← België

Arrest 253290 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.290 Rolnummer: A. 227711/X-17471 Zaak: Arrest 253290 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-25 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:32 Fiche Arrest nr 253.290 van 22 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 253.290 van 22 maart 2022 in de zaak A. 227.711/X-17.471 In zake : de GEWONE COMMANDITAIRE VENNOOTSCHAP ADCON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Van Tittelboom kantoor houdend te 9552 Herzele Pastorijstraat 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de LEIDEND AMBTENAAR VAN HET AGENTSCHAP WEGEN EN VERKEER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Vernaillen kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van: “1) de beslissing van de verwerende partij dd. 11 januari 2019 om een verzoek tot vernietiging aanhangig te maken bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen het besluit van de Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen van 15 november 2018, waarbij het beroep ongegrond werd verklaard dat verwerende partij had ingesteld tegen de beslissing van 13 februari 201[8] van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maarkedal houdende het verlenen van een voorwaardelijke vergunning tot wijziging van de verkavelingsvergunning, aangevraagd door G.V.C. ADCON, strekkende tot het wijzigen van de verkaveling Nukerke 1963/8n op het terrein gelegen te Nukerke, deelgemeente van Maarkedal, Rijksweg 63, kadastraal Maarkedal, 2e Afdeling (Nukerke), sectie A, nrs 322A en 323C, en de Deputatie de gevraagde vergunning opnieuw aan G.V.C. ADCON kwam af te leveren; […] 2) de beslissing van de verwerende partij dd. 8 augustus 2018 houdende het instellen van een administratief beroep bij de Deputatie van de Provincie X-17.471-1/8 Oost-Vlaanderen tegen de beslissing van 13 februari 201[8] van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maarkedal houdende het verlenen van een voorwaardelijke vergunning tot wijziging van de verkavelingsvergunning, aangevraagd door G.V.C. ADCON, strekkende tot het wijzigen van de verkaveling Nukerke 1963/8n op het terrein gelegen te Nukerke, deelgemeente van Maarkedal, Rijksweg 63, kadastraal Maarkedal, 2e Afdeling (Nukerke), sectie A, nrs 322A en 323C”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 244.769 van 11 juni 2019 is het debat heropend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Pierrot t’Kindt heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend en de verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Van Tittelboom, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Tom Peeters, die loco advocaat Sven Vernaillen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot ‘t Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. X-17.471-2/8 III. Feiten 3.
  5. Op 17 augustus 2017 heeft de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maarkedal een aanvraag ingediend tot wijziging van een verkavelingsvergunning voor een terrein gelegen te Nukerke, deelgemeente van Maarkedal, aan de Rijksweg 63, kadastraal gekend als Maarkedal, 2e Afdeling (Nukerke), sectie A, nr. 322/a en 323/c. De te wijzigen vergunning werd op 28 oktober 1963 verleend door het college van burgemeester en schepenen van de toenmalige gemeente Nukerke voor de verkaveling 1963/
  6. 3.
  7. Op 13 februari 2018 heeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maarkedal beslist om de voormelde aanvraag onder voorwaarden te vergunnen. 3.
  8. Bij brief van 3 mei 2018 heeft de zaakvoerder van de verzoekende partij aan het agentschap Wegen en Verkeer meegedeeld dat in het kader van de verleende vergunning drie overwelvingen over een gracht moeten worden aangelegd, en gevraagd om daarvan de kostprijs te laten kennen. 3.
  9. Bij e-mail van 28 mei 2018 heeft de districtschef van het district Oudenaarde van de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen van het voornoemde agentschap aan de zaakvoerder van de verzoekende partij een ramingsvoorstel en bijbehorende praktische richtlijnen voor de desbetreffende werken bezorgd en gegevens meegedeeld over de voor de uitvoering van die werken aangestelde aannemer. 3.
  10. Bij e-mail van 1 augustus 2018 is het eerst door de voormelde districtschef en op 23 juli 2018 ook door de verzoekende partij ondertekende bestek met de kostprijs van de werken door de zaakvoerder van de verzoekende partij terugbezorgd, samen met het bewijs van de betaling van die prijs. 3.
  11. Met de uitvoering van de werken is een aanvang genomen en de verzoekende partij heeft er een factuur voor ontvangen, maar vervolgens zijn de werken stopgezet en is de prijs ervan aan de verzoekende partij terugbetaald. Bij X-17.471-3/8 e-mail van 13 augustus 2018 van het agentschap Wegen en Verkeer, afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen, district Oudenaarde, is als reden daarvoor opgegeven dat het akkoord met de werken berustte op “een vergissing” en dat was beslist om tegen de gemeentelijke vergunningsbeslissing in beroep te gaan. Dat beroep is door de gemachtigde van de leidend ambtenaar van het agentschap Wegen en Verkeer bij aangetekende brief van 8 augustus 2018 ingesteld bij de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen. Op dezelfde wijze en datum is een afschrift van het beroepschrift bezorgd aan de verzoekende partij. De beslissing om het voormeld administratief beroep in te stellen, is de tweede bestreden beslissing. 3.
  12. Op 15 november 2018 heeft de deputatie van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de deputatie) het administratief beroep verworpen en de wijziging van de verkavelingsvergunning opnieuw voorwaardelijk vergund, volgens een tijdens de beroepsprocedure ingediend beperkt aangepast plan. Tegen dat deputatiebesluit heeft de leidend ambtenaar van het agentschap Wegen en Verkeer bij aangetekende brief van 11 januari 2019 een beroep tot vernietiging ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb). De verzoekende partij is van dat feit in kennis gesteld bij e-mail van 22 januari 2019 van de districtschef van het district Oudenaarde van de afdeling Wegen en Verkeer Oost-Vlaanderen van het agentschap Wegen en Verkeer en bij gewone brief van 5 maart 2019 van de Dienst van de Bestuursrechtscolleges. De beslissing om voormeld vernietigingsberoep in te stellen, betreft de eerste bestreden beslissing. X-17.471-4/8 IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 4.
