id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.351 Rolnummer: A. 233182/IX-9859 Zaak: Arrest 253351 - Media - 24/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-04 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 06:34 Fiche Arrest nr 253.351 van 24 maart 2022 Onderwijs en cultuur - Media Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.351 van 24 maart 2022 in de zaak A. é.182/IX-9859 In zake: de NV NORKRING BELGIË bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Erik Valgaeren en Niels Tack kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE REGULATOR VOOR DE MEDIA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van beslissing 2021/001 van de algemene kamer van de Vlaamse Regulator voor de Media van 11 januari
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. IX-9859-1/14 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 maart
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Niels Tack, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2007 ‘houdende de vaststelling van het digitaal frequentieplan voor aanbieders van radio- en televisieomroepnetwerken’ legt, ter uitvoering van de toentertijd op 4 maart 2005 gecoördineerde decreten ‘betreffende de radio-omroep en de televisie’ onder meer een frequentiekanaal 10 vast, met als theoretisch beoogd gebied het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Op 22 juni 2009 beslist de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) om een licentie voor het aanbieden van een televisieomroepnetwerk, zoals vermeld in het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 2008 ‘houdende de vastlegging van de pakketten van digitale frequenties die zullen worden IX-9859-2/14 vrijgegeven tijdens een eerste vergelijkende toets voor het verkrijgen van vergunning voor het aanbieden van een radio- of televisieomroepnetwerk en de bijhorende zendvergunningen’ (“vrijgavebesluit”), voor een termijn van vijftien jaar toe te kennen aan de – enige – kandidaat, die voldoet aan de gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden, namelijk verzoekster. Het betreft pakket 7, namelijk het voormelde frequentiekanaal 10 in frequentieband III (174-230 MHz), met als theoretisch beoogd gebied het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad. 3.
- Bij besluit 2019/015 van 29 april 2019 stelt de VRM in hoofde van verzoekster een inbreuk vast op artikel 28 van het besluit van de Vlaamse regering van 18 juli 2008 ‘betreffende de voorwaarden en procedure voor het verkrijgen van een licentie voor het aanbieden van een radio- of televisieomroepnetwerk en de bijbehorende zendvergunning’ (“procedurebesluit”), omdat “de licentie voor het aanbieden van een televisieomroepnetwerk voor wat betreft frequentiekanaal 10 niet in gebruik is genomen en dat er reeds meer dan twee jaar verstreken is na het verwerven van de licentie”. Dit artikel 28 van het procedurebesluit, zoals gewijzigd bij besluit van 21 april 2017, luidt: “Licentiehouders die het hen toegekende pakket van frequentieblokken of de hen toegekende individuele of gegroepeerde frequentiekanalen niet in gebruik nemen binnen twee jaar na verwerving kunnen hun licentie verliezen overeenkomstig artikel 29.” Artikel 29 van het procedurebesluit luidt: “De Regulator kan de licentie voor het aanbieden van een radio- of televisieomroepnetwerk schorsen of intrekken als de licentiehouder zich herhaaldelijk niet houdt aan de bepalingen van het Mediadecreet of van dit besluit. IX-9859-3/14 De schorsing of de intrekking wordt steeds voorafgegaan door een ingebrekestelling vanwege de algemene kamer die het omroepnetwerk de kans biedt aan alle voorschriften te voldoen. Het omroepnetwerk beschikt over dertig dagen om de toestand te regulariseren. Die termijn kan door de algemene kamer worden verlengd, naar gelang van de vastgestelde inbreuk. Op zijn verzoek wordt het omroepnetwerk gehoord.” Overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van het procedurebesluit stelt de VRM verzoekster in gebreke om de toestand uiterlijk op 30 september 2019 te regulariseren door aan alle voorschriften te voldoen. 3.
