← België

Arrest 253235 - Milieuvergunningen - 17/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.235 Rolnummer: A. 225145/VII-40266 Zaak: Arrest 253235 - Milieuvergunningen - 17/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-24 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 06:29 Fiche Arrest nr 253.235 van 17 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.235 van 17 maart 2022 in de zaak A. 225.145/VII-40.266 In zake : de GEMEENTE NAZARETH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 8 maart 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 april 2010, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de bvba Speed and Quality Services voor de exploitatie van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Sluis te Nazareth, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.266-1/21 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 31 augustus 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Liesbeth Tommelein, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. De betwisting betreft een nieuwe inrichting voor de opslag en de bewerking van afval. Het beoogde bedrijfsterrein ligt in ontginningsgebied met als nabestemming zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. 3.
  6. Op 16 oktober 2009 wordt de milieuvergunningsaanvraag ingediend die tot de thans bestreden beslissing zal leiden. VII-40.266-2/21 3.
  7. Bij besluit van 22 april 2010 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een milieuvergunning voor: - de opslag van 500 m³ uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing volgens Vlarebo en van 15.000 m³ uitgegraven bodem die daar wel aan voldoet; - de opslag en het sorteren van 400 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen; - de opslag en de mechanische behandeling van 7875 m³ inerte afvalstoffen; - de opslag en het verhakselen van 700 ton groen- en houtafval; - de opslag van 100 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen en het persen ervan; - de opslag, het breken en het zeven van 5000 ton andere niet-gevaarlijke afvalstoffen; - het stallen van 16 voertuigen, andere dan personenwagens; - een compressor met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 15 kW; - de opslag van 500 liter diverse gassen in gasflessen; - de opslag van 30 ton cement, van 30 ton calciumoxide en van 650 kg diverse schadelijke, irriterende of corrosieve stoffen; - de opslag van 12.500 liter diesel en van 12.500 liter gasolie (met verdeelslangen); - de opslag van 9000 liter diverse oliën; - een labo; - diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal vermogen van 15 kW; - een mengcentrale met een vermogen van 250 kW; - een noodgroep met een vermogen van 300 kW. 3.
  8. Tegen voormelde vergunningsbeslissing wordt bestuurlijk beroep ingesteld, onder meer door de thans verzoekende partij. 3.
  9. Bij besluit van 10 januari 2011 verklaart de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur de ingestelde beroepen gedeeltelijk gegrond, maar bevestigt zij in hoofdzaak de in eerste administratieve aanleg verleende milieuvergunning. 3.
  10. Het ministerieel besluit van 10 januari 2011 wordt door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 222.849 van 14 maart
  11. VII-40.266-3/21 3.
  12. De herneming van de beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing van 22 april 2010 leidt tot het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 23 juli 2014 waarbij, afgezien van een kleine aanpassing van de bijzondere vergunningsvoorwaarden, de op 22 april 2010 door de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleende milieuvergunning wordt bevestigd. 3.
  13. Bij arrest nr. 239.235 van 28 september 2017 wordt ook de tweede beroepsbeslissing over de milieuvergunningsaanvraag door de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 23 juli 2014 vernietigd. Het gezag van gewijsde van dit vernietigingsarrest strekt zich uit tot de volgende motieven: “[…] Artikel 8 van het inrichtingsbesluit reikt zelf geen criteria aan om uit te maken of een inrichting voor het verwerken van afval al dan niet kan worden beschouwd als een ambachtelijk bedrijf of een KMO. Het komt derhalve aan de vergunningverlenende overheid toe, wanneer zij staat voor de vraag of een inrichting kan worden ingepast in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s, om aan de hand van pertinente feitelijke gegevens en op afdoende wijze te motiveren waarom zulks volgens haar het geval is. Uit die motivering moet onder meer blijken dat de vergunde activiteiten, ondanks de hinder die zij veroorzaken, toegelaten kunnen worden in het betrokken gebied. Zoals de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 222.849 van 14 maart 2013 heeft aangegeven, dient de vergunningverlenende overheid wanneer zij haar beslissing stoelt op de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten, de criteria te verduidelijken aan de hand waarvan zij de ‘opgegeven cijfergegevens en de aard van de te voeren activiteiten’ heeft getoetst om tot de vaststelling te komen dat het bedrijf een middelgrote onderneming is. […] Blijkens de motivering van het bestreden besluit is de verwerende partij van oordeel dat ‘geen doorverwijzing naar het industriegebied nodig is’, in essentie gelet op de ‘schaal van gebouwen en terreinoppervlakten’. In dit verband wordt vastgesteld dat de ‘gebouwoppervlakte en terreininname van ongeveer dezelfde ordegrootte zijn als de oostelijk aanliggende bedrijven in het betrokken gebied’ en ‘het bedrijf slechts 1 perceelnummer inneemt’, zodat het ‘proportioneel inzake grootte aangepast is aan het ontginningsgebied’. Wat betreft de aangevraagde activiteiten worden deze enkel opgesomd en wordt vastgesteld dat deze ‘zich beperken tot het kadastraal perceel 423 m’ en ze ‘inzake grootte en omvang aangepast zijn aan de perceelverdeling van het ontginningsgebied ter plaatse’. Deze motieven zeggen niets omtrent de hinderlijkheid van de vergunde activiteiten en de toelaatbaarheid ervan in het betrokken gebied. Evenmin vormen ze op zich een afdoende criterium om te besluiten dat de inrichting een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit. VII-40.266-4/21 De criteria die voorkomen in de reglementering inzake het ‘economisch beleid’, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, zijn niet bedoeld en dus ook niet relevant voor de noodzakelijke stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag”. 3.
