id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.285 Rolnummer: A. 231575/IX-9749 Zaak: Arrest 253285 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 21/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-28 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:31 Fiche Arrest nr 253.285 van 21 maart 2022 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.285 van 21 maart 2022 in de zaak A. 231.575/IX-9749 In zake : Ghislain DEKYVERE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steve Ronse kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els De Frene kantoor houdend te 8530 Harelbeke A. Pevernagestraat 105 tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP die woonplaats kiest bij de juridische cel van de afdeling Advies en Ondersteuning onderwijsPersoneel gevestigd te 1210 Brussel Hendrik Consciencegebouw Koning Albert II-laan 15 Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 26 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolaas Vinckier kantoor houdend te 8800 Roeselare Hoogleedsesteenweg 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep van het IX-9749-1/14 Gemeenschapsonderwijs van 10 juni 2020 waarbij aan Ghislain Dekyvere de tuchtmaatregel van de schorsing gedurende zes maanden wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 249.413 van 7 januari 2021 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 februari
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Quintens, die loco advocaten Steve Ronse en Els De Frene verschijnt voor de verzoekende partij, adviseur Frederik Stevens, IX-9749-2/14 die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Nicolaas Vinckier, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is vast benoemd leraar bij de scholengroep Mandel en Leie, waar hij is tewerkgesteld in de Athenaschool – campus Ter Bruyninge, afdeling Bouw. 3.
- Op 12 september 2019 stelt de directie van de school een vaststellingsfiche op tegen verzoeker omdat hij zonder toestemming op 6 september 2019 met leerlingen de school heeft verlaten. Op 18 september 2019 stelt de directie opnieuw een vaststellingsfiche op tegen verzoeker waarin wordt vermeld dat het zonder toestemming met leerlingen verlaten van de school ertoe strekte om oud ijzer, vergaard op school, te verkopen. Op 23 september 2019 stelt de directie andermaal een vaststellingsfiche op, dit keer omdat verzoeker een leerling vijfentwintig euro liet betalen omdat die zijn auto zou hebben bevuild. Op 26 september 2019 is verzoeker afwezig. Omdat hij verzuimt de school ervan in kennis te stellen dat dit wegens ziekte is, wordt de afwezigheid op 16 oktober 2019 aangemerkt als ongewettigd. IX-9749-3/14 3.
- Op 5 november 2019 beslist de raad van bestuur van de scholengroep om een tuchtprocedure op te starten. Voorgesteld wordt om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag op te leggen. Verzoeker wordt daarvan met een aangetekende zending van 13 november 2019 in kennis gesteld. In voormeld schrijven worden vijf tenlasteleggingen geformuleerd: “- Op vrijdag 6 september 2019 zonder medeweten of toestemming van iemand de school te hebben verlaten in het gezelschap van enkele leerlingen, waarbij u achteraf toegaf dat u dat ook vorig schooljaar enkele keren hebt gedaan. - Op 1 maart 2019 en 6 september 2019 en naar uw zeggen ook op andere, niet nader te bepalen tijdstippen, schroot van de school te hebben weggebracht naar een oud-ijzerhandelaar zonder medeweten van de directie en zonder achteraf de opbrengst te hebben afgegeven aan de directeur of aan de financieel medewerker van de entiteit. - Geconfronteerd met de opmerking dat u de opbrengst van uw verkoop van schroot niet aan de school hebt bezorgd, achteraf betalingsbewijsjes van aankopen die zogenaamd voor de school bedoeld waren te hebben voorgelegd aan de directeur in een vergeefse poging om aan te tonen dat u die opbrengsten voor de school hebt gebruikt. Het gaat om bewijzen van aankopen bij Brico Planit Kortrijk (9 november 2018, 31 januari 2019 en 3 mei 2019), Doe-het-Zelf Synaeve Beveren-Leie (21 mei 2019) en Multi Bazar Pittem (4 juni 2019). - Op 20 september 2019 een bedrag van 25 euro te hebben afgetroggeld van een leerling Bouw omdat die uw auto zou bevuild hebben en ermee gedreigd te hebben om dat bedrag bij niet-betaling met 5 euro per dag te laten stijgen, waarna de leerling besloot om u die 25 euro te betalen en u het geld ook incasseerde. - Ongewettigde afwezigheid op 26 september 2019.” Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de raad van bestuur op 8 januari 2020 om verzoeker voor de vijf tenlasteleggingen, die alle voor bewezen worden gehouden, bij tuchtmaatregel te ontslaan. Op 4 februari 2020 stelt verzoeker beroep in tegen de voormelde beslissing van 8 januari 2020 bij de kamer van beroep. 3.
