← België

Arrest 253350 - Examens (onderwijs) - 24/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.350 Rolnummer: A. 233383/IX-9869 Zaak: Arrest 253350 - Examens (onderwijs) - 24/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-04 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:33 Fiche Arrest nr 253.350 van 24 maart 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.350 van 24 maart 2022 in de zaak A. é.383/IX-9869 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW INSTITUUT VOOR VERPLEEGKUNDE SINT-VINCENTIUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Myriam Van den Abeele kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Instituut voor Verpleegkunde Sint-Vincentius van 12 februari 2021 waarbij XXXX voor de module ‘toegepaste verpleegkunde zorgcategorie ouderenzorg, klas TGMB bis’ niet geslaagd wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9869-1/23 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 maart 2022. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Van Damme, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Myriam Van den Abeele, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster volgt de modulair georganiseerde opleiding graduaat verpleegkunde aan het Instituut voor Verpleegkunde Sint-Vincentius. Tijdens het schooljaar 2019-2020 volgt zij de module ‘toegepaste verpleegkunde’. Zij volgt een verkort traject waardoor zij enkel de IX-9869-2/23 stages nog moet hernemen. Zij moet meer bepaald één stage voldoen van tien weken in het AZ Sint-Lucas. Door onvrede over het verloop van de stage, wordt deze op vraag van het ziekenhuis stopgezet. In samenspraak met de stagecoördinator wordt beslist dat verzoekster nog een stage van vier weken zal lopen in het AZ Jan Palfijn. Verzoekster loopt die stage van 31 augustus 2020 tot 27 september 2020 en krijgt daarvoor een eindevaluatie. 3.2. Op 12 oktober 2020 beslist de delibererende klassenraad om verzoekster niet geslaagd te verklaren voor de module. De beslissing is gemotiveerd als volgt, waarbij “KC” staat voor “kerncompetentie” en “NA” voor “niet aanwezig”: “Niet geslaagd voor stage Stage 1: KC1 NA KC2 NA KC5 NA KC7 NA KC8 NA Stage 2: KC2 NA KC5 NA KC6 NA KC7 NA KC10 NA & KC8 NA.” 3.3. Overleg met de directie leidt tot een nieuwe samenkomst van de delibererende klassenraad. Op 23 oktober 2020 wijzigt de klassenraad zijn beslissing van 12 oktober 2020 tot “uitgesteld met bijkomende proef stage voor zes weken”. Verzoekster is het hiermee niet eens, wat zij ook aan de verwerende partij laat weten. Zij weigert de nieuwe stage te lopen. 3.4. Op 25 januari 2021 beslist de delibererende klassenraad andermaal om verzoekster niet geslaagd te verklaren. Hij motiveert: “Op de delibererende klassenraad van 25.06.2020 werd beslist om de stage uit te stellen tot september 2020. Op de delibererende klassenraad van 12.10.2020 werd uitgesproken niet geslaagd voor de module van 01.02.2020 tot 30.06.2020. Niet geslaagd voor KC1, KC2, KC5, KC7 en KC8 van stage 1 en niet geslaagd voor KC2, KC5, KC6, KC7, KC8 en KC10 van stage 2. IX-9869-3/23 Zie hiervoor de stageverslagen in bijlage. Op 23.10.2020 werd de delibererende klassenraad opnieuw samengeroepen naar aanleiding van een gesprek tussen XXXX en de directie. Er werd een bijkomende proef stage van 6 weken uitgesproken. Op de deliberatie van 25.01.2021 werd vastgesteld dat XXXX de kans van de bijkomende stage niet heeft genomen, bijgevolg nemen wij de beslissing dat zij niet slaagt.” Overleg met de directie leidt ditmaal niet tot een nieuwe samenroeping van de klassenraad, waarop verzoekster beroep instelt bij het schoolbestuur. 3.5. Op 12 februari 2021 hoort de beroepscommissie verzoekster. Zij beslist daarop “het beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren” en derhalve “XXXX voor de module Toegepaste verpleegkunde zorgcategorie ouderenzorg, klas TGMB bis, ‘niet geslaagd’ te verklaren”. Dat is de bestreden beslissing, die steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat XXXX op de delibererende klassenraad van 12 oktober ‘niet geslaagd’ werd verklaard, omdat zij de KernCompetenties (KC’

