaar) vermoeden van het vrijwillig willen verlaten van de dienst”. Verzoeker zet uiteen dat hij in antwoord op het aangetekend schrijven van de korpschef van 23 november 2018, betekend op 27 november 2018, bij brief van 28 november 2018, dit is binnen de termijn van 10 dagen bedoeld in artikel IX.I.6 van het RPPol, zijn argumenten heeft uiteengezet en toelichting heeft gegeven bij zijn afwezigheid “met toevoeging van de nodige medische getuigschriften inzake zijn XIV-37.917-5/19 arbeidsongeschiktheid”. In datzelfde schrijven gaf verzoeker ondubbelzinnig aan in dienst te willen blijven. De bestreden beslissing is weliswaar gemotiveerd, onder meer, op grond van de vaststelling dat hij zijn medische attesten laattijdig heeft ingediend en dat uit verzoekers schrijven niet blijkt dat hij daartoe in de onmogelijkheid verkeerde zodat hij geen geldige rechtvaardiging heeft verschaft en derhalve onregelmatig afwezig was. Door alzo te oordelen baseert de verwerende partij de bestreden beslissing “niet op enige overweging over of het vermoeden dat [verzoeker] niet langer in dienst wenst te blijven al dan niet is weerlegd of al dan niet als weerlegd dient te worden beschouwd”. De overwegingen van de verwerende partij als zou verzoeker niet hebben gehandeld volgens de voorschriften inzake het bijbrengen van de nodige medische attesten in geval van arbeidsongeschiktheid doet aan die vaststelling niets af zodat een schending van de materiëlemotiveringsplicht en van artikel 125 van de wet van 7 december 1998 voorligt. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker in repliek op het tussenarrest nr. 246.623 van 15 januari 2020 over het verzoek tot schorsing dat het arrest zich op een voorstelling van feiten baseert die niet correct blijkt te zijn. In dat arrest wordt gesteld dat verzoeker op 10 november 2018 de dienst vrijwillig verlaat om middernacht, zonder toestemming en zonder verantwoordingsstuk, en dat de politiezone op 12 november 2018 telefonisch contact opneemt met verzoeker. Het verslag van T.F. betreffende de dienstverlating is merkwaardig nu zij geen dienst had en niet de verantwoordelijke ter plaatse was, en het was verzoeker die op 12 november 2018 zelf de politiezone heeft gecontacteerd om zijn afwezigheid wegens ziekte tot 30 november 2018 te melden. Uit de fiche over het telefoongesprek blijkt helemaal niet dat de politiezone verzoeker heeft gecontacteerd: het gesprek vond plaats om 20.29 uur zodat het zeer onwaarschijnlijk is dat de dispatching (eerder dan de personeelsdienst) verzoeker zelf zou hebben gecontacteerd. Pas op 22 november 2018, na tien dagen afwezigheid, heeft de politiezone verzoeker gecontacteerd. Het arrest nr. 246.623 steunt wat dit betreft op een verkeerde lezing en interpretatie van de feiten. Verder benadrukt verzoeker nog dat artikel 125 van de wet van 7 december 1998, de eruit XIV-37.917-6/19 voortvloeiende bepalingen van de RPPOL, de ratio legis ervan en de door hem aangehaalde rechtspraak niet, zoals de verwerende partij wil voorhouden, in strijd met of gedifferentieerd zijn van gelijkaardige artikels in andere bestaande wettelijke statuten voor overheidspersoneel. Evenmin valt volgens verzoeker in te zien hoe de bijzondere beschikbaarheid voor politiediensten een andere invulling zou moeten