id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.210 Rolnummer: A. 229246/IX-9625 Zaak: Arrest 253210 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 14/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-21 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 06:27 Fiche Arrest nr 253.210 van 14 maart 2022 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.210 van 14 maart 2022 in de zaak A. 229.246/IX-9625 In zake: Ilse WUYTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Coel kantoor houdend te 2800 Mechelen Schuttersvest 78 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Martens kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Christel STRAETEMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 september 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 13 juni 2019 waarbij Christel Straetemans wordt bevorderd, bij verhoging in graad, tot de graad van directrice bij de directie Ondersteuning van het bestuur Brussel Mobiliteit van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel met uitwerking vanaf 1 februari
- IX-9625-1/22 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Christel Straetemans heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 december
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 januari
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Coel, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Benedicte Mourisse, die loco advocaat Marc Martens verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Charlotte Mestdagh, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. IX-9625-2/22 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster bekleedt op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit het (bijna aflopend) mandaat van directeur-diensthoofd (rang A4) bij de dienst Wegen van het bestuur Brussel Mobiliteit van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. 3.
- Met een dienstnota van 9 oktober 2018 wordt bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel een oproep bekendgemaakt “tot kandidaatstelling voor de toewijzing van een bevorderingsbetrekking van rang A3 (directeur/directrice)” in het Nederlandse taalkader bij de directie Ondersteuning van het bestuur Brussel Mobiliteit. Verzoekster en de tussenkomende partij stellen zich kandidaat voor die betrekking. 3.
- Er wordt een bevorderingscommissie samengesteld, waarvan volgens de verwerende partij, die daarin niet wordt tegengesproken door verzoekster, deel uitmaken: “- [A.V.], rang A5 Brussel Huisvesting; - [J.D.C.], rang A2 Brussel Mobiliteit […]; - [D.D.R.], rang A1 Directie Brussel Economie en Werkgelegenheid als afgevaardigde van HRM.” 3.
- “Na de kandidaten te hebben besproken en vergeleken wat betreft hun kwalificaties, inclusief de elementen vermeld tijdens het bijkomend gesprek” en “rekening houdend met het vereiste profiel dat is bepaald in de functiebeschrijving van de te begeven betrekking”, alsook met “de […] competenties en elementen [die] zeer belangrijk zijn voor de functie en […] IX-9625-3/22 bijgevolg meer doorwegen”, adviseert de bevorderingscommissie om verzoekster te rangschikken in groep B ‘niet geschikt’ en de tussenkomende partij in groep A ‘geschikt’. 3.
- Op 7 januari 2019 keurt de directieraad van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel de voormelde rangschikking met eenparigheid van stemmen goed en formuleert hij als “definitief voorstel tot rangschikking”: “Eerste plaats: St[r]aetemans Christel.” 3.
- Op 18 januari 2019 dient verzoekster tegen dat definitieve voorstel een bezwaar in bij de directieraad. 3.
- Op 28 januari 2019 wordt verzoekster door de directieraad gehoord en “nemen [de leden van de directieraad] akte van de argumenten aangehaald door [verzoekster] in haar schriftelijk bezwaar […] en van de mondelinge uiteenzetting van deze [argumenten]”. Na die argumenten te hebben beantwoord, besluit de directieraad: “dat de argumenten uiteengezet door [verzoekster] niet van deze aard zijn om de evaluatie te herzien van de betrekking van Directeur/Directrice bij de Directie Ondersteuning (BM/H), zoals deze tot uiting kwam in het PV van de [d]irectieraad van 7 januari
- De [d]irectieraad verwijst ook naar ditzelfde PV voor wat betreft het geschikt verklaren van de kandidatuur van [verzoekster] voor de hiervoor aangehaalde betrekking.” 3.
- Op 13 juni 2019 neemt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering het thans bestreden besluit waarbij de tussenkomende partij wordt bevorderd, bij verhoging in graad, tot de graad van directrice (rang A3) in het Nederlandse taalkader bij de directie Ondersteuning van het bestuur Brussel Mobiliteit van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel met uitwerking vanaf 1 februari
- IX-9625-4/22 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4.
