← België

Arrest 253234 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.234 Rolnummer: A. 234042/VII-41160 Zaak: Arrest 253234 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-24 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-16 01:09 Fiche Arrest nr 253.234 van 17 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.234 van 17 maart 2022 in de zaak A. 234.042/VII-41.160 In zake : Roger WERA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dany Socquet kantoor houdend te 3080 Tervuren Merenstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Ghislaine COMBES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1035 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 27 mei 2021 in de zaak 1920-RvVb-0747-A. VII-41.160-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 augustus
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Ghislaine Combes heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 22 september
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 30 november 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 februari
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jutte Nijs, die loco advocaat Kristien Vanderheiden verschijnt voor verzoeker, advocaat Dany Socquet, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Louise Janssens, die loco advocaat Filip De Preter verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.160-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Op 20 februari 2020 weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een gebouw en het bouwen van een ondergrondse parking en stockruimte.
  8. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Onderzoek van de middelen Voorafgaandelijk
  9. Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”.
  10. Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van de middelen die niet in deze samenvattende memorie is opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan.
  11. Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van Roger Wera niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. VII-41.160-3/13 De Raad van State kan voor de beoordeling van de gegrondheid van de middelen enkel rekening houden met de in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middelen en de toelichting ervan. A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
  12. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 4 en 75, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurereglement RvVb), artikel 20, derde lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC-decreet), artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), het beschikkingsbeginsel en de rechten van verdediging. Verzoeker betoogt dat de RvVb vaststelt “dat de schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij niet binnen de vervaltermijn van dertig dagen werd ingediend zodat deze uit de debatten dient te worden geweerd. Evenwel blijkt uit het bestreden arrest dat de [RvVb] wel degelijk rekening heeft gehouden met deze schriftelijke uiteenzetting en de erin uiteengezette argumentatie en deze zelfs heeft overgenomen in haar beoordeling. […] De stelling van de verwerende en de tussenkomende partij dat de [RvVb] in het bestreden arrest ‘toevallig’ tot dezelfde conclusie komt als de tussenkomende partij is niet geloofwaardig op basis van het dossier, alsook niet bevestigd, in het bestreden arrest. De argumentatie die door de [RvVb] werd overgenomen werd in de procedure alleen door de tussenkomende partij in haar schriftelijke uiteenzetting opgenomen. [...] Het staat niet vast dat elk administratief rechtscollege tot dezelfde conclusie zou komen aangezien het een specifieke redenering is, zoals door de tussenkomende partij opgeworpen”. Een laattijdig ingediend procedurestuk dient uit de debatten te worden geweerd, hetgeen impliceert dat de argumentatie, die in VII-41.160-4/13 dit procedurestuk werd uiteengezet, niet in het debat mag worden betrokken. “Er anders over oordelen zou immers de vervaltermijn volledig uithollen aangezien dit zou impliceren dat ook laattijdige procedurestukken kunnen gelezen worden en betrokken mogen worden in de beoordeling. Op die manier heeft een vervaltermijn geen enkel nut of effect. [...] Een wering uit de debatten staat gelijk met het voor onbestaande houden van het procedurestuk”, zodat de RvVb “geen rekening [mocht] houden met de argumentatie die in het procedurestuk werd opgeworpen. [...] Het is alleen mogelijk om laattijdige stukken als inlichting te beschouwen indien zij gelden als nieuw stuk dat relevant is om de huidige stand van zaken te tonen. [...] In casu kon de laattijdige schriftelijke uiteenzetting niet als inlichting worden beschouwd omdat zij niet nieuwe en relevante informatie bevat over de huidige stand van zaken. [...] De vermelding van de tussenkomende partij dat de verzoekende partij in haar wederantwoordnota zelf verwezen heeft naar de tegenstrijdige standpunten van de verwerende en de tussenkomende partij is niet dienstig. De verzoekende partij werd door de [RvVb] niet op de hoogte gebracht van de laattijdigheid van de schriftelijke uiteenzetting. [...] De [RvVb] kon en mocht aldus ook met de weerlegging van de argumentatie uit de laattijdige schriftelijke uiteenzetting door de verzoekende partij geen rekening houden. Er anders over oordelen zou ook hier het nut van de vervaltermijn uithollen aangezien op die manier een laattijdig procedurestuk alsnog in aanmerking kan worden genomen. […] De verzoekende partij betwist niet dat de [RvVb] een eigen beoordeling kan maken en ambtshalve gronden kan opwerpen. […] Het blijkt niet uit het dossier dat de [RvVb] [zijn] oordeel op [zijn] eigen bevindingen heeft gesteund, integendeel. De argumenten waren vaak overduidelijk aangebracht door de tussenkomende partij terwijl de verwerende partij deze niet opneemt”. Verzoeker wijst op “de beoordeling van het vijfde middel omtrent de interpretatie van artikel 2.1.