geven aan artikel 125 dan deze vooropgesteld in de door verzoeker aangehaalde rechtspraak. De arresten waarnaar de verwerende partij verwijst, zijn fundamenteel verschillend in die zin dat in die zaken hetzij geen attesten ‘arbeidsongeschiktheid’ werden bijgebracht (behoudens, achteraf door een andere geneesheer) dan wel geen attesten bestaan voor de volledige geviseerde periode van afwezigheid of, nog, “pas nadien werden opgemaakt”, daar waar in de voorliggende zaak “wel degelijk tijdig en behoorlijk gedateerde attesten werden opgesteld, op de eerste dag van de afwezigheid van verzoeker, maar slechts door een vergissing niet tijdig bij de overheid toekwamen” en verzoeker ook “telefonisch contact” had en “interesse toonde in het terugkeren naar de dienst”. Voor het overige bevestigen volgens verzoeker de door de verwerende partij aangehaalde arresten “de zienswijze van verzoeker op de interpretatie en toepassing van artikel 125 van de wet van 7 december 1998”, met name dat (ook) artikel 125 is gestoeld op een vermoeden van vrijwillig uit dienst te zijn getreden, waarbij een ontslag van ambtswege slechts mogelijk is voor zover dit vermoeden niet moet worden geacht weerlegd te zijn. Tot slot doet de verwerende partij onterecht uitschijnen dat een “onregelmatige afwezigheid” in de zin van artikel 125 kan worden gelijkgesteld met de stand van “non-activiteit” of vice versa. Voorts stelt verzoeker nog dat artikel 125 “niet kan worden toegepast als een sanctie of als een tuchtmaatregel”. De overwegingen van de verwerende partij dat verzoeker niet zou hebben gehandeld volgens de voorschriften inzake het bijbrengen van de nodige medische attesten in geval van arbeidsongeschiktheid, doet aan die vaststelling niets af. Of deze voorschriften al dan niet zijn nageleefd wijzigt immers niets aan de (on)regelmatigheid van de afwezigheid zelf. Een afwezigheid kan niet onregelmatig worden geacht indien een doktersattest tot werkonbekwaamheid voorligt. Evenmin vereist artikel 125 van de wet van 7 december 1998 enig bewijs van “onmogelijkheid” of “overmacht” in hoofde van XIV-37.917-7/19 verzoeker m.b.t. het al dan niet naleven van de voorschriften inzake medische attesten. De bestreden beslissing houdt ook onvoldoende rekening met de mentale toestand van verzoeker destijds. In zijn laatste memorie volhardt verzoeker en herneemt hij zijn eerdere uiteenzettingen. Hij herhaalt dat hij het niet eens kan zijn met een toepassing van artikel 125 waarbij “louter en alleen omdat de medische attesten laattijdig zijn, kan worden overgegaan tot ontslag van ambtswege” omwille van de vereiste van bijzondere beschikbaarheid van politieambtenaren. Artikel 125 bevat geen automatisch ontslag maar laat de politieambtenaar toe “achteraf te laten voorzien in een verantwoording voor zijn afwezigheid waarbij de overheid verplicht is die verantwoording te vragen”. Een afwezigheid verantwoord door medische attesten, is niet langer onregelmatig. Tot slot herhaalt verzoeker in zijn laatste memorie nogmaals dat de bestreden beslissing onvoldoende rekening houdt met de mentale toestand van verzoeker die in die periode in een echtscheidingsprocedure was verwikkeld en financiële problemen had. Beoordeling
  11. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen. “1.5.