- De verwerende partij, die daarin wordt bijgevallen door de tussenkomende partij, werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, gesteund op het ontbreken van het rechtens vereiste belang in hoofde van verzoekster bij haar beroep. Zij argumenteert dat een ambtenaar geen belang erbij heeft een aanstelling aan te vechten “waarop hij/zij geen recht heeft omdat hij/zij niet aan de gestelde voorwaarden voldoet, behalve om aan te tonen dat de voorgedragen kandidaat/kandidaten ook niet aan de gestelde voorwaarden voldoen”. Ter adstructie voert zij aan dat verzoekster in haar middelen geen rechtstreekse kritiek levert op de beoordeling van de kandidatuur van de tussenkomende partij, noch op de argumenten waarop haar eigen kwalificatie als “ongeschikte” kandidaat is gesteund. Zij wijst erop dat verzoekster de functiebeschrijving van de toe te wijzen functie niet betwist, terwijl uit de beoordeling van de bevorderingscommissie blijkt dat zij niet voldoet aan één van de specifieke kwalificaties en twee van de algemene kwalificaties die in de functiebeschrijving worden vermeld. Bijgevolg, zo stelt de verwerende partij, kan de nietigverklaring van het bestreden besluit verzoekster geen voordeel opleveren, aangezien zij nog steeds verplicht zou zijn de kandidaturen te beoordelen aan de hand van dezelfde functiebeschrijving als voorheen. In zoverre verzoekster niet objectief voldoet aan de verschillende kwalificaties – wat zij in haar inleidend verzoekschrift niet betwist – kan zij in elk geval niet worden benoemd als directrice bij de directie Ondersteuning van het bestuur Brussel Mobiliteit van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, zo besluit de verwerende partij. 4.
- Ook de tussenkomende partij doet gelden dat verzoekster geen voordeel kan halen uit een vernietiging van het bestreden besluit, aangezien zij naderhand geen aanspraak zou kunnen maken op de beoogde bevordering daar zij IX-9625-5/22 in groep B ‘niet geschikt’ werd gerangschikt door het voorstel van de directieraad van 28 januari 2019 tot definitieve rangschikking van de kandidaten. Beoordeling
- Verzoekster betwist in de middelen die zij in haar inleidend verzoekschrift aanvoert in essentie de wettige samenstelling van de bevorderingscommissie, die de kandidatuur van beide kandidaten heeft beoordeeld, verzoekster ongeschikt heeft bevonden en heeft geadviseerd om de bevordering aan de tussenkomende partij te verlenen. Het bestreden besluit, dat mede steunt op het advies van de bevorderingscommissie en het daaropvolgende definitieve voorstel van de directieraad, is nadelig voor verzoekster, aangezien niet zijzelf erdoor wordt bevorderd, maar de tussenkomende partij. Indien het bestreden besluit op grond van (één van) de aangevoerde middelen zou worden vernietigd, krijgt zij een nieuwe kans om de beoogde bevordering te verkrijgen, aangezien de nieuw en wettig samengestelde bevorderingscommissie opnieuw de kandidaatstellingen zou moeten afwegen. Minstens vanaf dat punt zou de procedure moeten worden hernomen. Verzoekster beschikt aldus over het rechtens vereiste belang bij haar beroep. De exceptie is niet gegrond. IX-9625-6/22 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 6.
- Verzoekster voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 85, § 4, tweede lid, 86 en 87 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel’ (hierna: de rechtspositieregeling van 21 maart 2018). 6.
