← België

Arrest 253286 - Tucht (openbaar ambt) - 21/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.286 Rolnummer: A. 226855/IX-9465 Zaak: Arrest 253286 - Tucht (openbaar ambt) - 21/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-28 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-10 06:31 Fiche Arrest nr 253.286 van 21 maart 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.286 van 21 maart 2022 in de zaak A. 226.855/IX-9465 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maarten Blondeel kantoor houdend te 9700 Oudenaarde Doornikstraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 december 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de nv HR Rail van 18 september 2018 om aan XXXX de tuchtstraf van de afzetting op te leggen, met bekrachtiging van de preventieve schorsing in de bediening. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. IX-9465-1/41 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 januari 2022. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maarten Blondeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ségolène de Borchgrave, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is als personeelslid van de Belgische Spoorwegen ter beschikking gesteld van de nv Infrabel en er tewerkgesteld als technisch ondersectorchef seininrichting in het arrondissement Gent-Sint-Pieters. 3.2. Een nota van 3 juni 2014 van de nv Infrabel voorziet in een gedragscode voor de registratie van het begin en het einde van de werktijd door te badgen. Daarin is onder meer vermeld: “Deze tekst […] is van kracht vanaf 01.09.2014. Ieder LCI en elke LCI-antenne zal tegen deze datum uitgerust zijn met badgelezers. Elk personeelslid zal in het bezit zijn van een badge. Met deze IX-9465-2/41 badge moet elk personeelslid het begin- en einduur van elke prestatie aan de badgelezers registreren vanaf 01.09.2014. […] De hiërarchische lijn legt de standaard begin- en einduren van de gangbare prestaties vast per ploeg in functie van de treindienst van het station dat de werkzetel bedient. Van de personeelsleden wordt verwacht dat ze stipt op tijd aanwezig zijn op het afgesproken uur. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan iemand te laat komen. Elke dag te laat komen omwille van dezelfde reden, bijvoorbeeld als gevolg van gebruikelijke file of gebruikelijke treinvertraging tijdens de verplaatsing van de woonplaats naar het werk, kan daarom niet aanvaard worden. […] De prestatie eindigt sowieso altijd ten laatste op het voorziene einduur, behalve bij onvoorziene omstandigheden waarbij overwerk gerechtvaardigd is. Er zullen m.a.w. nooit overuren worden opgebouwd om de takenlijst, die bedoeld is om de dode tijd te vullen, af te werken zonder dat er onvoorzien overwerk aan te pas komt.” 3.3. Een nota van de nv Infrabel van 23 december 2015, met referentie B1301/KDM/20151216/mvdb, voorziet in nieuwe richtlijnen voor woon-werkverplaatsingen met een dienstvoertuig. Daarin is onder meer vermeld: “1. Inleiding Infrabel stelt voertuigen en aanhangwagens ter beschikking van zijn personeel. Het gebruik van deze voertuigen is onderworpen aan bepaalde regels. […] Het is verboden om een dienstvoertuig te gebruiken voor privédoeleinden; dit verbod geldt eveneens voor woon-werkverplaatsingen behalve in sommige verderop vermelde uitzonderingen. […] 2. Definities […] 2.3. Privéverplaatsingen – professionele verplaatsingen Onder privéverplaatsingen, verstaan we enerzijds de strikte privéverplaatsingen die de werknemer met zijn bedrijfswagen ’s avonds, in het weekend, tijdens de vakantie, … aflegt en anderzijds woon-werkverplaatsingen tussen de woonplaats van de werknemer en zijn gebruikelijke werkplek. Worden eveneens als privé-verplaatsingen beschouwd: • een verplaatsing tussen de werkzetel en de stationsparking in de nabijheid van de woonplaats van een werknemer; • het gebruik van een dienstvoertuig om naar huis te gaan bij aangekondigd of plots verstoord treinverkeer. Onder professionele verplaatsingen, verstaan we de verplaatsingen die worden opgelegd door het bedrijf voor de beroepsuitoefening. Worden als dusdanig beschouwd: de verplaatsingen tussen de gebruikelijke werkplek en de IX-9465-3/41 occasionele werkplek (bijvoorbeeld de verplaatsingen naar klanten, leveranciers of andere zakenrelaties, werven, …). […] 4. Fiscale vrijstelling voor woon-werkverplaatsingen Het gebruik van het dienstvoertuig voor privédoeleinden blijft volledig verboden. Sommige woon-werkverplaatsingen worden echter beschouwd als professionele verplaatsingen. 4.1. Snelle Interventie Dienst (SID) Er worden voertuigen toegekend aan de Snelle Interventie Diensten (SID). Deze brigades moeten snel kunnen opereren, ook buiten de diensturen. De snelheid vereist een onmiddellijke interventiemogelijkheid zonder eerst langs de werkzetel te moeten gaan om het interventievoertuig op te halen. De dienstverantwoordelijken moeten een diensttabel opstellen met de bedienden van wacht; deze lijst moet op elk verzoek van de belastingadministratie beschikbaar zijn. Het logboek van deze voertuigen moet strikt overeenstemmen met de interventies. […] 5. Gedragsregels bij het gebruik van een dienstvoertuig De bestuurder van een dienstvoertuig moet alle trajecten, zowel professionele als woon-werkverplaatsingen, zoals vermeld in punt 4, nauwkeurig in een logboek invullen. […] Naast het formele verbod om een dienstvoertuig te gebruiken voor privédoeleinden, is het verboden om bij woon-werkverkeer: • […] • […] • af te wijken van de rechtstreekse route naar de werkplek (stoppen bij de krantenverkoper, kinderen afzetten aan de school, …). […] 6. Actieve controle van de naleving van het gebruik van de dienstvoertuigen Infrabel moet, bij elke controle van de belastingadministratie, kunnen bewijzen dat zijn dienstvoertuigen niet voor privédoeleinden gebruikt worden. Het opstellen van gebruiksrichtlijnen is onvoldoende. Infrabel moet het bewijs leveren dat het in staat is om controles uit te voeren en ontradende sancties te treffen wanneer de regels overtreden worden. De controlemiddelen die door Infrabel worden ingevoerd zijn: • […] • […] • de aanwezigheid van een logboek dat bij elke rit ingevuld en ondertekend wordt; • de eventuele installatie van een geolocatie-systeem met identificatie van de bestuurder (in dat geval moet er geen logboek bijgehouden worden); • […] • de aanwezigheid op de werkvloer van een up-to-date lijst van voertuigen en bedienden die de toelating hebben om woonwerk-verplaatsingen af te leggen voor de opgenomen uitzonderingsgevallen in punt 4, gestaafd door het dienstrooster van de bedienden.” IX-9465-4/41 3.4. Met een e-mailbericht van 28 december 2015, uitgaande van W.H., de onmiddellijke chef van verzoeker, wordt de voormelde nota met betrekking tot het gebruik van dienstvoertuigen ook aan verzoeker in herinnering gebracht. 3.5. Met een e-mailbericht van 12 mei 2017, dat ook aan verzoeker is gericht, formuleert de onmiddellijke chef nog de volgende “duidelijke afspraken” in verband met het gebruik van dienstvoertuigen: “- Het meenemen van de auto naar een dicht bijgelegen stationsparking moet aangevraagd worden en is eerder uitzondering en niet geneigd dit toe te staan. Deze toelatingen dienen ook per mail gesteld te worden aan mij of ing en niet mondeling. - Indien verlof of opleiding gepland moet auto beschikbaar zijn in Meerstraat - Indien tank ¾ leeg is, dient deze getankt achtergelaten te worden in de Meerstraat - Indien auto vuil is, mag deze steeds gereinigd worden met kleine uitgaven.” 3.6. Op 16 en 23 oktober 2017 maakt verzoeker tijdens de dag verplaatsingen met het dienstvoertuig voor privédoeleinden en neemt hij het dienstvoertuig ’s avonds mee naar zijn woning te Gent. 3.7. De nv Infrabel beslist vervolgens om het individueel beoordelingscijfer ‘Ca’ van verzoeker voor november 2017 te verlagen van 1,0 naar 0,9. Hierover wordt op 5 december 2017 om 15.48 uur een e-mailbericht met als onderwerp “Aanpassing CA – KBZ” door een administratief medewerker van Infrabel Asset Management verzonden naar het lokaal personeelsbureau en naar verzoeker in cc. IX-9465-5/41 Deze wijziging van het beoordelingscijfer naar 0,9 wordt door het lokaal personeelsbureau ingevoerd in het zogenaamde SAP-systeem op 5 december 2017 om 15.53 uur. Op 5 december 2017 om 18.17 uur wijzigt verzoeker dit beoordelingscijfer in het SAP-systeem van 0,9 naar 1,1. Op 6 december 2017 voert het lokaal personeelsbureau in het SAP-systeem voor verzoeker opnieuw het beoordelingscijfer 0,9 in. Op 27 december 2017 wordt dat nogmaals door verzoeker in het SAP-systeem gewijzigd naar 1,1. 3.8. In de nacht van 19 op 20 december 2017 neemt verzoeker het dienstvoertuig mee naar zijn woning te Gent. 3.9. Op 27 december 2017 verzendt de onmiddellijke chef van verzoeker het volgende e-mailbericht aan P.V.S., HR business partner I-AM Area NW: “XXXX aangesproken rond 11h45 over gebruik dienstvoertuig […] op 19+20 dec Alle ritten overlopen met hem in Suivo samen met het logboekje van het dienstvoertuig. Specifieke vragen (blauw): antwoorden (rood) Waarom badge u niet altijd: was dit vergeten Waarom voertuig komen ophalen rond 23h24 om naar huis te rijden: moest de dag nadien naar zottegem en wou geen tijd verliezen. Ik heb tot dan gewerkt U weet dat dit via mail moet aanvragen: zal dit in het vervolg doen (heb hem ook meegedeeld dat ik dit voor niemand nog zal toestaan behalve voor wachtdiensten) Waarom blijft u zo lang werken: ik werk aan de planning 2018 zoals [K.] mij opgedragen heeft Wat had u te doen in de Vandendriesschestraat (met close op van aldi): ik ben daar inderdaad geweest Wat doen u in buke (met close op van lidll): ik moest gaan tanken Wij tanken alleen bij shell (op foto staat Q8): jaja IX-9465-6/41 U weet dat dit niet mag: het is buiten de diensturen, maar het zal niet meer gebeuren Is dit in het verleden nog gebeur[d]: neen Hoe voelt u zich op het arrt: ik heb last van stress volgens mijn dokter Ziet u uw toekomst nog op arrt: toch wel en zal samen met [K.] hier aan werken Het gesprek verliep rustig en eerlijk.” 