- De kamer van beroep beslist op 10 juni 2020 dat de derde en de vijfde tenlastelegging niet zijn bewezen, dat de beslissing van de raad van bestuur IX-9749-4/14 van 8 januari 2020 wordt vernietigd en dat verzoeker de tuchtstraf van de schorsing gedurende zes maanden wordt opgelegd. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Het enige middel is genomen uit de schending van de artikelen 19 en 33decies van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (“tuchtbesluit”), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’(“formelemotiveringswet”), het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel. In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de kamer van beroep de strafmaat niet afdoende heeft gemotiveerd. Hij argumenteert dat “het zwaartepunt” van het niet-naleven van de deontologische plichten betrekking heeft op het feit dat hij zich vijfentwintig euro liet betalen als vergoeding voor het bevuilen van zijn auto. De kamer van beroep relativeert immers de zogenaamde handel in oud ijzer, door erop te wijzen dat verzoeker geen persoonlijk geldgewin nastreefde en dat de school geen duidelijke richtlijnen ter zake heeft uitgevaardigd. Over de strafmaat voor het aftroggelen van geld wordt in de bestreden beslissing enkel gesteld dat het feit zeer ernstig en niet te rechtvaardigen is. Het is echter niet duidelijk waarom de strafmaat die eraan wordt gekoppeld, verantwoord zou zijn. De kamer van beroep beperkt zich tot een loutere stijlformule zonder enige concrete motivering. Bovendien is de motiveringsplicht des te stringenter naarmate een zware tuchtstraf wordt opgelegd. Een schorsing gedurende zes maanden is een zeer zware tuchtstraf die, IX-9749-5/14 mede gelet op de verregaande impact ervan, zeer zorgvuldig gemotiveerd dient te worden, hetgeen in casu niet is gebeurd. In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de opgelegde tuchtstraf disproportioneel is. Hij argumenteert dat hem een tuchtstraf wordt opgelegd wegens, eensdeels, een zogenaamde handel in oud ijzer zonder toestemming van het schoolbestuur – feit dat de kamer van beroep echter sterk nuanceert – en, anderdeels, het laten betalen van vijfentwintig euro door een leerling omdat die zijn auto zou hebben bevuild, waarbij niet wordt betwist dat de leerling dit met opzet heeft gedaan. Een schorsing van zes maanden voor deze feiten gaat de grenzen van de redelijkheid te buiten. De strafmaat wordt enkel afgewogen tegen de straf die is opgelegd door de raad van bestuur van de scholengroep – het ontslag – maar staat niet in verhouding tot de zwaarte van de twee bewezen geachte feiten.
- Wat het eerste onderdeel van het middel betreft, betwist verzoeker in de memorie van wederantwoord dat hij een selectieve lezing zou geven aan de motivering van de strafmaat. Hij benadrukt dat de kamer van beroep de handel in oud ijzer sterk heeft genuanceerd en dat enkel het aftroggelen van vijfentwintig euro van een leerling als een ernstig feit wordt beschouwd. Er wordt niet aannemelijk gemaakt dat de schorsing van zes maanden afdoende is gemotiveerd in het licht van de ten laste gelegde feiten. De motivering berust op een stijlformule, namelijk dat de feiten zeer ernstig zijn en niet te rechtvaardigen vallen. Enige concrete motivering ontbreekt en dit klemt des te meer doordat een zeer zware tuchtstraf is opgelegd. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel erkent verzoeker dat de kamer van beroep over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de keuze van de strafmaat. Dit neemt volgens verzoeker niet weg dat de redelijkheid als toetssteen moet primeren. Verzoeker stelt dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de kamer van beroep de sanctie enkel heeft afgewogen ten opzichte van de draconische sanctie van de raad van bestuur, zonder daarbij IX-9749-6/14 rekening te houden met de concrete elementen van het dossier. De omstandigheid dat de opgelegde tuchtstraf in het arsenaal van mogelijke sancties als de derde lichtste sanctie moet worden beschouwd, zoals de tussenkomende partij stelt, toont geenszins de proportionaliteit van de tuchtstraf aan. Een schorsing van zes maanden voor de ten laste gelegde feiten, die bovendien ernstig genuanceerd moeten worden, gaat de grenzen van de redelijkheid te buiten.