id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.271 Rolnummer: Zaak: Arrest 253271 - Plannen van aanleg - 18/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-01 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:30 Fiche Arrest nr 253.271 van 18 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 253.271 van 18 maart 2022 in de zaak A. 226.472/X-17.359 (I) A. 226.477/X-17.360 (II) In zake : (I) de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen (II) Hans DE RUYTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Maesschalck kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GEMEENTE DE PINTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- Het beroep in de zaak sub I, ingesteld op 22 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente De Pinte van 25 juni 2018 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk X- 17.359–17.360-1/15 uitvoeringsplan ‘Centrumbocht’ definitief wordt vastgesteld (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP). Het beroep in de zaak sub II, ingesteld op 22 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van het bestreden gemeentelijk RUP en van het besluit van de dienst Milieueffectrapportage van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) van 17 oktober 2017 dat voor dit gemeentelijk RUP de opmaak van een plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) niet nodig is. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben in beide zaken een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben in beide zaken een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft in beide zaken een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben in beide zaken een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben in beide zaken een laatste memorie ingediend. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft in beide zaken een aanvullend verslag opgesteld. De partijen in beide zaken zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
- Staatsraad Jan Clement heeft in beide zaken verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoekende partij in de zaak sub I, advocaat Sofie De Maesschalck, die verschijnt voor verzoeker in de zaak sub II, advocaat Bram Van den Berghe, die loco advocaat X- 17.359–17.360-2/15 Bart Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij in beide zaken, en advocaat Jan Bergé, die verschijnt voor de tweede verwerende partij in beide zaken, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Samenvoeging
- De zaken A. 226.472/X-17.359 en A. 226.477/X-17.360 zijn dermate samenhangend dat het past ze samen te voegen. IV. Feiten 4.
- Op het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan ‘Gentse en Kanaalzone’ staat in de gemeente De Pinte een ongeveer 300 hectare groot woongebied rood ingekleurd (hierna: het woongebied van het gewestplan). In het noordoosten wordt het woongebied van het gewestplan begrensd door een spoorlijn. Ten noorden van deze spoorlijn toont hetzelfde gewestplan een strook agrarisch gebied langs de Florastraat die ongeveer twee hectare groot is (hierna: de agrarische Florastrook). De stad Gent is eigenaar van een ongeveer vier hectare groot terrein tegenover de agrarische Florastrook, ten zuiden van de laatstgenoemde spoorlijn, waarop haar plantsoendienst gevestigd is (hierna: het plantsoendienstterrein). In het westen splitst de meergenoemde spoorlijn in twee afzonderlijke lijnen. Aan deze splitsing ligt een ongeveer tweeëneenhalf hectare X- 17.359–17.360-3/15 groot terrein dat op het voornoemde gewestplan als industriezone paars is ingekleurd (hierna: het spoorwegdriehoekterrein). Hans De Ruyter is eigenaar en bewoner van een pand in het centrum van De Pinte, ten zuiden van het spoorwegdriehoekterrein. 4.
- In 2015 neemt de gemeente De Pinte het initiatief voor een voorontwerp van gemeentelijk RUP ‘Centrumbocht’. Het plangebied omvat ongeveer een derde van het woongebied van het gewestplan – waaronder het plantsoendienstterrein – evenals de agrarische Florastrook en het spoorwegdriehoekterrein. 4.
- Ter verduidelijking is hierna een uittreksel opgenomen van het op de website geopunt.be weergegeven gewestplan, waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X- 17.359–17.360-4/15
- In september 2015 maakt de eerste verwerende partij een screeningsnota op over de mogelijke milieueffecten van het voorontwerp van gemeentelijk RUP.
- Op 12 oktober 2015 stelt de dienst Mer dat in de screeningsnota de mobiliteitseffecten onvoldoende zijn onderzocht.
- Nadat de eerste verwerende partij de screeningsnota heeft aangevuld, beslist de dienst Mer op 17 oktober 2017 dat de opmaak van een plan- MER niet nodig is, daar het gemeentelijk RUP “het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau [bepaalt] en […] een kleine wijziging [inhoudt]”.
- Op 27 november 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente De Pinte het ontwerp van gemeentelijk RUP ‘Centrumbocht’ voorlopig vast. X- 17.359–17.360-5/15
- Van 8 december 2017 tot 6 februari 2018 wordt over het ontwerp van gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. Onder meer de stad Gent en Hans De Ruyter dienen een bezwaarschrift in.