- Bij beslissing 2019/043 van 9 december 2019 stelt de VRM opnieuw een inbreuk vast op artikel 28 van het procedurebesluit, omdat “de licentie voor het aanbieden van een televisieomroepnetwerk voor wat betreft frequentiekanaal 10, niet in gebruik is genomen door via één zendlocatie met een zendbereik van maximaal zestig kilometer uit te zenden, terwijl er reeds meer dan twee jaar verstreken is na het verwerven van de licentie”. Het verweer dat verzoekster ondertussen frequentiekanaal 10 gebruikt om twee omroepprogramma’s uit te zenden vanop de enige zendlocatie te Sint-Pieters-Leeuw wordt verworpen, omdat dit niet volstaat voor de dekking van het theoretisch beoogd gebied van het frequentiekanaal. Verzoekster krijgt een nieuwe termijn, tot 31 juli 2020, om de toestand te regulariseren door aan alle voorschriften te voldoen. 3.
- Ter opvolging van beslissing 2019/043 vraagt de onderzoekscel van de VRM op 17 augustus 2020 aan verzoekster een overzicht met de concrete gegevens van alle handelingen die door haar werden verricht om zich te conformeren aan de betrokken beslissing. Bij brief van 28 augustus 2020 antwoordt verzoekster geen acties of handelingen te hebben ondernomen in de wijze waarop zij het gebruik van IX-9859-4/14 frequentiekanaal 10 invult ten opzichte van de periode voorafgaand aan de beslissing van 9 december
- 3.
- Bij de thans bestreden beslissing 2021/001 van 11 januari 2021 stelt de verwerende partij nogmaals een inbreuk vast op artikel 28 van het procedurebesluit, waarbij zij nu de licentie van verzoekster voor het aanbieden van een televisieomroepnetwerk, voor pakket 7/frequentiekanaal 10, intrekt. De VRM stelt vast dat verzoekster “geen enkele actie [heeft] ondernomen om iets te wijzigen aan de situatie sinds de ingebrekestelling bij beslissing 2019/043: Norkring zendt op frequentiekanaal 10 met een beperkt bereik twee omroepprogramma’s uit van op de enige zendlocatie te Sint-Pieters-Leeuw” en dat verzoekster “geen enkel nieuw of dienstig argument aanbrengt waarom de VRM thans tot een andere beslissing zou moeten komen dan in beslissing 2019/043 van 9 december 2019”. De VRM besluit dat verzoekster “tot op heden geen daadwerkelijk gebruik aantoont van frequentiekanaal 10” en “dat de licentie voor het aanbieden van een televisieomroepnetwerk voor wat betreft frequentiekanaal 10 met als theoretisch beoogd gebied het Nederlandse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel- Hoofdstad, niet in gebruik is genomen door via één zendlocatie met een zendbereik van maximaal zestig kilometer uit te zenden, terwijl er reeds meer dan twee jaar verstreken is na het verwerven van de licentie”. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit een schending van artikel 2, 28°, iuncto artikel 203 van het mediadecreet, de artikelen 1, 6°, 28 en 29, van het procedurebesluit, “het Vrijgavebesluit en het Frequentieplan”. IX-9859-5/14 Doordat hij van oordeel is dat het territoriaal zendbereik dat verzoekster als aanbieder van een etheromroepnetwerk bedient “niet volstaat” en aldus overgaat tot intrekking van de licentie, schendt de VRM de ingeroepen bepalingen, die geen specifieke voorwaarden stellen betreffende het vereiste territoriaal zendbereik en de VRM geen bevoegdheid werd toegewezen om ter zake aanvullende regels uit te vaardigen. Verzoekster adstrueert het middel als volgt: “
- Zoals de VRM aangaf […] vormen artikel 2, 28° j° artikel 203 Mediadecreet het reglementair kader voor de verplichtingen van aanbieders van etheromroepnetwerken, zoals Norkring. Deze artikelen luiden als volgt: Artikel 203 Mediadecreet ‘De aanbieder van een etheromroepnetwerk gebruikt de digitale capaciteit van zijn netwerk om omroepprogramma's uit te zenden.’ Artikel 2, 28° Mediadecreet ‘omroepprogramma: het geheel van programma’s en alle additioneel meegestuurde informatie dat door een omroeporganisatie op basis van een programmaschema wordt aangeboden onder een merk of titel.’