  12. De Raad heeft in het arrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing geoordeeld dat het middel niet ernstig was op grond van in essentie het volgende uitgangspunt: De Raad heeft omstandig gemotiveerd uiteengezet waarom hij van oordeel is dat voor politieambtenaren het beginsel van de bijzondere beschikbaarheid geldt en dat net daarom en anders dan in het algemene ambtenarenrecht een gedetailleerde procedure is uitgewerkt die moet gevolgd worden in geval van onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen, waarbij de Raad er in het bijzonder de aandacht op vestigt dat in geval van ziekte de vereiste medische attesten binnen de 24 uur moeten bezorgd worden aan de bevoegde diensten. De Raad heeft vastgesteld dat de verzoeker dit hier heeft nagelaten en dit gedurende meer dan tien dagen zonder dat de verzoeker hiervoor een in redelijkheid aanvaardbare verantwoording heeft gegeven. 1.5.2 De verzoeker brengt hier vooreerst tegen in dat het arrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing gebaseerd is op een verkeerde lezing en interpretatie van de XIV-37.917-8/19 feiten, met name

(1)dat verzoeker vrijwillig en zonder toestemming de dienst heeft verlaten in de nacht van 10 op 11 november 2018, en
(2)dat hij zelf op 12 november 2018 de politiezone heeft gecontacteerd om zijn afwezigheid wegens ziekte te melden, en niet omgekeerd (dat de politiezone hem gecontacteerd heeft). Wat het verlaten van de dienst zonder toestemming betreft, wordt vastgesteld dat dit in de bestreden beslissing expliciet wordt gesteld (‘Overwegende dat de heer Hillaerts David – inspecteur van politie/stamnummer 442890983 – zijn dienst zonder toestemming en zonder bewijsstuk vrijwillig heeft verlaten op 10/11/2018 om middernacht, (…)’). In zijn verzoekschrift stelt de verzoeker bij de uiteenzetting van de feiten wel dat hij zijn overste hiervan op de hoogte bracht, maar in het middel zoals ontwikkeld in het verzoekschrift wordt dit gegeven niet betrokken. Het lijkt mij dan ook laattijdig om in de memorie van wederantwoord de vaststelling in het arrest nr. 246.623 dat verzoeker vrijwillig, zonder toestemming de dienst heeft verlaten te betwisten. Hoewel de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat verzoeker zonder toestemming de dienst heeft verlaten, laat de verzoeker na dit in zijn verzoekschrift beargumenteerd te weerleggen. Overigens wordt ook in de memorie van wederantwoord weinig concrete verduidelijking gegeven over de persoon die de verzoeker op de hoogte gebracht zou hebben. Wat het telefonisch contact betreft, blijkt uit de bestreden beslissing slechts dat dit contact er geweest is (‘Overwegende dat de politiezone telefonisch contact heeft onderhouden met de belanghebbende (…)’) zonder dat duidelijk is wie het initiatief heeft genomen. In zijn feitenuiteenzetting stelt de verzoeker dat hij ‘telefonisch contact had met verweerster’ op 12 november 2018. Hieruit kan evenmin afgeleid worden wie het initiatief heeft genomen. De fiche van het telefoongesprek maakt dit evenmin duidelijk. Wie telefonisch contact opnam, verwerende partij of verzoeker, is geen uitgemaakte zaak. Of dit enige relevantie heeft zal verder moeten blijken. 1.5.3 De repliek van de verzoeker in de memorie van wederantwoord is verder gebaseerd op de vaststelling dat het arrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing haaks staat op vroegere rechtspraak van de Raad. Het arrest nr. 246.623 houdt inderdaad een belangrijke nuancering van de vroegere rechtspraak in. Deze nuancering is – omstandig gemotiveerd (randnummers 6-8) – gebaseerd op het standpunt dat voor politieambtenaren het beginsel van de bijzondere beschikbaarheid geldt en dat net daarom en anders dan in het algemene ambtenarenrecht een gedetailleerde procedure is uitgewerkt. Net dit uitgangspunt vormt de basis voor de gewijzigde rechtspraak. De verzoeker betrekt dit uitgangspunt geenszins in zijn repliek, maar baseert deze in essentie op de stelling dat het arrest nr. 246.623 uitgaat van een verkeerde lezing en interpretatie van de