3.10. Op 29 december 2017 verzendt de onmiddellijke chef een e-mailbericht naar het lokaal personeelsbureau en naar verzoeker in cc, met de “[p]remies 2018 december” in bijlage. Verzoeker reageert diezelfde dag nog op dat e-mailbericht. Hij vraagt zich daarbij af of “Ca 09 en 08” niet overdreven is en of hij niet voldoende werk verricht. Hij wijst op wrijvingen en communicatieproblemen met zijn directe chef en hij vraagt om overleg over zijn ‘Ca’ voor december. De onmiddellijke chef verzendt vervolgens het volgende e-mailbericht naar verzoeker: “XXXX we zullen begin volgende week eens samen zitten hieromtrent Geniet nog van het einde jaar en laat het niet aan uw hart komen We gaan een nieuwe start proberen te nemen begin volgend jaar.” 3.11. In de loop van december 2017 registreert verzoeker verscheidene dagen de aanvang van zijn werkprestaties na 8.00 uur. 3.12. Op 18 januari 2018 brengt een administratief medewerker van Infrabel Asset Management de onmiddellijke chef van verzoeker op de hoogte van de aanpassingen van het beoordelingscijfer van verzoeker door het lokaal personeelsbureau en van de daaropvolgend door verzoeker aangebrachte wijzigingen. 3.13. Op 1 februari 2018 wordt de dienst Investigation van de verwerende partij op de hoogte gebracht van mogelijk door verzoeker begane IX-9465-7/41 inbreuken op de artikelen 1 en 2 van hoofdstuk VII van het personeelsstatuut, de reglementering van de aan- en afwezigheden en de instructies over het correcte gebruik van een dienstwagen. 3.14. Op 6 februari 2018 wordt verzoeker door de dienst Investigation gehoord. Het verhoorblad vermeldt: “V2. Volgens het systeem Suivo heeft u op 16/10/2017 en 23/10/2017 gebruik gemaakt van de dienstwagen met kenteken […]. Waarom heeft u op 16/10 om 16:58 - 17:44 halt gehouden op de Edmond Van Hoorebekestraat 69 - 9050 Gent en om 17:58 - 18:07 op de Visitatiestraat 172 - 9040 Gent? Waarom heeft u op 23/10 halt gehouden om 12:44 - 13:03 op de Vandendriesschestraat 5 - 9620 Zottegem, om 13:04 - 13:16 op de Buke 30-46 te 9620 Zottegem, om 18:17 - 18:26 op de Antwerpse Steenweg 6a te 9080 Lochristi, om 18:31 - 18:42 op de Drieselstraat 172 - 9041 Gent? A2. Ik verklaar dat ik hierop zal antwoorden voor 14/02/2018 per mail aan […]. V3. Bent u op de hoogte van de afspraken omtrent het gebruik van dienstwagens? A3. Ik verklaar op de hoogte te zijn van de afspraken over het gebruik van dienstwagens zoals opgegeven in de mail van 12/05/2017 om 16:21. Op 27/11/2017 heb ik een document ondertekend inzake de Track & Trace Policy. V4. Uw dagelijkse prestaties beginnen om 7:45 tot 16:15. Hoe komt het dat u geregeld na 08:00 heeft gepunt tijdens de maand december 2017? Ondermeer op 01-04-05-07-08-19-20-21-22-27-28 december 2017. A4. Dit komt ondermeer omdat ik op verschillende sites moet badgen. Ik ga dit nog verder onderzoeken en ik zal antwoorden voor 14 februari 2018. V5. Heeft u voor de maanden april tot november 2017 uw eigen Ca aangepast in het Cats SAP systeem? A5. Ja ik heb het aangepast. Ik heb dit gedaan voor april op mondelinge vraag van [K.G.], voor gans de ploeg waar ik bij hoor, voor de uitstekende vernieuwingwerken – vertakking West Ledeberg. Voor de andere maanden heb ik het aangepast naar 1,1 omdat de 1,3 maar toegestaan was voor 1 maand. Ik wist niet dat ik een premieverlaging had naar 1,0 en dacht dat dit een fout was zoals de meest courante fouten in Cats. V6. Waarom heeft u na de mail van 05/12/2017, waarin u in cc stond, niet meer gevraagd naar de reden van de Ca verlaging naar 0,9 en op dezelfde dag, 2 uren later nog aangepast naar 1,1? Zo ook op 27/12/2017 nogmaals aangepast van 0,9 naar 1,1? A6. Tot op dat moment had ik geen weet van de mail. Ik vermoed dat ik de mail van 05/12/2017 pas gelezen heb op een later tijdstip. Ik heb toen telefonisch contact opgenomen met [E.V.D.B.], die mij gezegd heeft, na onderzoek, dat mijn Ca verlaagd was. Ik was hierover zeer verrast en ik heb gemeld dat ik ervan uitging dat mijn Ca de vorige maanden ook op 1,1 stond. IX-9465-8/41 Op 29/12/2017 om 16:32 heb ik een mail gericht naar [W.H.] om meer uitleg te vragen over mijn Ca verlaging naar 0,9 en 0,8. V7. Heeft u nog iets toe te voegen? A7. Sinds geruime tijd is de werkdruk enorm toegenomen. Ik heb hiervoor om hulp gevraagd bij [W.H.] per mail op 29/12/2017 om 18:27. Ik heb steeds ter goeder trouw gehandeld en verklaar hierbij geen wijzigingen meer te hebben aangebracht in het systeem sinds ik kennis heb genomen van de verlaging van de Ca sedert eind december.” 3.15. Op 9 februari 2018 wordt ook K.G. gehoord door de dienst Investigation. Het verhoorblad vermeldt: “V1. Heeft u mondeling de opdracht gegeven in april 2017 aan XXXX om voor gans de ploeg de Ca te verhogen tot 1,3 voor de uitstekende vernieuwingswerken vertakking West Ledeberg? A1. Ik heb opdracht gegeven aan XXXX en [D.V.T.] om voor de ploegen Gent en Merelbeke de Ca voor de maand april 2017 op 1,3 te zetten, gezien de workload van de werken regio Gent en Merelbeke en niet voor West Ledeberg. De Ca van de TOS wordt nooit besproken in het bureau. Voor de werken van vertakking West Ledeberg was ik niet tevreden en zou ik zijn premie niet hebben verhoogd. V2. Heeft u nog iets toe te voegen? A2. Om alle misverstanden te vermijden, worden de opdrachten aan XXXX sinds half november ook per mail overgemaakt.” 3.16. Met een e-mailbericht van 16 februari 2018 geeft verzoeker naar aanleiding van het verhoor van 6 februari 2018 bijkomend nog de volgende antwoorden: “Ik heb volgende zaken kunnen controleren met groot vermoeden want het is echt lang geleden: […] V2 op 16/10 => Bij het naar huis rijden dringend telefoon gekregen van zus dat ze in panne was gevallen met auto aan de achterkant van de Colruyt parking => dringend bijstand gegeven aan haar voertuig zodoende ze terug kon aanzetten en naar huis kon rijden. Ze is wonend te Ledeberg naast Gent-St-Pieters waar ik tewerkgesteld ben. V32 op 23/10 om 12u44 - 13:03 en 13u04 - 13:16 => Herinner mij dat ik die dag een lastige werkdag had vanwege isolatiefouten aan de OW82 & 84 L122 en vermoed dat ik snel iets ben gaan halen voor eten (pizza) rechtover shell station en op de parking shell geconsumeerd om zo in de terugweg naar FZT snel het werk weer te kunnen aanvatten op L122. Wel ben ik even gestopt op de IX-9465-9/41 parking van Q8 om een dringende telefoon op te nemen privéproblemen met ouderlijk huis (oude vader van 93 waar problemen waren toen). Om 18u17 - 18u26 gestopt voor telefoon (priveproblemen) en opnieuw een beetje verder (priveproblemen) in de Drieselstraat 18u31 - 18u42 en dit allemaal tijdens de terugweg van werk naar huis (Groenstraat) om dag nadien terug te kunnen aanzetten naar FZT. V4 01 => Ik had deze maand een zeer zware stress maand erboven op voor de planning RIAM2018 + SID + sneeuw waardoor ik veel laat thuis kwam, onregelmatig moet opstaan (SID) en moeilijk slapen (opgebrand) en sneeuw mij wat heeft belemmerd => sinds kort kom ik met de bus en is dit al veel verbeterd want met de auto is het soms op sommige momenten moeilijk om nog tot hier te geraken => mijn puntingen zijn hierdoor veel verbeterd en stipt op tijd, wel wil ik toevoegen dat ik ruim over m’n tijd werk van 8u/dag aanwezigheid. Ik moet ondermeer ook op verschillende sites badgen. A7. Sinds geruime tijd is de werkdruk enorm toegenomen met minder middelen, dit is soms voor mij niet uithoudbaar. Ik heb hiervoor om hulp gevraagd bij [W.H.] op 29/12/2017 om 17:27.” 3.17. Met een verslag van 26 februari 2018 brengt de dienst Investigation de onmiddellijke chef van verzoeker, voor “het door [hem] nodig geacht gevolg”, op de hoogte van de bevindingen van zijn onderzoek: “Op 06 februari 2018 wordt dhr. XXXX, werkzaam als technisch ondersectiechef seininrichting bij I-AM. A31 te Gent-Sint-Pieters, gehoord door de dienst H-HR.123 (Investigation). A. Wijziging individueel beoordelingscijfer (Ca, appreciatiecoëfficiënt) Dhr. XXXX verklaart dat hij voor de maanden april tot november 2017 het hem toegekende beoordelingscijfer (Ca) heeft verhoogd en overschreven in het Cats SAP systeem. Hij verklaart dat hij enkel voor de maand april de hem toegekende Ca van 1,1 heeft verhoogd naar 1,3 en overschreven in SAP, op mondelinge vraag van zijn onmiddellijke chef [K.G.], voor de uitstekende vernieuwingswerken West Ledeberg. Voor de periode mei tot oktober verklaart dhr. XXXX elke maand de hem toegekende Ca van 1,0 te hebben verhoogd naar 1,1 en overschreven in SAP omdat hij dacht dat dit een fout was zoals de meest courante fouten in Cats SAP. Ook na de mail van 05/12/2017 om 15:48 waarvan hij in cc. stond heeft dhr. XXXX de hem toegekende Ca verlaging naar 0,9 voor de maand november, ingevoerd door het lokaal personeelsbureau I-HRO om 15:53 in SAP, 2 uren later, om 18:17 verhoogd naar 1,1 en overschreven in SAP. Op 06/12/2017 om 10:36 wordt door het lokaal personeelsbureau I-HRO de Ca van dhr. XXXX opnieuw gecorrigeerd in SAP naar het hem toegekende beoordelingscijfer 0,9. Op 27/12/2017 om 14:34 heeft dhr. XXXX het beoordelingscijfer van 0,9 opnieuw verhoogd naar 1,1 en overschreven in SAP. IX-9465-10/41 Mail 05/12/2017 en uittreksel uit het logboek van SAP in bijlage aan dit verslag. Na de hem toegekende Ca verlaging voor de maand december van 0,9 naar 0,8, stuurt dhr. XXXX op 29/12/2017 een mail naar dhr. [W.H.] om meer uitleg. Mail 29/12/2017 in bijlage aan het verslag van het verhoor op 06/02/2018. B. Inbreuk tegen het reglement van de aan- en afwezigheden. Dhr. XXXX zijn dagelijkse prestaties beginnen om 7:45 en eindigen om 16:45. Uit een overzicht van de tijdsregistratie (listing unitime – rapport van 01/07/2017 tot 05/02/2018 – in bijlage aan dit verslag) van dhr. XXXX, blijkt dat hij op 01-04-05-07-08-19-20-21-22-27-28 december 2017 na 08:00 heeft ingebadged. Dhr. XXXX verklaart dat hij dit zelf wil onderzoeken en zal antwoorden voor 14/02/2018 aan H-HR.123. Het antwoord van dhr. XXXX is opgenomen in de mail van 16/02/2018 om 18:40 in bijlage aan het verslag van het verhoor op 06/02/2018. Dhr. XXXX verklaart dat dit te maken had met stress op het werk. Het overzicht van de tijdsregistratie geeft aan dat het uursaldo van dhr. XXXX op 31/12/2017 -51:28 uren bedraagt. Op 31/01/2018 bedraagt het uursaldo -67:52 uren. C. Inbreuk tegen de instructies over het correct gebruik van een dienstwagen. Op 12/05/2017 om 16:21 is door dhr. [W.H.], een mail verstuurd naar alle ingenieurs en ondersectiechefs van arrondissement 31, waaronder dhr. XXXX, met een aantal duidelijke afspraken over het aanvragen, de beschikbaarheid en het inleveren van een dienstwagen. Tijdens het verhoor verklaart dhr. XXXX op de hoogte te zijn van vermelde mail. Mail 