  14. Vervolgens wordt de beroepsprocedure tegen de vergunningsbeslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 april 2010 andermaal hernomen. Verscheidene instanties brengen opnieuw advies uit. 3.
  15. Op 8 maart 2018 neemt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de thans bestreden beslissing waarbij de ingestelde bestuurlijke beroepen gedeeltelijk gegrond worden verklaard, bepaalde onderdelen van de vergunningsaanvraag worden geweigerd en de bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  16. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 8.2.1.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: inrichtingsbesluit), van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ (hierna: milieuvergunningsdecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van het gezag van gewijsde van arrest nr. 239.235 van de Raad van State van 28 september 2017, van de materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Tevens wordt het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aangevoerd. In de toelichting bij het middel stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij een milieuvergunning heeft verleend voor een afvalverwerkend bedrijf waarbij allerhande afvalproducten op grote schaal worden opgeslagen, met inbegrip van afvalproducten van schadelijke aard, terwijl niet op concrete wijze VII-40.266-5/21 werd ingegaan op de planologische toelaatbaarheid van de vergunde inrichting met de nabestemming industriegebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. Bij arrest nr. 239.235 van 28 september 2017 heeft de Raad van State reeds een milieuvergunning voor de inrichting vernietigd omdat die vergunning geen (afdoende) motieven bevatte omtrent de toelaatbaarheid van de vergunde activiteiten in het betrokken gebied en omdat geen criteria werden opgegeven om te besluiten dat de inrichting een kleine of middelgrote onderneming zou zijn in de zin van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit. In een nadien verleende milieuvergunning werden vervolgens criteria opgenomen inzake het economisch beleid, die door de Raad van State als niet relevant werden beschouwd voor de noodzakelijke stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag. Volgens de verzoekende partij komen in de thans bestreden beslissing dezelfde criteria, die reeds onwettig zijn bevonden, op verschillende plaatsen terug. Op grond van die vaststelling moet besloten worden dat de motivering met betrekking tot de planologische verenigbaarheid noch gewijzigd, noch uitgebreid is in vergelijking met de eerder vernietigde vergunningsbeslissing, zodat de gegeven motivering als niet afdoende moet worden beschouwd en in tegenspraak is met het gezag van gewijsde van arrest nr. 239.235 van 28 september
  17. Voorts betoogt zij dat uit het geldende bestemmingsvoorschrift intrinsiek volgt dat enkel een vergunning kan worden verleend voor kleine en middelgrote ondernemingen en dat de verwerende partij er toe gehouden was, zeker gelet op twee eerdere vernietigingsarresten, zorgvuldig en omstandig te motiveren waarom zij van oordeel is dat het in voorliggend geval gaat om een middelgroot bedrijf en niet om een onderneming van industriële aard, uitgaande van het gegeven dat artikel 8 van het inrichtingsbesluit zelf geen criteria aanreikt om uit te maken of een inrichting voor het verwerken van afval al dan niet zou kunnen worden beschouwd als een ambachtelijk bedrijf of een KMO. Uit de aard en de schaalgrootte van de aangevraagde activiteiten blijkt volgens de verzoekende partij zonneklaar dat de vergunde activiteiten betrekking hebben op een nieuw afvalverwerkend bedrijf met een industrieel karakter met een bijhorende grote VII-40.266-6/21 opslagplaats voor schadelijke afvalproducten, hetgeen principieel uitgesloten is door artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit. Daarenboven worden op de site een verhakselaar, 16 gestalde voertuigen, een compressor met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 15 kW, diverse metaalbewerkingstoestellen (totaal 15 kW), een noodgroep (300 kW) en een betoncentrale (250 kW) voorzien. De schadelijke aard van de opgeslagen afvalproducten dient beoordeeld te worden op grond van zijn spraakwoordelijke betekenis en eveneens op grond van de bestaande toestand in de onmiddellijke omgeving, waar waardevolle natuurwaarden aanwezig zijn. De opslag van diesel, gasolie, diverse onbekende gassen en oliën, calciumoxide moet dan ook als schadelijk aanzien worden. In redelijkheid kan, rekening houdend met de aangevraagde tonnages, niet worden voorgehouden dat er slechts sprake zou zijn van een kleine opslagplaats. De verzoekende partij benadrukt dat in de bestreden beslissing opnieuw op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met de aard en de omvang van de activiteiten, zodat de beoordeling van het klein of middelgroot karakter van de inrichting manifest gebrekkig is. Er wordt enkel verwezen naar het besluit van de Vlaamse regering van 31 januari 2003 waarbij in het kader van de duiding van haar economisch beleid, de Vlaamse regering het begrip KMO zou hebben gedefinieerd aan de hand van criteria. Zoals reeds is gebleken uit een vroeger vernietigingsarrest, zijn die criteria irrelevant omdat ze niets zeggen over de hinderlijkheid van de vergunde activiteiten en de planologische toelaatbaarheid ervan in het betrokken gebied. Evenmin geven die criteria enig inzicht dat nuttig zou kunnen zijn in het kader van het onderzoek naar de kwalificatie van de onderneming, klein of middelgroot. Desondanks worden ze in nagenoeg ongewijzigde vorm hernomen, met dien verstande dat opnieuw wordt verwezen naar economische gegevens uit de economische regelgeving en opnieuw een loutere beschrijving wordt gegeven van de site ten opzichte van de omgeving, zonder evenwel in concreto in te gaan op de aard en de hinderlijkheid van de rubrieken die worden vergund. De bestreden beslissing zwijgt in alle talen over de hinderlijkheid van de vergunde inrichting en erin wordt louter geponeerd dat “uit de milieutechnische beoordeling blijkt dat de hinder afkomstig van het bedrijf tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt [...]”. Het verband tussen de aard en de hinderlijkheid van de vergunde activiteiten werd derhalve niet concreet VII-40.266-7/21 onderzocht. Evenmin werd uitdrukkelijk ingegaan op de te verwachten impact van het aangevraagde ten opzichte van de omgeving, ofschoon in het vernietigingsarrest van 28 september 2017 uitdrukkelijk werd gesteld dat zulks noodzakelijk is om de toelaatbaarheid in het betrokken gebied te kunnen onderzoeken. De vergelijking van de aanvraag met het afvalverwerkend bedrijf Van Pelt op het grondgebied van de gemeente Zoersel, dat gelegen zou zijn in een KMO-zone en over de nodige vergunningen zou beschikken, is evenmin relevant, omdat elke site uiteraard op de eigen merites moet worden onderzocht. In zoverre wordt verwezen naar een stedenbouwkundige vergunning van 10 augustus 2009 merkt de verzoekende partij tot slot op dat die vergunning werd verleend op basis van het op dat ogenblik voorliggende bouwdossier, in het bijzonder de plannen voor het oprichten van een loods en burelen. Deze vergunning is niet dienstig voor de beoordeling van de planologische verenigbaarheid van de inrichting die het voorwerp is van de milieuvergunningsaanvraag in kwestie.
