id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.419 Rolnummer: A. 232754/VII-41010 Zaak: Arrest 253419 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-11 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 06:36 Fiche Arrest nr 253.419 van 31 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.419 van 31 maart 2022 in de zaak A. 232.754/VII-41.010 In zake :
- Jozef VAN LOMMEL
- Paul THIJS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0459 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 17 december 2021 in de zaak 1920-RvVb-0155-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 19 maart
- De verzoekers hebben een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 19 november 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van VII-41.010-1/8 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 maart
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelien Bruyninckx, die verschijnt voor de verzoekers, is gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Op 26 september 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van een bio-legkippenstal, ontbossen van twee percelen en het aanleggen van een erfverharding.
- Het bestreden arrest vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie op vordering van Van Lommel en Thijs na de gedeeltelijke gegrondverklaring van hun vierde en vijfde middel. VII-41.010-2/8 Het bestreden arrest heeft het eerste, tweede, derde, vijfde middel en de overige onderdelen van het vierde en vijfde middel van Van Lommel en Thijs verworpen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Van Lommel en Thijs hebben een verzoek tot voortzetting ingediend waarin zij repliceren op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van Van Lommel en Thijs. Het voormelde procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van Van Lommel en Thijs ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep Exceptie Standpunt van Van Lommel en Thijs
- Van Lommel en Thijs stellen dat zij “een evident belang bij onderhavige procedure” hebben. Zij lichten toe dat met het bestreden arrest hun “primaire doelstelling […] bereikt wordt” maar dat het bestreden arrest “het merendeel van [hun] wettigheidskritieken” verwerpt. De RvVb vernietigt de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie “louter omwille van het feit dat er geen afdoende onderzoek zou voorliggen naar de geluidshinder die veroorzaakt VII-41.010-3/8 zou kunnen worden door de inrichting. […] Voor het overige worden alle wettigheidskritieken verworpen. Zij stellen dat het bestreden arrest “een pyrrusoverwinning is” en derhalve “griefhoudend is” voor hen omdat het arrest “het pad [effent] voor de bouw van een grootschalige kippenboerderij pal in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en vlak bij de woningen van verzoekende partijen”. Zij benadrukken dat zij in de procedure voor de RvVb “er duidelijk op gewezen [hebben] dat een dergelijke stal gepaard gaat met een verregaande aantasting van hun woon- en leefomgeving” omdat de stal “aanleiding [zal] geven tot geur-, stof-, geluid- en mobiliteitshinder”. Zij besluiten dat zij door de afwijzing van hun middelen er belang bij hebben dat het bestreden arrest “vernietigd wordt en dat de zaak voor een nieuwe beoordeling wordt voorgelegd aan een anders samengestelde kamer van het rechtscollege” en dat zij minstens “een belang bij het cassatieberoep [hebben] in zoverre het betrekking heeft op die middelen die door de [RvVb] werden verworpen”. Beoordeling
- Van Lommel en Thijs hebben de gelegenheid gehad om hun grieven tegen voormelde vergunningsbeslissing, die de deputatie in laatste administratieve aanleg naar aanleiding van hun administratief beroep heeft genomen, voor te leggen aan de RvVb die een onafhankelijke en onpartijdige jurisdictionele instantie is.
- Artikel 14, § 2, van de RvS-wet voorziet in een buitengewoon rechtsmiddel waarover de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij arrest uitspraak doet. Het gaat om het cassatieberoep dat bij de Raad van State als cassatierechter kan worden ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. VII-41.010-4/8
- Het verzoekschrift waarbij cassatieberoep wordt ingesteld bij de Raad van State moet overeenkomstig artikel 3 van het cassatieprocedurebesluit gedagtekend en ondertekend worden door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 19, vierde lid, van de RvS-wet. Het cassatieberoep bij de Raad van State wordt overeenkomstig artikel 20 van de RvS-wet onderworpen aan een procedure van toelating. De toelatingsprocedure in cassatie heeft onder meer tot doel “te voorkomen dat het hoogste administratieve rechtscollege door de verzoekers louter wordt beschouwd als een beroepsinstantie” (Parl. St., Kamer, 2005-2006, DOC 51-2479/001, p. 34).
- Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet treedt de Raad van State als cassatierechter “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Bijgevolg kan het cassatieberoep er niet toe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling door de RvVb in tweede instantie over te doen. Het cassatieberoep heeft enkel betrekking op rechtsvragen.
- In zoverre Van Lommel en Thijs ter ondersteuning van het belang bij hun cassatieberoep aanvoeren dat het bestreden arrest “het pad voor de bouw van een grootschalige kippenboerderij pal in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en vlak bij [hun] woningen” effent en dat de stal “aanleiding [zal] geven tot geur-, stof-, geluid- en mobiliteitshinder”, verlangen zij een feitelijke beoordeling door de Raad van State. Als cassatierechter heeft de Raad van State niet die bevoegdheid. Er kan derhalve geen rekening worden gehouden met deze argumentatie ter beoordeling van de exceptie. VII-41.010-5/8
- De finaliteit van een cassatieberoep bestaat er in om een onwettige uitspraak van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het anders samengesteld rechtscollege wordt voorgelegd zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege.
- Van Lommel en Tijs voeren drie middelen aan die teruggaan op de verwerping door de RvVb van hun eerste, tweede en vierde middel.
- Het cassatieberoep waarin cassatiemiddelen worden aangevoerd die geen van de zelfstandige vernietigingsmotieven van het bestreden arrest bekritiseren, kan, ook al waren één of meer van die cassatiemiddelen gegrond, niet tot cassatie leiden van het bestreden vernietigingsarrest.
- Het gezag van gewijsde van het bestreden arrest strekt zich uit tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven die uitspraak doen over de tijdens het rechtsgeding voor de RvVb betwiste rechtspunten waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.
- Het dictum van het bestreden arrest besluit tot de vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing van 26 september 2019 en tot het geven van het bevel aan de deputatie om een nieuwe beslissing te nemen. Het bevel dat het bestreden arrest geeft aan de deputatie, is luidens artikel 37, § 1, van het decreet van 4 april 2004 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ onlosmakelijk verbonden met de vernietiging van de bestreden vergunningsbeslissing van 26 september
- De onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven van het bestreden arrest zijn enkel de motieven voor de gedeeltelijke gegrondverklaring van het vierde en vijfde middel van Van Lommel en Thijs. VII-41.010-6/8
- Het gezag van gewijsde van het bestreden arrest strekt zich niet uit tot de motieven voor de ongegrondverklaring door de RvVb van het eerste, tweede, derde, vijfde middel en de overige onderdelen van het vierde en vijfde middel van Van Lommel en Thijs.
- De cassatiemiddelen van Van Lommel en Thijs bekritiseren de verwerping door de RvVb van het eerste, tweede en de overige onderdelen van het vierde middel van Van Lommel en Thijs en de ermee onlosmakelijk verbonden motieven doch niet het dictum en de ermee onverbrekelijk verbonden vernietigingsmotieven van het bestreden arrest.
- Het cassatieberoep is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-41.010-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.010-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div