12/05/2017 in bijlage aan het verslag. Op 05/08/2017 om 4:30 staat het SID-dienstvoertuig met kentekenplaat […] in overtreding met de verkeersborden C3 en F103, overtreding op stilstaan en parkeren ter hoogte van de Overpoortstraat 38 - 9000 Gent. Infrabel ontvangt hiervoor een GAS-boete van 55 EUR. Op de SID-wachtlijst was dhr. XXXX in de periode 04/08/2017 t.e.m. 11/08/201[7], de verantwoordelijke van de dienstwagen. Na het voorval, in een gesprek met dhr. [W.H.], verklaart dhr. XXXX, ‘ik weet niet hoe dit komt, dit kan niet zijn. Ik heb wel de boete zelf betaald’. In het uittreksel van het logboek staat geen registratie van het gebruik van een dienstwagen in de nacht van 04/08/2017 op 05/08/2017. Overeenkomstig omzendbrief 1 H-HR 2017 dd. 13/01/2017 inzake Track & Trace Policy – Dienstvoertuigen, kan de onderneming – in dit geval Infrabel – naar aanleiding van ernstige (aanwijzingen voor) problemen met het functioneren van een personeelslid, beslissen om de dienstverplaatsingen van dit personeelslid voor een bepaalde periode op te volgen. Tijdens het verhoor verklaart dhr. XXXX een document te hebben ondertekend inzake Track & Trace Policy op 27/11/2017. Hieropvolgend is een uittreksel genomen uit de tool ‘Suivo’ waarbij steekproefsgewijs enkele ritten zijn gevolgd voor de dagen 23/10/2017 en 16/10/2017. Uittreksel in bijlage aan het verslag. Op beide dagen heeft dhr. XXXX in het logboek getekend dat hij het dienstvoertuig met kentekenplaat […] nam. IX-9465-11/41 Op 23/10/2017 wordt bij nazicht van de details in Suivo vastgesteld dat het hiervoor vermelde voertuig van 12:44 tot 13:03 op de parking staat van Aldi in de Vandedriesschestraat 5 - 9620 Zottegem, van 13:04 tot 13:16 staat het voertuig op de parking van de Lidl op Buke 30-48 - 9620 Zottegem, van 18:17 tot 18:26 staat het voertuig aan de Antwerpse Steenweg 6a - 9080 Lochristi en van 18:31 tot 18:42 aan de Drieselstraat 172 - 9041 Gent. Volgens hoger vermeld overzicht van de tijdsregistratie heeft dhr. XXXX ingebadged om 7:45 en uitgebadged om 17:35. Op 16/10/2017 wordt bij nazicht van de details in Suivo vastgesteld dat hoger vermeld voertuig van 16:58 tot 17:44 halt houdt aan de Edmond van Hoorebekestraat 69 - 9050 Gent, het adres van de Colruyt, van 17:58 tot 18:07 aan de Visitatiestraat 172 - 9040, van 18:12 tot 19:34 in de Lourdesstraat 51 - 9041 Gent, van 19:36 tot 23:59 aan de Groenstraat 1 - 9041 Gent. Dhr. XXXX is woonachtig in […] 9041 Gent. Volgens hoger vermeld overzicht van de tijdsregistratie heeft dhr. XXXX ingebadged om 7:57 en uitgebadged om 16:42. Bij de confrontatie met de informatie over het gebruik van het dienstvoertuig met kentekenplaat […] op 23/10/2017 en 16/10/2017, verklaart dhr. XXXX dat hij dit zelf wil onderzoeken en zal antwoorden voor 14/02/2018 aan H-HR.123. Het antwoord van dhr. XXXX is opgenomen in de mail van 16/02/2018 om 18:40 in bijlage aan het verslag van het verhoor op 06/02/2018. Hierin verklaart dhr. XXXX dat hij de dienstwagen op 05/08/2017 heeft gebruikt om naar een apotheek te rijden; op 16/10/2017 moest hij dringend bijstand verlenen aan zijn zus die panne had met de wagen aan de parking van de Colruyt; op 23/10/2017 is dhr. XXXX gestopt om eten te gaan halen en een dringende telefoon (privé) op te nemen. Op 27/12/2017 om 11:45 heeft dhr. [W.H.] een gesprek met dhr. XXXX over het gebruik van het dienstvoertuig met kentekenplaat […] op 19/12 en 20/12/2017. Dhr. [W.H.] overloopt met dhr. XXXX alle ritten in Suivo samen met het logboekje van het dienstvoertuig. Op de vraag van dhr. [W.H.] aan dhr. XXXX waarom hij niet altijd badge[t], zegt XXXX dat hij dit was vergeten. Op de vraag van dhr. [W.H.] aan dhr. XXXX waarom hij vernoemd dienstvoertuig is komen ophalen rond 23:24 om naar huis te rijden, zegt XXXX dat hij de dag nadien naar Zottegem moest, geen tijd wou verliezen en tot dan heeft gewerkt. In het overzicht van hoger vermelde tijdsregistratie, is er op 19/12/2017 een eerste punting om 08:07 en een laatste om 12:07. Op 20/12/2017 is er een eerste punting op 08:03 en een laatste om 16:46. Op de vraag van dhr. [W.H.] waarom dhr. XXXX op Buke - 9620 Zottegem (met close van Lidl) was, zegt dhr. XXXX dat hij moest gaan tanken (op foto staat Q8). Dhr. [W.H.] antwoordt hierop dat Infrabel tankt bij Shell. De schriftelijke neerslag van dit gesprek is opgenomen in de mail van 27/12/2017 om 13:55 aan [P.V.S.], HR Business Partner I-AM Area NW, in bijlage aan dit verslag. Op 30/11/2017 heeft dhr. [W.H.] stappen gezet om het functioneren van dhr. XXXX te bespreken en bemiddeling aan te vragen. Mails van 09-14-15/02/2018 in bijlage aan dit verslag. IX-9465-12/41 Op 09 februari 2018 wordt mevr. [K.G.], werkzaam als burgerlijk ingenieur bij I-AM.A31 te Gent-Sint-Pieters, gehoord door de dienst H-HR.123 (Investigation). Mevr. [K.G.] verklaart dat zij aan dhr. XXXX en dhr. [D.V.T.] de opdracht heeft gegeven om voor de ploegen Gent en Merelbeke de Ca voor de maand april 2017 op 1,3 te zetten, gezien de workload van de werken regio Gent en Merelbeke en niet voor West Ledeberg. De Ca van de technisch ondersectiechefs wordt nooit besproken in het bureau. Over de werken West Ledeberg was mevr. [K.G.] niet tevreden en zou ze aan dhr. XXXX nooit een premieverhoging toekennen. In de maand augustus 2017 heeft mevr. [K.G.] een coaching aangevraagd voor dhr. XXXX. Mails van 22-21-20-17/08/2017 in bijlage aan dit verslag. Het originele verslag van de horing op 06 februari 2018 en het originele verslag van de horing op 09 februari 2018 en alle bijlagen vindt u toegevoegd aan dit verslag. Besluit Hoger vermelde feiten, leiden tot de vaststelling dat dhr. XXXX, zijn individueel beoordelingscijfer Ca (appreciatiecoëfficiënt) heeft gewijzigd, inbreuk heeft gepleegd op het reglement van de aan- en afwezigheden en inbreuk heeft gepleegd op de instructies over het correct gebruik van een dienstwagen.” 3.18. Met een brief van de algemeen directeur van de verwerende partij van 18 mei 2018 wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij in het belang van de dienst en met toepassing van de artikelen 10 en 11 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut en de paragrafen 46, 47, 48 en 50 van het zogenaamde ARPS-bundel 550 preventief wordt geschorst in de bediening vanaf 24 mei 2018 en dat hij strafbaar is met de afzetting, die eventueel zal ingaan op 24 mei 2018. 3.19. Op 24 mei 2018 wordt door verzoekers onmiddellijke chef een strafvoorstel tot afzetting van verzoeker geformuleerd, met als ordemaatregel de preventieve schorsing in de bediening, wat als volgt wordt gemotiveerd: “Onkiese daden: 1) In de maand december 2017 vervalste u tot tweemaal toe uw eigen premiecoëfficiënt van de maand november 2017. U verhoogde telkens de premiecoëfficiënt van 0,9 naar 1,1 nl. op 5 december 2017 verhoogde u uw premiecoëfficiënt om 18u17 van 0,9 naar 1,1 nadat het lokaal personeelsbureau I-HRO om 15u53 uw premiecoëfficiënt naar 0,9 had verlaagd en op 27 december 2017 verhoogde u uw premiecoëfficiënt om 14u34 van 0,9 naar 1,1 IX-9465-13/41 nadat het lokaal personeelsbureau I-HRO op 6 december 2017 om 10u36 uw premiecoëfficiënt van 1,1 naar 0,9 had verlaagd. 2) U nam meermaals het dienstvoertuig mee naar huis, nl. in de nachten van 16 op 17 oktober 2017, 23 op 24 oktober 2017 en 19 op 20 december 2017, zonder toelating te hebben aangevraagd aan uw onmiddellijke chef zoals dit voorzien is in de e-mail van 12 mei 2017 van uw onmiddellijke chef [W.H.]; u maakte aldus woon-werkverplaatsingen met het dienstvoertuig wat in strijd is met de richtlijnen van de nota nr. B1301/KDM/20151216/mvdb dd. 23 december 2015 van [L.V.], director. 3) U maakte verplaatsingen met het dienstvoertuig voor privé-doeleinden wat in strijd is met de richtlijnen van de nota nr. B1301/KDM/20151216/mvdb dd. 23 december 2015 van [L.V.], director. Dit gebeurde op: - 16 oktober 2017: u reed met het dienstvoertuig naar de parking van een Colruyt-winkel en stond er 46 minuten stil om, zoals u zelf meldde, uw zus te helpen die problemen had met haar wagen zodat ze naar huis kon rijden; - 23 oktober 2017: u reed met het dienstvoertuig naar de Aldi en stond er 19 minuten stil om; zoals u zelf meldde, eten te gaan halen en te consumeren en nadien stond u een beetje verder gedurende 12 minuten stil aan de Lidl om, zoals u zelf meldde, een dringende telefoon op te nemen inzake privé-problemen met uw 93-jaar oude vader. Door het vervalsen van uw premiecoëfficiënt en het gebruik van het dienstvoertuig voor privé-verplaatsingen en privé-doeleinden maakte u zich schuldig aan het plegen van onkiese daden die in toepassing van par. 77 en 78 van het ARPS bundel 550 aanleiding geven tot een voorstel tot afzetting. Er dient te worden aangestipt dat par. 77 voorziet dat elke inbreuk, dus één inbreuk volstaat, aanleiding geeft tot een voorstel tot afzetting. U beging niet één maar verschillende inbreuken. Laattijdige dienstaanvang: Bovendien ving u in de maand december 2017 meermaals uw dienst laattijdig aan, nl. op 1, 4, 5, 7, 8, 19 t/m 22, 27 en 28 december, respectievelijk 9, 15, 4, 47, 6, 7, 3, 4, 22, 3 en 13 minuten. Deze feiten hebben het door de werkgever in u gestelde vertrouwen ernstig en definitief geschaad temeer daar u als leidinggevende technisch ondersectorchef zowel een vertrouwensfunctie als een veiligheidsfunctie uitoefent.” 3.20. Op 4 juni 2018 geeft verzoeker te kennen dat hij voor de raad van beroep wenst te verschijnen en dat hij wenst dat een sociaal onderzoek wordt verricht. 3.21. Op 5 juni 2018 beslist de hiërarchische overste van de onmiddellijke chef van verzoeker dat het strafvoorstel behouden dient te blijven. IX-9465-14/41 3.22. Op 20 juni 2018 bezorgt de onmiddellijke chef van verzoeker aan de griffie van de raad van beroep een document over “[w]erkijver en gedrag” van verzoeker. 3.23. Op 4 juli 2018 wordt een verslag over het sociaal onderzoek van verzoeker opgesteld. 3.24. Op 31 juli 2018 stelt G.V., hoofdadviseur-afdelingschef bij de verwerende partij, een verslag op over het ten laste van verzoeker geformuleerde strafvoorstel tot afzetting en de ordemaatregel van de preventieve schorsing in de bediening en adviseert hij aan de raad van beroep dat “het voorstel tot afzetting + als ordemaatregel de preventieve schorsing in de bediening de enige maatregelen [zijn] die aangepast zijn ten opzichte van XXXX”. 