  18. De verwerende partij werpt vooreerst op dat het middel niet ontvankelijk is om de volgende redenen: “De gemeente Nazareth heeft op 10 augustus 2009 de corresponderende stedenbouwkundige vergunning verleend. Anders dan verzoekende partij thans voorhoudt werd allerminst louter een vergunning afgeleverd voor een loods en burelen, abstractie genomen van het benutten van deze constructies voor een afvalverwerkend bedrijf. Reeds in het door Uw Raad vernietigde Ministerieel besluit van 22 april 2010 werd opgemerkt dat uit nazicht van het vergunde bouwplan blijkt dat het gebruik van elk onderscheiden lokaal en de opdeling van het verdere terrein in specifieke soorten opslag, etc. eenduidig zijn af te lezen. In de stedenbouwkundige vergunning van 10 augustus 2009 zijn voorwaarden opgenomen inzake de groenzones, o.m. een verbod op het stapelen van materialen en afvalstoffen in de groene zones. Er wordt tevens expliciet melding gemaakt van de opvulling in functie van de nabestemming KMO-zone en anderzijds het oprichten van een loods met burelen en conciërgewoning. […] Terzijde kan niet worden ingezien dat het college van burgemeester en schepenen een loods en burelen zou hebben vergund zonder dat op enige wijze duidelijk is tot welk gebruik deze bedoeld zijn. Verzoekende partij houdt thans zelfs voor dat bij de beoordeling van het middel ook geen rekening mag gehouden worden met het bestaan van de door het college van burgemeester en schepenen van verzoekende partij VII-40.266-8/21 afgeleverde stedenbouwkundige vergunning, noch de inhoudelijke argumenten ervan bij het uitvoeren van de stedenbouwkundige toets in het kader van de milieuvergunning”. Over de grond van de zaak antwoordt de verwerende partij dat de bestreden beslissing wel degelijk een afdoende en concrete motivering bevat waarin wordt aangegeven waarom de inrichting wordt beschouwd als een kleine of middelgrote onderneming in de zin van het inrichtingsbesluit. Zo wordt gepreciseerd dat het gaat over specifieke soorten opslag, die niet als ‘schadelijk’ aangemerkt kunnen worden, en dus niet leiden tot de onverenigbaarheid van de activiteiten met een KMO-gebied. Tevens wordt uitdrukkelijk ingegaan op de hinderlijkheid van het bedrijf, inzonderheid de aangevraagde activiteiten. In de milieutechnische beoordeling worden de hinderaspecten zeer concreet en uitvoerig besproken. De stelling als zou niet tegemoet worden gekomen aan de wettigheidskritiek van de Raad van State, nu niet in concreto ingegaan zou worden op de aard en de hinderlijkheid van de rubrieken die worden vergund, en de bestreden beslissing in alle talen zou zwijgen omtrent de hinderlijkheid van de inrichting, berust derhalve op een onvolledige lezing van de bestreden beslissing. De vergunningverlenende overheid heeft ter zake een ruime beoordelingsbevoegdheid en het toezicht van de rechter op de uitoefening van die bevoegdheid is marginaal. De verwerende partij vervolgt dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de specifieke soorten opslag (asfalt, aarde en stenen, snoeiafval, schroot, gebroken beton, …) en wordt geoordeeld dat deze soorten afval in algemene zin niet als ‘schadelijk’ aangemerkt kunnen worden. Het gegeven dat er een -in verhouding erg beperkte- opslag van diverse stoffen in verplaatsbare recipiënten wordt voorzien, doet geen afbreuk aan voormelde conclusie. Daarenboven wordt overwogen dat uit de oppervlakte van de gebouwen en het overige terreingebruik de aard en de schaal van de bedrijvigheid kan afgeleid worden. De aard en de hinderlijkheid van de activiteiten wordt eveneens onderzocht, waarbij uit de milieutechnische beoordeling blijkt dat de hinder afkomstig van het bedrijf tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt met uitzondering van de geweigerde rubrieken. Deze beoordeling is geenszins VII-40.266-9/21 kennelijk onredelijk of onjuist. De weigering van twee rubrieken is in dit geval relevant voor de beoordeling van de hinderlijkheid van het bedrijf in zijn geheel. Voorts stelt de verwerende partij dat uit de verwijzing naar de definities uit de economische regelgeving en de beschrijving van de omgeving, moet worden besloten dat de inrichting als ambachtelijk bedrijf of KMO kan aangemerkt worden. In tegenstelling tot het inrichtingsbesluit zelf, bevat de omzendbrief van 8 juli 1997 wel een benaderingswijze waarbij rekening wordt gehouden met de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de tewerkstelling,… Het enkele feit dat de gehanteerde beoordelingscriteria aansluiten bij de economische regelgeving, leidt niet tot het besluit dat haar beoordeling onjuist of onredelijk is. Uit de rechtspraak blijkt immers dat ondernemingen met 200 werknemers in een KMO-zone thuishoren, voor zover wordt aangetoond dat de vergunde activiteiten niet strijdig zijn met de bestemming van dit gebied. Gelet op het voorgaande is het geenszins onjuist of kennelijk onredelijk dat middels de bestreden beslissing aan de hand van pertinente feitelijke gegevens geoordeeld wordt dat de inrichting kan worden ingepast in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s.