- In een eerste onderdeel van het middel doet zij gelden dat artikel 85, § 4, tweede lid, van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 is geschonden. Zij betoogt dat overeenkomstig die bepaling een lid van de bevorderingscommissie niet mag zetelen wanneer het zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang komt. Eén lid van de bevorderingscommissie, namelijk J.D.C., is volgens verzoekster geen onbekende voor de tussenkomende partij, aangezien laatstgenoemde “blijkbaar eerder was opgetreden binnen het kader van de promotie van [J.D.C.], minstens betrokken was bij diens selectie, aanwerving, evaluatie dan wel promotie”. Die “zweem van partijdigheid” wordt gestaafd, aldus verzoekster, door “het vreemde verloop van het gesprek, georganiseerd door de bevorderingscommissie”, samen met “de absolute negatie van alle competenties, de motivatiebrief en het standaard [cv] van verzoekster alsook de klakkeloze aanname van alle aanspraken en beweringen van [de tussenkomende partij], die bol staan van de objectief vaststelbare onwaarheden, niet in het minst haar plaats van tewerkstelling”. Verzoekster stelt dat zij die mogelijke partijdigheid aanvoerde in haar bezwaarschrift van 18 januari 2019, maar dat de directieraad de inhoud daarvan heeft miskend door te antwoorden dat zij de geldige samenstelling van de IX-9625-7/22 bevorderingscommissie heeft bevestigd, quod non. Het motief van de directieraad kan volgens haar slechts zijn om naar de Regering de schijn van legaliteit op te wekken. Verzoekster wijst er voorts op dat de directieraad haar bezwaar bovendien verwierp met het argument dat louter het mogelijke bestaan van een voorafgaande professionele of hiërarchische verhouding niet kan worden aangenomen als een bewijs van partijdigheid. Maar daar gaat het volgens verzoekster niet om. Artikel 85, § 4, tweede lid, van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 beoogt “een situatie die ertoe kan leiden dat de onpartijdigheid van een lid van de commissie in het gedrang kan komen”, wat volgens haar “veel verder gaat”. Niet alleen de voorafgaande professionele verhouding moet worden aangenomen, zo vervolgt verzoekster, maar eveneens “de evaluatie in haar totaliteit waar de [d]irectieraad volstrekt voorbijgaat aan de bewijzen, de middelen en de opmerkingen van verzoekster”. Het bestreden besluit werd genomen op grond van een advies en een voorstel “aangetast door niet alleen vergaande subjectiviteit […] maar vooral door de mogelijke manipulaties door een lid dat zetelde in de bevorderingscommissie in strijd met artikel 85, § 4, 2° lid, [van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018]”. Verzoekster wijst er ten slotte op dat op de e-mails die zij “met het oog op correcte feitenvinding en informatie” naar de dienst Human Resources verzond, alsook in het kader van de openbaarheid van bestuur, via haar raadsman, naar de voorzitter van de directieraad, geen (afdoende) antwoord kwam. Ook dat wijst volgens haar op een schending van artikel 85, § 4, tweede lid, van de rechtspositieregeling van 21 maart
- 6.
- In een tweede onderdeel van het middel doet verzoekster gelden dat ook de artikelen 86 en 87 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 geschonden zijn. IX-9625-8/22 Zij licht toe dat het definitieve voorstel van de directieraad van 7 januari 2019 tot rangschikking van de kandidaten vermeldt dat de bevorderingscommissie rekening heeft gehouden met de criteria en elementen die zijn bepaald in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ (hierna: de rechtspositieregeling van 27 maart 2014). Dat besluit werd echter opgeheven en vervangen door de rechtspositieregeling van 21 maart
- Het advies van de bevorderingscommissie, dan wel het definitieve voorstel van de directieraad faalt aldus naar recht of beperkt zich tot “knip en plakwerk”. In elk geval werden de artikelen 86 en 87 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 geschonden, doordat de directieraad werd geadviseerd op grond van een opgeheven besluit. Het gaat hier nochtans om “een formele administratieve akte met verregaande gevolgen houdende definitieve rangschikking van kandidaten opgesteld in uitvoering van artikel 88 van het Statuut en geen vrijblijvende nota”. Het eventuele argument dat het hier zou gaan om een loutere redactiefout in de notulen van de directieraad kan volgens verzoekster niet worden aangenomen, aangezien er minstens sprake is van een absoluut gebrek aan ernst in de afwikkeling van de procedure.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat, in tegenstelling tot wat de verwerende partij op het eerste middelonderdeel antwoordt, “het niet gaat over het feit dat verzoekster een bewijs zou moeten leveren van partijdigheid maar dat, ingevolge de door de wet bepaalde noodzaak aan absolute en objectieve onpartijdigheid, bij vermoeden van de minste zweem van partijdigheid, iedere betrokken partij zich dient te wraken”. IX-9625-9/22 Beoordeling 8.
- Artikel 85 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 luidt: “§
- Voor elke bevordering stelt de directieraad een bevorderingscommissie samen. Die commissie bestaat uit maximaal drie leden, met inbegrip van de persoon bedoeld in het tweede lid van paragraaf 2 van dit artikel. §
- Voor de betrekkingen van rang A3 of A2 bestaat de commissie uit: 1° een personeelslid van minstens rang A3; 2° een personeelslid van minstens rang A2; 3° de HRM-verantwoordelijke of diens afgevaardigde van minstens rang A
- Het commissielid van rang A3 mag vervangen worden door een personeelslid van rang A3 afkomstig uit een andere instelling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. §
- Wanneer een betrekking vacant wordt verklaard voor kandidaten van twee taalrollen, dient één lid van de bevorderingscommissie de kennis van de tweede taal bewezen te hebben conform artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli
- §
- Ten hoogste twee derden van de leden van de commissie behoren tot hetzelfde geslacht. Geen lid van de commissie mag zetelen wanneer hij zich in een situatie bevindt die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang komt.” 8.