3.25. Op 18 september 2018 heeft de zitting van de raad van beroep plaats. Verzoeker ondertekent een document waarin hij zich akkoord verklaart met de gewijzigde samenstelling van de raad van beroep. In dit document wordt aangegeven hoe de raad van beroep precies zal zijn samengesteld. In het bijzonder wordt vermeld dat hij zal bestaan uit tien bijzitters waarvan de eerste vijf vertegenwoordigers zijn van de NMBS-groep en de anderen vertegenwoordigers van het personeel. Elke bijzitter wordt met naam en functie vernoemd en er wordt ook vermeld wie de plaatsvervangende bijzitters zijn en wie zij precies vervangen. Na verzoeker en zijn onmiddellijke chef te hebben gehoord, besluit de raad van beroep om zich aan te sluiten bij het voorstel van de verwerende partij en beslist hij om verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op te leggen, met bekrachtiging van de preventieve schorsing in de bediening. Dit is de thans bestreden beslissing, die naast de aanhaling van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten steunt op de volgende overwegingen: IX-9465-15/41 “Overwegende dat de hierboven vermelde feiten bewezen zijn. Overwegende dat door het vervalsen van zijn premiecoëfficiënt en het gebruik van het dienstvoertuig voor privé-verplaatsingen en privé-doeleinden beroeper zich schuldig maakte aan het plegen van onkiese daden die in toepassing van par. 77 en 78 van het ARPS bundel 550 aanleiding geven tot een voorstel tot afzetting ten laste van de schuldige bediende. Overwegende dat dient te worden opgemerkt dat de volgende elementen niet in het voordeel van beroeper pleiten: - hij, als leidinggevende technisch ondersectorchef, diende te weten dat hij een voorbeeldfunctie had ten opzichte van zijn ondergeschikten; - hij niet éénmalig in de fout ging maar in een tijdspanne van 3 maanden vele keren onregelmatigheden beging; - hij bovendien in december 2017 ettelijke keren zijn dienst laattijdig aanving. Overwegende dat dergelijke ingesteldheid en handelwijze van beroeper maakt dat hij allesbehalve als voorbeeld kan gelden voor zijn collega’s. Een ambtenaar met dergelijk gebrek aan normenbesef hoort niet langer thuis bij het personeel van de Belgische Spoorwegen. Daardoor kan hij niet verder meer in de rangen van de Belgische Spoorwegen geduld worden. Overwegende dat door het plegen van dergelijke zwaarwichtige feiten beroeper het door de werkgever in hem gestelde vertrouwen ernstig en definitief geschaad heeft. Hij werd dan ook preventief geschorst in de bediening vanaf 24 mei 2018 in toepassing van de par. 46, 47, 48 en 81 van ARPS Bundel 550 en de art. 10 en 11, Hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel. Overwegende dat bovendien dient te worden opgemerkt dat par. 77 voorziet dat elke inbreuk, dus één inbreuk volstaat, aanleiding geeft tot een voorstel tot afzetting. Betrokkene beging niet één maar verschillende inbreuken. Overwegende dat de afzetting de enige disciplinaire straf is die het einde van de statutaire band inhoudt hetgeen zich opdringt rekening houdende met de vertrouwensbreuk; dat het de enige adequate straf is in verhouding tot de ten laste gelegde feiten en rekening houdende met de waslijst van onregelmatigheden die beroeper beging, in toepassing van de beschikkingen van art. 1 van het Hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel en de par. 1 en 53 van ARPS Bundel 550. Overwegende dat uit het sociaal onderzoek en de verdediging tijdens de zitting blijkt dat er geen enkel element van nature is om als verzachtende omstandigheid te worden in acht genomen; dat zelfs in de hypothese dat, als er al verzachtende omstandigheden zouden bestaan, deze, rekening houdend met de ernst en de omvang van de feiten, niet volstaan om een lichtere straf op te leggen; Gelet op artikel 139 van de wet van 23 juli 1926 betreffende de NMBS en het personeel van de Belgische Spoorwegen; Gelet op de artikelen 1, 2, 10, 11, 14 en 15 van het Hoofdstuk XIV van het Statuut van het personeel; Gelet op de paragrafen 1, 2, 4, 53, 77, 78 en 81 van het ARPS-bundel 550.” IX-9465-16/41 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij 4. Verzoeker voert in een eerste middel aan dat hij geen controle heeft kunnen uitoefenen op de samenstelling van de raad van beroep. Hij betoogt dat in de uitnodiging voor de zitting van de raad van beroep van 18 september 2018 werd aangegeven dat deze raad zou zijn samengesteld uit een voorzitter en tien bijzitters. Op de dag van de zitting bleken evenwel vijf bijzitters vervangen te zijn. Verzoeker wijst erop dat overeenkomstig artikel 13 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut de raad van beroep moet zijn samengesteld uit tien bijzitters, onder wie drie vertegenwoordigers van de nv HR Rail, één vertegenwoordiger van de nv Infrabel, één vertegenwoordiger van de nv NMBS en vijf vertegenwoordigers van het personeel. De bijzitters moeten worden aangeduid onder het personeel in dienst, ten minste dertig jaar oud zijn en vijf jaar dienst hebben. De beroeper kan één van de bijzitters wraken die de drie vennootschappen van de Belgische Spoorwegen vertegenwoordigen en één van de bijzitters die het personeel vertegenwoordigen. Volgens verzoeker kan uit het dossier niet worden afgeleid of de bijzitters die de raad van beroep samenstelden aan de voormelde vereisten voldeden, zodat hem de facto het recht werd ontnomen om een bijzitter te kunnen wraken. 5. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op wegens een gebrek aan uiteenzetting van het middel. Zij stelt dat IX-9465-17/41 haar geen rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel bekend is op grond waarvan een bestuurde “controle moet kunnen uitoefenen” op de samenstelling van een bestuursorgaan. Verzoeker toont ook niet aan welke rechtsregel geschonden is doordat op de dag van de zitting een aantal bijzitters werden vervangen. Hij toont evenmin aan op welke wijze hem het recht is ontnomen om één bijzitter die de drie vennootschappen vertegenwoordigt en één bijzitter die het personeel vertegenwoordigt te wraken. 6. In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat het feit dat hij een bijzitter kan wraken, de facto een controle betekent vanwege de bestuurde op de samenstelling van een bestuursorgaan. Een dergelijke controlemogelijkheid, zo vervolgt verzoeker, volgt noodzakelijkerwijze uit artikel 13 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut. 7. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat hem door de klassieke handelwijze van de verwerende partij om op de zitting van de raad van beroep de te horen partij te verrassen met een andere samenstelling van deze raad, de facto het recht is ontnomen om een bijzitter te kunnen wraken. Beoordeling 8. Onder een middel zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ moet worden verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling is geschonden. In casu voert verzoeker in zijn eerste middel aan dat hem door de wijziging, op de dag van de zitting, van de aangekondigde samenstelling van de raad van beroep de mogelijkheid tot controle op de samenstelling van dit orgaan is ontnomen en aldus evenzeer het recht om een bijzitter te wraken. Hij verwijst IX-9465-18/41 daartoe in zijn uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift uitdrukkelijk naar artikel 13 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut. Alzo laat de lezing van het eerste middel in het inleidend verzoekschrift afdoende toe te begrijpen welke rechtsregel verzoeker geschonden acht en op welke wijze deze rechtsregel volgens hem geschonden is. De exceptie is niet gegrond. 9.1. Artikel 13 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut luidt: “Samenstelling De Raad van beroep bestaat uit twee kamers in functie van de aard van de voorgestelde tuchtsanctie ten laste van het personeelslid. De eerste kamer neemt kennis van de beroepen tegen voorgestelde tuchtsancties naar aanleiding van overtredingen van het gemeen recht, het Statuut van het personeel of van de personeelsreglementering alsook van de beroepen tegen het ambtshalve ontslag na tien dagen ongewettigde afwezigheid. De tweede kamer neemt kennis van beroepen tegen voorgestelde tuchtsancties naar aanleiding van beroepsfouten in verband met de veiligheid van het spoorverkeer. De Raad van beroep is samengesteld uit: 1. een magistraat-voorzitter, aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van beroep te Brussel; 2. een niet-stemgerechtigde griffier-verslaggever, aangewezen door de raad van bestuur van HR Rail; 3. tien bijzitters per kamer waarvan de helft aangewezen wordt door HR Rail, Infrabel en NMBS, al naar gelang de hoedanigheid van het personeelslid dat het beroep heeft ingesteld en de helft door het personeel van de Belgische Spoorwegen, volgens de beginselen die zijn vertegenwoordiging bij de Nationale Paritaire Commissie regelen en conform artikel 8 van Hoofdstuk XIII van het Statuut van het personeel. Indien het personeelslid dat beroep instelt, tewerkgesteld wordt bij HR Rail, worden de tien bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van HR Rail, één vertegenwoordiger van Infrabel, één vertegenwoordiger van NMBS en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel. Indien het personeelslid dat beroep instelt, ter beschikking gesteld is aan Infrabel, worden de bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van Infrabel, één vertegenwoordiger van HR Rail, één vertegenwoordiger van NMBS en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel. Indien het personeelslid dat beroep instelt, ter beschikking gesteld is aan NMBS, worden de bijzitters samengesteld uit drie vertegenwoordigers van IX-9465-19/41 NMBS, één vertegenwoordiger van HR Rail, één vertegenwoordiger van Infrabel en uit vijf vertegenwoordigers van het personeel. Worden bovendien onder dezelfde voorwaarden als de werkelijke leden aangewezen: - plaatsvervangende voorzitters, om de werkelijke voorzitter te vervangen als die afwezig is of de taal van de beroeper niet kent; - plaatsvervangende bijzitters, om de werkelijke bijzitters te vervangen in dezelfde gevallen of wanneer ze niet ten minste van gelijke rang zijn als de beroeper. De werkelijke of plaatsvervangende bijzitters moeten worden aangeduid onder het personeel in dienst, ten minste 30 jaar oud en met 5 jaar goede dienst. Hun mandaat duurt 4 jaar en bij het openvallen van mandaten voltrekken