  13. van de ABL” en naar het volledig overnemen in het bestreden arrest van “het standpunt van de tussenkomende partij over [...] de motivatienota inzake erfgoed door te stellen dat dit louter een informatief document betreft” bij de beoordeling van het tweede middel. VII-41.160-5/13 Beoordeling
  14. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 20, derde lid, DBRC-decreet, artikel 6 EVRM, het beschikkingsbeginsel en de rechten van verdediging, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen of beginselen schendt, is niet ontvankelijk.
  15. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat het bestreden arrest: - voorafgaandelijk aan de beoordeling van de middelen van verzoeker, de laattijdig ingediende schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij uit het debat weert, - vooraleer over te gaan tot de beoordeling van het tweede en vijfde middel, de standpunten van respectievelijk verzoeker en de verwerende partij weergeeft, - het standpunt van verzoeker bij de beoordeling van deze middelen verwerpt zonder enige verwijzing naar de geweerde schriftelijke uiteenzetting van de tussenkomende partij. 11 Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4 en 75, § 1, van het procedurereglement RvVb met betrekking tot de vervaltermijn voor het indienen van een schriftelijke uiteenzetting door de tussenkomende partij, mist feitelijke grondslag.
  16. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
  17. Verzoeker voert de schending van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2.2.3 en 2.2.5, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van artikel 2.5.3 van het RUP ‘GGR-K4, Tiensesteenweg, stad en voorstad’ en “het gezag van gewijsde”. VII-41.160-6/13 Verzoeker betoogt dat de RvVb in het bestreden arrest “verwijst [...] naar een oude versie van artikel 2.2.3 VCRO dewelke op het ogenblik van de uitspraak niet van toepassing was zodat er sprake is van een motiveringsgebrek van het bestreden arrest. De [RvVb] oordeelt [...] dat de vereiste motivatienota inzake erfgoed die overeenkomstig artikel 2.5.3 van het RUP ‘GGR-K4, Tiensesteenweg, stad en voorstad’ bij een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, thans omgevingsvergunning, moet worden gevoegd slechts een informatief document betreft, hetgeen ingaat tegen de [verordenende] kracht van het artikel 2.5.3 van het RUP ‘GGR-K4, Tiensesteenweg, stad en voorstad’ en eigenlijk ook tegen de inhoud van het arrest van uw Raad van 22 oktober
  18. [...] Uit het bestreden arrest blijkt dat de motivatienota onroerend erfgoed dermate determinerend is dat de aanvraag kan geweigerd worden indien deze niet wordt gevoegd. De stelling van de tussenkomende partij dat deze slechts een modaliteit is kan dus niet worden gevolgd en vindt geen steun in het bestreden arrest. Indien deze nota daadwerkelijk als in- of voorlichting dient beschouwd te worden, kon de [RvVb] niet stellen dat de aanvraag geweigerd kon worden omwille van afwezigheid van een dergelijke motivatienota. Het bestreden arrest is aldus wel degelijk tegenstrijdig gemotiveerd. Een tegenstrijdige motivering is gelijk te stellen aan een afwezigheid van motivering. Zelfs indien het daadwerkelijk om een vormvereiste met beperkte draagwijdte zou gaan, is er sprake van een schending omwille van het ontbreken van motivering. De tussenkomende partij kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat de toepasselijke versie van de regelgeving op het ogenblik van de aanneming van het RUP dient toegepast te worden. Uit het bestreden arrest blijkt dat de [RvVb] zelf meermaals stelt dat de toepasselijke regelgeving degene is die van toepassing is op het ogenblik dat de deputatie [...] haar beslissing neemt. In de redenering van de tussenkomende partij zou immers ook de regelgeving op het ogenblik van de aanvraag dienen toegepast te worden, hetgeen door de [RvVb] wordt betwist. Het bestreden arrest is aldus tot stand gekomen op basis van een toepassing van een verkeerde versie van artikel 2.2.3 VCRO. De verzoekende partij werpt terecht op dat er sprake is van de [verordenende] kracht van het voorschrift in het RUP. Enerzijds stelt de [RvVb] immers dat de motivatienota onroerend erfgoed geen [verordenende] kracht heeft, maar anderzijds stelt de [RvVb] wel dat de aanvraag op dit punt kan geweigerd worden. Er wordt de facto VII-41.160-7/13 dus wel [verordenende] kracht gegeven aan de motivatienota. Zelfs de interpretatie als informatief document is in strijd met het RUP. Uit het RUP blijkt niet dat het de bedoeling was om een dermate groot belang te hechten aan de informatienota onroerend erfgoed. Artikel 2.5.3 van het RUP, waaronder de aanvraag valt, gaat immers over waardevolle gebouwen en waardevolle gehelen. Hierbij wordt geen verdere uitleg gegeven omtrent deze motivatienota. Het is duidelijk dat deze zelfs niet als informatief noodzakelijk document diende beschouwd te worden bij deze categorie. Artikel 2.5.2 van het RUP dat gaat over gebouwen die geselecteerd zijn als beschermenswaardig bouwkundig erfgoed, waaronder de aanvraag dus niet valt, verwijst naar het stadsarchief als bron van informatie. Dit wordt echter niet overgenomen in artikel 2.5.3 van het RUP zodat het duidelijk is dat er een andere invulling wordt gegeven aan deze motivatienota naargelang het gaat om een gebouw geselecteerd als beschermenswaardig bouwkundig erfgoed dan wel als waardevol gebouw”. Beoordeling
  19. Het middel dat de schending van het “gezag van gewijsde” en van artikel 2.2.5, § 1, VCRO aanvoert zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest het “gezag van gewijsde” en deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk.