- Verzoekster acht in het eerste middelonderdeel het tweede lid van de vierde paragraaf van dit artikel 85 geschonden, omdat de tussenkomende partij voorheen een niet nader bepaalde professionele verhouding zou hebben gehad met een lid van de bevorderingscommissie, in die zin dat zij een rol zou hebben gespeeld bij “[een] selectie, aanwerving, evaluatie dan wel promotie [van dat commissielid]”. Daardoor hangt er volgens verzoekster over dat commissielid en bij uitbreiding over de hele bevorderingscommissie “een zweem van partijdigheid”, hetgeen vooral tot uiting kwam tijdens het gesprek en tevens bij het talmen van de verwerende partij om de gevraagde duidelijkheid over die verhouding te verschaffen. 8.
- Welke gevallen de regelgever precies beoogt met “zich in een situatie [bevinden] die ertoe kan leiden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang komt”, wordt in de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 niet nader toegelicht. IX-9625-10/22 Artikel 85, § 4, tweede lid, van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 doelt klaarblijkelijk op een structurele of functionele onpartijdigheid, die inhoudt dat geen lid van de bevorderingscommissie zich in een zodanige situatie of omstandigheid mag bevinden dat zijn onpartijdigheid in het gedrang zou kunnen komen. Dat vereiste van onpartijdigheid moet vanuit een objectief oogpunt worden onderzocht en valt niet noodzakelijk samen met een eventueel subjectief partijdige houding of intentie van het individuele lid. 8.
- Er wordt niet betwist dat de bevorderingscommissie was samengesteld in overeenstemming met artikel 85, § 2, van de rechtspositieregeling van 21 maart
- Verzoeksters grief betreffende de schending van artikel 85, § 4, tweede lid, van die rechtspositieregeling steunt louter op niet-gestaafde beweringen over het bestaan van een professionele verhouding tussen de tussenkomende partij en een lid van de bevorderingscommissie, maar niet in het minst op concrete bewijzen, of zelfs maar een begin daarvan, die wijzen op een schending van de voormelde regeling. Het feitelijke uitgangspunt van het middelonderdeel, namelijk dat er een professionele link bestaat tussen de tussenkomende partij en een lid van de bevorderingscommissie, staat niet vast en de tussenkomende partij ontkent ten stelligste in haar memorie “betrokken [te zijn] geweest […] bij enige procedure tot selectie, aanwerving, evaluatie of promotie met betrekking tot [het bedoelde lid van de bevorderingscommissie]”. Voor de toepassing van het bedoelde artikel 85, § 4, tweede lid, volstaat geen louter subjectieve indruk van partijdigheid, maar is een objectieve rechtvaardiging vereist, steunend op de concrete elementen van de zaak. Verzoekster reikt echter geen precieze elementen aan over de aard of de impact van de professionele contacten tussen beide betrokkenen die de subjectieve indruk van partijdigheid die zij had – bijvoorbeeld bij het “vreemde verloop” van het gesprek met de bevorderingscommissie – objectief rechtvaardigen en die het vermoeden IX-9625-11/22 keren dat het betrokken commissielid in de situatie was om zijn taak op een integere en deskundige wijze te vervullen. Het gegeven dat noch de directieraad, noch de door verzoekster aangeschreven directrice van de dienst Human Resources haar “vermoeden” ooit expliciet heeft bevestigd of ontkend – hetgeen weliswaar kon bijdragen tot haar subjectieve indruk van een “partijdige beoordeling” – vormt evenmin een voldoende objectief bewijs van het bestaan van een professionele band, laat staan van “een situatie” die ertoe kon leiden dat de onpartijdigheid van het betrokken commissielid in het gedrang kwam. Hetzelfde geldt wat betreft de in het middelonderdeel (op algemene wijze) aangevoerde “absolute negatie van [verzoeksters] competenties” en “klakkeloze aanname van alle aanspraken en beweringen van [de tussenkomende partij]”. Ten slotte moet erop worden gewezen dat voor zover verzoekster in het middel alludeert op een gebrek aan persoonlijke onpartijdigheid bij het betrokken commissielid, subjectieve partijdigheid niet wordt vermoed en slechts kan worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Ook daarin slaagt verzoekster niet. 8.
- Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. 9.
- De artikelen 86 en 87 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 luiden: “Art.
- §
- De commissie is bevoegd om de geschiktheden van de kandidaten om de bevorderingsgraad uit te oefenen, te evalueren op basis van het competentieprofiel van de in te vullen betrekking. §
- Zij neemt in overweging: 1° de beschrijving van de functie en de vereiste kwalificatie van de kandidaat; 2° de titels en verdiensten die de kandidaat doet gelden ten aanzien van de vacante betrekking; 3° de mate waarin de kandidaat geschikt is, rekening houdend met de resultaten van de proeven en de gesprekken. IX-9625-12/22 §
- De commissie organiseert een gesprek met elke kandidaat. Art.
- §
- Voor elke bevordering geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel
- §
- De kandidaten worden ingeschreven hetzij in de groep A ‘geschikt’, hetzij in de groep B ‘niet geschikt’. In de groep A worden de kandidaten gerangschikt rekening houdend met de criteria vermeld in § 2 van artikel
- §
- Deze rangschikking wordt voorgelegd aan de directieraad.” 9.
- In de notulen van de vergadering van de directieraad van 7 januari 2019 worden de verschillende stappen vermeld van de procedure tot bevordering door verhoging in graad “overeenkomstig […] het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel”. Zo wordt onder meer vermeld: “Overeenkomstig artikel 87 § 1 en § 2 van het statuut, geeft de bevorderingscommissie een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel 86 § 2 en het gesprek voorzien door artikel 86, § 3 van het statuut. De commissie stelt een rangschikking van de kandidaten op die ingeschreven zijn in de groep A ‘geschikt’. Overeenkomstig artikel 87 § 3 van het statuut, wordt deze rangschikking voorgelegd aan de directieraad.” In het gemotiveerde advies van de bevorderingscommissie, dat is opgenomen in de voormelde notulen van de directieraad, kan worden gelezen: “Na de kandidaten te hebben besproken en vergeleken wat betreft hun kwalificaties, inclusief de elementen vermeld tijdens het bijkomend gesprek, dit alles rekening houdend met het vereiste profiel dat is bepaald in de functiebeschrijving van de te begeven betrekking, en overwegende dat de hieronder vermelde competenties en elementen zeer belangrijk zijn voor de functie en dus bijgevolg meer doorwegen bij de evaluatie van de kandidatuur: - specifieke kennis voor de functie - de competentie van prioriteit 1 - de competentie van prioriteit 2 - motivatie van de kandidaat formuleert de bevorderingscommissie samengevat volgende beschouwingen: [hierna volgt een beoordeling van de kandidaten].” IX-9625-13/22 IX-9625-14/22 Vervolgens is vermeld: “De bevorderingscommissie geeft een gemotiveerd advies rekening houdend met de criteria en elementen bepaald in artikel 93 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De kandidaten worden vervolgens ingeschreven hetzij in groep A ‘geschikt’, hetzij in groep B ‘niet geschikt’.” Verzoekster wordt ten slotte in groep B gerangschikt en de tussenkomende partij in groep A. 9.
- Louter uit de voormelde, eenmalige verwijzing naar de rechtspositieregeling van 27 maart 2014, die in dit geval niet meer van toepassing is en waarnaar derhalve onterecht wordt verwezen, leidt verzoekster af dat de bevorderingscommissie rekening heeft gehouden met de criteria en elementen die waren bepaald in de opgeheven regeling en dat deze commissie alzo de artikelen 86 en 87 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 heeft miskend. Verzoekster zet evenwel niet in het minst uiteen op welke wijze blijkt dat de bevorderingscommissie in de selectieprocedure die tot het bestreden besluit heeft geleid, effectief toepassing heeft gemaakt van, in het bijzonder, artikel 93 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 en niet van de geldende regelgeving. Ook in de memorie van wederantwoord komt zij er niet toe de andersluidende argumentatie van de verwerende partij en de tussenkomende partij op dit vlak te weerspreken. Artikel 93 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 legde, zoals thans artikel 86 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018, de opdracht van de bevorderingscommissie vast om de geschiktheid van de kandidaten te evalueren om een bevorderingsbetrekking uit te oefenen. Beide artikelen verschillen hoofdzakelijk van elkaar wat hun terminologie betreft, maar stemmen grotendeels overeen wat de in overweging te nemen criteria betreft. Een duidelijk IX-9625-15/22 verschil is echter dat in de huidige rechtspositieregeling “het voorstel tot directieplan voor de betrekkingen van rang A3” is weggevallen (zie artikel 93, § 2, 3°, van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014). Zoals de verwerende partij opmerkt in haar memorie van antwoord, werd het opstellen van een dergelijk plan in casu niet opgelegd aan de kandidaten, hetgeen tegenspreekt dat in de procedure toepassing zou zijn gemaakt van het opgeheven artikel 93 van de rechtspositieregeling van 27 maart
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de verwijzing in het advies van de bevorderingscommissie naar artikel 93 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 niet meer is dan een materiële misslag en dat verzoekster alleszins geen schending aantoont van de artikelen 86 en 87 van de rechtspositieregeling van 21 maart
- 9.