  19. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij het volgende: “[…] Het eerste middel is ontvankelijk […] Verzoekster stelt in de eerste plaats vast dat in de twee voorafgaandelijke procedures voor Uw Raad noch in het auditoraatsverslag dd. 6 april 2011, noch in het vernietigingsarrest dd. 14 maart 2013 (nr. 222.849 - dit betreft het beroep tegen de eerste verleende milieuvergunning dd. 10 januari 2011), noch in het auditoraatsverslag dd. 31 oktober 2016 en noch in het vernietigingsarrest dd. 28 september 2017 (nr. 239.235 - dit betreft het beroep tegen de tweede verleende milieuvergunning dd. 23 juli 2014) de ontvankelijkheid van het eerste middel, die enigszins gelijkend is met de middelen in voormelde jurisdictionele procedures, ambtshalve of op aansturen van verwerende partij werd onderzocht. Er werden ter zake geen problemen vastgesteld. Verwerende partij meent naar aanleiding van de derde verleende milieuvergunning dat er plots sprake zou zijn van een vermeend gebrek aan belang en roept in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid in tegen het eerste middel wegens een vermeend gebrek aan belang bij dit middel. VII-40.266-10/21 Verwerende partij tracht immers het belang van verzoekster in twijfel te trekken omwille van het feit dat de wettigheidskritieken van verzoekster zgn. vooral van stedenbouwkundige aard zouden zijn, terwijl verzoekster eerder een bouwvergunning zou afgeleverd hebben voor het bedrijf […]. […] Deze redenering van de verwerende partij kan echter niet gevolgd worden, aangezien verzoekster uiteraard nooit een bouwvergunning heeft afgegeven voor de oprichting van een afvalverwerkend bedrijf op deze schaal. […] Aan de vereiste van het belang bij het middel is voldaan van zodra een vernietiging op grond van dit middel kan leiden tot een voor de verzoek(st)er gunstige heroverweging van de beslissing. In deze kan niet ontkend worden dat de door verzoekster in haar middel aangevoerde wettigheidskritiek een invloed heeft op de draagwijdte van de genomen beslissing. Het belang bij het middel zal slechts ontbreken wanneer een zuiver formalistische onregelmatigheid wordt ingeroepen, maar niet wanneer, zoals in deze, een inhoudelijke onwettigheid wordt aangekaart. Dergelijke onwettigheid kan immers, per definitie, een invloed hebben op de draagwijdte van de genomen beslissing. Anders kan men de betreffende wettelijke voorschriften beter afschaffen. […] Eerdere vergunningen voor dergelijke afvalverwerkende exploitatie op industriële schaal binnen de KMO-zone Eke-Sluis werden bij arresten van 28 juni 2001 en 10 oktober 2002 resp. geschorst en vernietigd door Uw Raad wegens planologische onverenigbaarheid […]. Een nieuwe milieuvergunningsaanvraag voor dergelijke exploitatie werd geweigerd bij deputatiebesluit van 11 december 2008 […]. Vervolgens werd door de exploitant vooroverleg gevraagd met o.m. verzoekster en het Vlaamse Gewest, en werd een nieuw bouwplan voorgelegd voor oprichting van een loods met burelen en conciërgewoning. Dit plan werd op zich gunstig beoordeeld, maar onder het voorbehoud dat in de aanvraagdossiers uiteindelijk gegevens zouden moeten verschaft worden over de precieze aard en hinderlijkheid van de activiteiten (om de planologische toetsing mogelijk te maken). Deze gegevens werden voor het eerst verschaft in de milieuvergunningsaanvraag, en het schepencollege heeft daarover dan ook negatief advies gegeven op 14 december 2009 […]. […] De eerder verleende bouwvergunning dd. 10 augustus 2009 hield slechts vergunning in voor de oprichting van een normaal KMO-gebouw, overigens met beperkte buffering die onmogelijk zou volstaan voor een afvalverwerkend bedrijf op deze schaal en in deze omgeving. De vergunning ging, behoudens andersluidende gegevens in de aanvraag, uit van een normale invulling van het gebouw als KMO, hetgeen daarna natuurlijk werd tegengesproken door de milieuvergunningsaanvraag. De op 10 augustus 2009 verleende bouwvergunning is bovendien vervallen op grond van de koppelingsregeling, omdat de aanvrager op 28 augustus 2009 is overgegaan tot intrekking van zijn eerste milieuvergunningsaanvraag (omwille van ongunstig stedenbouwadvies), hetgeen overigens niet wordt betwist of tegengesproken door verwerende partij. Het is dus ten onrechte dat verwerende partij aan verzoekster meent te kunnen verwijten dat zij zogezegd op de hoogte was van het gebruik van de loods, de burelen en het terrein als grootschalig afvalverwerkend bedrijf ten VII-40.266-11/21 tijde van de verleende stedenbouwkundige vergunning dd. 10 augustus
