← België

Arrest 253404 - Bewakingsondernemingen - 30/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.404 Rolnummer: A. 235911/VII-41339 Zaak: Arrest 253404 - Bewakingsondernemingen - 30/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-31 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 06:36 Fiche Arrest nr 253.404 van 30 maart 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.404 van 30 maart 2022 in de zaak A. 235.911/VII-41.339 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Erika Rentmeesters en Bram De Smet kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 18 maart 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2022 waarbij aan de verzoekende partij de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd. De verzoekende partij vraagt eveneens als voorlopige maatregel de verwerende partij te bevelen om binnen een termijn van veertien dagen na de kennisgeving van het arrest een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag tot toekenning van een identificatiekaart. VII-41.339-1/6 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 maart 2022, om 14.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram De Smet, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Op 19 november 2021 vraagt een vergunde bewakingsonderneming voor de verzoekende partij een identificatiekaart aan voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten. 3.
  5. De minister van Binnenlandse Zaken beslist op 25 februari 2022 om de afgifte van de gevraagde identificatiekaart te weigeren omdat de verzoekende partij niet voldoet aan de persoonsvoorwaarde gesteld in artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’. VII-41.339-2/6 Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Grondvoorwaarden voor een schorsing
  6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
  7. Naast een beschrijving van de concrete weerslag van de bestreden beslissing op haar financiële draagkracht, bevat het verzoekschrift een uiteenzetting waarin de verzoekende partij aangeeft diligent te hebben gehandeld. In dit verband wijst zij erop dat zij de kennisgeving van de bestreden beslissing heeft ontvangen op 1 maart 2022, dat de persoonlijke impact ervan niet meteen kon ingeschat worden, dat haar “manager” op 4 maart 2022 heeft meegedeeld dat geen beroep door de werkgever en/of een herziening mogelijk was, dat nog dezelfde dag de bewakingsonderneming een einde heeft gesteld aan de arbeidsovereenkomst en pas dan de impact van de bestreden beslissing duidelijk werd, dat zij in de daaropvolgende week contact heeft gezocht met haar “gebruikelijke raadsman die haar heeft doorverwezen naar een gespecialiseerde raadsman wegens onvoldoende kennis van het administratieve recht en de procedure bij de Raad van State” en dat, na het verzamelen van de nodige stavingsstukken, het verzoekschrift “ogenblikkelijk” werd ingediend door de huidige raadsman. VII-41.339-3/6 Beoordeling
  8. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift aan de hand van precieze en concrete feitelijke gegevens aantoont dat de te bevelen schorsing van de tenuitvoerlegging onherroepelijk te laat zal komen én dat zij als eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aldus mede afgemeten naar de haast die een verzoekende partij zelf betoont bij het instellen van haar vordering. De noodzaak om na de kennisname van de griefhoudende beslissing met passende voortvarendheid de vordering bij de Raad van State in te leiden is immers inherent aan het zeer uitzonderlijke en zeer ongewone karakter van de uiterst dringende procedure. Diligent optreden is vervat in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid.
  9. De bestreden beslissing werd de verzoekende partij ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven van 28 februari 2022 dat zij heeft VII-41.339-4/6 ontvangen op 1 maart
  10. Pas op 18 maart 2022 dient de verzoekende partij bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Het tijdsverloop tussen de datum waarop de verzoekende partij kennis had van de bestreden beslissing waarbij de identificatiekaart werd geweigerd en de datum waarop de vordering werd ingesteld, houdt de negatie in van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De verzoekende partij voert weliswaar een aantal elementen aan die een rechtvaardiging zouden vormen voor het getalm, maar geen van de beschreven omstandigheden kan overtuigen. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk gesteld dat het de verzoekende partij, op straffe van een geldboete tussen 100 en 25.000 euro, “verboden [is] enige leidinggevende, uitvoerende, administratieve, logistieke taak of commerciële taak uit te voeren binnen de sector van de private en bijzondere veiligheid”. Tevens wordt in de bestreden beslissing melding gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State. Bijgevolg kan niet anders dan vastgesteld worden dat de impact van de bestreden beslissing op de tewerkstellingskansen van de verzoekende partij in de sector van de private en bijzondere veiligheid, bij de ontvangst van de bestreden beslissing terstond zonneklaar was of alleszins moest zijn, hetgeen haar ertoe had moeten aanzetten om onmiddellijk een (gespecialiseerd) raadsman te consulteren. Nog aangenomen dat haar huidige raadsman vervolgens de nodige alertheid en urgentie aan de dag heeft gelegd, bezwaart de aanvankelijk afwachtende houding van de verzoekende partij de vereiste diligentie die beoordeeld moet worden vanaf het ogenblik dat zij de bestreden beslissing had ontvangen. Uit wat voorafgaat volgt dat de verzoekende partij niet met de vereiste spoed is opgetreden en dat haar niet-verantwoorde afwachtende houding de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering ontkracht.
  11. Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende VII-41.339-5/6 noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. V. Vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen
  12. De verwerping van de hoofdvordering brengt de verwerping mee van de bijkomstige vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen. BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt de vorderingen.
  14. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.339-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.