- Het tweede middelonderdeel is evenmin gegrond.
- Het eerste middel is derhalve in genen dele gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij en de tussenkomende partij
- Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet). Zij zet vooreerst uiteen waarom volgens haar de formelemotiveringswet van toepassing is op het bestreden besluit, evenals op “de onderliggende adviezen”. Zij betoogt vervolgens dat het definitieve voorstel van de directieraad tot rangschikking van de kandidaten gemotiveerd is in strijd met de formelemotiveringswet wat haar bezwaar betreft met betrekking tot de zweem van IX-9625-16/22 partijdigheid die kan bestaan in hoofde van één commissielid. Dit is volgens haar toe te schrijven aan het feit dat “de [d]irectieraad […] zich beperkt tot de opmerking dat het loutere mogelijke bestaan van een voorgaande professionele of hiërarchische verhouding, niet kan worden aangenomen als een bewijs voor het in twijfel trekken van onpartijdigheid”. Volgens verzoekster schendt de directieraad de wet “daar waar artikel 85, § 4, lid 2 van het Statuut zonder meer duidelijk is en niet voor interpretatie vatbaar daar waar ingeval er een zweem van partijdigheid kan bestaan in hoofde van welk commissielid dan ook, dit lid zich moet wraken”. De directieraad was op de hoogte van “dit probleem”, aldus verzoekster, “maar [neemt] lapidair in [zijn] notulen [op] als zou [verzoekster] in haar bezwaarschrift de geldige samenstelling van de bevorderingscommissie hebben bevestigd, quod certe non”. Verzoekster voegt er nog aan toe dat de formelemotiveringswet eveneens werd geschonden doordat de directieraad in zijn voorstel verwijst naar de rechtspositieregeling van 27 maart 2014, die werd opgeheven en vervangen door de rechtspositieregeling van 21 maart
- De verwerende partij, die daarin wordt bijgevallen door de tussenkomende partij, werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Zij betoogt onder meer dat verzoekster niet aantoont dat zij een belang heeft bij het middel, noch dat de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht, indien ze gegrond zou zijn, invloed kan hebben op de inhoud van het bestreden besluit. Beoordeling
- Verzoekster doet in het middel wezenlijk gelden dat het voorstel van de directieraad en in navolging daarvan ook het bestreden besluit, niet afdoende motiveert waarom de door haar aangevoerde bezwaren betreffende de schending van artikel 85, § 4, tweede lid, van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018, alsook betreffende de toepassing van de criteria en elementen die waren IX-9625-17/22 bepaald in artikel 93 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 niet konden worden aangenomen. Hiervóór is bij de beoordeling van het eerste middel evenwel reeds gebleken dat die bezwaren hoe dan ook niet gegrond zijn, zodat verzoekster geen belang heeft bij een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit op grond van de beweerde schending van de formelemotiveringswet door het antwoord dat de directieraad in zijn voorstel en vervolgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering in navolging van dat voorstel in het bestreden besluit op de voormelde bezwaren heeft gegeven. Een dergelijke nietigverklaring zou immers niet tot een andere beoordeling van die bezwaren kunnen leiden. De exceptie opgeworpen door de verwerende partij en de tussenkomende partij – voor zover nodig ambtshalve aangevuld zoals zo-even aangegeven – is in die mate gegrond en leidt tot de verwerping van het tweede middel wegens de onontvankelijkheid ervan. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 14.
- Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 14.