- Op basis van beide artikelen is er dan ook sprake van ‘gebruik’ van de digitale capaciteit van het netwerk van een aanbieder van een etheromroepnetwerk, zoals Norkring, van zodra deze omroepprogramma’s uitzendt.
- Ook andere regelgeving waarop de VRM zich beroept in de bestreden beslissing, zoals artikel 1, 6°, 28 en 29 Procedurebesluit, het Vrijgavebesluit en het Frequentieplan bevatten geen bijkomende regels of voorschriften rond het gebruik van etheromroepnetwerken, zoals de volledige dekking van het theoretisch beoogd gebied. Zo behandelen artikel 28 en 29 Procedurebesluit de sancties voor licentiehouders die de hen toegekende frequentiekanalen of -blokken niet in gebruik nemen, maar leggen deze artikelen geen bijkomende gebruiksvereisten op betreffende de territoriale invulling. Artikel 1, 6° Procedurebesluit verwijst weliswaar naar een vergunning ‘voor de bediening van een theoretisch beoogd gebied’ maar bevat derwijze geen enkele verplichting om dit enkel theoretisch beoogd gebied ook in werkelijkheid volledig te bedienen. Op geen enkele wijze kan uit deze bepaling worden afgeleid dat het theoretisch beoogd gebied een minimumbereik inhoudt, en geen maximumbereik. Ook het Vrijgavebesluit voert geen bijkomende vereisten in. Het Vrijgavebesluit stelt louter in artikel 4 dat de frequenties moeten worden ingezet voor het aanbieden van omroeptoepassingen met gebruik van de DVB-T, zonder hierbij echter bijkomende vereisten in te voeren. Ook de licentie zelf bevat geen indicatie in deze zin […]. IX-9859-6/14 Hetzelfde geldt voor het Frequentieplan. Dit bevat louter de vaststelling van de geografisch beoogde gebieden per frequentieblok of frequentiekanaal. Dit Frequentieplan geeft geenszins aan dat het volledig dekken van deze gebieden vereist is om conform artikel 2, 28° j° artikel 203 Mediadecreet te kunnen spreken van gebruik van de relevante frequentiekanalen.
- Aldus volgt geenszins uit de tekst van het Mediadecreet, het Procedurebesluit, het Vrijgavebesluit of het Frequentieplan dat Norkring haar licentie slechts gebruikt in de zin van artikel 2, 28° j° artikel 203 Mediadecreet indien het volledig theoretisch beoogd gebied dat het Frequentieplan vooropstelt gedekt wordt. Nochtans baseert de VRM zich op deze rechtsgronden om tot de bestreden beslissing te komen.
- In de bestreden beslissing gaat de VRM dan ook uit van bijkomende voorschriften ten aanzien van Norkring als aanbieder van een ethernetwerk voor wat betreft het te bereiken zendgebied, die niet volgen uit de ten deze toepasselijke – bovenvermelde – bepalingen. De VRM geeft hier dus een geheel eigen invulling aan het begrip ‘gebruik’. In de bestreden beslissing oordeelde de Algemene Kamer van de VRM immers dat de territoriale invulling die Norkring gaf aan haar gebruik van kanaal 10 onvoldoende was omdat Norkrings uitzendingen het volledige theoretisch beoogd gebied van het Nederlandse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad niet dekken. Aldus wijzigt de Algemene Kamer van de VRM de artikelen 2, 28° j° 203 van het Mediadecreet, de artikelen 1,6°, 28 en 29 Procedurebesluit, het Vrijgavebesluit en het Frequentieplan door de voorschriften voor gebruik in dit artikel aan te vullen met bijkomende voorschriften rond gebruik die geen basis vinden in de relevante regelgeving.”