  1. s)1, 2, 5, 7 en 8 van stage 1, en 2, 5, 6, 7, 8 en 10 van stage 2 niet zou hebben verworven; Overwegende dat na de betwisting die zij hieromtrent heeft gevoerd, door de delibererende klassenraad van 23 oktober 2020 een bijkomende proef ‘stage van zes weken’ werd opgelegd, die zij evenwel niet heeft afgelegd; Overwegende dat de delibererende klassenraad van 25 januari 2021 daarom vaststelt dat zij om die reden nog steeds niet kan slagen; Overwegende dat enkel al op basis daarvan, de door de delibere[re]nde klassenraad genomen beslissing kan verantwoord worden; Overwegende dat in het ingestelde beroep, alsook in de voorgaande ingestelde beroepen, in hoofdorde de gebrekkige motivering wordt aangevoerd, meer in het bijzonder, het feit dat het niet behalen van de kerncompetenties niet wordt gestoffeerd door onderliggend bewijs, en in tegenstrijd is met het door XXXX aangevoerde bewijs, te weten verscheidene ‘begeleidingsdocumenten stage’; dat de beroepscommissie dit wenst nader te onderzoeken; Overwegende dat eerstens tijdens de hoorzitting bleek dat zij dit inderdaad geen bijkomende proef meer wenste te doen omdat zij geen vertrouwen meer had in de school, naar aanleiding van een vermeend IX-9869-4/23 bericht van de school naar de stageplaats; dat hierover bevraagd, geen bewijs hiervan kan worden voorgelegd; Overwegende dat de beroepscommissie om na te gaan of de competenties dan al dan niet zijn behaald, beslist om aanvullende getuigen op te roepen en aanvullende informatie op te vragen; Dat de beroepscommissie aldus [VM en VC] hoort, met de vraag aan hen om duiding te verschaffen bij de situatie; dat de proces-verbaal hiervan bij de beslissing wordt gevoegd, net zoals het proces verbaal van het hoorrecht van XXXX (reeds in haar bezit); Overwegende dat uit dit verhoor het volgende blijkt: [VM], hierover bevraagd, kan ook de kwestieuze brief die de slaagkansen van XXXX zou gehypotheceerd hebben, niet vinden; [VC], hierover bevraagd, legt onder andere uit dat bij de evaluatiedocumenten de ‘rode tekst’ van haar uit komt: alle commentaar die ze heeft gegeven is ook met XXXX besproken; Overwegende dat de (tussentijdse) evaluatiedocumenten, zoals ze ook op de hoorzitting werden voorgelegd, verder grondig zijn besproken en geanalyseerd door de beroepscommissie; dat bij nadere analyse het duidelijk is welke elementen door XXXX zijn aangebracht, welke door de stagementor van de stageplaats en welke door de stagebegeleider van de school; dat het niet invullen van de ‘derde kolom’ vaak gebeurt, omdat men alles al in de ‘tweede kolom’ heeft gemeld; dat daar duidelijk de kritische vermeldingen in verband met de kerncompetenties die in het gedrang zijn, te vinden zijn; Overwegende dat de beroepscommissie de volheid van bevoegdheid heeft om een nieuwe beslissing te treffen, in welke richting ook; dat uit al hetgeen is voorgelegd, zowel in het administratief dossier, als uit de bijkomend opgevraagde informatie, als tijdens de hoorzitting van 12 februari 2021, op te maken valt dat XXXX niet de vereiste kerncompetenties heeft verworven om te kunnen slagen; dat om te kunnen slagen, het onomstotelijk duidelijk moet zijn dat XXXX al deze kerncompetenties heeft verworven; dat het omgekeerde blijkt uit het door de school aangevoerde bewijsmateriaal, en dat dit niet afdoende wordt tegengesproken door het bewijsmateriaal dat XXXX hier tegenin brengt.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep 4. De verwerende partij betwist in de memorie van antwoord het belang van verzoekster. Na kennisneming van het auditoraatsverslag doet zij in haar laatste memorie evenwel afstand van die exceptie. Er is voorts geen reden om het belang van verzoekster ambtshalve in vraag te stellen. IX-9869-5/23 V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Vooraf 5. Met het tweede middel betwist verzoekster de bevoegdheid van de beroepscommissie, zodat het past dit middel te onderzoeken vóór de andere. Uiteenzetting van het middel 6. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 123/17, § 3, van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO), de schending van “het motiveringsbeginsel” – later in het middel gepreciseerd als “miskenning van de materiële en formele motiveringsplicht, op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van [de] bestuurshandelingen, in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van voormelde wet” – en uit “machtsoverschrijding”. Verzoekster stelt dat de bestreden beslissing door de beroepscommissie op 12 februari 2021 werd genomen, zonder het resultaat van de door de haar ingewonnen informatie af te wachten. Bij aangetekend schrijven met poststempel 15 maart 2021 werd de beslissing van de beroepscommissie meegedeeld. Die beslissing is dubbel gedateerd: 13 maart 2021 en 12 februari 2021. Kennelijk werd de beslissing reeds op 12 februari 2021 genomen doch werd deze – nadat de commissie “haar rechtsmacht