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker over het eerste middelonderdeel dat hij de schending van de artikelen 19 en 33decies van het tuchtbesluit heeft betrokken bij de uiteenzetting van zijn standpunt, aangezien deze artikelen moeten worden gezien als een veruitwendiging van de materiële- en de formelemotiveringsplicht. Voorts beklemtoont hij dat hij niet het standpunt heeft ingenomen dat de kamer van beroep uitsluitend op één tuchtvergrijp steunt, maar wel dat het zwaartepunt van de beslissing is gelegen in het feit dat hij een leerling om een schadevergoeding heeft gevraagd. Uit het administratief dossier blijkt dat de bewuste vijfentwintig euro niet werd afgetroggeld, noch dat de leerling onder druk werd gezet. De gevraagde schadevergoeding was ook niet ingegeven door een commercieel gewin. Verzoeker volhardt in zijn standpunt dat de motivering een stijlformule is in zoverre wordt overwogen dat het tuchtfeit zeer ernstig en niet te rechtvaardigen is, zonder dat wordt uitgelegd waarom het tuchtfeit als zeer ernstig of niet te rechtvaardigen moet worden gekwalificeerd. De bestreden beslissing bevat dan ook geen concrete motivering voor de opgelegde tuchtstraf. Gelet op het feit dat bij de andere tuchtfeiten allerhande verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen, kunnen deze niet beschouwd worden als een motivering van de zwaarte van de tuchtstraf. Wat het tweede onderdeel van het middel betreft, stelt verzoeker dat hij de schending van de zorgvuldigheidsplicht heeft betrokken bij de uiteenzetting van zijn standpunt, temeer daar het proportionaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur begrepen kunnen worden onder het ruimere begrip van de algemene zorgvuldigheidsplicht die op het bestuur rust. Voorts betoogt verzoeker dat de kamer van beroep twee van de IX-9749-7/14 vijf tuchtfeiten waarop de beslissing van de raad van bestuur was gesteund als niet bewezen heeft beschouwd, zodat het logisch is dat een mildere tuchtstraf wordt opgelegd. Uit de mate waarin de tuchtstraf werd gemilderd, blijkt echter niet dat de kamer van beroep rekening heeft gehouden met zowel het verminderd aantal tuchtfeiten als met de aangehaalde verzachtende omstandigheden. Uit niets blijkt dat beide aspecten in rekening zijn gebracht bij de beoordeling van de strafmaat. Er bestaat een wanverhouding tussen de aard van de ten laste gelegde feiten en de zwaarte van de opgelegde tuchtstraf. De devolutieve werking van het administratief beroep doet aan die vaststelling geen afbreuk. Bovendien kan uit het feit dat de kamer van beroep een mildere tuchtstraf heeft opgelegd dan de raad van bestuur niet zonder meer de redelijkheid van de opgelegde straf worden afgeleid. Beoordeling
- Verzoeker beperkt zich in het verzoekschrift tot een theoretische uiteenzetting over de inhoud van de artikelen 19 en 33decies van het tuchtbesluit en van het zorgvuldigheidsbeginsel, zonder in de toelichting bij het middel concreet te verduidelijken op welke wijze, naar zijn oordeel, de bestreden beslissing die bepalingen en dat beginsel schendt. Het middel is in die mate onontvankelijk.
- In de bestreden beslissing beoordeelt de kamer van beroep als volgt de tenlasteleggingen: “5.2.
- Over de eerste tenlastelegging. De verzoeker betwist niet dat hij op 6 september 2019 samen met leerlingen de school verlaten heeft zonder verwittiging. Dit is een tuchtfeit. Terecht heeft de raad van bestuur daarover gesteld ‘dat het niet zomaar kan dat een leraar – hoe zinvol de pedagogische activiteit ook is – de school zomaar verlaat zonder hiervoor toestemming te vragen’. […] De eerste tenlastelegging is bewezen en maakt een tuchtinbreuk uit. 5.2.
- Over de tweede tenlastelegging: De verzoeker betwist niet dat hij oud ijzer naar de schroothandelaar gebracht heeft en dat hij de opbrengst daarvan niet aan de school heeft IX-9749-8/14 overgemaakt. De Kamer van beroep valt de redenering van de raad van bestuur, waar hij uiteenzet waarom de verzoeker in de fout gegaan is wanneer hij de opbrengst van het oud ijzer niet aan de financieel verantwoordelijke van de school heeft overhandigd maar de gelden eigener gezag bestemd heeft voor zijn afdeling […] integraal bij. Om hoeveel geld het gaat is voor het bewijs van het tuchtfeit van geen belang. 5.2.