- In de memorie van wederantwoord wijst verzoekster erop dat zij in haar aanvraagdossier haar uitrolplanning uitdrukkelijk koppelde aan de verwachtingen en eisen van eventuele klanten. Voorts betwist zij niet dat het relevante theoretisch beoogd gebied het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad is. Zij betwist louter de invulling die de VRM geeft aan dit gebied, namelijk dat dit een minimumbereik betreft. Volgens verzoekster kan ook het schaarsteargument niet spelen. Voor het aanbieden van digitale televisie via DVB-T was tot op heden slechts een zeer beperkte vraag, die geenszins het aanbod dreigde te overschrijden. Bovendien dringt zich in ieder geval een afweging op van het schaarsteargument en het concurrentieargument. Verzoeksters beheer van kanaal 10 biedt de mogelijkheid IX-9859-7/14 om snel te schakelen bij een grotere vraag naar netwerkcapaciteit. Zij ondersteunt zo concurrentie binnen het televisielandschap. Dat de VRM de concurrentie opnieuw zou laten spelen door de licentie opnieuw in de markt te zetten, kan vanuit concurrentieoogpunt zeker worden verdedigd. Echter, de VRM kende de licentie in 2009 aan verzoekster toe voor een periode van vijftien jaar en kan deze niet zonder meer voortijdig intrekken om een nieuwe beauty contest te organiseren.
- In haar laatste memorie blijft verzoekster bij haar standpunt dat uit de relevante regelgeving niet voortvloeit dat zij het theoretisch beoogd gebied volledig zou moeten dekken om van gebruik van haar licentie te kunnen spreken en aldus te voldoen aan artikel 203 van het mediadecreet. Beoordeling
- Uit artikel 203 van het mediadecreet volgt de verplichting voor de aanbieder van een etheromroepnetwerk om de digitale capaciteit van zijn netwerk te gebruiken om omroepprogramma’s uit te zenden. Als blijkt dat licentiehouders de aan hen toegekende frequentiekanalen niet in gebruik nemen binnen twee jaar na verwerving, volgt uit artikel 28 van het procedurebesluit dat zij hun licentie kunnen verliezen.
- In de bestreden beslissing weerspreekt de VRM de in dit middel verdedigde zienswijze van verzoekster als volgt: “Het verweer dat de regelgeving geen verplichtingen zou opleggen inzake het territoriaal gebruik van frequentiekanaal 10, wordt opnieuw niet bijgetreden. Zoals reeds werd overwogen in beslissing 2019/043, kan Norkring haar licentie niet los zien van wat in het Vlaams digitaal frequentieplan voor aanbieders van radio- en televisieomroepnetwerken is bepaald met betrekking tot de vergunde pakketten. Meer nog, in de beslissing 2009/051 van 22 juni 2009, waarbij aan Norkring de licentie wordt toegekend, wordt expliciet verwezen naar het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2008 dat herneemt wat in dat digitaal frequentieplan is voorgeschreven wat betreft de pakketten waarvoor de licentie geldt en waarbij het theoretisch beoogd gebied van elk pakket aldus duidelijk wordt beschreven. Voor pakket 7, bestaande uit frequentiekanaal 10, wordt als IX-9859-8/14 theoretisch beoogd gebied het Nederlandse taalgebied en het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad bepaald. Verder definieert het Procedurebesluit, waarnaar diezelfde beslissing 2009/051 ook verwijst, in artikel 1, 6°, een licentie als ‘de vergunning voor het aanbieden van een radio- of televisieomroepnetwerk voor een specifiek pakket van frequentieblokken of frequentiekanalen, voor de bediening van een theoretisch beoogd gebied’ […]. Daaruit blijkt ontegensprekelijk dat met een licentie het theoretisch beoogd gebied van een frequentieblok of frequentiekanaal moet worden bediend. De regelgeving legt aldus wel degelijk verplichtingen inzake territoriaal gebruik op. Het hoeft geen betoog dat één antenne met een straal van zestig kilometer rond Sint-Pieters-Leeuw niet voldoende is om een volledig zendbereik van het theoretisch beoogd gebied van frequentiekanaal 10 te bekomen. Een enige zendlocatie te Sint-Pieters-Leeuw met een beperkt bereik volstaat dus niet voor de dekking of bediening van het theoretisch beoogd gebied van frequentiekanaal 10.” De Raad van State valt deze motieven bij.
