← België

Arrest 253287 - Kansspelen - 21/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.287 Rolnummer: A. 235854/VII-41330 Zaak: Arrest 253287 - Kansspelen - 21/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-24 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 06:31 Fiche Arrest nr 253.287 van 21 maart 2022 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.287 van 21 maart 2022 in de zaak A. 235.854/VII-41.330 In zake: Nico GEIREGAT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francky Verschuere kantoor houdend te 8790 Waregem Oude Desselgemstraat 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 10 maart 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing dd. 16/02/22 […] van de Kansspelcommissie waarbij beslist werd tot de schorsing voor een periode van één jaar van de vergunning FD267453 van verzoeker voor het aannemen van weddenschappen bij wijze van nevenactiviteit in een dagbladhandel gelegen te 8790 Waregem, Holstraat 91, waarbij deze schorsing ingaat op 1 april 2022 om 00:00u en eindigt op 31 maart 2023 om 23:59u”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.330-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 maart 2022, om 11.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Francky Verschuere, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Leandra Decuyper, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is exploitant van een dagbladhandel ‘Joclarama’ gelegen aan de Holstraat 91 te Waregem. Hij beschikt over een kansspelvergunning klasse F2 -vergunning FD267453- voor het aannemen van weddenschappen bij wijze van nevenactiviteit in een dagbladhandel. 3.
  5. Naar aanleiding van een klacht door een wegens gokverslaving uitgesloten speler wordt er begin 2021 een onderzoek uitgevoerd door de controlecel van de Kansspelcommissie naar het aannemen van weddenschappen door verzoeker. In een aanvankelijk proces-verbaal wordt vastgesteld dat zich op 7 januari 2021 de volgende feiten hebben voorgedaan: “[V]oor rekening van [V.J.] [werden in een tijdspanne van 3 uur en 26 minuten] in totaal 79 weddenschappen ingevoerd via de kassaterminal van dagbladhandel Joclarama voor een totaalbedrag van 15.040 euro […]. Dit bedrag overschrijdt ruimschoots het bedrag van 200 euro inzet dat in een dagbladhandel waar als nevenactiviteit weddenschappen worden VII-41.330-2/6 aangenomen is toegelaten per persoon per dag. Het feit dat de afrekening wordt gecommuniceerd via een bericht en het feit dat de weddenschappen zijn aangenomen via de kassaterminal in dagbladhandel Joclarama in een tijdspanne van 3 uur en 26 minuten doet vermoeden dat [V.J.] de vraag tot het plaatsen van deze weddenschappen via een bericht heeft doorgegeven aan Geiregat Nico, waarna Geiregat Nico tot het aannemen van de gevraagde weddenschappen is overgegaan via de kassaterminal in de dagbladhandel, zonder dat [V.J.] voor het afsluiten van deze weddenschappen effectief een financiële transactie ter betaling van de inzetten heeft uitgevoerd. Het verlenen van krediet ter betaling van een inzet om aan weddenschappen te kunnen deelnemen is verboden”. 3.
  6. De zaak wordt verder onderzocht met tussenkomst van de Procureur des Konings, waarbij de kassaterminal van de dagbladhandel en de GSM van verzoeker in beslag worden genomen. Verzoeker geeft tijdens een verhoor toe dat hij krediet heeft verleend aan V.J. en hem heeft toegelaten om weddenschappen aan te gaan van meer dan 200 euro per dag, omdat hij door V.J. afgedreigd zou zijn geweest. De Procureur des Konings beslist om de zaak niet strafrechtelijk te vervolgen. 3.
  7. De Kansspelcommissie start een administratieve sanctieprocedure op grond van de artikelen 15/2 en 15/3 van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet). In het kader van die procedure heeft verzoeker zijn schriftelijke verweermiddelen ingediend. 3.
  8. Met de thans bestreden beslissing van 16 februari 2022 gaat de Kansspelcommissie over tot de schorsing van de kansspelvergunning FD267453 voor een periode van een jaar, met ingang van 1 april
  9. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  10. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat VII-41.330-3/6 minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
  11. Verzoeker wijst erop dat de schorsing van de kansspelvergunning zal ingaan op 1 april 2022, zodat een gewone schorsingsprocedure het ingeroepen nadeel niet kan afwenden. Volgens hem zal de bestreden beslissing onmiddellijk een zware impact hebben op de levensvatbaarheid van zijn handelszaak. Hij dreigt namelijk een belangrijk deel van zijn cliënteel definitief te verliezen. Met betrekking tot de omvang van het verwachte financiële nadeel preciseert verzoeker dat hij ongeveer 20% van zijn winst zal verliezen door het volledig wegvallen van de inkomsten uit het aannemen van weddenschappen, zodat het risico bestaat dat hij een lopend krediet niet meer zal kunnen aflossen en hij wellicht zal moeten overgaan tot het ontslag van een bediende. Het gaat volgens verzoeker om zware gevolgen die in een wanverhouding staan tot de verweten feiten, die zich slechts gedurende enkele uren afspeelden op een bepaalde namiddag. Beoordeling
  12. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de VII-41.330-4/6 verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  13. De bestreden beslissing werd verzoeker ter kennis gebracht bij aangetekend schrijven van 18 februari
  14. Zoals verzoeker zelf aangeeft heeft hij die kennisgeving ontvangen op 21 februari
  15. Pas op 10 maart 2022 dient verzoeker bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Het tijdsverloop tussen de datum waarop verzoeker kennis had van de bestreden beslissing waarbij zijn kansspelvergunning vanaf 1 april 2022 zou worden geschorst en de datum waarop de vordering werd ingesteld, houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift geen elementen aan die zijn talmen rechtvaardigen. De uitermate VII-41.330-5/6 hoge graad van urgentie die thans door verzoeker aan de zaak wordt toegeschreven, valt niet te verzoenen met het manifeste gebrek aan diligentie in zijnen hoofde. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet met de vereiste spoed is opgetreden en dat zijn niet-verantwoorde afwachtende houding de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering ontkracht.
  16. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.330-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.287 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.