← België

Arrest 253422 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.422 Rolnummer: A. 233636/VII-41110 Zaak: Arrest 253422 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-11 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:36 Fiche Arrest nr 253.422 van 31 maart 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.422 van 31 maart 2022 in de zaak A. é.636/VII-41.110 In zake : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151, bus 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Hedwige BONNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Kevin VINCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 13 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0846 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 april 2021 in de zaak 1920-RvVb-0524-A. VII-41.110-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 juni
  3. Verweerster heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Kevin Vincke heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 augustus
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 30 november 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 maart
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Thomas Quintens, die loco advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw verschijnt voor verweerster, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.110-2/8 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten
  7. Op 20 februari 2020 verleent de deputatie van de provincie West-Vlaanderen (hierna: deputatie) een omgevingsvergunning voor de totaalrenovatie van een bestaande woning.
  8. Het bestreden arrest: – verwerpt de exceptie van de deputatie van onontvankelijkheid van de vordering van Bonne wegens schending van artikel 15, 4°, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: Procedurereglement RvVb); – verklaart het eerste middel van Bonne “in de aangegeven mate” gegrond; – verwerpt het tweede middel van Bonne; – vernietigt de vergunningsbeslissing van de deputatie. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  9. De deputatie heeft een “memorie van wederantwoord (in cassatie)” ingediend waarin zij repliceert op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de deputatie. Dit procedurestuk waarin de deputatie stelt dat zij volhardt in/blijft bij haar standpunt wordt alleen als zodanig in aanmerking VII-41.110-3/8 genomen in zoverre kan aangenomen worden dat daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van de deputatie ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de deputatie
  10. De deputatie voert de schending aan van artikel 89 van het Procedurereglement RvVb en artikel 149 van de Grondwet. Zij zet uiteen dat zij in de procedure voor de RvVb de “exceptio obscuri libelli” had ingeroepen en dat de RvVb in het bestreden arrest wel erkent dat “het verzoekschrift niet in zijn gebruikelijke vorm werd opgesteld” maar uit het verzoekschrift meent een middel te kunnen “distilleren”, meer bepaald de schending van artikel 4.4.1, §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) “door te betwisten dat de afwijking ‘beperkt’ is”. Nochtans vernietigt de RvVb finaal de bestreden vergunningsbeslissing niet op grond van een schending van dat artikel 4.4.1, §1 VCRO maar wel “op (grond van) een schending van de (formele) motiveringsplicht” wegens “een gebrek in de verantwoording aangaande het beperkt karakter van de afwijking”. Bonne heeft evenwel ”zo heeft de RvVb zelfs overwogen” geen schending ingeroepen van “de formele motiveringsplicht dan wel het materiële motiveringsbeginsel”. De RvVb heeft deze schending dus ambtshalve opgeworpen terwijl deze plicht/dit beginsel niet van openbare orde is. Door de bestreden vergunningsbeslissing te vernietigen op grond van dit ambtshalve aangevoerde middel dat niet van openbare orde is, schendt het bestreden arrest artikel 89 Procedurereglement RvVb. VII-41.110-4/8 Bovendien, door enerzijds aan te nemen dat de schending van artikel 4.4.1, § 1 VCRO wordt aangevoerd en anderzijds de bestreden vergunningsbeslissing te vernietigen wegens een motiveringsgebrek, is er sprake van een “tegenstrijdige motivering”. Beoordeling
  11. Het bestreden arrest verklaart het eerste middel van Bonne gegrond op volgende gronden: – het is duidelijk dat Bonne de schending van artikel 4.4.1, § 1 VCRO inroept “door te betwisten dat de afwijking ‘beperkt’ is”; – de deputatie heeft “uitdrukkelijk verweer op dit argument” gevoerd; – artikel 4.4.1, § 1 VCRO voorziet dat ‘beperkte afwijkingen’ op stedenbouwkundige voorschriften die betrekking hebben op perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen toegestaan kunnen worden. De afwijkingen mogen geen betrekking hebben op de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex of het aantal bouwlagen; – het wordt niet betwist dat de voorziene uitbreiding over een diepte van 1,30 meter achter het bestaande hoofdvolume afwijkt van het inplantingsvoorschrift van het BPA ‘Turkije’ dat een minimale afstand van 3 m tot de zijdelingse perceelsgrens voorschrijft; – de vaststelling dat de deputatie “niet verantwoordt waarom de toegestane afwijking op het inplantingsvoorschrift, met name een afwijking van 1,09 m ten aanzien van een minimale zijdelingse afstand van 3 m, nog ‘beperkt’ te noemen is”; – “de maatstaf om te beoordelen of het al dan niet om een beperkte afwijking gaat, [is] het stedenbouwkundig voorschrift zelf en de discrepantie van de aanvraag daarmee”; – het is “allesbehalve evident” om een afwijking van 63,67% “een ‘beperkte afwijking’ te noemen”; VII-41.110-5/8 – de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4.4.1, § 1 VCRO moet strikt geïnterpreteerd worden.
