← België

Arrest 253377 - Tucht (openbaar ambt) - 29/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.377 Rolnummer: A. 234250/IX-9919 Zaak: Arrest 253377 - Tucht (openbaar ambt) - 29/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-04 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-10 06:35 Fiche Arrest nr 253.377 van 29 maart 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 253.377 van 29 maart 2022 in de zaak A. 234.250/IX-9919 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 4 augustus 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos van de Vlaamse overheid van 15 juli 2021 waarbij XXXX de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. IX-9919-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wouter Moonen, die loco advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen, verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is natuurinspecteur bij het Agentschap voor Natuur en Bos van de Vlaamse overheid. 3.
  6. Naar aanleiding van een gerechtelijk onderzoek wordt verzoeker op 13 december 2018 van zijn vrijheid beroofd, op grond van feiten van “[o]mkoping (openbare)”, “[i]llegaal bezit van verboden vuurwapen”, “[m]ondelinge bedreiging, met bevel of voorwaarde” en “[v]ereniging van misdadigers”. Op 8 januari 2019 wordt verzoeker opnieuw in vrijheid gesteld. 3.
  7. Op 4 februari 2019 beslist het celhoofd Natuurinspectie Centrale Diensten van het Agentschap voor Natuur en Bos om verzoeker “in afwachting van IX-9919-2/10 de resultaten van het gerechtelijk onderzoek en de beslissingen die daarop volgen” te schorsen in het belang van de dienst. 3.
  8. Op 1 maart 2021 formuleert datzelfde celhoofd het voorstel om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen voor de volgende feiten: “● tippen van een nakende controle ● niet nakomen van ambtsplichten ● inbreuken op de jachtwetgeving ● importeren en verwerken van geslacht wild ● illegaal bezit van vergunningsplichtig wapen ● inkleuring van een vijver in Tessenderlo.” 3.
  9. Op 1 april 2021 wordt verzoeker over dat tuchtvoorstel gehoord door de adjunct-directeur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos. 3.
  10. Op 20 april 2021 beslist de adjunct-directeur-generaal om aan verzoeker de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen, op grond van de ten laste gelegde feiten, die alle bewezen worden bevonden en worden beschouwd als “zeer zware schendingen van de […] besproken rechtsregels”. 3.
  11. Verzoeker dient tegen die tuchtbeslissing een beroep in bij de raad van beroep van de diensten van de Vlaamse overheid. 3.
  12. Na verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, en de adjunct-directeur-generaal, bijgestaan door de raadsman van de verwerende partij, te hebben gehoord, adviseert de voornoemde raad van beroep op 30 juni 2021, met vier stemmen tegen drie, dat het beroep van verzoeker ongegrond is en dat verzoeker in aanmerking komt voor de opgelegde tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’. 3.
  13. Op 15 juli 2021 neemt de administrateur-generaal van het Agentschap voor Natuur en Bos de thans bestreden beslissing om aan verzoeker “de definitieve tuchtstraf van ontslag van ambtswege” op te leggen. IX-9919-3/10 IX-9919-4/10 IV. Schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  15. Verzoeker voert ter staving van de spoedeisendheid van zijn vordering aan dat hij ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “een onmiddellijk en persoonlijk nadeel lijdt en wel op verschillende vlakken”: “ ● Ten eerste wordt hij publiek gebrandmerkt als een persoon die zich schuldig maakt aan deontologische inbreuken die een strafrechtelijk verband hou- den. Hoe langer dit brandmerk aan zijn persoon blijft kleven, hoe moeilijker het zal zijn om in de ogen van het publiek van dit brandmerk af te raken. Het is daarom noodzakelijk dat dit zo spoedig als mogelijk wordt verwij- derd, en zeker niet kan wachten tot het einde van de annulatieprocedure.  Ten tweede lijdt de verzoekende partij een aanzienlijk financieel nadeel en inkomstenverlies. De verzoekende partij is van de ene dag op de andere zonder inkomen gevallen. Hij heeft zijn beroepsinkomen nodig om te kunnen leven; het verlies van dit inkomen is onoverbrugbaar tot het einde van de annulatieprocedure.  En ten slotte is de ontslagbeslissing ook op psychisch vlak voor de verzoekende partij zeer moeilijk te verwerken nu de verzoekende partij werd ontslagen zonder rekening te houden met de concrete omstandigheden en gelet op zijn onberispelijke staat van dienst. Hij begrijpt niet dat hij door het agentschap waaraan hij zijn beste krachten wijdde zo kan worden behandeld. Hoe langer deze situatie aanhoudt, hoe moeilijker deze voor hem te verwerken zal zijn, zodat het noodzakelijk is om deze situatie niet te laten voortduren tot het einde van de annulatieprocedure.” IX-9919-5/10 Volgens verzoeker staat het vast dat hij schade lijdt en is een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wenselijk om te vermijden dat die schade onherroepelijk wordt. Beoordeling 6.
