id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.420 Rolnummer: A. 233281/VII-41062 Zaak: Arrest 253420 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-11 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:36 Fiche Arrest nr 253.420 van 31 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.420 van 31 maart 2022 in de zaak A. é.281/VII-41.062 In zake : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW WOONZORGCENTRUM SPIRIT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ludo Ockier en Erlinde De Lange kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0631 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 11 februari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0333-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 mei
- VII-41.062-1/7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 10 september 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 maart
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Quintens, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Op 20 februari 2020 weigert de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) een omgevingsvergunning voor het bouwen van 32 assistentieflats. VII-41.062-2/7
- Het bestreden arrest verklaart het middel en derhalve het beroep van de vzw Woonzorgnetwerk Spirit tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de deputatie gegrond. Het bestreden arrest vernietigt bijgevolg de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De deputatie heeft een verzoek tot voortzetting ingediend waarin zij repliceert op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de deputatie. Dit procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de deputatie ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van de middelen Voorafgaandelijk
- Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt wat volgt: “De memorie van wederantwoord of de toelichtende memorie heeft de vorm van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie”. VII-41.062-3/7 In het aan dat besluit voorafgaande verslag aan de Koning wordt deze bepaling als volgt toegelicht: “De samenvattende memorie dient de argumenten van het verzoekschrift en van de memorie van wederantwoord als een geordend geheel weer te geven. De verzoekende partij, die moet worden bijgestaan door een advocaat, wordt er aldus toe gebracht een allesomvattend overzicht in te dienen, dat de uiteenzetting van de feiten bevat, haar eventuele antwoorden op excepties van niet-ontvankelijkheid en haar middelen in één enkele, pertinente argumentering.[…]. Het gevolg van de verplichting om een samenvattende memorie in te dienen is dat de Raad van State in beginsel geen uitspraak meer hoeft te doen op basis van de uiteenzetting van de feiten en middelen vervat in het verzoekschrift”. Het doel van dit voorschrift is de vereenvoudiging van het onderzoek van het cassatieberoep door de Raad van State die ten gronde uitspraak moet kunnen doen op basis van één enkel procedurestuk van een verzoekende partij, met name de samenvattende memorie. Het voorschrift is ingegeven door de termijn in artikel 20, § 4, van de RvS-wet, waarover de Raad van State beschikt om over toelaatbaar verklaarde cassatieberoepen uitspraak te doen en de voorrang die bijgevolg aan de behandeling van cassatieberoepen moet worden gegeven. Dit brengt mee dat de in het inleidende verzoekschrift aangevoerde cassatiemiddelen in de samenvattende memorie minstens summier, doch volledig worden opgenomen. Bovendien moeten in dit procedurestuk de cassatiemiddelen worden samengevat. Het volstaat niet dat een verzoekende partij in de samenvattende memorie enkel stelt te volharden in haar cassatieberoep, louter blijk geeft van volgehouden belangstelling om de vernietiging van de aangevochten jurisdictionele beslissing na te streven, louter verwijst naar haar inleidend verzoekschrift of naar de uiteenzetting van haar middelen in het verzoekschrift, of zich beperkt tot weerlegging of ontkrachting van de argumentatie van de andere partijen. VII-41.062-4/7
- Uit deze bepaling volgt dat over de gegrondheid van de middelen die niet in deze samenvattende memorie zijn opgenomen, geen uitspraak dient te worden gedaan door de Raad van State. Beoordeling
- De deputatie voert in de memorie van wederantwoord - als eerste middel - de schending aan van de artikelen 4.2.1, 4.3.1, § 1, 1°, 4.4.1, § 1 en 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) waarna zij het standpunt van de vzw Woonzorgnetwerk Spirit samenvat en vervolgens weerlegt. In de uiteenzetting van haar weerlegging stelt zij dat zij “haar stelling uit het inleidende cassatieberoep” herneemt “en volhardt […] in de door haar gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof” die zij herneemt in het dictum van haar memorie van wederantwoord. De deputatie stelt daarin ook wat betreft haar tweede middel, waarin zij de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 4.3.1, § 1, VCRO aanvoert, te verwijzen “naar haar uiteenzetting uit het inleidend cassatieberoep”. In verband met het derde middel, waarin de deputatie de schending van artikel 4.3.8, § 1, VCRO aanvoert, geeft zij een samenvatting van het standpunt van de vzw Woonzorgnetwerk Spirit die zij vervolgens weerlegt.
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten die overeenkomstig artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit in de samenvattende memorie als “argumenten […] op een rij worden gezet” opdat de Raad van State over de gegrondheid ervan uitspraak kan doen. VII-41.062-5/7 Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
- Te dezen neemt de memorie van wederantwoord van de deputatie niet de vorm aan van een samenvattende memorie bedoeld in artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit. De Raad van State kan voor de beoordeling van de gegrondheid van de middelen enkel rekening houden met de in de memorie van wederantwoord opnieuw aangevoerde middelen en de toelichting ervan.
- De deputatie laat in de samenvattende memorie na uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest de in de middelen geschonden geachte bepalingen miskent.
- Bij afwezigheid van in de samenvattende memorie ontvankelijk aangevoerde middelen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.062-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.062-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div