  20. […] De premissen van de exceptie van gemis aan belang bij het middel die verwerende partij ontwikkelt zijn dus volkomen onjuist. Verzoekster heeft nooit steun uitgesproken voor de exploitatie zoals vergund met het bestreden besluit. Uw Raad heeft in eerdere rechtspraak overigens reeds bevestigd dat in het kader van een milieuvergunningsaanvraag een volledig autonome stedenbouwkundige toetsing moet gebeuren (zelfs wanneer eerder reeds een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het project), precies omdat deze aanvraag dikwijls nieuwe gegevens bevat die relevant zijn voor de planologische beoordeling of voor de toetsing van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening […]. […] Bovendien behoudt verzoekster haar belang, zelfs indien het zo zou zijn dat zij eerder bouwvergunning verleend zou hebben voor een soortgelijke exploitatie, hetgeen absoluut niet het geval is. De bouw- en milieuvergunningsaanvraag staan immers los van elkaar, doorlopen een eigen aanvraagparcours (met tussenkomst van andere besturen), en vergen een autonome beoordeling met eigen klemtonen. Het is perfect mogelijk dat eenzelfde bestuur verschillend standpunt inneemt over deze aanvragen, zelfs indien zij zouden uitgaan van eenzelfde project (hetgeen hier dus niet het geval is; de milieuvergunningsaanvraag bevat een aantal gegevens die niet voorkwamen in het bouwdossier en waar verzoekster door verrast werd). In het verzoekschrift wordt geen enkel standpunt ingenomen dat zogezegd indruist tegen de motivering van de vroegere bouwvergunning (hetgeen geeneens verboden zou zijn, aangezien een bestuur op elk ogenblik - mits verantwoording - zijn ruimtelijk beleid mag aanpassen). […] De exceptie van gemis aan belang bij het eerste middel is dus niet ernstig. Het komt alleen aan verzoekster toe om te beoordelen of een vergunning strijdig is met de goede (ruimtelijke) ordening van haar grondgebied. Dit is hier onmiskenbaar het geval. […] […] Het eerste middel is gegrond […] Met betrekking tot het verweer ten gronde op het eerste middel, dient opgemerkt dat het onterecht is van de verwerende partij om zich, wat dit betreft, te verschuilen achter een vermeende ruime discretionaire bevoegdheid voor het bestuur om uit te maken wat al dan niet kan beschouwd worden als pertinent feitelijk gegeven teneinde te beoordelen wat dient verstaan te worden onder een ambachtelijk bedrijf of KMO conform het Inrichtingsbesluit. Het betreffen hier immers wettelijke termen die door het bestuur juist moet worden toegepast, en dit met inachtneming van de interpretatie van deze termen in de rechtspraak van Uw Raad. Daarenboven geldt de inachtneming van de wettelijke begrippen ‘ambachtelijk bedrijf/KMO’ voor verwerende partij eens te meer, gelet op de tussengekomen vernietigingsarresten dd. 14 maart 2013 (nr. 222.849) en dd. 28 september 2017 (nr. 239.235) van Uw Raad voor het thans bestreden project, nu Uw Raad tweemaal overging tot vernietiging wegens een manifest motiveringsgebrek omtrent de toelaatbaarheid van de vergunde activiteiten in het betrokken gebied conform het gewestplan. De motivering inzake de toelaatbaarheid van een bedrijf in een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s moet aldus zorgvuldig en degelijk zijn, VII-40.266-12/21 hetgeen betekent dat de motivering in overeenstemming dient te zijn met deze de wettelijke begrippen ‘ambachtelijk bedrijf/KMO’. Zulks heeft dus niets te maken met een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, maar met een juiste toepassing van de wet. […] Het vergunningverlenend bestuur beschikt dus niet over een discretionaire bevoegdheid inzake de bestemming van de betrokken percelen. Verwerende partij kan dus niet, zoals zij tot tweemaal toe heeft gedaan, aan de hand van nietszeggende criteria omtrent de aard en omvang van de (nabestemde) activiteiten, haar eigen gedenatureerde opvatting in de plaats stellen van de bestemmingsvoorschriften van het Inrichtingsbesluit. […] In de memorie van antwoord is het dan ook opmerkelijk dat verwerende partij niet ingaat op de argumentatie van verzoekende partij zoals ontwikkeld in het inleidend verzoekschrift. Verzoekster heeft uitdrukkelijk gewezen op de wenk van Uw Raad in het vernietigingsarrest van 28 september 2017 (nr. 239.235) dat de tot hiertoe vermelde motieven, die in de thans bestreden beslissing simpelweg in een verschillende volgorde worden overgenomen, niet afdoende precies waren, net