- In haar zittingen van 26 april, 30 april en 4 mei 2018 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente De Pinte (hierna: de Gecoro) de ingediende bezwaarschriften en geeft zij advies. 11.
- Bij besluit van 25 juni 2018 stelt de gemeenteraad van de gemeente De Pinte het gemeentelijk RUP ‘Centrumbocht’ definitief vast. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 augustus
- 11.
- Het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP bevat vijf zones voor projectontwikkeling die met name bestemd worden voor wonen, gemeenschapsvoorzieningen en kantoren. Het betreft onder meer het plantsoendienstterrein, het grootste deel van de agrarische Florastrook en het grootste deel van het spoorwegdriehoekterrein die respectievelijk herbestemd worden tot de zone voor projectontwikkeling “Gebied Plantsoendienst”, de zone voor projectontwikkeling “Gebied Florastraat” en de zone voor projectontwikkeling “Gebied Spoorwegdriehoek”. Ter verduidelijking wordt hierna het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende grafische plan afgebeeld. X- 17.359–17.360-6/15 V. Onderzoek van het eerste middel in de zaak sub I Standpunt van de partijen 12.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van “art. 4.2.3 van [het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM)], het materieel motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur”. 12.
- In haar verzoekschrift wijst de verzoekende partij er op dat er krachtens artikel 4.2.3, § 3, DABM enkel kan worden afgezien van de opmaak van een plan-MER wanneer het plan “het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt”. Te dezen blijkt niet dat aan die voorwaarde is voldaan, terwijl er niettemin toch geen plan-MER is opgemaakt. 12.
- De verzoekende partij licht toe dat uit het arrest nr. C‑444/15 van 21 december 2016 Associazione Italia Nostra Onlus van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat het begrip ‘klein gebied’ kwantitatief moet worden ingevuld. Zij benadrukt dat het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP een oppervlakte heeft van meer dan 100 hectare, wat zeker niet klein is voor de gemeente De Pinte (5,61 % van de totale oppervlakte). Dat het zou gaan om een ‘klein gebied’ is door de verwerende partijen eenvoudigweg geponeerd, zonder dat blijkt dat hieraan enig ernstig onderzoek ten grondslag ligt. X- 17.359–17.360-7/15 12.
- De verzoekende partij vervolgt dat de nietszeggende overwegingen van de screeningsnota volgens dewelke het bestreden gemeentelijk RUP een ‘kleine wijziging’ zou inhouden, al evenmin kunnen overtuigen. Er is geen deugdelijke planologische toets uitgevoerd. Noch uit enig stuk van het administratief dossier, noch uit de motivering van het bestreden besluit blijkt dat het gemeentelijk RUP te beschouwen zou zijn als een ‘kleine wijziging’. 13.
- In haar memorie van antwoord stelt de eerste verwerende partij dat het bestreden gemeentelijk RUP geen voorschriften oplegt voor het integrale grondgebied van de gemeente, maar zich beperkt tot de kern van de gemeente, tot het centrum van de gemeente. Dat – zoals in de screeningsnota desgevallend ongelukkig is aangegeven – binnen deze beperkte kern, van dit beperkte centrum, dan een “omvangrijk” gebied wordt behandeld, verandert niets aan de vaststelling dat het op zich – ten opzichte van het integrale grondgebied van de gemeente – om een ‘klein gebied’ blijft gaan. Door slechts de ‘kern’ te behandelen, door slechts het ‘centrum’ te behandelen, wordt slechts een ‘klein gebied’ behandeld. Dat dan ‘het meeste’ binnen deze kern wordt behandeld (een omvangrijk gebied in/van het centrum), verandert daar niets aan. De eerste verwerende partij stelt dat het slechts om 5,61 % – dit is één twintigste – van de gemeentelijke oppervlakte gaat. Het is hoegenaamd niet van elke redelijkheid ontdaan om deze oppervlakte effectief aan te merken als ‘klein gebied’. 13.