  20. Uit de gegevens van het dossier waarop de Raad van State acht mag slaan, blijkt dat de percelen gelegen zijn binnen de grenzen van het op 26 mei 2014 goedgekeurde Gemeentelijk gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan GGR-K4 ‘Tiensesteenweg, stad en voorstad’ (hierna: RUP). Het bestreden arrest haalt artikel 2.2.3, § 1, derde lid, VCRO aan in de versie die gold bij de goedkeuring van het voormelde RUP. De inhoud van deze versie is hernomen in artikel 2.2.6, § 1, derde lid, VCRO op het ogenblik dat de voor de RvVb bestreden vergunningsbeslissing werd genomen. VII-41.160-8/13 Het middel dat de schending aanvoert van artikel 2.2.3 VCRO omdat het bestreden arrest verwijst naar een oude versie van deze bepaling, heeft geen belang.
  21. Artikel 2.5.3 van het voormelde gemeentelijk RUP met betrekking tot “gebouwen geselecteerd als waardevol gebouw” bepaalt dat bij vergunningsaanvragen “een aparte motivatienota erfgoed [wordt] toegevoegd” die, al naargelang, “een beschrijving geeft van de specifieke architecturale kenmerken van het gebouw en/of het architecturaal geheel en aangeeft hoe de geplande ingreep op deze kenmerken inspeelt” van het waardevol gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft, of een beschrijving “van de aard van de structuren en de impact van de ingrepen op de waarde” van de park-, tuin-, paden- en voortuinstructuren waarop de aanvraag betrekking heeft. Aldus - legt dit stedenbouwkundig voorschrift op verordenende wijze de verplichting op om aan deze vergunningsaanvragen een motivatienota met een bepaalde inhoud toe te voegen, en - verleent dit stedenbouwkundig voorschrift een informatief karakter aan de bij de vergunningsaanvraag toegevoegde motivatienota door de beschrijving die het moet bevatten voor de vergunningverlenende overheid. Het middel dat stelt de bij een vergunningsaanvraag toegevoegde motivatienota een verordenend karakter heeft, faalt naar recht.
  22. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. VII-41.160-9/13 Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  23. Het bestreden arrest dat enerzijds overweegt dat artikel 2.5.3 van het gemeentelijk RUP voorschrijft “dat wanneer een aangevraagd project ingrepen bevat aan park-, tuin-, paden- en voortuinstructuren die deel uitmaken van de selectie een aparte motivatienota erfgoed toegevoegd dient te worden waarin de aard van de structuren en de impact van de ingrepen op de waarde ervan wordt beschreven” en anderzijds overweegt dat de “afzonderlijke en bijkomende erfgoednota […] opgevat [is] als een instrument tot in- en voorlichting van de vergunningverlenende overheid met het oog op het beoordelen van de vergunningsaanvraag in het licht van de goede ruimtelijke ordening en de stedenbouwkundige voorschriften” en bijgevolg “een informatief document” is, is niet tegenstrijdig gemotiveerd.