omdat zulke motieven niets zeggen over de te verwachten hinder van de vergunde activiteiten, hetgeen eveneens een schending van de materiële motiveringsplicht uitmaakt. De motieven inzake de soorten opslag, waaronder ook schadelijke afvalproducten, de oppervlakte van de gebouwen, het verdere terreingebruik, de aard en de schaal van de bedrijvigheid, en verwijzingen naar definities uit de economische regelgeving werden reeds door Uw Raad als irrelevant bevonden voor de noodzakelijke stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag. Dergelijke motieven vormen aldus geen pertinente feitelijke gegevens om de planologische verenigbaarheid van de vergunde activiteiten te kunnen nagaan. […] De verwerende partij voert omtrent de ontegensprekelijke appreciatie van de inrichting als ‘grote opslagplaats voor afvalproducten’, waaronder afvalproducten van schadelijke aard, nagenoeg geen verweer in haar memorie van antwoord. Verwerende partij tracht immers alles ‘verkocht’ te krijgen onder de noemer dat de beoordeling van het Vlaamse Gewest niet onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn, ofschoon dit evenwel niet aan de orde is, minstens wordt tegengesproken door de reeds tussengekomen vernietigingsarresten dd. 14 maart 2013 (nr. 222.849) en dd. 28 september 2017 (nr. 239.235) van Uw Raad. […] Evenmin kan op dienstige wijze verwezen worden naar de zgn. gunstige adviezen die over de aanvraag zouden verleend zijn. Deze adviezen voegen inhoudelijk niets toe aan de motivering van de bestreden beslissing, maar herkauwen dezelfde zogezegde feitelijke motieven over de zgn. beperkte omvang van het bedrijf. Bovendien blijkt nergens uit dat de minister zich de motivering van deze adviezen eigen heeft willen maken. […] De memorie van antwoord weerlegt de argumenten van verzoekster niet om tot de ongegrondheid van het eerste middel te besluiten. Verzoekster kan zich dan ook beperken tot de verwijzing naar haar uiteenzetting in het eerste middel van het inleidend verzoekschrift. De beoogde afvalverwerkende exploitatie schendt de voorschriften van het geldende gewestplan omwille van het feit dat uit noch uit de motivering van de bestreden beslissing, en al evenmin uit de aard en uit de schaalgrootte VII-40.266-13/21 van de inrichting (nl. een grote opslagplaats van afvalproducten, waaronder ook schadelijke afvalproducten) kan afgeleid worden dat de exploitatie een ambachtelijk bedrijf/KMO zou betreffen (quod non). Evenmin kan uit het overwegend gedeelte van de bestreden beslissing afgeleid worden waarom deze feitelijke/economische gegevens of criteria, in het kader van een stedenbouwkundige toets van een milieuvergunningsaanvraag, zouden aannemelijk maken dat zulks het geval is”.
  21. De verzoekende partij beklemtoont in haar laatste memorie nog dat in het vernietigingsarrest van 28 september 2017 “de motieven inzake de soorten opslag, waaronder ook schadelijke afvalproducten, de oppervlakte van de gebouwen, het verdere terreingebruik, de aard en de schaal van de bedrijvigheid, en verwijzingen naar definities uit de economische regelgeving reeds als irrelevant bevonden werden voor de noodzakelijke stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag” en dat er wel degelijk sprake is van “een opslag/verwerking van afvalproducten die van schadelijke aard zijn, wat planologisch onverenigbaar is”. Beoordeling A. Ontvankelijkheid van het middel
  22. Naar luid van artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State -zoals ingevoegd bij artikel 2, 3°, van de wet van 20 januari 2014 ‘houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State’- geven de in de beroepen tot nietigverklaring aangevoerde onregelmatigheden “slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden”.
  23. Het feit dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Nazareth op 10 augustus 2009 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor een loods met burelen en conciërgewoning, die in functie staan van “de verdere kleiontginning […] in een daartoe geëigende zone waarbij een VII-40.266-14/21 opvulling wordt voorzien in functie van de nabestemming KMO-zone”, neemt niet weg dat een milieuvergunning die werd verleend in strijd met de dwingende stedenbouwkundige voorschriften onwettig is en bijgevolg moet worden vernietigd. De in het middel aangevoerde onregelmatigheid kan leiden tot de nietigverklaring van de bestreden vergunningsbeslissing omdat ze onmiskenbaar van invloed is geweest op de draagwijdte of strekking ervan.