- Volgens de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij viseert de kritiek in verband met de ‘kleine wijziging’ in se een overtollig motief, daar het bestreden gemeentelijk RUP hoe dan ook betrekking heeft op een ‘klein gebied’. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring leiden. Voorts moet volgens de eerste verwerende partij in redelijkheid worden aangenomen dat het bestreden gemeentelijk RUP, gelet op de inhoud X- 17.359–17.360-8/15 ervan, een ‘kleine wijziging’ inhoudt. In de screeningsnota wordt alleszins verduidelijkt dat indien het gemeentelijk RUP geen doorgang vindt, de voorschriften van het gewestplan ‘woongebied’ geldig blijven, alsook een klein stukje agrarisch gebied behouden blijft. Het gemeentelijk RUP, zo wordt gesteld, doet geen afbreuk aan de huidige voorzieningen, gezien de voorgestelde zoneringen (wonen, handel, gemeenschapsvoorzieningen, sportvoorzieningen) allemaal binnen de ontwikkelingsmogelijkheden van een woongebied kunnen plaatsgrijpen. Het RUP geldt als verfijning van het gewestplan, en legt een aantal bijkomende ontwikkelings- en verdichtingsmogelijkheden vast. Het plan omvat slechts de mogelijkheden voor de vérdere ontwikkeling van de reeds in het centrum aanwezige functies (straten, woningbouw en enkele gemeenschapsvoorzieningen), en – gelet op de ligging van het plangebied en de schaal van de ontwikkeling – worden er hoe dan ook geen effecten verwacht die de gemeentegrens of de gewestgrens zullen overschrijden. Het gemeentelijk RUP is hoofdzakelijk gericht op de creatie van een (beperkt) aantal projectzones. 14.
- In haar memorie van antwoord wijst de tweede verwerende partij er op dat in de omzendbrief van 1 december 2007 ‘LNE/2007 – Milieueffectbeoordeling van plannen en programma’s’ (hierna: de omzendbrief uit 2007) gesteld wordt dat wanneer een plan betrekking heeft op het hele grondgebied van een gemeente, er geen sprake is van een ‘klein gebied’. A contrario kan hieruit worden afgeleid dat indien een plan slechts een gedeelte van het grondgebied van een lokale instantie regelt er wel degelijk sprake is van een klein gebied op lokaal niveau. De bestreden beslissing beperkt zich tot een duidelijk afgebakend gedeelte van het grondgebied van de gemeente De Pinte. In de screeningsnota wordt duidelijk omschreven dat het gemeentelijk RUP slechts een gedeelte van het centrum van de gemeente behelst. Het gaat aldus om een ‘klein gebied’ op lokaal niveau. Volgens de tweede verwerende partij is de oppervlakte van het plangebied beperkt. Niet de gehele gemeente, noch het gehele centrum vallen onder de bestreden beslissing, maar integendeel slechts een deel. De bestreden beslissing behelst een duidelijk afgebakend gebied dat gekozen werd omwille van de ligging en de noodzaak om in dit gebied eenzelfde regelgeving toe te passen. X- 17.359–17.360-9/15 14.
- Wat het criterium ‘kleine wijziging’ betreft, stelt de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de rechtspraak aanvaardt dat daaraan voldaan is wanneer het voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan een verdere verfijning en detaillering van de oorspronkelijke stedenbouwkundige voorschriften betreft. Dat is het geval voor het bestreden gemeentelijk RUP, dat een correcte uitwerking is van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. De redenering die ontwikkeld werd in de screeningsnota is logisch en coherent. Beoordeling
- Krachtens artikel 4.2.3, § 3, DABM kan worden afgezien van de opmaak van een plan-MER wanneer het plan “het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt” en voor zover de initiatiefnemer aantoont dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Zoals de Raad van State in herinnering heeft gebracht in het arrest De Liedekerke, nr. 251.938 van 26 oktober 2021, dient de voorwaarde dat het plan het gebruik bepaalt van een ‘klein gebied’ begrepen te worden als een zuiver kwantitatief criterium, namelijk de oppervlakte van het gebied waarop het bedoelde plan betrekking heeft – ongeacht de milieueffecten – in vergelijking met het grondgebied van de lokale bestuursinstantie. Zoals in hetzelfde arrest is vermeld, kan een voorgenomen plan beschouwd worden als een ‘kleine wijziging’ wanneer het van aard is geen substantiële of essentiële impact op “de tekst” van een bestaand plan te hebben (Parl.St. Vl. Parl. 2006-07, nr. 1081/1, 23). Deze beoordeling dient verplicht te steunen op een vergelijking tussen de verordenende voorschriften van het geldende plan en die van het voorgenomen plan.