reeds had uitgeput” – aangevuld en gemotiveerd op grond van op 12 februari 2021 nog niet gekende elementen. Verzoekster hekelt ook de ondertekening van het begeleidend schrijven van 13 maart 2021, vermits de voorzitter van het schoolbestuur geen IX-9869-6/23 handtekening plaatste, maar er in opdracht is getekend wat niet overeenkomt met de twee brieven die verzoekster dienaangaande ontving. Beoordeling 7. Verzoekster heeft een afschrift van de bestreden beslissing ontvangen, samen met een 13 maart 2021 gedateerde kennisgevingsbrief. Wat er ook te zeggen valt over de datering en ondertekening van die kennisgevingsbrief, is niet relevant. Vermeende gebreken in een kennisgeving kunnen immers de onwettigheid van de beslissing zelf niet aantonen. Komt daar nog bij, dat die brief wél is ondertekend door de voorzitter van de beroepscommissie. 8. Het afschrift van de bestreden beslissing dat verzoekster voegt bij haar verzoekschrift, draagt de handtekening van alle leden van de beroepscommissie. Verzoekster heeft die handtekeningen niet van valsheid beticht. Die beslissing verwijst in de motivering naar de verklaringen van VM en VC, die ook in bijlage bij de beslissing gaan: “Overwegende dat de beroepscommissie om na te gaan of de competenties al dan niet zijn behaald, beslist om aanvullende getuigen op te roepen en aanvullende informatie op te vragen; Dat de beroepscommissie aldus [VM en VC] hoort, met de vraag aan hen om duiding te verschaffen bij de situatie; dat de proces-verbaal hiervan bij de beslissing wordt gevoegd, net zoals het proces verbaal van het hoorrecht van XXXX (reeds in haar bezit); Overwegende dat uit dit verhoor het volgende blijkt: [VM], hierover bevraagd, kan ook de kwestieuze brief die de slaagkansen van XXXX zou gehypothekeerd hebben, niet vinden; [VC], hierover bevraagd, legt onder andere uit dat bij de evaluatiedocumenten de ‘rode tekst’ van haar uit komt: alle commentaar die ze heeft gegeven is ook met XXXX besproken; Overwegende dat de (tussentijdse) evaluatiedocumenten, zoals ze ook op de hoorzitting werden voorgelegd, verder grondig zijn besproken en geanalyseerd door de beroepscommissie; […]” IX-9869-7/23 9. Aangenomen wordt, bijgevolg, dat elk lid van de beroepscommissie en zo ook de beroepscommissie als geheel, de bedoelde beslissing bijvalt of er minstens mede de verantwoordelijkheid voor opneemt, en zulks met kennis van de bedoelde verklaringen. Dat die verklaringen “nog niet gekende elementen” waren ten tijde van de beslissing, is een onbewezen bewering die bovendien in tegenspraak is met de aangehaalde motivering van de ondertekende beslissing zelf. 10. Hoogstens kan er bij verzoekster, op zicht van het document, onduidelijkheid zijn over de vraag of de beslissing is genomen op 12 februari 2021 of op 13 maart 2021 en of er mogelijk enige tijd is gegaan over het uitschrijven van de beslissing. Het valt evenwel niet in te zien hoe dit de bevoegdheid van de beroepscommissie om over verzoeksters beroep te oordelen kan aantasten, noch hoe verzoekster hierdoor in haar belangen is geschaad. 11. De schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen is hoe dan ook niet aangetoond. 12. Het middel is ongegrond. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 13. Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3° en 4°, VCSO en meer bepaald het in die bepaling “verankerde hoorrecht” en het eveneens erin “verankerde recht op tegenspraak”. Verzoekster stelt dat de beroepscommissie na de dag van de hoorzitting en het beraad op 12 februari 2021 nog extra informatie over het beroepschrift heeft ingewonnen bij de twee stagebegeleiders VM en VC, zonder IX-9869-8/23 dat zij daaromtrent tegenspraak heeft kunnen voeren. Die informatie is volgens verzoekster een “dragend element” van de bestreden beslissing. Deze “eenzijdig én in tempore suspecto tot stand gekomen informatie” had de beroepscommissie evengoed vóór de behandeling van de zaak op 12 februari 2021 kunnen verzamelen, minstens kon aan verzoekster de kans gegeven zijn, in het kader van een heropening van het debat, daaromtrent tegenspraak te voeren. Beoordeling 14. De leerling oefent het recht om zijn standpunt nuttig naar voren te brengen uit volgens de regels van de Codex, namelijk bij het overleg, vervolgens door middel van het geschreven en gemotiveerde bezwaarschrift bij het schoolbestuur en ten slotte door het horen in persoon door de beroepscommissie. 15. Artikel 123/17, § 2, tweede lid, 3° en 4°, VCSO luidt: “3° een beroepscommissie hoort de betrokken personen en de leerling in kwestie; 4° een beroepscommissie beslist autonoom over de stappen die worden gezet om tot een gefundeerde beslissing te komen; onder ‘stappen’ kan onder meer worden verstaan:
  2. a)het horen van een of meer stemgerechtigde leden van de klassenraad, voor zover niet opgenomen in het eerste lid, 2°, hiervoor, die de betwiste evaluatiebeslissing, heeft genomen;
  3. b)het horen van een of meer raadgevende leden van de klassenraad die de betwiste evaluatiebeslissing heeft genomen;
  4. c)het, in voorkomend geval, organiseren van de bijkomende proeven of opdrachten van de leerling.” 16. Niet wordt betwist dat verzoekster is gehoord. 17. Evenmin wordt betwist dat de beroepscommissie bevoegd is om VC en VM te horen. IX-9869-9/23 18. In artikel 123/17 VCSO, noch in een andere codexbepaling, is te lezen dat de “stappen” die de beroepscommissie vermag te zetten, onderworpen zijn aan tegenspraak. Met het nemen van een beslissing die mede steunt op aanvullende informatie die zij zelf heeft verzameld, schept de beroepscommissie enkel voor zichzelf het risico dat de leerling zich in het kader van het annulatieberoep tegen de evaluatiebeslissing kan beroepen op de onjuistheid van die informatie waarop de beroepscommissie steunt, maar dit kan op zich de evaluatiebeslissing niet vitiëren. Voor zover verzoekster die codexbepaling anders leest, faalt het middel in rechte. 19. Verzoekster heeft een transcriptie van de verklaringen van VC en VM gekregen, samen met de bestreden beslissing – met andere woorden, alvorens zij huidig beroep heeft ingesteld. Die verklaringen zijn haar dus bekend. 20. Niet op grond van een abstract voorschrift in de Codex, maar eventueel op grond van de algemene zorgvuldigheidsplicht die in concreto beoordeeld moet worden, zou op de beroepscommissie die nadere “stappen” onderneemt, de verplichting kunnen rusten om de leerling hierover nogmaals om een standpunt te vragen. Voor zover verzoekster dan wil overtuigen dat de beroepscommissie niet erin slaagt op een zorgvuldige wijze tot een “gefundeerde beslissing te komen” over haar beroep, zonder dat zij éérst haar zienswijze over die verklaringen kon uiteenzetten, dan moet zij minstens aantonen dat zij in haar belangen is geschaad. Op geen enkel ogenblik in de loop van de procedure gaat zij evenwel in op de inhoud van die verklaringen van VC en VM, laat staan dat zij IX-9869-10/23 aan de Raad van State inzichtelijk maakt welk nuttig verweer zij erover had kunnen en willen voeren voor de beroepscommissie. Niettemin is haar al in de memorie van antwoord door de verwerende partij tegengeworpen “dat verzoekende partij in geen enkel opzicht toelicht op welke wijze het niet gehoord geweest zijn inzake de verklaringen van [VM en VC] haar belangen zou hebben geschaad”. 21. Daarom louter ten overvloede, wordt nog het volgende opgemerkt. De beroepscommissie verwijst in de bestreden beslissing naar een opmerking van verzoekster over een “vermeend bericht van de school naar de stageplaats” en zij stelt vast dat verzoekster hiervan geen bewijs kan voorleggen. Na het horen van VM en VC moet de commissie nog steeds vaststellen dat van dat beweerd bericht geen bewijs te vinden is. Dit verandert bijgevolg niets aan het dossier zoals het initieel voorlag. Voorts verwijst de commissie in de motivering van haar beslissing naar de uitleg van VC over de evaluatiedocumenten, die haar in staat stelt te begrijpen aan wie – verzoekster, de mentor, de stagebegeleider – welke opmerkingen op die documenten toe te schrijven zijn. Dit is een louter feitelijke toelichting, die verzoekster zoals hiervóór is opgemerkt op geen enkel ogenblik weerspreekt. De bestreden beslissing steunt bijgevolg op geen enkele verklaring die VC of VM gedaan zou hebben over de stagebeoordeling, meer in het bijzonder over het al dan niet behalen door verzoekster van de kerncompetenties. Zo beschouwd, faalt ook het feitelijke uitgangspunt dat die verklaringen een “dragend element” zijn van de beslissing. Het laat voorts toe te IX-9869-11/23 begrijpen waarom verzoekster er niet toe is gekomen haar belang bij het middel nader toe te lichten. 22. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-9869-12/23 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 23. Een derde middel luidt “schending van het redelijkheidsbeginsel, subsidiariteits-, objectiviteits- en proportionaliteitsbeginsel”. In de toelichting luidt het dan weer dat het middel steunt “op een gebrek aan motivering, op een schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van [de] bestuurshandelingen, in het bijzonder de artikelen 2 en 3 van voormelde wet, machtsafwending en miskenning van het objectiviteits-, het redelijkheids-, het subsidiariteits- en het proportionaliteitsbeginsel”. Volgens verzoekster vindt de overweging van de beroepscommissie dat zij niet de vereiste kerncompetenties heeft verworven, “geen dan wel onvoldoende” steun in het dossier. Bovendien zijn de evaluatieprocessen volgens verzoekster dermate gebrekkig en onbetrouwbaar dat daarop onmogelijk in redelijkheid een negatieve evaluatie kan worden geënt. De evaluatiebeslissing ‘niet-geslaagd’ van de klassenraad van 25 januari 2021 is volgens verzoekster gebrekkig vermits ze voortbouwt op de voorgaande klassenraadbeslissingen van 12 oktober 2020 en 23 oktober 2020 en enkel steunt op de vaststelling dat zij de bijkomende stage niet heeft opgenomen. Voor het eerst is in die evaluatiebeslissing verwezen naar “niet eerder gevoegde en overigens niet-gedateerde en niet-getekende bijlagen, waarbij opvalt dat op tal van documenten zelfs de naam van de vermeende evaluator niet wordt vermeld”. Verzoekster is van oordeel dat de overweging in de klassenraadbeslissing van 12 oktober 2020 dat tijdens de stage geen evolutie werd opgetekend, feitelijke grondslag mist. Het overeenkomstig artikel 6.3 van IX-9869-13/23 het schoolreglement 2020-2021 graduaat-verpleegkunde op 19 oktober 2020 georganiseerde gesprek “heeft toen niet het voor verzoekster bevredigende antwoord opgeleverd omtrent de aan dat advies voorzittende motieven”. Verzoekster betoogt dat op een gebrekkig georganiseerde stage geen negatieve eindbeoordeling kan worden geënt. Zij wijst op het ‘begeleidingsdocument stage’ van de stage die zij liep in het AZ Jan-Palfijn van 31 augustus 2020 tot 26 september 2020, waaruit gunstige feedback bleek van de stagementoren/verpleegkundigen. De bestreden beslissing houdt bovendien evenmin rekening met het slagen van verzoekster voor andere theoretische opleidingsonderdelen van de opleiding, hetgeen de beslissing eens te meer onredelijk maakt. De uitgestelde beslissing van de klassenraad van 23 oktober 2020 mist voorts juridische grondslag. De delibererende klassenraad was van oordeel over alle nuttige elementen te beschikken om tot de beslissing van 12 oktober 2020 te komen. Het nemen van een uitgestelde beslissing betekent uit zijn aard dat de klassenraad plots meende niet meer over alle elementen te beschikken om tot een eindbeslissing te kunnen komen. Die ommezwaai mist juridische grondslag en benadeelt verzoekster. Zij mocht erop vertrouwen dat de beslissing van 23 oktober 2020 zou worden hervormd en dat een nieuwe doch wettige eindbeslissing zou worden genomen. Voorts geeft verzoekster kritiek op de weigering om de klassenraad na het overleg op 1 februari 2021 opnieuw samen te roepen. In dat verband wijst zij erop dat haar tot vóór het gesprek van 1 februari 2021 geen enkel verslag werd meegedeeld en dat de verslaggeving die haar tijdens het gesprek van 1 februari 2021 ter hand is gesteld, voor de noodwendigheden van de zaak in januari 2021 is opgesteld. IX-9869-14/23 Het vertrouwen van verzoekster in een objectieve evaluatie is zo vér zoek, dat het verzuim slechts kan worden geregulariseerd door haar een creditbewijs voor de module te geven en te beslissen dat zij voor het opleidingsonderdeel slaagt. 24. In haar memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster het middel. Zij stelt tijdens de huidige procedure voor de Raad van State overspoeld te worden met vermeende feedback- en evaluatiedocumenten, waar zij voorheen geen kennis van had. Zij heeft de eindevaluatie van VC nooit ontvangen. Zij heeft tijdens haar stage slechts één tussentijdse evaluatie gekregen. Voor het overige was de feedback tijdens de stageperiode onbestaande. De beoordelingsdocumenten die zijn neergelegd als stuk 29 van het administratief dossier heeft verzoekster nooit ontvangen. Op tal van documenten ontbreekt de naam van de evaluator. Beoordeling 25. Verzoekster zet niet uiteen hoe zij het “subsidiariteits-, objectiviteits- en proportionaliteitsbeginsel” geschonden acht, zodat het middel in die mate hoe dan ook niet ontvankelijk is. 26. Verzoekster betwist dat haar door de opnieuw samengeroepen klassenraad een extra stage als bijkomende proef mocht worden opgelegd. Die grief is echter niet ter zake. Verzoekster heeft immers geweigerd de nieuwe stage te lopen en de beroepscommissie heeft haar geëvalueerd louter op grond van de wél