- In een eerste onderdeel van het middel, waarin zij het redelijkheidsbeginsel geschonden acht, betoogt zij dat “supra werd aangetoond dat er zich onbetwistbaar onregelmatigheden voordeden in het advies van de bevorderingscommissie waardoor het artikel 85 van het Statuut werd geschonden (minstens een zweem van partijdigheid) alsook de artikelen 86 en 87 van het Statuut ([d]irectieraad wijst naar een opgeheven besluit op basis waarvan het advies zou zijn uitgebracht) waardoor zowel de formele regelgeving (de Wet) als de formele motiveringsplicht werden geschonden”. IX-9625-18/22 IX-9625-19/22 En voorts stelt zij: “Dat door het negeren van de middelen van verzoekster ontwikkeld in haar bezwaarschrift, de directieraad ten minste de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, in het bijzonder het Zorgvuldigheidsbeginsel en de regels van fair play met inbegrip van het Recht van verdediging, de hoor- en onpartijdigheidsplicht; Dat de directieraad bovendien manifest de rechten van [verzoekster] schendt en zelfs naar de Regering valselijk voorhoudt dat [verzoekster] de geldige samenstelling van de bevorderingscommissie zou erkennen daar waar dit net de kern uitmaakte van het be[z]waarschrift overgemaakt ter beoordeling van de directieraad, waardoor de directieraad het zorgvuldigheidsbeginsel schendt in al haar geledingen en volgens [verzoekster] de directieraad zich zelfs blootstelt aan strafrechtelijke sancties op basis van gepleegde valsheid en tuchtrechtelijke sancties daar waar zij de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zonder meer en objectief vaststelbaar, met eenparigheid voorliegt.... Dat de directieraad bovendien de verwerende partij blootstelt aan vorderingen tot schadevergoeding op basis van de strafrechtelijke aansprakelijkheid door het plegen van valsheden minstens op basis van fout in de gemeenrechtelijke zin van de artikelen 1382 ev. B.W.” Volgens verzoekster is de vermelding in het voorstel van de directieraad aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat zij de geldige samenstelling van de bevorderingscommissie bevestigt, “zonder meer vals”. Het gaat volgens haar over “valsheid in authentieke en openbare geschriften in de zin van artikel 194 en volgende Strafwetboek” en waarvan “het gebruik […] strafbaar gesteld [is] overeenkomstig artikel 197 Strafwetboek”. 14.
- In een tweede onderdeel van het middel doet verzoekster gelden dat de voormelde handelwijze van de verwerende partij ook een schending inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling van het eerste en het tweede onderdeel van het middel gezamenlijk
- Voor zover het derde middel steunt en voortbouwt op de beweerde “onregelmatigheden […] in het advies van de bevorderingscommissie”, die verzoekster aanvoert in haar eerste en tweede middel, dient erop te worden IX-9625-20/22 gewezen dat die middelen hiervóór hetzij ongegrond (het eerste middel), hetzij onontvankelijk (het tweede middel) werden bevonden. In zoverre moet ook het derde middel worden verworpen.
- Voor zover verzoekster in het middel beoogt te doen gelden dat de directieraad zich schuldig maakt aan valsheid in geschrifte wanneer hij in de notulen van zijn vergadering van 28 januari 2019 vermeldt dat “[de] geldige samenstelling [van de bevorderingscommissie] wordt bevestigd door [verzoekster] op de eerste pagina van haar bezwaarschrift”, moet worden opgeworpen dat het onderzoek en de vaststelling van een beweerde valsheid in geschrifte niet onder de rechtsmacht van de Raad van State vallen. Ook in zoverre moet het derde middel worden verworpen.
- Het derde middel moet derhalve in zijn geheel worden verworpen. VI. Kosten
- De tussenkomende partij vraagt in haar memorie en laatste memorie om “[a]lle kosten met inbegrip van de rolrechten (150 euro) en de RPV ten belope van 700 euro, ten laste te leggen van verzoekster”.
- Zij dient er evenwel op te worden gewezen dat het rolrecht verschuldigd voor een vrijwillige tussenkomst in beginsel ten laste valt van de tussenkomende partij. Voor zover zij bovendien aanspraak lijkt te maken op een rechtsplegingsvergoeding, moet erop worden gewezen dat, overeenkomstig artikel 30/1, § 2, laatste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de tussenkomende partij geen dergelijke vergoeding kan genieten. IX-9625-21/22 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9625-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.210 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.