de nieuwe, werkelijke of plaatsvervangende bijzitters het mandaat van hun voorgangers. De beroeper kan wraken, enerzijds één van de bijzitters die de drie vennootschappen van de Belgische Spoorwegen vertegenwoordigt en die door één van de plaatsvervangende bijzitters vervangen wordt, en, anderzijds, één van de bijzitters die het personeel vertegenwoordigt en die vervangen wordt door een plaatsvervangend bijzitter van dezelfde organisatie. Wordt van ambtswege gewraakt voor een zaak waarin hij zou kunnen beschouwd worden als rechter in eigen zaak, de bijzitter die, om eender welke reden, opgetreden is, hetzij om de straf voor te stellen, hetzij om een oordeel of een getuigenis uit te brengen betreffende de aangeklaagde feiten.” Verzoeker voert aan dat hij geen controle heeft kunnen uitoefenen op de samenstelling van de raad van beroep. Met de verwerende partij moet evenwel worden vastgesteld dat hij op de dag van de zitting van de raad van beroep een document heeft ondertekend waarin hij zich akkoord heeft verklaard met de gewijzigde samenstelling van de raad van beroep. In dat document is uitdrukkelijk vermeld hoe de raad van beroep precies was samengesteld, namelijk uit tien bijzitters, waarvan er vijf de NMBS-groep vertegenwoordigden en vijf het personeel. In dat document is elke bijzitter met naam en functie vernoemd en is ook vermeld wie de plaatsvervangende bijzitters waren en wie zij precies vervingen. Aan de hand van dit document was verzoeker in de mogelijkheid om reeds op het ogenblik van de zitting van de raad van beroep te controleren hoe deze raad precies was samengesteld en wie van de bijzitters op de dag van de zitting werd vervangen en wie dan als plaatsvervangende bijzitters optraden. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag. IX-9465-20/41 9.2. Verzoeker voert overigens ook voor de Raad van State niet aan dat de raad van beroep niet regelmatig was samengesteld en spreekt het standpunt van de verwerende partij niet tegen dat de samenstelling van de raad van beroep in overeenstemming was met het voorschrift van het zo-even aangehaalde artikel 13 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut. 9.3. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10.1. Verzoeker voert in een tweede middel aan: “schending van de formele en materiële motiveringsplicht.” 10.2. Hij argumenteert vooreerst dat “[g]een afdoende motivering aangaande het plegen van ‘onkiese daden’ in [zijnen] hoofde” voorligt. Hij stelt dat “[h]et vervalsen van een premiecoëfficiënt en het gebruik maken van een dienstvoertuig voor privé-verplaatsingen en privé-doeleinden” niet vallen onder de opsomming van “onkiese daden” in paragraaf 78, eerste lid,

  1. a)tot i), van ARPS-bundel 550 en dat uit de motivering van de bestreden beslissing niet valt af te leiden op grond waarvan de verwerende partij deze feiten als “onkiese daden” kwalificeert. Voorts doet verzoeker gelden dat de verwerende partij haar beslissing motiveert met het expliciete gebruik van het woord “vervalsen” van de premiecoëfficiënt. “Vervalsen” vereist evenwel een bedrieglijk opzet en uit het feitenrelaas kan hoegenaamd niet tot een bedrieglijk opzet in zijnen hoofde worden besloten. In de bestreden beslissing, aldus verzoeker, is geen afdoende motivering opgenomen aangaande het beweerde bedrieglijk opzet. Hij stelt rechtmatig toegang te hebben gehad tot het systeem waarin premiecoëfficiënten kunnen IX-9465-21/41 worden aangepast. Hij geeft toe zijn premiecoëfficiënt te hebben aangepast, maar volgens hem is dit in eer en geweten gebeurd en heeft hij dit ook zo aan zijn oversten meegedeeld. Dit wordt “ondersteund”, zo vervolgt verzoeker, “doordat er geen bewijs voorligt dat het aanpassen van zijn premiecoëfficiënt van 1,1 naar 1,0 voor de maand mei 2017 hem werd medegedeeld. Evenmin werd hij gehoord noch over de aanpassing van de coëfficiënt van 1,1 naar 1,0, noch van 1,0 naar 0,9, noch van 0,9 naar 0,8”. Hij meent ervan te hebben mogen uitgaan dat zijn premiecoëfficiënt verkeerd was vermeld in het systeem. Nog volgens verzoeker waren er “[g]een duidelijke afspraken gebruik van een dienstvoertuig voor privé-verplaatsingen en privé-doeleinden”. In de bestreden beslissing wordt niet afdoende gemotiveerd dat hij kennis had van nota nr. B1301/KDM/20151216/mvdb van 23 december 2015, terwijl hem wordt verweten dat hij handelde in strijd met de richtlijnen daarvan. Ook uit het dossier voor de raad van beroep kan niet worden afgeleid dat hij kennis kreeg van die nota. Hij wijst erop dat de nota voorziet in uitzonderingen voor woon-werkverplaatsingen in het kader van de dienstvervulling. Volgens verzoeker is het steeds binnen dat kader dat hij gebruik heeft gemaakt van het dienstvoertuig. De zogenaamde “privé-verplaatsingen” waren immers geen loutere privé-uitstappen, maar betroffen het halen van iets om te eten tijdens een verplaatsing voor het werk en een woon-werkverplaatsing teneinde de volgende morgen op een efficiënte manier op de werksite te kunnen zijn. Verzoeker stelt steeds per sms toelating te hebben gevraagd aan zijn onmiddellijke chef voor het gebruik van de auto, omdat dit per e-mail praktisch onmogelijk was. Het gebruik van de wagen werd steeds stilzwijgend toegestaan. Verzoeker stelt geen enkele keer een wagen te hebben gebruikt wanneer dit hem expliciet werd geweigerd. In elk geval, zo voegt verzoeker daaraan nog toe, is noch in de voormelde nota, noch in de e-mail van zijn onmiddellijke chef van 12 mei 2017 betreffende het gebruik van het dienstvoertuig, vermeld dat een overtreding ervan zal worden bestraft met een afzetting of dat een overtreding als een “onkiese daad” zal worden aangezien. IX-9465-22/41 10.3. Verzoeker betoogt voorts dat “[l]aattijdige dienstaanvang” geen grond voor afzetting is. Hoewel een dergelijke dienstaanvang in de bestreden beslissing dient ter motivering van de afzetting, is daarin volgens verzoeker niet voorzien in ARPS-bundel 550. Bovendien zijn de registraties in het dossier van de raad van beroep niet correct en werd er eenzijdig gemotiveerd door de raad van beroep. Met de vaststelling van het sociaal onderzoek, bijvoorbeeld, dat hij “een méér dan aanzienlijk aantal overuren presteert” werd geen rekening gehouden bij de motivering. Evenmin wordt in de bestreden beslissing gemotiveerd op grond van welke regel verzoeker gehouden is tot badgen en wanneer zijn badgen wordt beschouwd als laattijdig. 11. In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat uit het e-mailbericht van zijn onmiddellijke chef van 29 december 2017 allerminst kon worden afgeleid dat hij een fout had begaan die van aard zou zijn om hem te bestraffen met de afzetting. Hij benadrukt tevens dat hij gemiddeld vijftig e-mails per dag ontvangt, zodat het onmogelijk is om ze, naast het andere werk, allemaal te behandelen. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat hij pas na “de bewuste feitelijkheden” kennis heeft genomen van het e-mailbericht van 5 december 2017. Volgens verzoeker bewijst de verwerende partij ook niet dat hij van dat bericht kennis had genomen voordat hij de premiecoëfficiënt heeft aangepast. Er ligt geen leesbevestiging van de kwestieuze e-mail voor. In elk geval heeft hij nadat hij uitdrukkelijk kennisnam van het gegeven dat zijn premiecoëfficiënt werd verlaagd – na de laatste aanpassing op 27 december 2017 – geen wijzigingen meer doorgevoerd. Dit impliceert dat hij daadwerkelijk niet op de hoogte was van de verlaging in kwestie. Hij ging ervan uit dat de premieverlaging te wijten was aan fouten in Cats (het SAP-systeem). Het is weinig waarschijnlijk, zo stelt verzoeker, dat hij voor een paar euro’s meer te kwader trouw risico’s zou hebben genomen die tot zijn afzetting konden leiden. Met betrekking tot de tenlastelegging van de laattijdige dienstaanvang voegt verzoeker aan zijn uiteenzetting in het inleidend IX-9465-23/41 verzoekschrift nog de volgende voorwaardelijke zin toe: “Indien [hij] al laattijdig zou zijn geweest.” 12. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat aan de formelemotiveringsplicht niet is voldaan, aangezien uit de bestreden beslissing niet blijkt dat een gepaste afweging van alle betrokken belangen werd gemaakt. Beoordeling 13. De formelemotiveringsplicht zoals ze in dit geval vervat is in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ houdt in dat de bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd en dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen. Die motivering moet afdoende zijn. De bestreden beslissing blijkt in essentie formeel gemotiveerd te zijn door de overweging dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn; dat verzoeker door het vervalsen van zijn premiecoëfficiënt en het gebruik van het dienstvoertuig voor privéverplaatsingen en privédoeleinden zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van onkiese daden die met toepassing van de paragrafen 77 en 78 van ARPS-bundel 550 aanleiding geven tot een voorstel tot afzetting; dat hij als leidinggevend technisch ondersectorchef seininrichting moest weten dat hij een voorbeeldfunctie had ten opzichte van zijn ondergeschikten; dat verzoeker in een tijdspanne van drie maanden vele onregelmatigheden beging; dat hij in december 2017 zijn dienst meermaals laattijdig aanving; dat verzoeker door een dergelijke ingesteldheid en handelwijze allesbehalve kan gelden als voorbeeld voor zijn collega’s en hij door een dergelijk gebrek aan normbesef niet langer thuishoort bij het personeel van de Belgische Spoorwegen; dat hij door het plegen van dergelijke zwaarwichtige feiten het door de werkgever in hem gestelde vertrouwen ernstig en definitief heeft geschaad; dat de afzetting de enige disciplinaire straf is die het einde van de statutaire band inhoudt, welke zich opdringt gelet op de vertrouwensbreuk en aangezien het de enige adequate straf is in verhouding tot de IX-9465-24/41 ten laste gelegde feiten en rekening houdend met de waslijst van begane onregelmatigheden; dat geen enkel element van aard is om als verzachtende omstandigheid in acht te worden genomen en dat er zelfs in de hypothese dat er al verzachtende omstandigheden zouden bestaan, deze in het licht van de ernst en de omvang van de feiten, niet volstaan om een lichtere straf op te leggen. Wat de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht betreft, moet derhalve worden vastgesteld dat de bestreden beslissing de overwegingen vermeldt waarop ze is gesteund. Anders dan verzoeker het ziet, is de bestreden beslissing aldus afdoende formeel gemotiveerd. Verzoeker kent overigens de motieven van de bestreden beslissing, aangezien hij er kritiek op levert. Het middel moet dan ook worden verworpen in de mate dat het de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert. 14.1. Uit het middel zoals het in het inleidend verzoekschrift is uiteengezet, blijkt dat verzoeker kritiek heeft op de motieven van de bestreden beslissing, in die zin dat de beslissing niet op deugdelijke motieven zou zijn gesteund. Aldus voert hij in wezen een schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. Het middel wordt derhalve vanuit dat oogpunt nader onderzocht. Verzoeker beoogt aannemelijk te maken dat de feiten waarvoor hij tuchtrechtelijk werd gestraft, niet kunnen worden gezien als tuchtfeiten op grond waarvan de tuchtstraf van de afzetting kan worden opgelegd. Zo blijkt volgens hem niet waarom er sprake is van “onkiese daden” enerzijds en kan laattijdige dienstaanvang geen grond voor afzetting zijn anderzijds. 