  24. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van verzoeker
  25. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 EVRM. Verzoeker betoogt dat de RvVb “heeft nagelaten het derde, vierde en zesde middel te onderzoeken na de verwerping van het eerste, tweede en vijfde middel” en “in het bestreden arrest aldus geen rekening [houdt] met alle VII-41.160-10/13 verweerelementen zoals deze door [verzoeker] werden aangehaald terwijl deze middelen doorslaggevend zijn voor de houding van [verzoeker]”. Hij voegt toe dat de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie “gebaseerd [is] op de aangehaalde schendingen en toepasselijkheid van de aangehaalde verordeningen. Nergens wordt vermeld dat het hoofdmotief het ontbreken van de motivatienota inzake onroerend erfgoed zou zijn, zodat [verzoeker] er belang bij heeft dat de [RvVb] deze middelen eveneens onderzoekt”. Beoordeling
  26. Het middel dat de schending van artikel 6 EVRM aanvoert, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk.
  27. Het bestreden arrest verwerpt het derde, vierde en zesde middel van verzoeker op volgende gronden: “C. Derde middel […] Beoordeling door de Raad
  28. Uit de overwegingen in de bestreden beslissing blijkt dat deze steunt op volgende weigeringsmotieven: - de aanvrager heeft geen aparte motivatienota erfgoed toegevoegd die een beschrijving geeft van de aard van de oorspronkelijke tuinstructuren en de impact van de ingrepen op de waarde ervan en waarop de overheid zich kan baseren om de aanvraag op afdoende wijze te toetsen aan de voorschriften inzake ‘waardevolle gebouwen’ van art. 2.5.3 van het gemeentelijk RUP; - het ondergrondse volume is in strijd met het voorschrift van de ABL met betrekking tot de maximale bouwdiepte voor kelderverdiepingen; - er is niet voldaan aan de parkeerverordening van de stad Leuven op vlak van de vereiste autostaanplaatsen en fietsenstallingen; - om in overeenstemming te zijn met de gewestelijke verordening toegankelijkheid moet tenminste één parkeerplaats aangepast en voorbehouden zijn. Als de bestreden beslissing steunt op verschillende motieven die elk op zich de beslissing kunnen verantwoorden, moeten alle motieven onwettig zijn om een vernietiging te verantwoorden. De verzoekende partij moet dus de onwettigheid van alle determinerende weigeringsmotieven aantonen. Het ontbreken van gegronde grieven tegen een determinerend weigeringsmotief leidt tot de noodzakelijke vaststelling dat de bestreden VII-41.160-11/13 weigeringsbeslissing haar geldigheid bewaart. Iedere verdere kritiek op de bestreden beslissing is dan ook in principe te beschouwen als kritiek op een overtollig motief.
  29. Uit de beoordeling van het eerste en het tweede middel blijkt dat het weigeringsmotief met betrekking tot de toepassing van artikel 2.5.3 van het gemeentelijk RUP de gevraagde wettigheidstoets doorstaat en een draagkrachtig motief is om de bestreden weigeringsbeslissing te verantwoorden. Dit maakt dat de kritiek op de weigeringsmotieven betreffende de parkeerverordening en de verordening toegankelijkheid in de bestreden beslissing, zelfs al zou deze gegrond zijn, niet kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing.
  30. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel […] Beoordeling door de Raad
  31. De Raad heeft er bij de behandeling van het derde middel reeds op gewezen dat indien een bestreden beslissing steunt op verschillende motieven die elk op zich de beslissing kunnen verantwoorden, alle motieven onwettig moeten zijn om de vernietiging te verantwoorden.
  32. Zoals ook uit de beoordeling van het derde middel blijkt, betreffen de grieven van de verzoekende partij over de toepassing van de parkeerverordening in het licht van de beoordeling van het eerste en tweede middel kritiek op een overtollig motief. Deze kritiek kan, zelfs al is deze gegrond, niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden.
  33. Het middel wordt verworpen. […] F. Zesde middel […] Beoordeling door de Raad
  34. De Raad heeft er bij de behandeling van het derde middel reeds op gewezen dat indien een bestreden beslissing steunt op verschillende motieven die elk op zich de beslissing kunnen verantwoorden, alle motieven onwettig moeten zijn om de vernietiging te verantwoorden.
  35. Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste, tweede en vijfde middel wordt de weigeringsbeslissing gedragen door de strijdigheid met het toepasselijke RUP en de ABL en slaagt de verzoekende partij er niet in om de onwettigheid van deze motieven aan te tonen. De grief van de verzoekende partij over de toepassing van de verordening Toegankelijkheid betreft kritiek op een overtollig motief. Deze kritiek kan, zelfs al is deze gegrond, niet tot de vernietiging van de bestreden beslissing leiden. VII-41.160-12/13
  36. Het middel wordt verworpen”.
  37. Het bestreden arrest is naar eis van artikel 149 van de Grondwet met redenen omkleed.
  38. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  39. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  40. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-41.160-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.234 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.