feiten. Aangenomen dat de feitelijke correcties die volgens verzoeker moeten in acht genomen tijdig aangebracht en voldoende concreet zijn gestaafd, rijst de vraag in hoeverre deze correcties enige relevantie hebben. Aangenomen dat de verzoeker zijn dienstoverste wel verwittigd heeft bij zijn dienstverlating, en aangenomen dat verzoeker op 12 november 2018 zelf de politiezone telefonisch gecontacteerd heeft, dan blijft het nog steeds zo dat de verzoeker nagelaten heeft het medisch attest (zowel het medisch luik, als het administratief luik), zoals voorgeschreven door de reglementering, binnen de 24 uur aan de politiezone over te maken, en dat dit attest pas op 28 november 2018, nadat de verzoeker reeds meer dan 10 dagen afwezig was, aan de politiezone werd overgemaakt. Net omwille van de vereiste van de bijzondere beschikbaarheid van politieambtenaren en de gedetailleerde procedure die daarom in geval van afwezigheid wegens ziekte moet gevolgd worden heeft de Raad in het arrest nr. 246.623 geoordeeld: XIV-37.917-9/19 ‘Uit wat hiervoor is uiteengezet, volgt op het eerste gezicht dat het precies is door te dezen in gebreke te zijn gebleven aan die meldingsplicht te voldoen binnen de door de artikelen X.II.3 en X.II.4 voorziene termijn (zowel wat het medisch luik als wat het administratief luik van de afwezigheid betreft), en dit onafgebroken gedurende meer dan tien dagen, dat verzoeker zich in de situatie heeft geplaatst van “onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen”. Die situatie leidt ertoe dat hij wordt vermoed aan zijn politieambt te hebben verzaakt. In de huidige stand van het geding moet dan ook worden aangenomen dat het derhalve verzoeker toekwam, na daartoe conform artikel IX.I.6 van het RPPol te zijn uitgenodigd wat te dezen is gebeurd, tekst en uitleg te verschaffen en te verklaren niet alleen waarom hij afwezig was maar bovendien waarom hij (tijdens zijn afwezigheid) niet aan die meldingsplicht heeft voldaan. De meldingsplicht bij ziekte lijkt inderdaad essentieel omdat, wanneer eraan niet of niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, de medische controle en derhalve de controle op de afwezigheid cq. de beschikbaarheid, wordt verhinderd of zelfs onmogelijk wordt gemaakt.’ Dat verzoeker reeds op 11 november 2018 bij de dokter langs geweest is en dat hij op 12 november 2018 zelf telefonisch contact zou opgenomen hebben met de politiezone verandert niets aan de vaststelling dat hij nagelaten heeft het medisch attest tijdig in te dienen en dat hij daardoor gedurende meer dan 10 onregelmatig afwezig is geweest. […]”. 9. Verzoeker weerlegt deze conclusies niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren. Het volstaat daartoe niet in de laatste memorie eerdere standpunten te herhalen om vervolgens te stellen dat verzoeker “het niet eens kan zijn met een toepassing van artikel 125 waarbij louter en alleen omdat de medische attesten laattijdig zijn, kan worden overgegaan tot ontslag van ambtswege” omwille van de vereiste van bijzondere beschikbaarheid van politieambtenaren. Verzoeker gaat aldus voorbij aan de essentie zelf van de bijzondere beschikbaarheid die van politieambtenaren wordt vereist en het gegeven dat precies om die reden een gedetailleerde procedure wordt opgelegd die moet worden gevolgd ingeval van afwezigheid bij ziekte daarin begrepen een na te leven meldingsplicht die essentieel is. Het volstaat derhalve niet dat de afwezigheid achteraf wordt verantwoord door medische attesten; deze attesten moeten precies in het licht van de vereiste bijzondere beschikbaarheid ook stipt worden bezorgd tenzij redelijkerwijze zou zijn aangetoond dat de fysieke of mentale toestand van de betrokkene van die aard is dat hij onmogelijk aan de op XIV-37.917-10/19 hem rustende statutaire meldingsplicht kon voldoen dan wel dat hij zich op enig andere overmachtssituatie kan beroepen, wat te dezen niet het geval is. Wat de door verzoeker aangehaalde mentale toestand betreft blijkt uit de bewoordingen van de bestreden beslissing die in het tussenarrest nr. 246.623 is