id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.232 Rolnummer: A. 233626/VII-41109 Zaak: Arrest 253232 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-24 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 06:29 Fiche Arrest nr 253.232 van 17 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.232 van 17 maart 2022 in de zaak A. é.626/VII-41.109 In zake : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Geert HUYGHE
- Roger VAN DEN BREMT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Laurent Proot en Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV COLOR PROJECTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Ryckalts kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0780 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 25 maart 2021 in de zaak 1920-RvVb-0488-A. VII-41.109-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 juni
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Color Projects heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 30 november 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 februari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michel van Dievoet, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Lukas Penders, die loco advocaten Laurent Proot en Sofie De Maesschalck verschijnt voor de verwerende partijen en advocaat Bruno Lenssens, die loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.109-2/7 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 28 november 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) aan de bv Color Projects een omgevingsvergunning voor het bouwen van een groepswoningproject met 14 eengezinswoningen, carports en een gemeenschappelijke overdekte hal.
- Het bestreden arrest verklaart het tweede en derde middel en bijgevolg het beroep van Geert Huyghe en Roger Van den Bremt tegen voormelde vergunningsbeslissing, gegrond. Het bestreden arrest beveelt de deputatie een nieuwe beslissing te nemen binnen een termijn van zes maanden en daarbij rekening te houden met de voorwaarde dat “voorafgaandelijk een beslissing over de zaak van de wegen moet genomen worden door de gemeenteraad”. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de deputatie
- De deputatie voert de schending aan van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: OVD), de artikelen 2, 6°, en 8 van het decreet van 2 [lees: 3] mei 2019 houdende de gemeentewegen (hierna: gemeentewegendecreet), het legaliteitsbeginsel en artikel 149 van de Grondwet. De deputatie wijst er in een eerste onderdeel op dat een georganiseerd administratief beroep devolutieve werking heeft en dat zij, in de mate dat geen overgangsbepalingen werden opgenomen in de nieuwe wetgeving die wordt uitgevaardigd lopende een aanvraagprocedure, bij het nemen van een beslissing rekening dient te houden met de regelgeving die bestaat op het moment VII-41.109-3/7 van de te nemen beslissing. Zij betoogt dat sinds 1 september 2019 de gemeenteraad de beslissingsbevoegdheid heeft over gemeentewegen zoals gedefinieerd in artikel 2, 6°, van het gemeentewegendecreet. In de mate dat de RvVb van oordeel is dat een voorafgaande beslissing van de gemeenteraad vereist is doordat de RvVb stelt dat het gemeentewegendecreet niet van toepassing zou zijn op de aanvraag, schendt het bestreden arrest de aangehaalde wettelijke bepalingen. Immers bij gebreke aan overgangsbepalingen voor de lopende procedures dient de deputatie bij het nemen van haar beslissing -alleszins wat de bevoegdheidsverdelende bepalingen betreft- rekening te houden met de op dat ogenblik geldende regelgeving, te dezen het gemeentewegendecreet. In een tweede onderdeel zet de deputatie uiteen dat de gemeenteraad zich ingevolge het gemeentewegendecreet enkel voorafgaandelijk dient uit te spreken wanneer een openbare weg onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond. Uit het aanvraagdossier blijkt dat de wegen in het binnengebied van het project private wegen zijn, bestemd voor gebruik door de bewoners en bezoekers. De collectieve groene ruimte die wordt aangelegd, zal ook toegankelijk zijn voor de kinderen uit de buurt. Alle collectieve delen worden opgenomen in een vereniging van mede-eigendom. Het onderhoud zal gebeuren door deze eigenaars en niet door de gemeente. De wegen in het project zullen dus niet onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente vallen en worden dus niet beschouwd als zijnde ‘gemeentewegen’ in de zin van artikel 2, 6°, van het gemeentewegendecreet. Een voorafgaande beslissing door de gemeenteraad is dus niet vereist voor de wegen in het binnengebied van het project. De deputatie besluit dat de betrokken wegenis niet voldoet aan de definitie van ‘gemeenteweg’ zoals deze voortvloeit uit het gemeentewegendecreet en dat het dossier niet voorafgaand aan de gemeenteraad diende te worden voorgelegd, zodat de RvVb onterecht heeft gesteld dat in toepassing van artikel 31 OVD een voorafgaandelijke beslissing door de gemeenteraad vereist was. VII-41.109-4/7 Beoordeling
- Artikel 90 van hoofdstuk 8 (Slotbepalingen), afdeling 1 (Opheffings- en overgangsbepalingen) van het gemeentewegendecreet bepaalt: “Artikel 69 tot en met 78 zijn pas van toepassing op omgevingsvergunningsaanvragen die in eerste bestuurlijke aanleg bij de vergunningverlenende overheid worden aangevraagd vanaf 1 september 2019”. Uit deze bepaling volgt dat: - de wijzigingen van het omgevingsvergunningsdecreet door de artikelen 69 tot en met 78 toepasselijk zijn op de omgevingsvergunningsaanvragen vanaf 1 september 2019, - voor de omgevingsvergunningsaanvragen die dateren van vóór die laatste datum, de bepalingen van het omgevingsvergunningsdecreet vóór de wijziging ervan bij voormelde artikelen 69 tot en met 78, van toepassing zijn ongeacht de administratieve aanleg. Het middel dat in beide onderdelen uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.
- Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan blijkt dat de omgevingsvergunningsaanvraag die geleid heeft tot de door de RvVb vernietigde vergunningsbeslissing, werd ingediend bij het college van burgemeester en schepenen op 20 november
- Het bestreden arrest dat op basis van de datum van indiening van de omgevingsvergunningsaanvraag bij het college van burgemeester en schepenen besluit dat het gemeentewegendecreet niet van toepassing is op de aanvraag, schendt de aangevoerde bepalingen niet. VII-41.109-5/7
- Het middel dat het niet openbaar of privaat karakter van de wegen inroept, noopt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling door de RvVb, waartoe de Raad van State niet bevoegd is. Overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad van State als cassatierechter immers niet in de beoordeling van de zaak zelf.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.109-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-41.109-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.232 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div