  16. Zoals hiervóór sub 4 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). 6.
  17. Luidens artikel 17, § 2, van diezelfde gecoördineerde wetten moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Voor een verzoekende partij bij de Raad van State die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep af te wachten, komt het dan ook erop aan om daarvan te overtuigen aan de hand van de feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit betekent dat het aan deze partij toevalt om in haar inleidend verzoekschrift specifieke gegevens bij te brengen, betrokken op de omstandigheden van haar zaak, die in concreto aantonen waarom de nadelige IX-9919-6/10 gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Zoals de Raad van State inmiddels reeds meermaals heeft geoordeeld – onder meer in de arresten nr. 238.557 van 19 juni 2017, nr. 240.417 van 15 januari 2018 en nr. 240.471 van 16 januari 2018 – wordt de spoedeisendheid van de zaak niet vermoed of automatisch bewezen geacht, welke ook de aard van de bestreden beslissing is, zoals bij een tuchtrechtelijk ontslag. Dit geldt des te meer nu krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een schorsing kan worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). Bovendien mag krachtens artikel 17, § 2, derde lid, van de voornoemde gecoördineerde wetten een nieuwe vordering worden ingesteld, “indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”. 6.
  18. De zo-even vermelde “beginselen” zijn verzoeker niet onbekend, vermits hij ze in zijn inleidend verzoekschrift merendeels aanhaalt of parafraseert, breedvoeriger zelfs dan zijn daaropvolgende uiteenzetting van “[d]e toepassing in casu”.
  19. In die uiteenzetting stelt verzoeker vooreerst dat hij ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “publiek [wordt] gebrandmerkt als IX-9919-7/10 een persoon die zich schuldig maakt aan deontologische inbreuken die een strafrechtelijk verband houden”. Daargelaten dat verzoeker geen enkel concreet element aanbrengt dat de beweerde publieke brandmerking zou kunnen staven, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat hij dit aangevoerde nadeel zelf in verband brengt met het strafrechtelijke aspect van de feiten die tot grondslag dienen van de bestreden beslissing. In zijn derde middel voert hij overigens aan dat “het resultaat van het strafrechtelijk onderzoek en de eventuele strafrechtelijke procedure” had moeten worden afgewacht vooraleer de tuchtvordering kon worden beoordeeld, waarmee hij alleszins laat blijken waar voor hem de hoofdzaak is gelegen. Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over dat het bedoelde strafrechtelijk onderzoek nog niet werd beëindigd. In die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verzoeker zou kunnen behoeden voor het beweerde “brandmerk”, dat redelijkerwijze geacht moet worden veeleer voort te komen uit het door verzoeker benadrukte “strafrechtelijk verband” van de hem verweten feiten, waaromtrent het onderzoek nog niet werd beëindigd en het resultaat nog niet is bepaald en waaraan een eventuele schorsing van de bestreden beslissing niets kan veranderen.
  20. Verzoeker voert voorts aan dat hij ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing “een aanzienlijk financieel nadeel en inkomstenverlies [lijdt]”, terwijl hij “zijn beroepsinkomen nodig [heeft] om te kunnen leven” en “het verlies van dit inkomen […] onoverbrugbaar is tot het einde van de annulatieprocedure”. Het lijkt vanzelfsprekend dat verzoeker ingevolge de bestreden beslissing “een aanzienlijk financieel nadeel en inkomstenverlies [lijdt]”. In zijn inleidend verzoekschrift brengt hij evenwel geen enkel concreet gegeven aan of IX-9919-8/10 voegt hij geen enkel stavingsstuk bij dat al was het maar aannemelijk kan maken dat dit nadeel “onoverbrugbaar [is] tot het einde van de annulatieprocedure”. Het is opvallend dat hij met geen woord rept over zijn persoonlijke situatie, zijn gezinssituatie en -inkomsten, zijn financiële verplichtingen, zijn vermogenstoestand en beschikbare middelen, noch over de mogelijkheid om een werkloosheidsuitkering te verkrijgen of een ander beroepsinkomen te verwerven. In die omstandigheden kan ook de beweerde onoverbrugbaarheid van het geleden financiële nadeel tot het einde van de annulatieprocedure, zonder meer, niet worden aangenomen.
  21. Ten slotte stelt verzoeker dat “de ontslagbeslissing ook op psychisch vlak voor [hem] zeer moeilijk te verwerken [is] nu [hij] werd ontslagen zonder rekening te houden met de concrete omstandigheden en gelet op zijn onberispelijke staat van dienst”. De ernst van dit aangevoerde nadeel wordt door verzoeker niet in het minst geduid. Hij legt ook geen enkel stavingsstuk neer. Er ligt zelfs geen begin van bewijs voor. Dit beweerde nadeel vermag de spoedeisendheid van de voorliggende vordering dan ook niet te verantwoorden. Voor zover verzoeker ervan uitgaat dat de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met “de concrete omstandigheden” en “zijn onberispelijke staat van dienst”, suggereert hij de onwettigheid van die beslissing, maar daarmee toont hij de spoedeisendheid van zijn vordering niet aan.
  22. Aangezien verzoeker de spoedeisendheid van de vordering niet aantoont, is er niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat de vordering zou kunnen worden ingewilligd. BESLISSING IX-9919-9/10
  23. De Raad van State verwerpt de vordering.
  24. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9919-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.377 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.928 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.