voorliggende stageresultaten (stage 1 en stage 2) – waarvan verzoekster overigens aanvoert dat ze volstonden, zonder bijkomende stage, om een gefundeerde beslissing te nemen over haar prestaties. IX-9869-15/23 27. De beroepscommissie sluit zich aan bij de vaststelling, door de klassenraad, dat verzoekster de kerncompetenties 1, 2, 5, 7 en 8 van stage 1 en de kerncompetenties 2, 5, 6, 7, 8 en 10 van stage 2, niet heeft verworven. In antwoord op het bezwaarschrift van verzoekster stelt de beroepscommissie dat zij het bewijs dat verzoekster niet de vereiste kerncompetenties heeft verworven, terugvindt in het “door de school aangevoerde bewijsmateriaal”. Zij stelt vast dat “enkel al op basis daarvan” – namelijk, de niet behaalde kerncompetenties – de beslissing om verzoekster niet geslaagd te verklaren, verantwoord kan worden. Verzoekster wéét aldus waarop de beslissing om haar niet geslaagd te verklaren steunt en zij kan zich op het vlak van de motieven tegen de beslissing verweren. Voor zover de schending van de formelemotiveringsplicht wordt aangevoerd, is het middel ongegrond. 28. Voor zover verzoekster beweert dat het determinerend motief – namelijk dat zij niet de vereiste kerncompetenties bezit – geen of onvoldoende steun vindt in het dossier, geeft zij er blijk van de formele motivering ook goed begrepen te hebben en voert zij in wezen de schending van de materiële- motiveringsplicht aan, alhoewel zij dit niet uitdrukkelijk zo vermeldt in het middel. Het middel wordt hierna uit dat oogpunt onderzocht en beoordeeld. 29. Verzoekster volgt een modulair georganiseerde opleiding, gespreid in de tijd. De goede resultaten die verzoekster vroeger mag hebben behaald bij andere, theoretische opleidingsonderdelen zeggen niets over haar prestaties voor de thans in geding zijnde stage. In die mate kan het middel niet slagen. IX-9869-16/23 30. Voor zover verzoekster “de evaluatieprocessen” verwijt “gebrekkig en onbetrouwbaar” te zijn, licht zij die algemene bewering niet nader toe. Zij concretiseert niet welke “evaluatieprocessen” zij viseert, noch werkt zij uit hoe en waarom die “gebrekkig”, dan wel “onbetrouwbaar” zijn. In zijn algemeenheid en vaagheid is deze grief onontvankelijk. Voor zover verzoekster met “de evaluatieprocessen” specifiek refereert aan de klassenraadbeslissingen en aan de beslissing van de beroepscommissie zelf, wordt haar kritiek hierna behandeld. 31. In de toelichting bij het middel laat verzoekster zich uit over de voorafgaande beslissingen van de klassenraad en ook over de weigering van de voorzitter om de klassenraad nogmaals samen te roepen. De evaluatiebeslissing van de beroepscommissie is in de plaats gekomen van de vroegere beslissingen van de klassenraad. De beslissingen van de klassenraad zijn, met andere woorden, uit het rechtsverkeer verdwenen. Kritiek op die klassenraadbeslissingen – of het ontbreken ervan ingevolge de weigering om de klassenraad samen te roepen – is niet dienend. Het kan slechts anders zijn, indien verzoekster duidelijk aantoont dat een eventuele onwettigheid rechtstreeks doorwerkt op de eindbeslissing van de beroepscommissie. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als de beroepscommissie zich zonder meer aansluit bij een verondersteld ondeugdelijk motief van de klassenraad. Het ligt dan wel op de weg van verzoekster dat verband en die ondeugdelijkheid duidelijk te maken. 32. Welnu, er moet worden vastgesteld dat verzoekster de eindbeslissing van de beroepscommissie omzeggens onbesproken laat in het middel. Zij komt niet verder dan meermaals te herhalen dat zij het niet eens is met de conclusie dat zij de kerncompetenties niet heeft behaald. Zij is ervan overtuigd dat zij ze wel heeft behaald. IX-9869-17/23 Het volstaat evenwel niet het met een beslissing oneens te zijn, om alzo het bewijs te leveren dat ze onwettig is. 33. Zoals het geval is bij elke evaluatiebeslissing over een leerling, wordt uitgegaan van het vermoeden van deskundigheid van wie betrokken is in het evaluatieproces. Aan verzoekster zijn samen met de klassenraadbeslissing van 25 januari 2021, waarbij de beroepscommissie zich aansluit, de samenvattende stageverslagen bezorgd voor de beide stages die zij heeft doorgelopen. Daarin kon zij lezen om welke reden voor elke bedoelde kerncompetentie van stage 1 of stage 2 wordt besloten tot ‘niet aanwezig’, waarbij geciteerd wordt uit feedbackmomenten tijdens de stages en uit tussentijdse evaluaties. In haar bezwaarschrift aan het schoolbestuur formuleert zij hierover enkel