- Over de derde tenlastelegging. […] De Kamer van beroep volgt de redenering van de raad van bestuur niet. Het tweede tuchtfeit betreft het niet overhandigen aan de school van de opbrengst van oud ijzer. De grootte van de bedragen heeft op zich geen invloed op de vaststelling van de tuchtinbreuk. […] Het derde tuchtfeit is niet bewezen. 5.2.
- Over de vierde tenlastelegging. De Kamer van beroep volgt de redenering van de raad van bestuur integraal: de verzoeker heeft aan een leerling 25 euro gevraagd – ‘afgetroggeld’ is het correcte woord – omdat de leerling zijn auto bevuild had. Dergelijke opstelling is absoluut onaanvaardbaar voor een leraar. Dat het zou gaan om een compensatie voor de kosten van de car-wash vermindert het tuchtfeit niet. Het tuchtfeit wordt bij consensus bewezen bevonden. 5.2.
- Over het vijfde tuchtfeit. De Kamer van beroep is van oordeel dat, zo het gewis niet uitgesloten is dat één dag ongewettigde afwezigheid als een tuchtfeit aan de betrokkene ten laste kan worden gelegd, het bestuur in dit geval het tuchtfeit steunt op een algemene bedenking […]. De ontstentenis van een concrete invulling, geplaatst tegenover het feit dat de verzoeker zijn houding toch als een nalatigheid aannemelijk poogt te maken, leidt tot het besluit dat het tuchtfeit niet voor bewezen wordt gehouden.” Met betrekking tot de strafmaat motiveert de kamer van beroep: “6.
- De Kamer van beroep is van oordeel dat de verzoeker zijn deontologische verplichtingen niet heeft nageleefd. Indien de handel in oud ijzer die de verzoeker heeft opgezet en de verplaatsingen naar de ijzerhandelaar – beiden zonder toestemming van het schoolbestuur – zeker een tuchtinbreuk vormen, dan pleit toch voor de verzoeker dat uit niets blijkt dat hij persoonlijk gewin heeft nagestreefd. Voorts blijkt het bestuur zelf ook niet geheel vrij te pleiten, waar het in gebreke is gebleven om klaar en duidelijk algemene richtlijnen te verspreiden over de wijze waarop de leraars hun persoonlijke initiatieven moeten inbedden in de werking van de school. De Kamer van beroep beoordeelt de tuchtinbreuk waarbij de verzoeker een leerling deed betalen voor de ‘schade’ aan zijn wagen op zich als zeer ernstig. Dergelijke misgreep valt niet te rechtvaardigen. Globaal genomen heeft de Kamer van beroep ook oog voor het gegeven dat de verzoeker zonder problemen gedurende 14 jaar in de school gefunctioneerd blijkt te hebben. De misstappen die hij heeft begaan zijn dan IX-9749-9/14 ook niet van die aard dat zij geacht moeten worden de vertrouwensrelatie met het bestuur definitief onderuit te hebben gehaald. Alle voormelde elementen in acht genomen is de Kamer van beroep van oordeel dat de tuchtstraf van het ontslag te zwaar is en dat de tuchtstraf van de schorsing gedurende zes maanden gepast is.”
- In het eerste onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de kamer van beroep de strafmaat niet afdoende heeft gemotiveerd.
- De formelemotiveringsplicht die door de kamer van beroep als orgaan van actief bestuur moet worden nageleefd in het kader van het georganiseerd administratief beroep is een positieve verplichting die vereist dat zij te kennen geeft welke de concrete redenen zijn die tot haar beslissing hebben geleid.
- Verzoeker stelt ten onrechte dat de kamer van beroep de bestreden tuchtstraf in essentie heeft opgelegd omdat hij een leerling vijfentwintig euro liet betalen. Uit de hiervóór geciteerde motivering van de bestreden beslissing blijkt immers dat de kamer van beroep drie tenlasteleggingen bewezen heeft geacht en als tuchtinbreuken heeft beschouwd. Naast het laten betalen van een schadevergoeding door een leerling, worden ook de door verzoeker opgezette handel in oud ijzer en de verplaatsingen naar de ijzerhandel – beide zonder toestemming van het schoolbestuur – als tuchtfeit in aanmerking genomen. Het is voor het geheel van die drie tuchtinbreuken dat verzoeker een schorsing van zes maanden wordt opgelegd. Dat inzake de handel in oud ijzer en de verplaatsingen naar de ijzerhandelaar verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen en dat enkel over de tuchtinbreuk inzake het geld aftroggelen van een leerling uitdrukkelijk wordt gesteld dat dit een ernstig feit is, doet aan die vaststelling geen afbreuk.
