id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.417 Rolnummer: A. 234163/XII-9115 Zaak: Arrest 253417 - Overheidsopdrachten - 30/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-05 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:36 Fiche Arrest nr 253.417 van 30 maart 2022 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Beroep als niet verricht beschouwd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 253.417 van 30 maart 2022 in de zaak A. 234.163/XII-9115 In zake : de BV BBA – BORGHS BOUW & ADVIES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristof Benijts kantoor houdend te 2200 Herentals Lierseweg 271-273 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de REGIE DER GEBOUWEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- Het beroep ingesteld op 22 juli 2021 strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Regie der Gebouwen van 7 mei 2021 waarbij de opdracht voor beveiligingswerken aan een gebouw van Fedasil in de Bruynstraat 11 te 1120 Brussel gegund wordt aan de bvba Entreprise E. Devillers en waarbij de offerte van de verzoekende partij geweerd wordt als substantieel onregelmatig. Accessoir vordert de verzoekende partij ook een schadevergoeding. II. Verloop van de rechtspleging
- Op 22 september 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XII-9115-1/6 De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 maart
- Kamervoorzitter Paul Lemmens heeft verslag uitgebracht. Advocaat Floris Van Keer, die loco advocaat Kristof Benijts verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Pieter-Jan Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Met een enig verzoekschrift stelt de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schadevergoeding in. Met toepassing van artikel 71, tweede lid, van het voormelde besluit van de Regent heeft de hoofdgriffier twee brieven gezonden naar de verzoekende partij, met de mededeling dat het “verzoekschrift” respectievelijk het “verzoek tot schadevergoeding tot herstel” op de rol werden ingeschreven onder het nummer G/A 234.163/XII-9115 en aanleiding geven tot betaling binnen een termijn van dertig dagen van een bijdrage van 20 EUR en een recht van 200 EUR. In elk van de twee brieven wordt de verzoekende partij uitgenodigd om een totaal bedrag van 220 EUR te betalen. In de brief die betrekking heeft op het “verzoekschrift” wordt gevraagd om de volgende gestructureerde mededeling te XII-9115-2/6 gebruiken: 101/0234/16318; in de brief die betrekking heeft op het “verzoek tot schadevergoeding tot herstel” is de opgegeven gestructureerde mededeling: 102/0234/
- Beide brieven dragen als datum 27 juli
- Zij maken het voorwerp uit van twee afzonderlijke aangetekende zendingen. Op 28 juli 2021 wordt een bedrag van 220 EUR overgeschreven op de opgegeven rekening, met de volgende gestructureerde mededeling: 101/0234/
- Overeenkomstig artikel 71, vierde lid, van het voormelde besluit van de Regent deelt de hoofdgriffier met een aangetekend schrijven van 20 september 2021 aan de verzoekende partij mee dat hij heeft vastgesteld dat de voornoemde rekening niet is gecrediteerd binnen de termijn van dertig dagen “voor wat betreft het rolrecht gevraagd voor de schadevergoeding tot herstel”. Hij deelt ook mee dat de aangewezen kamer, overeenkomstig artikel 71, vierde tot zevende lid, “naargelang van het geval, de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht [zal] beschouwen of van de rol schrappen”, tenzij de verzoekende partij vraagt om te worden gehoord. IV. Regelmatigheid van de vordering tot schadevergoeding Standpunt van de partijen
- Met een schrijven van 29 september 2021 vraagt de verzoekende partij om gehoord te worden. Zij deelt mee dat zij het rolrecht wel degelijk betaald heeft, op het juiste rekeningnummer, maar met een verkeerde referentie: “De juiste mededeling voor de betaling was 102/0234/16394 terwijl bij de betaling de foutieve mededeling 101/0234/16318 werd vermeld”. Nadat de Raad van State heeft voorgesteld om de zaak alsnog zonder terechtzitting te behandelen, herhaalt de verzoekende partij met een brief van 15 februari 2022 haar wens om gehoord te worden. Zij deelt mee dat zij zich XII-9115-3/6 op geen enkel moment bewust was “van het feit dat voor een gezamenlijk verzoekschrift tot nietigverklaring en schadevergoeding tot herstel een dubbel rolrecht verschuldigd was”. Omdat zij van mening was dat het hier ging om een vergissing van de griffie, heeft zij het rolrecht slechts eenmaal betaald. Zij voert aan dat de twee identieke brieven in haren hoofde “de onoverwinnelijke dwaling [hebben] doen ontstaan dat het om een foutieve dubbele vraag tot betaling van hetzelfde rolrecht ging”. Ter terechtzitting herhaalt de verzoekende partij dat zij twee identieke brieven ontvangen heeft, en dat zij dacht dat het om een vergissing van de griffie ging.