14.2. De artikelen 1 en 2 van hoofdstuk VII van het personeelsstatuut luiden: IX-9465-25/41 “Art. 1 De rechten en plichten van de personeelsleden van HR Rail, al of niet ter beschikking gesteld aan Infrabel of aan NMBS, worden bepaald bij algemene reglementen en bijzondere onderrichtingen. Art. 2 De personeelsleden moeten de bevelen en onderrichtingen van hun chefs opvolgen. Zij zijn ertoe gehouden: - te waken voor de belangen van de Belgische Spoorwegen; - hun werk met vlijt en stiptheid te volbrengen en elkaar te helpen; - het bevoegde of verantwoordelijke personeelslid elk feit te melden dat de veiligheid, de regelmatigheid van de dienst of de belangen van de Belgische Spoorwegen zou kunnen schaden.” De artikelen 1 en 2 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut luiden: “Art. 1 Tuchtrechtelijk vergrijp en sanctionering Een tuchtrechtelijk vergrijp kan bestaan uit een handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van die aard is - de waardigheid van het ambt aan te tasten, of - het gezag dat het personeelslid bij de uitoefening van zijn/haar ambt nodig heeft, in het gedrang te brengen, of - het aanzien van de Belgische Spoorwegen in het gedrang te brengen. De sanctionering van de tuchtrechtelijke vergrijpen staat steeds in verhouding tot de feiten. Opzet en herhaling zijn verzwarende omstandigheden. Art. 2 Tuchtsancties Het personeelslid dat een tuchtrechtelijk vergrijp pleegt, loopt één van de volgende tuchtsancties op: […] 9. de afzetting. De terechtwijzing, de eenvoudige vermaning en de strenge vermaning worden beschouwd als tuchtsancties van de eerste graad. De andere tuchtsancties worden beschouwd als tuchtsancties van de tweede graad. Enkel tuchtsancties van de tweede graad zijn vatbaar voor hoger beroep bij de Raad van beroep […].” De paragrafen 77 en 78 van hoofdstuk IV van ARPS-bundel 550 luiden: “77 Beginsel. Elke onkiese daad, elke diefstal, geeft – onverminderd gerechtelijke vervolgingen – aanleiding tot een voorstel tot afzetting van de schuldige bediende en eventueel, van zijn medeplichtige of medeplichtigen zonder dat er rekening gehouden wordt met enige familieaangelegenheden, bewezen diensten, dienstanciënniteit enz. IX-9465-26/41 78 Daden die als onkiese daden beschouwd worden. Als onkiese daden worden inzonderheid beschouwd en als zodanig bestraft:
  2. a)elk opzettelijk tekort, elk geval waarbij geld uit de kassen van de Maatschappij wordt weggenomen, al is het maar tijdelijk (bijvoorbeeld als een bediende geld uit de kassen van de Maatschappij wegneemt om een of andere aankoop te doen of een andere factuur te betalen waarbij de Maatschappij niet betrokken is); onder de door de directie der Financiën bepaalde voorwaarden mag er evenwel geld genomen worden in ruil voor een check of postgirobiljet opgemaakt ten voordele van de Maatschappij;
  3. b)elk gebruik voor persoonlijke doeleinden, zelfs gevolgd van terugbetaling, van gelden toebehorende aan de Maatschappij, elk opzettelijk uitstel in het afgeven van die gelden (bijvoorbeeld wanneer een wachter geld gebruikt dat voortkomt van regelingsbiljetten of boeten of opzettelijk verzuimt dat geld op de gestelde dag af te geven enz.);
  4. c)geknoei in de schrifturen, bedrog inzake inning van taksen en boeten;
  5. d)elke diefstal of ontvreemding uit ten vervoer bezorgde zendingen;
  6. e)het achterhouden van voorwerpen of stoffen die in de installaties van de Maatschappij werden aangetroffen. Bedienden die, binnen de aanhorigheden van de spoorweg, voorwerpen aantreffen, hoe gering van waarde ook, moeten ze aan hun onmiddellijke chef bezorgen of hem daarover inlichten;
  7. f)het achterhouden van voorraadartikelen of buiten gebruik gestelde of nog bruikbare materialen;
  8. g)het feit dat men thuis in het bezit is van belangrijke hoeveelheden kantoorbenodigdheden die aan de Maatschappij toebehoren;
  9. h)elk bedrog ten opzichte van het fonds der sociale werken, bijvoorbeeld vervalsing van een medisch attest of een voorschrift voor geneesmiddelen;
  10. i)elke diefstal die ten nadele van een bediende van de Maatschappij of van een van haar cliënten in de installaties van de Maatschappij wordt gepleegd. Bovenstaande opsomming geldt als voorbeeld en is niet beperkend.” Zoals blijkt uit de hiervóór sub 3.25 en 13 weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing, maken het vervalsen van zijn premie- coëfficiënt, het gebruik van het dienstvoertuig voor privéverplaatsingen en privédoeleinden en het meermaals laattijdig aanvangen van zijn dienst de aan verzoeker verweten feiten uit, die als tuchtfeiten in aanmerking worden genomen en met de tuchtstraf van de afzetting worden bestraft, met bekrachtiging van de preventieve schorsing in de bediening. De raad van beroep beschouwt het vervalsen van zijn premiecoëfficiënt en het gebruik van het dienstvoertuig voor privéverplaatsingen IX-9465-27/41 en privédoeleinden als “onkiese daden” zoals bedoeld in de paragrafen 77 en 78 van hoofdstuk IV van ARPS-bundel 550. Dat die feiten als zodanig niet zijn opgenomen in de lijst van paragraaf 78, eerste lid,
  11. a)tot i), van hoofdstuk IV van ARPS-bundel 550, betekent niet dat ze niet kunnen worden beschouwd als “onkiese daden”. Paragraaf 78, tweede lid, bepaalt immers uitdrukkelijk dat de opsomming als voorbeeld geldt en niet beperkend is. Het is dus mogelijk dat ook feiten die niet in de lijst van paragraaf 78, eerste lid, zijn opgenomen, als “onkiese daden” worden gekwalificeerd. De paragrafen 77 en 78 van hoofdstuk IV van ARPS-bundel 550 definiëren zelf niet nader wat onder “onkiese daden” moet worden verstaan. Daarom moet van de spraakgebruikelijke betekenis van “onkies” worden uitgegaan, namelijk volgens Van Dale: “blijk gevend van gebrek aan fijn gevoel.” Zoals ook hierna zal blijken, kan het bezwaarlijk onredelijk worden genoemd dat het eigenhandig bewust aanpassen (vervalsen) van zijn premiecoëfficiënt en het niet-toegelaten gebruik van het dienstvoertuig voor privéverplaatsingen en privédoeleinden als “onkiese daden” in de voormelde betekenis worden beschouwd. Dat is overigens des te meer zo, nu “elk gebruik voor persoonlijke doeleinden” van gelden van de verwerende partij en “geknoei in de schrifturen” in paragraaf 78, eerste lid,
  12. b)en c), als “onkiese daden” zijn aangemerkt. 14.3. Verzoeker betwist dat hem het vervalsen van zijn premiecoëfficiënt kan worden aangerekend, aangezien er volgens hem geen sprake is van een bedrieglijk opzet in zijnen hoofde. Uit het administratief dossier blijkt nochtans dat de beslissing van het management om de premiecoëfficiënt van verzoeker voor de maand november 2017 te verlagen ook aan verzoeker werd gecommuniceerd via een e-mailbericht van 5 december 2017 (van 15.48 uur), dat op een later tijdstip (diezelfde dag om 15.53 uur) deze nieuwe (lagere) premiecoëfficiënt door het lokaal personeelsbureau in het SAP-systeem werd ingevoerd, dat verzoeker op een nog later tijdstip (diezelfde dag om 18.17 uur) deze premiecoëfficiënt heeft aangepast (verhoogd), dat het lokaal personeelsbureau op 6 december 2017 IX-9465-28/41 opnieuw de lagere premiecoëfficiënt heeft ingevoerd en dat verzoeker op 27 december 2017 de premiecoëfficiënt nogmaals heeft aangepast (verhoogd). Verzoeker weerspreekt in de uiteenzetting van het middel niet zijn premiecoëfficiënt te hebben aangepast. Er bestaat derhalve geen betwisting over het feit dat hij zijn premiecoëfficiënt uit eigen beweging en zonder uitdrukkelijke toestemming van zijn oversten, en dit tot tweemaal toe, heeft aangepast. Dat eigenhandig aanpassen van zijn premiecoëfficiënt tracht verzoeker te vergoelijken met het argument dat de doorgevoerde verlaging van zijn premiecoëfficiënt een fout in het systeem leek te betreffen en dat hij omwille van de toevloed van e-mails die hij dagelijks ontvangt, pas na de begane feitelijkheden kennis heeft genomen van het desbetreffende e-mailbericht van 5 december 2017. Dat argument a posteriori maakt het echter niet geloofwaardig dat verzoeker onopzettelijk en onbewust die aanpassing heeft doorgevoerd. Hij heeft dit immers eigenhandig en zonder medeweten van zijn oversten gedaan, en dit tot tweemaal toe. Het is opmerkelijk dat verzoeker tot een dergelijke aanpassing (verhoging) is overgegaan zonder zich daarbij af te vragen waarom plots een verlaagde premiecoëfficiënt in het systeem was opgenomen. Hij had zich daarover nader kunnen informeren. Dat heeft hij echter niet gedaan en hij heeft zonder zijn oversten daaromtrent in te lichten een verhoging doorgevoerd. Dat hij ervan uitging dat de premieverlaging een systeemfout was, betreft een bewering van verzoeker die op niets is gesteund. Bovendien was hem kennisgegeven van de beslissing om zijn premiecoëfficiënt te verlagen bij e-mailbericht van 5 december 2017, dat dateert van vóór de begane feitelijkheden. Verzoeker wist aan de hand van dat e-mailbericht maar al te goed – of behoorde althans te weten – dat beslist was om zijn premiecoëfficiënt te verlagen en dat het geen systeemfout betrof. Dat hij pas na het begaan van de feitelijkheden kennis zou hebben genomen van dat e-mailbericht omwille van de dagelijkse toevloed van e-mails, heeft verzoeker aan zichzelf te wijten en is overigens weinig geloofwaardig. Zelfs zo er al sprake zou zijn van een dagelijkse toevloed van e-mails, moet een e-mail met als onderwerp IX-9465-29/41 ‘aanpassing CA-KBZ’ toch zijn aandacht hebben getrokken, zeker aangezien hij diezelfde dag reeds een eerste maal eigenhandig was overgegaan tot een aanpassing van diezelfde ‘Ca’. Daarbij komt dan nog dat verzoeker op 27 december 2017 nogmaals – een tweede maal – zijn premiecoëfficiënt heeft aangepast, wat maar liefst 22 dagen na het bedoelde e-mailbericht is. Het kan ten zeerste worden betwijfeld dat hij dan nog steeds geen kennis zou hebben genomen of zou hebben kunnen nemen van dat e-mailbericht en dat hij zich nog steeds geen vragen stelde omtrent die in het SAP-systeem opgenomen verlaging. Uit dat alles mag worden besloten dat de verwerende partij in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat verzoeker reeds ten tijde van het begaan van de feitelijkheden ervan op de hoogte was – of althans ervan op de hoogte moest zijn – dat zijn premiecoëfficiënt door het management was verlaagd. Niettemin heeft hij tot tweemaal toe eigenhandig die premiecoëfficiënt aangepast (verhoogd). De raad van beroep vermocht dan ook aan te nemen dat een dergelijke aanpassing een bewuste handeling was en dus opzettelijk is gebeurd. Het is dan ook niet onterecht dat in de bestreden beslissing sprake is van het “vervalsen” van de premiecoëfficiënt. 