  24. Het middel is ontvankelijk. B. Gegrondheid van het middel
  25. De vergunde inrichting is volgens het gewestplan Oudenaarde, vastgesteld bij koninklijk besluit van 24 februari 1977, gelegen in een ontginningsgebied met nabestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s. Artikel 8 van het inrichtingsbesluit reikt zelf geen criteria aan om uit te maken of een inrichting voor het verwerken van afval al dan niet kan worden beschouwd als een ambachtelijk bedrijf of een KMO. Het komt derhalve aan de vergunningverlenende overheid toe, wanneer zij staat voor de vraag of een inrichting kan worden ingepast in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s, om aan de hand van pertinente feitelijke gegevens en op afdoende wijze te motiveren waarom zulks volgens haar het geval is. Uit die motivering moet onder meer blijken dat de vergunde activiteiten, ondanks de hinder die zij veroorzaken, toegelaten kunnen worden in het betrokken gebied. Zoals de Raad van State reeds in zijn arrest nr. 222.849 van 14 maart 2013 heeft aangegeven, dient de vergunningverlenende overheid wanneer zij haar beslissing stoelt op de omvang van het bedrijf en de aard van de activiteiten, de criteria te verduidelijken aan de hand waarvan zij de “opgegeven cijfergegevens en de aard van de te voeren activiteiten” heeft getoetst om tot de vaststelling te komen dat het bedrijf een middelgrote onderneming is. VII-40.266-15/21
  26. De bestreden vergunningsbeslissing werd genomen in het kader van het te verlenen rechtsherstel ingevolge het vernietigingsarrest nr. 239.235 van 28 september 2017 van de Raad van State. Aan dit arrest liggen de volgende motieven ten grondslag: “Blijkens de motivering van het bestreden besluit is de verwerende partij van oordeel dat ‘geen doorverwijzing naar het industriegebied nodig is’, in essentie gelet op de ‘schaal van gebouwen en terreinoppervlakten’. In dit verband wordt vastgesteld dat de ‘gebouwoppervlakte en terreininname van ongeveer dezelfde ordegrootte zijn als de oostelijk aanliggende bedrijven in het betrokken gebied’ en ‘het bedrijf slechts 1 perceelnummer inneemt’, zodat het ‘proportioneel inzake grootte aangepast is aan het ontginningsgebied’. Wat betreft de aangevraagde activiteiten worden deze enkel opgesomd en wordt vastgesteld dat deze ‘zich beperken tot het kadastraal perceel 423 m’ en ze ‘inzake grootte en omvang aangepast zijn aan de perceelverdeling van het ontginningsgebied ter plaatse’. Deze motieven zeggen niets omtrent de hinderlijkheid van de vergunde activiteiten en de toelaatbaarheid ervan in het betrokken gebied. Evenmin vormen ze op zich een afdoende criterium om te besluiten dat de inrichting een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit. De criteria die voorkomen in de reglementering inzake het ‘economisch beleid’, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, zijn niet bedoeld en dus ook niet relevant voor de noodzakelijke stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag”.
  27. In het thans bestreden besluit is de verwerende partij andermaal van oordeel dat “geen doorverwijzing naar het industriegebied nodig is”, rekening houdend met de “schaal van gebouwen en terreinoppervlakten” waarbij onder meer wordt vastgesteld dat de “gebouwoppervlakte en terreininname van ongeveer dezelfde ordegrootte zijn als de oostelijk aanliggende bedrijven in het betrokken gebied”, de bedrijfsactiviteiten “zich beperken tot één kadastraal perceel” en het bedrijf “proportioneel inzake grootte aangepast is aan het ontginningsgebied, zoals het is opgezet inzake perceelverdeling”. Tevens bevat de bestreden beslissing een verwijzing naar het “besluit van 31 januari 2003 [van] de Vlaamse Regering” [lees: het decreet van het Vlaamse Gewest van 31 januari 2003 ‘betreffende het economisch ondersteuningsbeleid’] dat “definities heeft gegeven van kleine en middelgrote ondernemingen” en waarbij wordt aangestipt dat “deze criteria in een breder maatschappelijk kader duidelijke indicaties geven van schaalverhouding VII-40.266-16/21 tussen bedrijven”. Voormelde overwegingen zijn reeds aangetroffen in de vergunningsbeslissing van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur van 23 juli 2014 die door de Raad van State onwettig werd bevonden bij arrest nr. 239.235 van 28 september
  28. De letterlijke herneming van deze motieven in de thans bestreden beslissing, schendt het gezag van gewijsde van voormeld arrest, inzonderheid omdat erin werd geoordeeld dat deze motieven niets zeggen “omtrent de hinderlijkheid van de vergunde activiteiten en de toelaatbaarheid ervan in het betrokken gebied”, ze geen “afdoende criterium [vormen] om te besluiten dat de inrichting een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit” en “de criteria die voorkomen in de reglementering inzake het ‘economisch beleid’ […] niet bedoeld en dus ook niet relevant [zijn] voor de noodzakelijke stedenbouwkundige toetsing van een milieuvergunningsaanvraag”.
  29. In zoverre de verwerende partij in de thans bestreden beslissing bij de beoordeling van “de hinderlijkheid van het bedrijf ten opzichte van zijn omgeving” formeel, maar bondig, verwijst naar “de aard der bedrijvigheid: gedefinieerd in de milieuvergunningsaanvraag en besproken in de bovenvermelde milieutechnische beoordeling”, geldt de vaststelling dat in deze beoordeling uitdrukkelijk wordt overwogen dat “in de milieuvergunningsaanvraag onvoldoende aandacht wordt besteed aan de bestaanbaarheid van de opslag en het breken en zeven van inerte afvalstoffen en andere niet-gevaarlijke afvalstoffen met de andere bedrijven op het bedrijventerrein” en dat “bijgevolg de hinder van de opslag en het breken en zeven van de afvalstoffen ten opzichte van de omliggende bedrijven onvoldoende kan worden ingeschat”, zodat “het bijgevolg aangewezen is om de vergunning voor de belangrijkste geluidsbron, meer bepaald de opslag en de mechanische behandeling van 7.875 m3 inerte afvalstoffen en de opslag van 5.000 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen en het breken en zeven ervan, te weigeren”. De aangehaalde motieven laten niet toe als evident of gemakshalve aan te nemen dat de door het bestreden besluit vergunde activiteiten, VII-40.266-17/21 bestaande onder meer uit de opslag van maximaal 500 m3 uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing volgens Vlarebo, de opslag van maximaal 400 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen en de sortering ervan, de opslag van maximaal 700 ton groen- en houtafval en het verhakselen ervan en de opslag van maximaal 100 ton niet-gevaarlijke afvalstoffen en het persen ervan, bestaanbaar zijn met een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s dat overeenkomstig artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit mede bestemd is voor kleine opslagplaatsen van goederen, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard.