  13. Onder verwijzing naar inzonderheid artikel 14, § 1, eerste lid, in limine, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (de RvS-wet), stelt de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de Raad van State zich slechts kan uitspreken over een geschil als dat niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend. Zij acht die voorwaarde voor geen van de beide bestreden beslissingen vervuld. In het geval van de eerste bestreden beslissing zou de Raad van State zich volgens de verwerende partij dienen uit te spreken over bezwaren waarvan de beoordeling thans exclusief toekomt aan de RvVb bij de beoordeling van een beroep tot vernietiging tegen een vergunningsbeslissing als bepaald in het toepasbare artikel 4.8.2, 1°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO). Een dergelijke toetsing door de Raad van State en de ermee samenhangende potentiële nietigverklaring van de bestreden beslissing van 11 januari 2019 zouden overigens tot gevolg kunnen hebben dat de hangende procedure bij de RvVb tegen de desbetreffende vergunningsbeslissing zonder voorwerp wordt. Ook het voorwerp van een eventueel administratief cassatieberoep tegen het arrest van de RvVb over de bedoelde vergunningsbeslissing, op basis van artikel 14, § 2, RvS-wet, kan erdoor verdwijnen. De verwerende partij laakt ook dat de verzoekende partij met haar beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State tegen de eerste bestreden beslissing tracht om de vergunningsbeslissing van de deputatie van 15 november 2018 een definitief en onaantastbaar karakter te doen verkrijgen, betrachting die haaks staat op de noodzakelijke functies van zowel het voormelde vernietigingsberoep als het administratief cassatieberoep bij de Raad van State. Zij merkt bovendien op dat de verzoekende partij dezelfde argumentatie ontwikkelt in de hangende procedure bij de RvVb, die is ingeleid met de eerste bestreden beslissing. Daaruit blijkt duidelijk dat de verzoekende partij eveneens de RvVb X-17.471-5/8 bevoegd acht om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van de bestreden beslissingen, en dat zij dus kennelijk op twee paarden wedt. Verder merkt de verwerende partij op dat de verzoekende partij, blijkens het door haar aangevoerde belang en haar enige middel, de nietigverklaring vraagt van de beide bestreden beslissingen omdat zij die in strijd acht met de wettelijk bindende kracht van de door haar met de verwerende partij aangegane en tot uitvoer gebrachte overeenkomst. Artikel 144, eerste lid, van de Grondwet behoudt een geschil over een burgerlijk recht – zoals de uitvoering te goeder trouw van een overeenkomst tussen partijen – echter voor aan de rechterlijke macht. Krachtens artikel 144, tweede lid, van de Grondwet kan de Raad van State bij wet uitsluitend worden gemachtigd om te beslissen over burgerrechtelijke gevolgen van andere geschillen waarvoor hij wel over rechtsmacht beschikt. Dat doet zich in casu niet voor. 4.
  14. De verzoekende partij meent in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij de tussen hen bestaande overeenkomst niet zomaar eenzijdig kon stopzetten en herzien door te stellen dat zij niet langer akkoord gaat met de onderliggende verkavelingswijziging, en door die laatste middels de bestreden beslissingen administratief-jurisdictioneel aan te vechten. Zij acht die beslissingen aanvechtbaar bij de Raad van State, nu deze via het leerstuk van de afsplitsbare handelingen controle kan uitoefenen op de aan een contract voorafgaande of navolgende handelingen van de bestuurlijke overheid. Beoordeling 5.
  15. Overeenkomstig artikel 14, § 1, eerste lid, RvS-wet doet de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij wijze van arresten uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de aldaar vermelde akten en reglementen “[i]ndien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend”. X-17.471-6/8 5.
  16. Het te dezen toepasselijke artikel 4.8.2, 1°, VCRO, luidt: “De [RvVb] doet als administratief rechtscollege, bij wijze van arresten, uitspraak over de beroepen die worden ingesteld tot vernietiging van : 1° vergunningsbeslissingen, zijnde uitdrukkelijke of stilzwijgende bestuurlijke beslissingen, genomen in laatste administratieve aanleg, betreffende het afgeven of weigeren van een vergunning” 5.
  17. Het komt de RvVb op grond van de voormelde decreetbepaling toe om te oordelen over het beroep dat de verwerende partij bij hem heeft ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van 15 november 2018 waarbij het administratief beroep van de verwerende partij wordt verworpen en waarbij de door de verzoekende partij gevraagde verkavelingsvergunning voorwaardelijk wordt toegekend (zie randnummer 3.7). Deze bevoegdheid van de RvVb behelst tevens de bevoegdheid om uitspraak te doen over de wettigheidsbezwaren van de verzoekende partij tegen de beslissing om bij hem een jurisdictioneel beroep in te stellen (de eerste bestreden beslissing), alsook over de wettigheidsbewaren van deze partij tegen de beslissing tot het instellen van het aan dit jurisdictioneel beroep voorafgaand georganiseerd administratief beroep (de tweede bestreden beslissing). 5.
  18. Nu de beslechting van het geschil door de decreetgever aan een ander rechtscollege werd toegekend, is de Raad van State ter zake zonder rechtsmacht. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep.
  20. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.471-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.471-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.290 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.769 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.