- Verzoeker gaat er ook ten onrechte van uit dat de strafmaat enkel wordt gemotiveerd met de overweging dat een leerling doen betalen voor schade aan zijn wagen “zeer ernstig” en “niet te rechtvaardigen” is. In de motivering voor de keuze van de strafmaat vermeldt de kamer van beroep IX-9749-10/14 uitdrukkelijk de drie tuchtfeiten die zij in aanmerking neemt. Voorts wordt verwezen naar bepaalde verzachtende omstandigheden. Inzake de handel in oud ijzer en de verplaatsingen naar de ijzerhandelaar stelt de kamer van beroep dat het zeker om een tuchtinbreuk gaat, maar zij heeft ook oog voor het feit dat uit niets blijkt dat verzoeker persoonlijk gewin heeft nagestreefd en dat het schoolbestuur heeft nagelaten om richtlijnen te verspreiden over de wijze waarop de leraars hun persoonlijke initiatieven moeten inbedden in de werking van de school. Voorts brengt de kamer van beroep ook in rekening dat verzoeker gedurende veertien jaar probleemloos in de school heeft gefunctioneerd. Al die gegevens in overweging genomen besluit de kamer van beroep dat verzoekers misstappen niet van dien aard zijn dat ze geacht moeten worden de vertrouwensrelatie met het bestuur definitief onderuit te hebben gehaald, zodat de tuchtstraf van het ontslag te zwaar is. Een schorsing gedurende zes maanden wordt gepast bevonden. Met die motivering wordt duidelijk gemaakt waarom de kamer van beroep een schorsing van zes maanden verantwoord vindt. De kamer van beroep heeft zich geenszins beperkt tot een stijlformule.
- De motivering van de strafmaat laat verzoeker toe de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot zijn beslissing hebben geleid. Van een schending van de formelemotiveringsplicht is dienvolgens geen sprake.
- In het tweede onderdeel van het middel voert verzoeker aan dat de opgelegde tuchtstraf disproportioneel is.
- De tuchtoverheid beschikt bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de tuchtstraf over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Zij moet daarbij rekening houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten zijn gepleegd, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden. IX-9749-11/14 De Raad van State mag zich bij de beoordeling van de redelijkheid van de opgelegde tuchtstraf niet in de plaats van de tuchtoverheid stellen. Er kan dan slechts sprake zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel, wanneer de beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. Ingevolge de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep verwerft de kamer van beroep de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf, op dezelfde wijze als de tuchtoverheid, en zij stelt haar beslissing in de plaats van die van de tuchtoverheid. Dit houdt in dat de kamer van beroep – uitgezonderd op het vlak van de straftoemeting die zij niet mag verzwaren – over dezelfde ruime discretionaire bevoegdheid beschikt als de tuchtoverheid om te oordelen over de bij haar aanhangig gemaakte tuchtzaak en om tegen de aan een personeelslid toegeschreven feiten tuchtrechtelijk op te treden.
- Te dezen heeft de kamer van beroep de door de raad van bestuur opgelegde tuchtstraf van het ontslag herleid tot een schorsing van zes maanden. Uit verzoekers betoog blijkt wel dat hij het met deze tuchtstraf oneens is en ze te streng vindt, maar hij slaagt er niet in ervan te overtuigen dat de tuchtstraf de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat, in die zin dat het ondenkbaar is dat een ander bestuur voor dezelfde feiten dezelfde tuchtstraf zou opleggen.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de kamer van beroep de tuchtfeiten heeft afgewogen tegenover verzoekers probleemloos functioneren gedurende veertien jaar. De kamer van beroep is vervolgens van oordeel dat de misstappen die verzoeker heeft begaan niet van dien aard zijn dat ze geacht moeten worden de vertrouwensrelatie met het bestuur definitief onderuit te hebben gehaald en zij vindt een schorsing gedurende zes maanden een gepaste tuchtstraf. Anders dan verzoeker beweert, heeft de kamer IX-9749-12/14 van beroep derhalve niet de opgelegde schorsing van zes maanden enkel afgewogen tegenover het door de raad van bestuur opgelegde ontslag, maar wel de concrete elementen van het dossier – de drie bewezen bevonden tuchtinbreuken én de verzachtende omstandigheden – in aanmerking genomen om uiteindelijk tot de betreffende tuchtstraf te besluiten.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 40 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-9749-13/14 Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9749-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.285 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div