vormelijke kritiek – namelijk dat die verslagen niet ondertekend zijn en dat zij ze niet vroeger heeft ontvangen. Inhoudelijk weigert zij erop in te gaan. Ook in de huidige procedure doet zij dat niet. Zij werpt enkel op dat zij geen vroegere kennis had van de evaluatiedocumenten die samen stuk 29 van het administratief dossier vormen. De verwerende partij betwist dat gebrek aan kennis. Er wordt hierna op ingegaan. Maar zélfs indien voor het debat zou worden aangenomen dat sommige stukken van het administratief dossier voorheen niet of slechts onvolledig aan verzoekster bekend waren, kan zulks de gegrondheid van de in dit middel aangevoerde materiëlemotiveringsplicht niet aantonen. Verzoekster verwart immers de formelemotiveringsplicht – wat de beroepscommissie in de beslissing uitdrukkelijk moet uitschrijven – met de materiëlemotiveringsplicht – de rechtens vereiste feitelijke grondslag van de beslissing. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat de bestreden beslissing moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit de beslissing zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. IX-9869-18/23 De concrete opsomming van de kerncompetenties die verzoekster niet behaalt, vormt het afdoende en veruitwendigde motief van de beslissing. Of dat motief steunt op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld door de verwerende partij, is zaak van materiële motivering. De stukken die de verwerende partij neerlegt als administratief dossier in de huidige procedure, vormen de materiële motivering van de beslissing. Ze moeten verzoekster en de rechter in staat stellen om na te gaan of de motieven rechtens aanvaardbaar zijn. 34. Luidens artikel 6, § 2, van het algemeen procedurereglement van de Raad van State moet een verwerende partij “het volledige administratief dossier” neerleggen binnen zestig dagen nadat zij daartoe door de hoofdgriffier is uitgenodigd. Verzoekster voert met het aanvoeren van een schending van de materiëlemotiveringsplicht geen regel aan die de verwerende partij zou verplichten om die stukken éérder neer te leggen of haar mee te delen. 35. Indien het administratief dossier voor verzoekster echter nieuwe informatie bevat, zoals zij beweert, dan is het haar toegestaan daaromtrent haar middelen aan te vullen of zelfs een nieuw middel te ontwikkelen. Dat is niet gebeurd. Het ligt niet op de weg van de Raad van State om het middel in de plaats van verzoekster op te stellen of aan te vullen. Verzoekster toont bijgevolg niet aan dat de omstandige evaluatiedocumenten die over het verloop van haar beide stages zijn neergelegd in het administratief dossier in rechte niet tot de conclusie kunnen leiden dat zij de kerncompetenties niet heeft behaald. 36. De schending van de materiëlemotiveringsplicht is niet aangetoond en in die mate is het middel ongegrond. IX-9869-19/23 37. Met bijzonder grote welwillendheid zou de grief van verzoekster over voorheen ontbrekende evaluatiedocumenten ook in verband gebracht kunnen worden met wat zij als eerste middel aanvoert, namelijk de schending van artikel 123/17 VCSO en het erin besloten hoorrecht. Zo beschouwd, kan de vraag rijzen of verzoekster reeds in de administratieve beroepsprocedure het recht had om haar bezwaar voor te bereiden en toe te lichten na kennis te hebben genomen van deze documenten. Die documenten vormen immers ook deel van het leerlingendossier van verzoekster waarop de beroepscommissie – tenminste als zij een zorgvuldige beroepscommissie wil zijn – steunt voor haar beslissing. Maar ook in deze welwillende lezing van het verzoekschrift kan de grief niet slagen. Immers, uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat verzoekster en haar raadsman tijdens de hoorzitting de onderliggende evaluatiedocumenten die zijn neergelegd als stuk 29 van het administratief dossier hebben ingekeken en dat verzoekster daarbij zelfs aangaf ze te kennen (“ik heb dat gezien”). Dat verbaast niet, want zij heeft er zelf aantekeningen op aangebracht. De verwerende partij wijst er voorts op dat de documenten ook beschikbaar waren op Smartschool. Ten slotte wijst de verwerende partij nog op andere overlegmomenten en mededelingen: “Verwerende partij verwijst hierbij ook naar haar Stuk 4. Uit dit stuk blijkt dat de tussentijdse evaluatie voor verzoekster met haar stagebegeleider [VC] plaat[s]vond op 28 mei 2020 via Google Meet. De tussentijdse evaluatie met werkpunten werd vervolgens via mail van dezelfde datum door de stagebegeleider overgemaakt aan verzoekster. De