  30. Het middel is gegrond. V. Verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
  31. De verzoekende partij vraagt, in toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, om het arrest in de plaats te stellen van de bestreden beslissing en de gevraagde vergunning te weigeren. In dit verband wijst zij in haar verzoekschrift op het volgende: “Het staat […] buiten kijf dat er in deze sprake is van een planologische onverenigbaarheid, die de vergunningverlenende overheid elk recht op een eigen beoordeling ontneemt. Zodoende dient in deze overgegaan worden tot substitutie en dient de aangevraagde milieuvergunning definitief te worden geweigerd. Er kan in redelijkheid niet meer aangenomen worden dat de verwerende partij nog enige marge van beoordeling heeft: zij heeft reeds driemaal de gelegenheid gehad om haar motieven en criteria te preciseren en nog steeds slaagt zij er niet in om tegemoet te komen aan de wenken van de Raad. De motieven die worden hernomen en reeds als niet pertinent werden beschouwd door de Raad kunnen bijgevolg niets anders dan leiden tot weigering. Aangezien de verwerende partij er niet in slaagt om andere feiten en/of criteria aan te reiken moet worden aangenomen dat die er gewoonweg niet zijn in het licht van de aard van de activiteiten en de aard van de omgeving”.
  32. De verwerende partij stelt daar tegenover dat het eerste middel enkel kan leiden tot de vaststelling van een motiveringsgebrek, dat de Raad van State “zich niet [vermag] [haar] discretionaire bevoegdheid [...] toe te eigenen middels (opeenvolgende) vernietigingen omwille van een motiveringsgebrek” en VII-40.266-18/21 dat uit de vaststelling van een motiveringsgebrek niet kan volgen dat zij “niet langer over een discretionaire bevoegdheid beschikt, noch dat het aangevraagde niet kan worden ingepast in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s”. Beoordeling
  33. Artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Wanneer de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de verwerende partij, treedt het arrest in de plaats van die beslissing”. Uit de wetsgeschiedenis van de aangehaalde bepaling blijkt dat de substitutiebevoegdheid om “redenen van efficiëntie” aan de Raad van State werd toegekend, met name wanneer “de nieuw te nemen beslissing het gevolg is van een gebonden bevoegdheid van de bestuurlijke overheid”, waarbij onder meer gedacht wordt aan “de gevallen van feitelijke of a posteriori gebonden bevoegdheden, waaronder de hypotheses volgens dewelke de werking van de wet en bepaalde omstandigheden samen tot gevolg hebben dat het bestuur een welbepaalde beslissing dient te nemen terwijl de wet hem in het begin een zekere appreciatiemarge liet” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26-27).
  34. Bij stilzwijgen van artikel 8 van het inrichtingsbesluit komt het in beginsel aan de vergunningverlenende overheid toe om te bepalen welke criteria zij relevant acht om te beoordelen of een inrichting al dan niet verenigbaar is met het bestemmingsvoorschrift gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s. De vergunningverlenende overheid beschikt bij de keuze van die criteria over een zekere appreciatiemarge. In arrest nr. 222.849 van 14 maart 2013 werden de motieven op grond waarvan de verwerende partij tot het besluit kwam dat de beoogde inrichting aangemerkt kan worden als een “middelgrote onderneming”, niet afdoende geacht. Vervolgens werd de verwerende partij er in arrest nr. 239.235 van 28 september 2017 op gewezen dat haar motieven om te besluiten tot de planologische verenigbaarheid van de inrichting irrelevant waren voor de VII-40.266-19/21 beoordeling van de “hinderlijkheid van de vergunde activiteiten en de toelaatbaarheid ervan in het betrokken gebied” en ze evenmin “een afdoende criterium [vormen] om te besluiten dat de inrichting een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van artikel 8.2.1.3 van het inrichtingsbesluit”. Van de verwerende partij mocht worden verwacht dat zij haar taak in het kader van de (zoveelste) herneming van de beroepsprocedure zeer nauwgezet en zorgvuldig zou uitoefenen, te meer omdat de verzoekende partij sinds 2010 wacht op een uitspraak over haar bestuurlijk beroep dat de wettigheidstoets doorstaat. Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middel wordt die verwachting met de bestreden beslissing niet ingelost. Het tegendeel is eerder het geval nu de verwerende partij in de bestreden beslissing grotendeels de motieven herneemt die in het vernietigingsarrest nr. 239.235 van 28 september 2017 niet afdoende werden bevonden. Derhalve kan niet voorbijgegaan worden aan de vaststelling dat de verwerende partij, zelfs na een heronderzoek van de zaak ingevolge twee vroegere vernietigingsarresten, in het dossier noch daarbuiten elementen heeft kunnen vinden die een deugdelijke grondslag bieden voor de conclusie dat de inrichting die het voorwerp is van de milieuvergunningsaanvraag, zelfs al wordt de aanvraag slechts gedeeltelijk ingewilligd, kan ingepast worden in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s. De appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij blijkt de facto volledig te zijn uitgehold. Bijgevolg is er reden om dit arrest in de plaats te stellen van de uitspraak van de verwerende partij over de bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 april
  35. Het verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt ingewilligd. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 8 maart 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 april 2010, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de bvba Speed and Quality Services voor de exploitatie VII-40.266-20/21 van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Sluis te Nazareth, slechts gedeeltelijk gegrond worden verklaard.
  37. De bestuurlijke beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 22 april 2010 houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de bvba Speed and Quality Services voor de exploitatie van een afvalverwerkend bedrijf, gelegen aan de Sluis te Nazareth, worden gegrond verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd.
  38. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  39. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.266-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.235 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.