- Aangezien het frequentieplan uitdrukkelijk het theoretisch beoogd gebied vastlegt waarvoor de vergunning wordt verleend, volgt hieruit dat de zendcapaciteit van het netwerk voor frequentiekanaal 10 zo goed als mogelijk dat gebied – het volledige Nederlandse taalgebied en tweetalige gebied Brussel- Hoofdstad – dient te bestrijken. De regelgever heeft geen definitie gegeven van ‘theoretisch beoogd’, maar een andere lezing zou dit begrip tot dode letter maken. Zoals verzoekster opmerkt, betreft dit geen minimumbereik. Aan de licentiehouder valt evenwel de verplichting toe om de verworven digitale capaciteit van zijn netwerk daadwerkelijk te gebruiken en om de nodige inspanningen en investeringen te doen om het theoretisch beoogd zendgebied optimaal te bedienen.
- De verplichting om het territoriaal zendgebied van frequentiekanaal 10 zo goed mogelijk te bereiken, volgt rechtstreeks uit het mediadecreet, het procedurebesluit en het frequentieplan. De regulator legt bij zijn beoordeling van het dossier dan ook geen bijkomende regels of voorschriften op rond het gebruik van etheromroepnetwerken. IX-9859-9/14 Voor zover het middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het naar recht. IX-9859-10/14
- De VRM mocht in redelijkheid oordelen dat de invulling die verzoekster geeft aan haar verplichtingen “door via één zendlocatie met een zendbereik van maximaal zestig kilometer uit te zenden”, onvoldoende is om haar verplichtingen na te leven met betrekking tot het dekken van het theoretisch beoogd gebied, zonder de in het middel aangevoerde bepalingen te schenden. In die mate is het middel eveneens ongegrond.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster put een tweede middel “in ondergeschikte orde” uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel volgens welke de genomen beslissing voldoende duidelijk [moet] zijn, alsook het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoekster merkt op dat de bestreden beslissing haar licentie intrekt omdat zij onvoldoende gevolg gaf aan een regularisatieverplichting zoals opgenomen in de beslissing van 9 december 2019, waarbij onvoldoende duidelijk was hoe de VRM de toepasselijke voorschriften en inzonderheid het zendbereik invult om te besluiten of een aanbieder van een etheromroepnetwerk al dan niet voldoende gebruik maakt van de toegekende frequentiekanalen of -blokken. Overeenkomstig de in het middel aangevoerde beginselen moet het evenwel voldoende rechtszeker en duidelijk zijn welke gedragingen de VRM als administratieve overheid in overeenstemming acht met de regelgeving en het voorafgaande verzoek tot regularisatie. De VRM gaf geen afdoende indicaties over de te vervullen voorwaarden om de sanctie van de intrekking af te wenden. Voorts mag overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet geen toepassing worden gemaakt van onwettige (voor-)beslissingen. IX-9859-11/14 Verzoekster adstrueert dit middel als volgt: “
- Een ethernetwerk uitbaten voor DVB-T vergt grote investeringen. Als zorgvuldige aanbieder voert Norkring steeds de vereiste investeringen door om aan de reglementaire verplichtingen te voldoen en om haar klanten een optimale dienstverlening te bieden.
- Na de beslissing van de VRM van 29 april 2019 voerde Norkring reeds aanzienlijke investeringen door om zich te conformeren aan deze beslissing. Norkring ging hierbij uit van haar eigen technische kennis in combinatie met de beslissing van de VRM zoals deze voorlag.
- In de bestreden beslissing blijft de VRM bij het standpunt dat zij innam in haar beslissing van 9 december 2019, namelijk dat deze investeringen niet volstaan volgens haar lezing (en aanvulling/wijziging) van de relevante regelgeving. De VRM vereist aldus bijkomende investeringen zonder evenwel aan te geven welke investeringen vereist zijn om tot voldoende ‘gebruik’ te komen. Dergelijke investeringen kunnen een grote kost met zich meebrengen. Afhankelijk van de vereiste aanpassingen, kan deze investeringskost oplopen tot meerdere miljoenen euro. Mede gelet op de potentieel grote financiële impact van deze investeringen, is duidelijkheid vanwege de VRM dan ook vereist.