commentaren op dit tussentijds beoordelingsdocument zijn zeer uitgebreid. De in rode tekst gegeven commentaren betreffen de commentaren van de stagebegeleiding. De andere commentaren betreffen de commentaren van de stagementor. Op pagina 19 van dit document is vermeld dat het op 19 mei 2020 werd ingevuld door verzoekster zelf. De stagementor heeft het document vervolgens ingevuld op 27 mei 2020. Deze tussentijdse feedback werd vervolgens nog opgevolgd door verzoekster en de stagebegeleider [VC]. Op basis van de tussentijdse evaluatie, die van talrijke werkpunten melding maakte, stelde verzoekster IX-9869-20/23 een lijst van taken op. Deze lijst werd vervolgens van feedback voorzien door [VC] (cfr. Stuk 4, e-mailbericht d.d. 3/06/2020 om 17u58). Dat verzoekster genoegzaam op de hoogte was van de beoordeling die ze verkreeg bij deze tussentijdse evaluatie blijkt vervolgens uit de mails die op 3 en 4 juni 2020 tussen [VC] en verzoekster werden gewisseld. (cfr. Stuk 4, laatste pagina) Ook tijdens de eerste stageperiode verkreeg verzoekster vanwege haar stagebegeleider op constante basis feedback, zulks blijkt duidelijk uit het veelvuldige mailverkeer gevoegd onder Stuk 2. 33. Hetzelfde geldt voor de eindevaluatie. Ook dit document is zeer uitgebreid ingevuld door de stagementor en stagebegeleider. Zoals aangegeven in het feitenrelaas wenste verzoekster, nu zij het niet eens was met de gegeven scores, aanvankelijk deze eindevaluatie niet te tekenen, evenmin wenste zij te tekenen dat deze eindevaluatie met haar besproken, toegelicht en overlopen werd. Uit Stuk 9 blijkt dat zij dit vervolgens wel deed op 29/09/2021, nadat zij zich bij haar stagebegeleider geëxcuseerd had om te hebben getwijfeld aan zijn integriteit. Ook dit document werd navolgend op Smartschool ter beschikking gesteld van verzoekster. Uit Stuk 8 blijkt dat ook tijdens de tweede stageperiode er een adequate begeleiding aan de orde was en verzoekster de nodige feedback verkreeg om werkpunten tijdig te kunnen aanpakken. Slotsom: reeds voorafgaand aan de beslissing van de delibererende klassenraad d.d. 12 oktober 2020 waren deze documenten genoegzaam aan verzoekster gekend en ter haar beschikking.” De Raad van State besluit, aan de hand van de hem voorgelegde stukken, dat verzoekster onmogelijk kan beweren dat zij geheel in het ongewisse was over het verloop van de stages. Zij heeft er regelmatig feedback over gekregen. Voorts kon verzoekster documenten op Smartschool consulteren. Zij kon ten slotte de evaluatiedocumenten inkijken tijdens de hoorzitting. Verzoekster kan niet pleiten tegen het dossier en staande houden, nergens van te weten en geen documenten te hebben gezien of ontvangen vóór de neerlegging van het administratief dossier. Sommige ervan heeft ze zelf mee ingevuld. In de gegeven omstandigheden rekent de Raad van State het niet tot zijn taak om zelf voor elk document apart te onderzoeken of en wanneer verzoekster het voor het eerst heeft kunnen inkijken. Hij neemt samen met de verwerende partij aan dat de beroepscommissie mocht aannemen dat de IX-9869-21/23 onderliggende documenten aan verzoekster genoegzaam bekend waren vóór of in ieder geval tijdens de hoorzitting. Indien verzoekster toch sommige informatie onvolledig of ontijdig beschikbaar vond om nuttig haar verdediging op te bouwen, dan lag het in de geschetste omstandigheden op haar weg om te gepasten tijde inzage te vragen van haar dossier. Zij en haar raadsman hadden in voorkomend geval zelfs tijdens de hoorzitting nog kunnen opmerken dat sommige documenten voor haar nieuw waren en eventueel om een uitstel van de hoorzitting verzoeken. Zij hebben geen enkele opmerking gemaakt over het eventueel onvolledige karakter van het leerlingendossier of de laattijdigheid van inzage. Ook vanuit de invalshoek van het in artikel 123/17 VCSO besloten hoorrecht, kan het middel dus niet slagen. 38. Dat een leerling die tal van kerncompetenties van de module niet bereikt vervolgens niet geslaagd wordt verklaard, mag in redelijkheid niet verbazen. Verzoekster toont het tegendeel niet aan. Ook de schending van het redelijkheidsbeginsel is ongegrond. 39. Het middel is, voor zover ontvankelijk, in genen dele gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9869-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9869-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.350 Gerelateerde publicatie(
  5. s)geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.297 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.