- Dat het te dezen niet nodig zou zijn om een plan-MER op te maken, wordt in de screeningsnota als volgt verantwoord: X- 17.359–17.360-10/15 “5.3 Bepaling van de plicht tot opmaak van een planMER […] Het RUP omvat het vastleggen van stedenbouwkundige voorschriften voor de kern van De Pinte. In de onmiddellijke buurt bevinden zich geen Vogelrichtijnen- of Habitatrichtlijnengebieden. de sites liggen niet in een kwetsbaar gebied of relictzone, zodat er geen passende beoordeling vereist is. [Het] planningsgebied is niet gelegen in en heeft geen invloed op een vanuit milieuoogpunt kwetsbaar gebied. Het project is bovendien slechts van een beperkte omvang en er zijn geen gelijkaardige reeds bestaande dergelijke projecten in de onmiddellijke omgeving. Het project veroorzaakt duidelijk geen aanzienbare milieuhinder- of effecten. Conclusie: daar het RUP niet van rechtswege onderworpen is aan de planMER-plicht en een kleine wijziging inhoudt in een klein gebied op lokaal niveau, wordt er voor betreffend plan op basis van een screening geoordeeld of het plan aanzienlijke milieueffecten kan hebben.” 17.
- In de hiervoor geciteerde overwegingen, wordt de stelling dat het te dezen zou gaan om een ‘klein gebied’ – met de woorden van de verzoekende partij “eenvoudigweg geponeerd”, zonder dit nader te onderbouwen. Meer zelfs wordt deze stelling tegengesproken door de stukken van het administratief dossier en met name door de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP (blz. 6), waarin het volgende wordt overwogen: “Het RUP behelst een omvangrijk gebied in het centrum van De Pinte […].” 17.
- Anders dan de tweede verwerende partij voorhoudt, kan uit het enkele feit dat in de omzendbrief uit 2007 als voorbeeld wordt vermeld dat er niet wordt voldaan aan het criterium van een ‘klein gebied’ wanneer het plan betrekking heeft op het hele grondgebied van een gemeente, niet worden afgeleid dat er wél wordt voldaan aan dit criterium van zodra het plan niet het volledige grondgebied betreft. 17.
- Gelet op de uitgestrektheid van het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP – dat ongeveer een derde van het woongebied van het gewestplan omvat (randnr. 4.2) – moet redelijkerwijze worden aangenomen dat het ten opzichte van het grondgebied van de gemeente gaat om een – met de X- 17.359–17.360-11/15 woorden van de toelichtingsnota – “omvangrijk gebied”. Het blijkt dus niet dat er te dezen voldaan zou zijn aan het criterium van een ‘klein gebied’. 18.
- Blijft de vraag of het bestreden gemeentelijk RUP een ‘kleine wijziging’ inhoudt. In dat verband is het, anders dan de tweede verwerende partij blijkbaar meent, niet relevant dat het bestreden gemeentelijk RUP een correcte vertaling zou zijn van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan. Het is immers met de geldende voorschriften van het verordenende (gewest)plan – en dus niet met de bepalingen van een structuurplan – dat de voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP vergeleken moeten worden om uit te maken of het om een ‘kleine wijziging’ gaat. 18.
- Opnieuw moet worden vastgesteld dat in de hiervoor (randnr. 16) geciteerde overwegingen van de screeningsnota zonder meer geponeerd wordt dat het te dezen zou gaan om een ‘kleine wijziging’, zonder nadere onderbouwing die ontleend is aan een vergelijking tussen de verordenende voorschriften van het geldende plan en die van het voorgenomen plan. 18.
- De redenering van de verwerende partijen dat de voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP beschouwd zouden kunnen worden als een verfijning en detaillering van het gewestplanvoorschrift voor woongebieden gaat niet op voor de agrarische Florastrook en het spoorwegdriehoekterrein, die volgens het gewestplan niet bestemd waren tot woongebied. Het bestreden gemeentelijk RUP bevat geheel nieuwe voorschriften voor deze strook en dit terrein, daar ze ingekleurd worden als zones voor projectontwikkeling die met name bestemd worden voor wonen, gemeenschapsvoorzieningen en kantoren. Krachtens deze nieuwe voorschriften zullen er aldaar ongeveer 100 woningen gerealiseerd kunnen worden. Door de herbestemming van de agrarische Florastrook wordt in het noordoosten de grens van het woongebied van De Pinte noordwaarts – over de spoorlijn – verschoven, ten nadele van het agrarische gebied. X- 17.359–17.360-12/15 In het licht van de aangehaalde – planologisch ingrijpende – wijzigingen, maken de verwerende partijen niet aannemelijk dat te dezen voldaan is aan het criterium van een ‘kleine wijziging’.