14.4. Verzoeker betwist voorts dat er duidelijke afspraken waren omtrent het gebruik van het dienstvoertuig voor privéverplaatsingen en privédoeleinden. Voor zover volgens hem niet bewezen is dat hij kennis had van de nota waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, wordt dit tegenge- sproken door het administratief dossier. De bedoelde nota nr. B1301/KDM/20151216/mvdb van de nv Infrabel van 23 december 2015, waarin wordt voorzien in nieuwe richtlijnen betreffende de woon-werkverplaatsingen met een dienstvoertuig, werd immers ook aan verzoeker ter kennis gebracht, met een e-mailbericht van zijn onmiddellijke chef van 28 december 2015. In dat e-mailbericht wordt bovendien nog eens samengevat dat geen privéverplaatsingen mogen worden gemaakt en dat dienstvoertuigen in de IX-9465-30/41 vermelde gevallen niet mogen worden gebruikt. De enige uitzondering hierop zijn de SID-voertuigen waarmee wel naar huis mag worden gereden, maar waarmee geen privéritten mogen worden gemaakt. Voor zover verzoeker ontkent dat hij het dienstvoertuig voor loutere privéverplaatsingen en -doeleinden heeft gebruikt, moet vooreerst worden opgemerkt dat hij in zijn uiteenzetting van het middel slechts een tweetal van de talrijke, aan de hand van Suivo vastgestelde privéverplaatsingen tracht te verklaren. Hij stelt namelijk iets te zijn gaan halen om te eten tijdens een verplaatsing voor het werk, alsook een woon-werkverplaatsing te hebben gemaakt om de volgende morgen op een efficiënte wijze op de werksite te kunnen zijn. Uit het administratief dossier blijkt echter dat verzoeker meermaals op meerdere dagen het dienstvoertuig voor privédoeleinden heeft gebruikt en het dienstvoertuig ’s avonds mee naar huis heeft genomen. Zoals wordt aangegeven in de bestreden beslissing, ging het om de volgende woon-werkverplaatsingen: in de nachten van 16 op 17 oktober 2017, 23 op 24 oktober 2017 en 19 op 20 december 2017 nam verzoeker het dienstvoertuig mee naar huis zonder daarvoor toelating te hebben gevraagd aan zijn onmiddellijke chef. Daarnaast ging het om de volgende verplaatsingen voor privédoeleinden: op 16 oktober 2017 reed verzoeker naar de parking van een Colruyt-winkel en stond er 46 minuten stil om, zoals hij zelf stelt, zijn zus te helpen die problemen had met haar wagen zodat zij naar huis kon rijden. Op 23 oktober 2017 reed verzoeker naar de Aldi en stond er negentien minuten stil om, zoals hij zelf stelt, eten te gaan halen en te consumeren, nadien stond hij gedurende twaalf minuten stil aan de Lidl om, zoals hij zelf stelt, een dringende oproep te beantwoorden inzake privéproblemen met zijn vader. Het kan niet worden ontkend dat die gebeurtenissen louter privéaangelegenheden betroffen die geen uitzonderingen zijn op het verbod van het gebruik van het dienstvoertuig voor privédoeleinden. Voor zover verzoeker stelt dat hij steeds per sms aan zijn onmiddellijke chef toelating vroeg voor het gebruik van het dienstvoertuig en dit hem steeds stilzwijgend werd toegestaan, moet worden opgemerkt dat het e-mailbericht van zijn onmiddellijke chef van 12 mei 2017 de richtlijn bevat dat voor het meenemen van het dienstvoertuig toelating moet worden gevraagd per IX-9465-31/41 e-mail. Alhoewel verzoeker aldus wist dat een aanvraag per e-mail diende te gebeuren, stelt hij nu zelf toelating te hebben gevraagd per sms, zodat hij niet heeft gehandeld in overeenstemming met de voormelde richtlijn. Dat hij steeds stilzwijgend toestemming zou hebben gekregen, is niet meer dan een loutere bewering die hij op geen enkele manier ook maar enigszins staaft of aannemelijk maakt. Dat hem toestemming zou zijn verleend, blijkt uit niets en wordt zelfs tegengesproken door het administratief dossier. Zo is verzoeker op 27 december 2017 door zijn onmiddellijke chef aangesproken over het gebruik van het dienstvoertuig en heeft deze chef hem in herinnering gebracht dat verzoeker dit via e-mail moest aanvragen. Verzoeker blijkt dus geenszins toelating – noch uitdrukkelijk, noch stilzwijgend – te hebben verkregen voor het gebruik van het dienstvoertuig voor privédoeleinden. 14.5. Voor zover verzoeker stelt dat noch de reeds vermelde nota nr. B1301/KDM/20151216/mvdb van de nv Infrabel van 23 december 2015, noch de e-mail van zijn onmiddellijke chef van 12 mei 2017 vermeldt dat een overtreding ervan zou worden bestraft met de afzetting, moet worden gewezen op de artikelen 1 en 2 van hoofdstuk VII van het personeelsstatuut en de artikelen 1 en 2 van hoofdstuk XIV van datzelfde statuut, naar luid waarvan de tuchtstraf van de afzetting kan worden opgelegd aan het personeelslid dat een tuchtvergrijp pleegt en een dergelijk vergrijp kan bestaan uit een handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt. Aangezien verzoeker door het gebruik van het dienstvoertuig voor privéverplaatsingen en privédoeleinden gehandeld heeft in strijd met de richtlijnen die daaromtrent bestaan in de voormelde nota van 23 december 2015 en het voormelde e-mailbericht van 12 mei 2017, heeft hij nagelaten zijn beroepsplichten na te komen en heeft hij aldus een tuchtvergrijp begaan, waarvoor hij met toepassing van de artikelen 1 en 2 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut tuchtrechtelijk kon worden bestraft, ook met de tuchtstraf van de afzetting. 14.6. In tegenstelling tot wat verzoeker voorts nog beweert, kan ook mede naar aanleiding van het meermaals laattijdig aanvangen van zijn dienst de IX-9465-32/41 tuchtsanctie van de afzetting worden opgelegd, ook al is daarin niet als zodanig voorzien in ARPS-bundel 550. Ook het meermaals laattijdig aanvangen van zijn dienst houdt immers een tuchtvergrijp in zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut. Verzoeker is tekortgekomen aan zijn beroepsplichten doordat hij heeft gehandeld in strijd met de nota van de nv Infrabel van 3 juni 2014 waarin de registratie is voorgeschreven van het begin en einde van de werktijd door te badgen. Uit die nota blijkt uitdrukkelijk dat een personeelslid zijn dienst tijdig moet aanvangen en het begin- en einduur van elke prestatie met zijn badge moet registreren. Verzoeker betwist niet de stelling van de verwerende partij dat hij vaste uren heeft van 8.00 uur tot 16.30 uur. Aan de verplichting voor verzoeker om zijn dienst tijdig aan te vangen, wordt geen afbreuk gedaan door zijn argument dat hij blijkens het sociaal onderzoek overuren maakte. Voor zover verzoeker beweert dat de tijdsregistraties niet correct zijn, beperkt hij zich weer tot een niet-gestaafde bewering en toont hij dit niet in het minst aan. Het administratief dossier bevat bovendien een stuk waaruit zeer precies kan worden opgemaakt dat verzoeker op elk van de in de bestreden beslissing opgesomde dagen in december 2017 laattijdig heeft ingebadged. 14.7. Uit al het voorgaande moet worden besloten dat verzoeker ook geen schending aantoont van de materiëlemotiveringsplicht. 15. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij 16. Verzoeker voert in een derde middel aan: “geen bewijs kennisgeving Track & Trace Policy – schending recht op privacy.” Hij licht het middel toe als volgt: IX-9465-33/41 “De vaststellingen werden gedaan via een Track & Trace Policy. Verzoeker zou een document dienaangaande hebben ondertekend op 27/11/2017. Dit document zit niet in het dossier dat op de Raad van Beroep werd gebracht. In elk geval is er maar één woon-werkverplaatsing geweest na datum van 27/11/2017. De vaststellingen gebeurden in strijd met het recht op privacy van verzoeker en kunnen niet worden aangewend in een tuchtprocedure.” 17. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op, doordat verzoeker geen voldoende duidelijke omschrijving geeft van de overtreden rechtsregel. Verzoeker geeft niet aan wat de rechtsgrond is voor de vermeende schending die hij aanvoert. Daarenboven geeft hij evenmin aan op welke wijze zijn “recht op privacy” zou zijn geschonden, noch op welke wijze een dergelijke schending de regelmatigheid van de sanctie zou kunnen beïnvloeden. 18. In zijn memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker letterlijk het middel zoals hij het in zijn inleidend verzoekschrift heeft aangevoerd en toegelicht. 19. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat in redelijkheid niet kan worden opgeworpen dat niet kan worden vastgesteld welk rechtsbeginsel hij precies geschonden acht “daar het recht op privacy een universeel grondrecht betreft, dat gewaarborgd wordt door diverse bepalingen zoals art. 22 van de Grondwet, art. 8 EVRM en art. 7 Handvest van de Grondrechten van de EU”. Beoordeling 20. Hiervóór werd sub 8 reeds in herinnering gebracht dat onder een middel zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ moet worden verstaan: een voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het overtreden IX-9465-34/41 rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling is geschonden. Aangenomen dat, zoals verzoeker laattijdig in zijn laatste memorie doet gelden, het recht op privacy waarvan hij in het middel de schending aanvoert, een grondrecht betreft dat wordt gewaarborgd door diverse grondwettelijke en internationaalrechtelijke bepalingen, moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn toelichting van het middel niet in het minst concreet uiteenzet, laat staan aantoont op welke wijze aan die bepalingen door de bestreden beslissing is tekortgedaan. Daartoe is zijn enkele opmerking dat vaststellingen werden gedaan via een Track & Trace Policy en dat het document dat hij daarover zou hebben ondertekend, niet in het dossier van de raad van beroep was opgenomen, nietszeggend. Dat geldt evenzeer voor de loutere bewering dat “vaststellingen gebeurden in strijd met het recht op privacy”. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is dan ook gegrond. 21. Het derde middel is niet ontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 22. Verzoeker voert in een vierde middel aan: “disproportionele bestraffing.” Hij betoogt dat de tuchtstraf van de afzetting, met bekrachtiging van de preventieve schorsing in de bediening, om reden van de hem ten laste gelegde feitelijkheden “werkelijk disproportioneel [is] met aanzienlijke financiële gevolgen voor [hem] en zijn [gezin] zoals deze ook blijken uit het sociaal onderzoek”. IX-9465-35/41 Hij stelt dat de overweging van de bestreden beslissing met betrekking tot de verzachtende omstandigheden “een loutere formele motivering [is] die compleet disproportioneel is aan de elementen in het dossier”. 23. In zijn memorie van wederantwoord volhardt verzoeker in het middel zoals uiteengezet in zijn inleidend verzoekschrift. Hij voegt eraan toe dat hij sinds 24 augustus 2009 bij de Belgische Spoorwegen werkt en hij op één aanmaning na een onberispelijk gedrag kan voorleggen. Hij wijst op artikel 2 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut waarin de afzetting als de zwaarste tuchtsanctie is bepaald, alsook op artikel 3 van diezelfde regeling naar luid waarvan moet worden vermeden meteen een zware tuchtsanctie voor te stellen nadat lang een opeenvolging van fouten werd getolereerd zonder preventieve maatregelen en zonder adequate sanctionering. Uit het e-mailbericht van zijn onmiddellijke chef van 29 december 2018 (lees: 2017) moet volgens verzoeker ten slotte worden afgeleid dat daarmee impliciet te kennen werd gegeven dat niet al te zwaar werd getild aan de inbreuken die hij beweerdelijk had begaan. 24. In zijn laatste memorie doet verzoeker gelden dat “in de bestreden beslissing geenszins een afweging wordt gemaakt op basis waarvan men tot de redelijke conclusie kon komen dat de zwaarste sanctie gerechtvaardigd is” en dat hij “wel degelijk verschillende elementen [heeft] opgeworpen die de afzetting als gepaste straf tegenspreken”. Hij betoogt voorts nog: “Verzoeker stelt formeel dat ook na zijn afzetting collega’s gingen winkelen in Zwijnaarde en in Oostakker bij bakkers en frituren en dit met dienstvoertuigen. Dienstvoertuigen worden meegenomen naar huis. Dit gebeurt tot op heden nog dikwijls en wordt gedoogd. Deze collega’s worden niet bestraft, zelfs niet op de vingers getikt, hoewel hun ‘onkiese daden’ veel verder gaan dan deze die beweerdelijk door verzoeker zijn gesteld. Kan verwerende partij aantonen dat in haar huidig personeelsbeleid deze privé-verplaatsingen met dienstwagens niet meer gebeuren, dan wel consequent […] worden bestraft?” IX-9465-36/41 Beoordeling 25. Bij het bepalen van de aard en de zwaarte van de op te leggen tuchtstraf beschikt de tuchtoverheid over een ruime appreciatiebevoegdheid, die de redelijkheid als grens heeft. Zij zal daarbij rekening dienen te houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, de tuchtrechtelijk vervolgde persoon, de omstandigheden waarin de feiten gepleegd zijn, de goede werking van de dienst en de weerslag van de inbreuk en de bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden. Het valt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om in de plaats van de tuchtoverheid een oordeel te vellen over de wenselijke strafmaat. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij haar keuze van de strafmaat een evenredige beslissing heeft genomen, dit is een beslissing die binnen de grenzen van de redelijkheid is gesitueerd. De Raad van State vermag enkel een straf die in wanverhouding staat tot de ten laste gelegde en bewezen bevonden feiten als onwettig te kwalificeren, dit is een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige andere, zorgvuldig handelende overheid ze voor die feiten zou opleggen. 26. Artikel 2 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut luidt: “Tuchtsancties Het personeelslid dat een tuchtrechtelijk vergrijp pleegt, loopt één van de volgende tuchtsancties op: 1. de terechtwijzing; 2. de eenvoudige vermaning; 3. de strenge vermaning; 4. de afhouding van 1/5 van de globale bruto dagwedde; 5. de verplaatsing; 6. het uitstel in de bevordering; 7. de verlaging in rang, de vermindering van wedde; de onttrekking van bediening; 8. de schorsing in de bediening; 9. de afzetting. IX-9465-37/41 De terechtwijzing, de eenvoudige vermaning en de strenge vermaning worden beschouwd als tuchtsancties van de eerste graad. De andere tuchtsancties worden beschouwd als tuchtsancties van de tweede graad. Enkel tuchtsancties van de tweede graad zijn vatbaar voor hoger beroep bij de Raad van beroep […].” 27. In dit geval heeft de raad van beroep beslist om verzoeker de tuchtstraf van de afzetting en dus de zwaarste van de in artikel 2 van hoofdstuk XIV van het personeelsstatuut bepaalde tuchtsancties op te leggen. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk aangegeven waarom de raad van beroep heeft geoordeeld dat die tuchtstraf het meest gepast is om te worden opgelegd op grond van de aan verzoeker verweten tuchtfeiten. Zo wordt er gewezen op de zwaarwichtigheid van de feiten en de veelvuldigheid van feiten in een tijdspanne van drie maanden, op de voorbeeldfunctie die verzoeker als leidinggevend technisch ondersectorchef seininrichting ten opzichte van zijn ondergeschikten had, op zijn ingesteldheid en handelwijze en gebrek aan normbesef, waardoor hij geacht wordt niet langer thuis te horen bij het personeel van de Belgische Spoorwegen, op de ernstige en definitieve vertrouwensbreuk tussen de verwerende partij en verzoeker, op het feit dat de afzetting de enige disciplinaire straf is die het einde van de statutaire band inhoudt, dat geen verzachtende omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen en dat, zelfs zo dat al het geval zou zijn, dergelijke omstandigheden omwille van de ernst en de omvang van de feiten niet volstaan om een lichtere straf op te leggen. In zijn afweging bij het bepalen van de strafmaat blijkt de raad van beroep een bijzonder gewicht te hebben gehecht aan de voormelde elementen. Ze worden door verzoeker niet weerlegd of ontkracht. 28. Verzoeker voert aan dat de overweging van de bestreden beslissing in verband met de verzachtende omstandigheden “een loutere formele motivering [is] die compleet disproportioneel is aan de elementen in het dossier”. Hij legt echter niet nader uit welke elementen in het dossier hij voor ogen heeft. Uit een juiste lezing van de bedoelde overweging van de bestreden beslissing blijkt IX-9465-38/41 bovendien dat de raad van beroep heeft nagegaan of op grond van het sociaal onderzoek en verzoekers verdediging tijdens de zitting verzachtende omstandigheden kunnen worden aangenomen en of zulke omstandigheden – als ze zouden bestaan – al dan niet nopen tot het opleggen van een mildere tuchtstraf. De raad van beroep heeft dat element aldus in zijn afweging betrokken, maar heeft het niet beschouwd als een gegeven dat tot een mildere beoordeling diende te leiden. Al de elementen in acht genomen waaraan de raad van beroep een bijzonder gewicht heeft gehecht bij het bepalen van de strafmaat, kan het opleggen van een zware tuchtstraf als de afzetting, met bekrachtiging van de preventieve schorsing in de bediening, bezwaarlijk als een onredelijke beoordeling worden gezien. 29. Het argument van verzoeker dat de tuchtstraf voor hem en zijn gezin een ernstige financiële impact heeft, leidt evenmin tot een andere conclusie. De financiële impact van de tuchtstraf betreft het aan de opgelegde tuchtstraf eigen zijnde bestraffende karakter. Deze pecuniaire gevolgen doen, gelet op de door de tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten en haar appreciatiebevoegdheid inzake de daarvoor op te leggen tuchtstraf, op zich niet besluiten dat het veroorzaakte pecuniaire leed van die aard is dat de tuchtoverheid hierdoor de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Ook zijn beweerde onberispelijke dienststaat en het e-mailbericht van zijn onmiddellijke chef van 29 december 2017, waarvan verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog gewag maakt, doen aan het voorgaande geen afbreuk. Wat dat e-mailbericht betreft, geeft verzoeker daaraan overigens een eigen interpretatie die als zodanig helemaal niet kan worden gelezen in het bericht zelf. Uit dat e-mailbericht blijkt immers niet dat het kan worden betrokken op de ten laste gelegde feiten zoals die in het latere onderzoek van de dienst Investigation zijn vastgesteld. 30. Voor zover verzoeker in zijn laatste memorie doet gelden dat de verwerende partij vergelijkbaar gedrag van zijn collega’s, zelfs als het “veel verder IX-9465-39/41 gaa[t]”, gedoogt en niet bestraft, lijkt hij te doelen op een schending van het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aldus een nieuw middel aan dat hij reeds in zijn inleidend verzoekschrift had kunnen aanvoeren. Minstens geeft hij aan zijn vierde middel een andere draagwijdte. Hij vermag dat niet ontvankelijk pas in zijn laatste memorie te doen. 31. Uit wat voorafgaat, moet worden besloten dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de opgelegde tuchtstraf van de afzetting, met bekrachtiging van de preventieve schorsing in de bediening, volkomen disproportioneel is in verhouding tot de tuchtfeiten en dat de raad van beroep in verband met de beoordeling en de keuze van de strafmaat tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. 32. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9465-40/41 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9465-41/41 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.286 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.