- Als zorgvuldige aanbieder van etheromroepnetwerken, verzocht Norkring de VRM dan ook om bijkomende duiding rond de verwachte investeringen in dit specifiek geval, onder andere rond het vereiste territoriale zendbereik en het vereiste aantal zendlocaties […].
- Het antwoord van de VRM bood echter geen enkele houvast of duidelijkheid […].
- […]
- Middels de bestreden beslissing trekt de VRM de licentie van Norkring in omdat Norkring onvoldoende tegemoetkwam aan de regularisatieverplichting die de VRM aan Norkring bij beslissing van 9 december 2019 had opgelegd. Echter, deze regularisatieverplichting was onvoldoende duidelijk, waardoor Norkring geenszins kon inschatten welke regularisatiemaatregelen wél zouden voldoen aan de invulling die de VRM gaf aan Norkrings reglementaire verplichtingen. De VRM gaf voorafgaand aan de bestreden beslissing immers louter aan wat niet volstond, namelijk één antenne op een enige zendlocatie met een straal van zestig kilometer.
- […]
- De handelswijze en houding van de VRM resulteerde voor Norkring dus in grote onzekerheid rond het vereiste territoriale zendbereik en het vereiste aantal zendlocaties. Met de bestreden beslissing trekt de VRM de licentie van Norkring in. Echter, de VRM besluit tot dergelijke verregaande sanctie terwijl zij niettemin weigerde (en nog steeds weigert) om haar interpretatie van de regelgeving afdoende toe te lichten. Hoewel deze interpretatie niet uit het regelgevend kader voortvloeit, zoals uiteengezet in het eerste middel, zou dergelijke toelichting Norkring minstens in staat stellen zich te conformeren aan deze interpretatie. Aldus schendt de VRM de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel volgens welke IX-9859-12/14 de genomen beslissing voldoende duidelijk [moet] zijn, alsook het zorgvuldigheidsbeginsel.”
- Verzoekster preciseert in de memorie van wederantwoord niet te verwachten “dat de VRM gedetailleerd oplijst hoeveel en welke zendlocaties gebruikt kunnen / moeten worden”. De verwerende partij “zet [in de memorie van antwoord] echter het technische en complexe vraagstuk rond de vereiste dekking te eenvoudig weg door simpelweg voor te houden dat er zoveel zendlocaties nodig zijn als vereist om het theoretisch beoogd zendgebied volledig te dekken”. Het zijn net deze technische vereisten die onduidelijk zijn. Niets verhindert de VRM echter om duidelijke beslissingen te nemen, en die waar nodig te verduidelijken. Verzoekster verzocht de VRM niet om een advies, maar om verduidelijking bij onduidelijke verplichtingen die de VRM haar had opgelegd in een specifiek dossier. Aldus is het voor verzoekster geheel onduidelijk in hoeveel antennes en zendlocaties zij moet voorzien opdat dit zou resulteren in “voldoende” gebruik. Beoordeling
- In de bestreden beslissing is de verwerende partij naar het oordeel van de Raad van State voldoende duidelijk als het erop aankomt te motiveren waarom verzoekster de erkenningsvoorwaarden niet naleeft en de erkenning wordt ingetrokken. Vastgesteld wordt dat verzoekster haar licentie niet daadwerkelijk in gebruik heeft genomen door via één zendlocatie met een zendbereik van maximaal zestig kilometer uit te zenden. Hieruit blijkt dat het zendbereik van verzoekster beperkt is en bij verre na niet het Nederlandse taalgebied en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bestrijkt. De in het middel aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur verplichten de regulator niet om een licentiehouder die zijn erkenningsvoorwaarden niet naleeft, bij te staan en uit te leggen middels welke IX-9859-13/14 technische inspanningen of investeringen hij wel aan zijn verplichtingen kan voldoen.
- Het middel, dat uitgaat van een tegenovergestelde opvatting, faalt naar recht. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9859-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.351 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div