- Het middel is gegrond. Het gegrond bevinden verantwoordt de vernietiging van het bestreden gemeentelijk RUP. VI. Het besluit van de dienst Mer van 17 oktober 2017
- Het onderzoek van het beroep tegen het bestreden gemeentelijk RUP heeft uitgewezen dat het besluit van de dienst Mer van 17 oktober 2017 met een onwettigheid behept is, die uitsluitend kan worden hersteld door dit laatste besluit over te doen. Het past om, zoals gevraagd door verzoeker in de zaak sub II, het voorbereidende besluit van de dienst Mer – voor de duidelijkheid in het rechtsverkeer – te vernietigen. VII. Verzoek tot handhaving van de gevolgen
- In haar laatste memories vraagt de eerste verwerende partij in ondergeschikte orde om, bij een gebeurlijke nietigverklaring, de gevolgen van het bestreden besluit te handhaven voor de termijn die zij “als naarstig bestuur nodig heeft om zich opnieuw over de bestemming van het gebied uit te spreken, met een minimum van drie jaar, gelet op de grote administratieve en financiële moeilijkheden die de nietigverklaring met terugwerkende kracht kunnen opleveren voor de in het gebied gevestigde rechtsonderhorigen”. De verwerende partij wijst meer bepaald op de personen die op basis van het bestreden gemeentelijk RUP een vergunning hebben verkregen. 22.
- Artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt: “Op verzoek van een verwerende of tussenkomende partij, en als de afdeling bestuursrechtspraak het nodig oordeelt, wijst ze die gevolgen van de vernietigde individuele akten of, bij wege van algemene beschikking, die X- 17.359–17.360-13/15 gevolgen van de vernietigde reglementen aan, die als definitief moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die ze vaststelt. De in het eerste lid bedoelde maatregel kan enkel worden bevolen om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing en na een tegensprekelijk debat. Deze beslissing kan rekening houden met de belangen van derden.” 22.
- De bevoegdheid om de gevolgen van een vernietigde verordeningsbepaling te beperken moet met de nodige omzichtigheid worden uitgeoefend en kan slechts worden gehanteerd wanneer vaststaat dat de vernietiging zonder meer van het bestreden besluit zeer zware gevolgen zou hebben op het stuk van de rechtszekerheid. 22.
- Ter ondersteuning van haar verzoek tot handhaving van de gevolgen, beroept de eerste verwerende partij zich op de situatie van degenen die op basis van het bestreden gemeentelijk RUP een vergunning zouden hebben verkregen. Enig concreet gegeven over een dergelijke vergunning wordt door de eerste verwerende partij niet verstrekt, laat staan dat zij een dergelijke vergunning als stuk zou neerleggen. Met haar niet-geconcretiseerd betoog toont de eerste verwerende partij geen uitzonderlijke redenen aan die een aantasting van het legaliteitsbeginsel zouden rechtvaardigen. 22.
- Het verzoek om de gevolgen van het vernietigde besluit van de gemeenteraad van de gemeente De Pinte van 25 juni 2018 te handhaven wordt afgewezen. BESLISSING
- De zaken A. 226.472/X-17.359 en A. 226.477/X-17.360 worden gevoegd.
- De Raad van State vernietigt het besluit van de gemeenteraad van de gemeente De Pinte van 25 juni 2018 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk X- 17.359–17.360-14/15 uitvoeringsplan ‘Centrumbocht’ definitief wordt vastgesteld en het besluit van de dienst Milieueffectrapportage van het Vlaamse Gewest van 17 oktober 2017 dat voor dit gemeentelijk RUP de opmaak van een plan- milieueffectrapport niet nodig is.
- Dit arrest dient te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit.
- De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring in de zaken sub I en II, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan de verzoekende partij in de zaak sub I, evenals een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan verzoeker in de zaak sub II. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X- 17.359–17.360-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div