weergegeven, dat de verwerende partij wel degelijk acht sloeg op de feitelijke gezinssituatie waarin verzoeker zich bevond doch dat de verwerende partij op grond van de gegevens waarover zij op het ogenblik van de bestreden beslissing beschikte binnen de haar toekomende beoordelingsbevoegdheid heeft geoordeeld dat geen (redelijkerwijs) aanvaardbaar motief of motief met betrekking tot een geval van overmacht de onregelmatige afwezigheid gedurende meer dan 10 dagen rechtvaardigt. Verzoeker mag dan al een andere feitelijke beoordeling geven van de zaak dan de verwerende partij, hij maakt hiermee echter niet aannemelijk dat de verwerende partij bij de beoordeling of een aanvaardbaar motief voorlag om gedurende meer dan 10 dagen te verzaken het medisch attest (dat in wezen binnen de 24 uur moet worden bezorgd) in te dienen en dat hij daardoor gedurende meer dan 10 dagen onregelmatig afwezig is geweest, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. 10. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 11. In een tweede middel voert verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift een schending van de hoorplicht aan. Hij zet uiteen, wat hij herhaalt in zijn memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie, dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen, die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de XIV-37.917-11/19 gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de aard, het belang en de draagwijdte van de opgelegde maatregelen. Verzoeker heeft verzocht om door het politiecollege te worden gehoord, wat hem door (de secretaris van) het politiecollege werd geweigerd omdat verzoeker schriftelijk zijn standpunt kon uiteenzetten en het houden van een hoorzitting niet wettelijk is vereist. Deze overwegingen doen volgens verzoeker “niet ter zake, nu de reden voor de afwezigheid van verzoeker, die het vermoeden dat de betrokkene vrijwillig uit dienst is getreden eventueel zou kunnen weerleggen, niet voor eenvoudige vaststelling vatbaar is”. Beoordeling 12. In het tussenarrest nr. 246.623 van 15 januari 2020 heeft de Raad van State geoordeeld dat het middel niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kon leiden om de volgende redenen: “14. Het ontslag van ambtswege, bedoeld in artikel 125, derde lid, van de wet van 7 december 1998 is een maatregel die genomen wordt in het belang van de (goede werking van
  1. de)dienst, te dezen de politiedienst, en die is gestoeld op de gedachte dat de ambtenaar die meer dan tien dagen onregelmatig afwezig is gebleven, wordt geacht zijn dienst te hebben verlaten en, derhalve, uit dienst te zijn getreden. Het is dan ook geen tuchtmaatregel. In zoverre verzoeker zich beroept op het recht van verdediging, dient te worden vastgesteld dat dat recht in beginsel enkel van toepassing is in straf- en tuchtzaken doch niet bij ordemaatregelen zodat het middel in zoverre het berust op een schending van het recht van verdediging niet-ontvankelijk lijkt. 15. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat in beginsel tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. Wanneer de hoorplicht van toepassing is, moet de bestuurde de mogelijkheid krijgen om schriftelijk te reageren. Het is in beginsel niet vereist dat de bestuurde mondeling wordt gehoord. De hoorplicht vereist in beginsel evenmin dat de betrokkene kan afdwingen dat de hoorplicht ten overstaan van de beslissende overheid zelf wordt uitgeoefend. Het volstaat dat die overheid weet welk standpunt de betrokkene inneemt. Te dezen is de door het bestuur in acht te nemen hoorplicht en het daarmee overeenstemmende hoorrecht in hoofde van de politieambtenaar bij een onregelmatige afwezigheid van meer dan tien dagen door de regelgever concreet uitgewerkt in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol zodat de Raad van State de bestreden beslissing daaraan dient te toetsen. XIV-37.917-12/19 Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt (zie supra, de punten 3.1. tot 3.7.) dat de verwerende partij met haar brief van 23 november 2018 het bepaalde in de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 heeft nageleefd, wat verzoeker niet betwist. Verzoeker heeft zijn standpunt schriftelijk en zoals hij zelf aangeeft in zijn vierde middel (zie infra, punt 22), “omstandig” uiteengezet in zijn schrijven van 28 november 2018. De verwerende partij heeft van zijn standpunten en argumenten kennis genomen en in haar beoordeling betrokken, wat blijkt uit de bestreden beslissing. Een schending van de hoorplicht ligt dan ook prima facie niet voor. 16. Het tweede middel is, in zoverre ontvankelijk, niet ernstig.” 