  12. Het middel dat stelt dat het bestreden arrest het eerste middel van Bonne niet op grond van een schending van artikel 4.4.1, § 1 VCRO maar op grond van een schending van de rechterlijke motiveringsplicht gegrond verklaart, mist feitelijke grondslag.
  13. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de deputatie
  14. De deputatie voert de schending aan van artikel 4.8.1 VCRO juncto artikel 35 van het decreet van de Vlaamse regering van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC) juncto artikel 89 van het Procedurereglement RvVb, artikel 4.4.1, §1 VCRO en artikel 149 van de Grondwet. Zij zet uiteen dat artikel 4.4.1, §1 “als zodanig niet geschonden” is vermits van die afwijkingsmogelijkheid toepassing werd gemaakt. De enige vraag die zich stelt is op welke wijze zij daarvan gebruik heeft gemaakt en of zij in haar beoordeling niet kennelijk onredelijk is geweest. Een schending van het redelijkheidsbeginsel werd door Bonne niet aangevoerd en kon ook door de RvVb “niet ambtshalve” worden opgeworpen. De RvVb is, door te oordelen dat het “allesbehalve evident” is de door de deputatie toegestane afwijking van 63,67 % van de norm een “beperkte afwijking” te noemen, “zelf tot de beoordeling van wat redelijk is overgegaan en heeft […] zich dus de bevoegdheid die enkel toekomt aan een orgaan van actief bestuur toegeëigend”. De RvVb kan enkel een “wettigheidstoets” uitvoeren en kan daarbij “niet in het beleid van de [deputatie] VII-41.110-6/8 treden”. De RvVb overweegt niet dat de beoordeling van de deputatie “kennelijk onredelijk” zou zijn, maar “vindt op basis van eigen overweging dat een afwijking van 63.67% in strijd zou zijn met art. 4.4.1, §1 VCRO”. Aldus is de RvVb “buiten zijn decretale, en zelfs grondwettelijke bevoegdheid getreden”, en heeft de RvVb “de beoordeling van het bestuur overgedaan”. En ”ten andere” gaat de RvVb door de toegestane afwijking “als een essentiële afwijking te gaan beschouwen”, “in tegen de draagwijdte van art. 4.4.1, § 1 VCRO zoals reeds in de eigen rechtspraak van de RvVb ontwikkeld”. Deze beoordeling in het bestreden arrest “spoort dus niet met hoe het begrip ‘essentiële afwijking’ moet benaderd en beoordeeld worden”. In het arrest ontbreekt “de redenering waaruit moet blijken waarom de RvVb een afwijking van goed en wel 1 m² als ‘essentieel’ vindt te moeten beschouwen”. Beoordeling
  15. Het middel dat eerst in de memorie van wederantwoord uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest artikel 35 DBRC schendt, is laattijdig en derhalve onontvankelijk.
  16. Het middel dat aanvoert dat de RvVb in het bestreden arrest “op basis van eigen overweging [vindt] dat een afwijking van 63.67% in strijd zou zijn met art. 4.4.1, §1 VCRO” en deze afwijking “als een essentiële afwijking” beschouwt, mist feitelijke grondslag.
  17. Door als maatstaf enerzijds het stedenbouwkundig voorschrift en anderzijds “de discrepantie van de aanvraag daarmee” te nemen en vervolgens te oordelen dat het “allesbehalve evident [is] om [een afwijking van 63,97 %] nog […] een ‘beperkte afwijking’ te noemen” zoals bedoeld in het strikt te interpreteren artikel 4.4.1, § 1 VCRO, treedt de RvVb niet buiten zijn opgedragen rechterlijke wettigheidstoezicht op de bestreden vergunningsbeslissing.
  18. Het tweede middel wordt verworpen. VII-41.110-7/8 BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  20. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verweerster. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig maart tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.110-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.