- Ter terechtzitting verklaart de verwerende partij zich te gedragen naar de wijsheid van de Raad van State. Beoordeling
- Bij wijze van inleiding benadrukt de Raad van State dat de voorliggende kwestie enkel betrekking heeft op de door de verzoekende partij “accessoir” ingestelde vordering tot schadevergoeding. Er rijzen op dit ogenblik geen vragen in verband met de regelmatigheid van het beroep tot nietigverklaring, dat overigens ingesteld is met hetzelfde verzoekschrift als de vordering tot schadevergoeding.
- Naar luid van artikel 71, vierde lid, van het voormelde besluit van de Regent zal, indien de in het eerste lid bedoelde rekening niet gecrediteerd is binnen de termijn van dertig dagen na de ontvangst van het overschrijvingsformulier, “de kamer naargelang van het geval de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht […] beschouwen of van de rol […] schrappen”. Naar luid van artikel 71, zevende lid, beslist de kamer “de ingestelde vordering of het ingestelde beroep als niet verricht te beschouwen of XII-9115-4/6 van de rol te schrappen, tenzij overmacht of onoverkomelijke dwaling is bewezen”. Het staat vast dat de verzoekende partij het rolrecht slechts eenmaal betaald heeft. Met toepassing van de voornoemde bepalingen van het besluit van de Regent dient de “accessoire” vordering tot schadevergoeding bijgevolg in beginsel als “niet verricht” te worden beschouwd.
- De verzoekende partij beroept zich echter op een onoverkomelijke dwaling. De Raad van State acht het te dezen niet nodig om op dat verweer in te gaan. Het blijkt immers dat, als de vordering als niet verricht wordt beschouwd, de verzoekende partij daarvoor op dit ogenblik niet enkel geen rolrecht hoeft te betalen, maar zij bovendien de kans krijgt om dezelfde vordering later opnieuw en regelmatig in te stellen. Een vordering tot schadevergoeding kan immers ook nog ingesteld worden “tijdens de procedure tot nietigverklaring” (artikel 25/1, 2°, van het voormelde besluit van de Regent) en zelfs nog “uiterlijk […] zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld” (artikel 11bis, tweede lid, van de voormelde wetten op de Raad van State, en artikel 25/1, 3°, van het voormelde besluit van de Regent). Indien de verzoekende partij alsnog een vordering tot schadevergoeding instelt, bij afzonderlijke akte, zal zij op dat ogenblik opnieuw uitgenodigd worden tot betaling van het rolrecht.
- Gelet op het voorgaande, wordt de vordering tot schadevergoeding als niet verricht beschouwd. De zaak zal bijgevolg enkel onderzocht worden in zoverre het verzoekschrift betrekking heeft op het beroep tot nietigverklaring. Mocht de verzoekende partij alsnog, in de loop van de voorliggende procedure, een vordering tot schadevergoeding instellen, dan zal het onderzoek daarvan overeenkomstig artikel 25/3, § 2, van het voormelde besluit van de Regent XII-9115-5/6 worden uitgesteld totdat definitief uitspraak is gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De vordering tot schadevergoeding wordt als niet verricht beschouwd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9115-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.417 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.