13. In zijn memorie van wederantwoord volhardt verzoeker in het middel zoals dat is uiteengezet in zijn verzoekschrift zonder - zoals ook in het auditoraatsverslag is vastgesteld - enige repliek te bieden op de overwegingen in het tussenarrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing op grond waarvan de Raad geoordeeld heeft dat het middel niet ernstig is. In zijn laatste memorie herneemt verzoeker weerom wat hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet zonder enige repliek. Bij gebrek aan enig inhoudelijk verweer tegen de overwegingen op grond waarvan de Raad in het tussenarrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing het tweede middel niet ernstig heeft bevonden, ziet de Raad van State, zoals het auditoraat, ook nu geen redenen om anders te oordelen. 14. Het tweede middel is in de mate het ontvankelijk is, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 15. Het derde middel luidt “3.3. Onduidelijk of de taalwet in bestuurszaken (KB 1966 inzake gebruik van talen in bestuurszaken) in samenlezing met de artikelen 25 e.v. op de [wet van 7 december 1998] correct werd toegepast”. Verzoeker stelt, wat hij herhaalt in zijn memorie van wederantwoord en in zijn laatste memorie, dat het onduidelijk is of de taalwet in deze wel werd gerespecteerd en formuleert daaromtrent “voorbehoud”. Hij XIV-37.917-13/19 vervolgt dat het een elementair recht is om begrepen te worden door alle leden van de bevoegde overheid, en de leden van het (bevoegd) orgaan hebben de plicht te begrijpen wat hun wordt medegedeeld door het personeelslid dat voor hen verschijnt. Dit houdt in, aldus verzoeker met verwijzing naar rechtspraak, “dat een orgaan, dat bestaat uit politieke mandatarissen waarvan de taalkennis niet vast staat, slechts rechtsgeldig in een tuchtzaak beslissingen kan nemen wanneer blijkt enerzijds dat de verklaringen van de ambtenaar door tolken vertaald worden opdat die verklaringen voor de leden van de beide taalgroepen in al hun nuances begrijpelijk zouden zijn en anderzijds dat de bescheiden die als informatie of als overtuigingsstuk ter beschikking van het collectief orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden zijn”. Alle stukken van het dossier moeten door alle leden van het tweetalig collegiaal orgaan worden begrepen, teneinde met inachtneming van de rechten van de verdediging, te kunnen oordelen met inachtneming van alle omstandigheden van de zaak. Dat impliceert meer in het bijzonder dat eentalige stukken, verklaringen of verweerstukken door een tolk moeten worden vertaald “in de andere taal” en dat mandatarissen die de andere toepasselijke landstaal onkundig zijn, zich dienen te laten bijstaan door een vertaler-tolk. Verzoeker vervolgt dat hij aan de hand van de door hem gekende stukken van het dossier heeft moeten vaststellen dat geenszins blijkt dat een vertaling voor alle stukken werd voorzien zoals vereist door de bestuurstaalwet, noch dat alle stukken van het dossier door alle leden van het tweetalig collegiaal orgaan werden begrepen. Beoordeling 16. In het tussenarrest nr. 246.623 van 15 januari 2020 heeft de Raad van State geoordeeld dat het middel niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kon leiden op grond van de volgende overwegingen: “18. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, schrijft voor dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen dient te bevatten. Onder middel in de zin van artikel 2, § 1, 3°, van voornoemd besluit moet worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat rechtsbeginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Voldoende XIV-37.917-14/19 duidelijk betekent dat het niet nodig is veronderstellingen over de juiste bedoelingen van verzoeker te maken, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij, en nadien de Raad van State ertoe worden gebracht in de plaats van de verzoeker het verzoekschrift op te stellen. In het derde middel dat op het eerste gezicht in identieke bewoordingen is gesteld als in het op 11 januari 2019 ingediende beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing waarvan de voorliggende (gewone) vordering een accessorium is en blijft, zet verzoeker niet uiteen welke bepaling of bepalingen van de bestuurstaalwet hij te dezen geschonden acht. Het komt de Raad van State niet toe in plaats van verzoeker zijn verzoekschrift op te stellen of te gissen waarop verzoeker zou kunnen doelen. Het valt in het kader van een schorsingsprocedure een verzoeker toe prima facie het vermoeden van wettigheid van een administratieve rechtshandeling te weerleggen door aan de hand van een ernstig middel dat duidelijk is geformuleerd uiteen te zetten welke rechtsregels en -beginselen die hij aanduidt, moeten worden geacht te zijn geschonden. Voorts, en daargelaten of een (geschonden geachte) regel kan worden afgeleid uit de rechtspraak, dient in deze stand van het geding te worden vastgesteld dat het arrest nr. 202.431 van 29 maart 2010 van de Raad van State waarnaar verzoeker verwijst en waarin is geoordeeld dat het in die zaak geschonden geachte recht van verdediging (dat impliceert dat iedere persoon die in een tuchtzaak een tweetalig collectief orgaan toespreekt, het recht heeft om begrepen te worden door alle leden van dat collectief orgaan en de leden van dat orgaan de plicht hebben te begrijpen wat hun wordt medegedeeld door het personeelslid dat voor hen verschijnt, wat onder meer impliceert eensdeels dat de verklaringen van de ambtenaar door tolken worden vertaald en anderdeels dat de bescheiden die als informatie of als overtuigingsstuk ter beschikking van het collectief orgaan worden gesteld in vertaling voorhanden zijn), betrekking had op een (quasi-jurisdictionele) tuchtprocedure waarop het recht van verdediging van toepassing is. Verzoeker toont prima facie niet aan, noch maakt hij aannemelijk dat een en ander ook geldt wanneer - zoals te dezen - het nemen van een ordemaatregel als bedoeld in artikel 125, derde lid, van de wet van 7 december 1998 aan de orde is en waarop zoals hiervoor is gebleken het recht van verdediging geen toepassing vindt. 20. Het derde middel is niet ernstig.” 17. In zijn memorie van wederantwoord volhardt verzoeker in het middel zoals dat is uiteengezet in zijn verzoekschrift zonder - zoals ook in het auditoraatsverslag is vastgesteld - enige repliek te bieden op de overwegingen in het tussenarrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing op grond waarvan de Raad geoordeeld heeft dat het middel niet ernstig is. In zijn laatste memorie herneemt verzoeker weerom wat hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet zonder enige repliek. Bij gebrek aan enig inhoudelijk verweer tegen de overwegingen op grond waarvan de Raad in het tussenarrest nr. 246.623 over het verzoek tot XIV-37.917-15/19 schorsing het derde middel niet ernstig heeft bevonden, ziet de Raad van State, zoals het auditoraat, ook nu geen redenen om anders te oordelen. 18. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 19. In een vierde middel tot slot voert verzoeker een schending aan van het redelijkheids- en het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel. Verzoeker wijst op de zwaarwichtigheid van de genomen maatregel op persoonlijk, financieel en professioneel vlak en zet uiteen dat hij bij brief van 28 november 2018 omstandig heeft uiteengezet waarom het medische getuigschrift inzake diens afwezigheid, hetgeen reeds vanaf 12 november 2018 voorhanden was, door omstandigheden niet tijdig werd overgemaakt. Daarbij werd aan de verwerende partij duidelijk gemaakt dat artikel 125 van de wet van 7 december 1998 geen toepassing kon vinden nu “vanuit verzoeker geen enkele wil tot beëindiging van de dienstbetrekking bleek, en dergelijk vermoeden in elk geval werd verlegd”. In die omstandigheden is de bestreden beslissing onredelijk, minstens niet proportioneel en onevenredig. Zowel in zijn memorie van wederantwoord als in zijn laatste memorie herneemt verzoeker wat hij heeft uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift. Beoordeling 20. In het tussenarrest nr. 246.623 van 15 januari 2020 heeft de Raad van State geoordeeld dat het middel niet tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kon leiden op grond van de volgende overwegingen: XIV-37.917-16/19 “22. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van
  2. is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteitsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. 23. In de mate verzoeker het redelijkheidsbeginsel geschonden acht doordat hij omstandig heeft uiteengezet waarom het medisch getuigschrift ‘door omstandigheden’ niet tijdig werd overgemaakt zodat artikel 125 van de wet van 7 december 1998 ‘geen toepassing kon vinden nu vanuit verzoeker geen enkele wil tot beëindiging van de dienstbetrekking bleek, en dergelijk vermoeden in elk geval werd weerlegd’, lijkt verzoeker eraan voorbij te gaan dat uit het genoemde artikel 125 en de artikelen IX.I.5 en IX.I.6 van het RPPol prima facie volgt dat wat ter beoordeling van de verwerende partij ligt de vraag is of, rekening houdende met verzoekers argumenten die of enig ander gegeven dat hij heeft medegedeeld, verzoekers afwezigheid van meer dan tien dagen al dan niet onregelmatig was. Zoals reeds uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, heeft verzoeker er alsnog niet van kunnen overtuigen dat de verwerende partij bij die beoordeling het genoemde beginsel heeft geschonden. In de mate verzoeker het redelijkheids- of het proportionaliteitsbeginsel (dat alsdan betrekking heeft op de (onredelijk geachte) verhouding tussen die vastgestelde onregelmatige afwezigheid en de daarvoor opgelegde ordemaatregel) geschonden acht, lijkt verzoeker eraan voorbij te gaan dat de overheid op dat punt elke beoordelingsbevoegdheid ontbeert. Haar bevoegdheid is op dat vlak strikt gebonden nu de ordemaatregel van het ambtshalve ontslag bedoeld in artikel 125 van de wet van 7 december 1998 (en het verlies van hoedanigheid van politieambtenaar) volgt uit kracht van de wet zodra door de verwerende partij is vastgesteld dat het onregelmatig karakter van zijn afwezigheid van meer dan tien dagen door de politieambtenaar niet kon worden weerlegd. 24. Het vierde middel is niet ernstig.” XIV-37.917-17/19 21. In zijn memorie van wederantwoord volhardt verzoeker in het middel zoals dat is uiteengezet in zijn verzoekschrift zonder - zoals ook in het auditoraatsverslag is vastgesteld - enige repliek te bieden op de overwegingen in het tussenarrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing op grond waarvan de Raad geoordeeld heeft dat het middel niet ernstig is. In zijn laatste memorie herneemt verzoeker weerom wat hij in zijn verzoekschrift heeft uiteengezet zonder enige repliek. Bij gebrek aan enig inhoudelijk verweer tegen de overwegingen op grond waarvan de Raad in het tussenarrest nr. 246.623 over het verzoek tot schorsing het vierde middel niet ernstig heeft bevonden, ziet de Raad van State, zoals het auditoraat, ook nu geen redenen om anders te oordelen. 22. Het vierde middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterste dringende noodzakelijkheid, van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 60 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.917-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-37.917-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.196 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.429 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.119 ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.246.623 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.