id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.448 Rolnummer: A. 219674/XIV-37117 Zaak: Arrest 253448 - Politie (federale reglementen) - 01/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-13 Raadplegingen: 105 - laatst gezien 2026-06-14 01:01 Fiche Arrest nr 253.448 van 1 april 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : Verwerping Opheffing Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 253.448 van 1 april 2022 in de zaak A. 219.674/XIV-37.117 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Catherine Bibaer kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britselei 47-49/5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan door advocaat Thomas De Donder kantoor houdende te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 juli 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 10 juni 2016 van de burgemeester van de stad Antwerpen waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 241.180 van 30 maart 2018 wordt het debat in de zaak heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. XIV-37.117-1/116 Adjunct-auditeur Frederick Ongena heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 oktober
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon, advocaat Catherine Bibaer, die verzoeker bijstaat, en advocaten Inge Derde en Karl De Schoenmaeker, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het arrest nr. 237.002 van 11 januari
- Er wordt naar verwezen. XIV-37.117-2/116 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 3 en 54 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en de materiëlemotiveringsplicht. In het eerste onderdeel stelt verzoeker dat de hem verweten feiten geen tuchtvergrijp uitmaken en bijgevolg geen aanleiding kunnen geven tot een tuchtstraf. Verzoeker verwijst daartoe naar het deskundigenverslag van het AIG en het advies van de Tuchtraad waaruit hij citeert. Verzoeker stelt dat hij niet is tekort gekomen aan zijn beroepsplichten en geen gedragingen heeft gesteld die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, zodat hem niet kan worden verweten een tuchtvergrijp te hebben gepleegd. In de bestreden beslissing stelt de hogere tuchtoverheid dat het deskundigenverslag noch het advies bindend zijn voor de hogere tuchtoverheid en dat dus geenszins zou vaststaan dat de in aanmerking genomen feiten geen tuchtvergrijp uitmaken. Hierbij gaat de hogere tuchtoverheid wel voorbij aan de hoedanigheid van het AIG als deskundige inzake tucht en de specialisatie van de Tuchtraad. Eenvoudig stellen dat de adviezen niet bindend zijn, volstaat niet als motivering van de bestreden beslissing. In het tweede onderdeel gaat verzoeker uit van het standpunt dat van de aanvankelijk zestien verweten tuchtfeiten in het voorstel tot zware straf, de verwerende partij in de intentie tot het afwijken van het advies van de Tuchtraad er nog drie behield, om er dan weer vijf in aanmerking te nemen in de XIV-37.117-3/116 bestreden beslissing. Bij de handhaving van deze drie dan wel vijf tuchtfeiten, schendt de verwerende partij de materiëlemotiveringsplicht, omdat de door de hogere onjuist zijn, het bewijs niet leveren van het voorhanden zijn van een tuchtvergrijp en de bestreden beslissing niet kunnen schragen. Vervolgens bespreekt verzoeker omstandig de drie (en/of vijf) van de volgens hem, nog in aanmerking genomen feiten, “waarbij ten aanzien van elk van deze feiten geldt dat deze in redelijkheid niet kunnen leiden tot de vaststelling van een tuchtvergrijp in hoofde van de verzoekende partij.” In een derde onderdeel doet verzoeker gelden dat de formelemotiveringsverplichting is geschonden in de mate deze vereist dat de vermelde motieven draagkrachtig dienen te zijn ten aanzien van de beslissing tot ontslag van ambtswege. Volgens hem is het vooreerst “duidelijk dat de motivering van de afwijking van het advies van de Tuchtraad niet afdoende is, niet in het minste gezien aanvankelijk zestien procedures en de aanhangig making in de pers als tuchtfeiten werden weerhouden in het inleidend verslag, terwijl uit de bestreden beslissing blijkt dat enkel nog 3 (dan wel 5) procedures als tuchtfeit worden weerhouden. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt geenszins om welke redenen de 3 (of zelfs 5) nog resterende procedures (tuchtfeiten) dezelfde beslissing van het ontslag van ambtswege kunnen schragen, temeer gezien de Tuchtraad reeds oordeelde dat ook deze 3 of zelfs 5 feiten geen tuchtfeiten zijn. Verder is het geenszins duidelijk of ook de persartikelen nog steeds als tuchtfeit worden weerhouden”. Daarnaast komt volgens verzoeker de verwerende partij in de bestreden beslissing terug op haar standpunt ingenomen in de intentie tot het afwijken van het advies van de Tuchtraad en worden de klachten met burgerlijke partijstelling die verzoeker heeft neergelegd alsnog als tuchtrechtelijk vergrijp beschouwd terwijl volgens verzoeker uit die intentie bleek dat enkel nog drie procedures als tuchtfeiten in aanmerking werden genomen. Alleen al uit de voortdurende wijziging in de grondslagen van de tuchtprocedure, blijkt volgens verzoeker de schending van de formelemotiveringsverplichting, “onder dit middel specifiek aangehaald in het kader van de verplichting tot gemotiveerde afwijking van het advies van de Tuchtraad. “Ten overvloede” XIV-37.117-4/116 werpt verzoeker tot slot op dat hij ook voor de Tuchtraad heeft doen gelden dat hij niet kan worden gesanctioneerd voor zijn melding aan het Comité P. Ondanks het feit dat de hogere tuchtoverheid kennis heeft genomen van dat argument, gaat zij toch over tot ontslag van verzoeker, met expliciete verwijzing naar deze melding. Indien de hogere tuchtoverheid hiervan wenst af te wijken, behoort dit uiteraard in de bestreden beslissing te worden opgenomen opdat verzoeker de redenen kan begrijpen waarom hij toch wordt gesanctioneerd. Door dit niet te doen, wordt andermaal de formele motiveringsverplichting geschonden. In een vierde onderdeel doet verzoeker gelden dat de tuchtoverheid niet heeft voldaan aan de in artikel 54 van de Tuchtwet vervatte bijzondere motiveringsverplichting, “gezien de verleende motivering foutief is en niet draagkrachtig ten aanzien van de opgelegde tuchtsanctie.” Hoewel volgens verzoeker de motivering manifest foutief is, “blijkt ook geenszins om welke reden de vermeende feiten tuchtrechtelijk zouden kunnen worden gekwalificeerd en dus een inbreuk zouden kunnen vormen op de deontologische en wettelijke verplichtingen, rustende op verzoeker,” en wordt op geen enkele wijze door de verwerende partij aangeduid op basis van welke concrete wettelijke of reglementaire bepalingen die meent dat de drie of vijf door haar ultiem in aanmerking genomen feiten tuchtrechtelijk sanctioneerbaar zouden zijn, in afwijking van het advies van de Tuchtraad en van het AIG. In de intentie om af te wijken van het advies van de Tuchtraad wordt niet gemotiveerd waarom de aangehouden bepalingen alsnog kunnen worden weerhouden. De verwerende partij kan er volgens verzoeker “niet mee volstaan in de bestreden beslissing te verwijzen naar een “… gebrek aan essentieel gebrek [sic.] voor de Grondwet, de wetten van het Belgische volk én van de rechterlijke orde. …” […] zonder te bepalen waar de Grondwet zou geschonden zijn en zonder te bepalen welke ‘wetten van het Belgische volk’ er in concreto overtreden zouden zijn.”
- In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker, wat het tweede onderdeel betreft, vooreerst op de stelling van de verwerende partij dat hij met de tweede klacht bij de arbeidsauditeur een bij aanvang nutteloze XIV-37.117-5/116 klacht zou hebben neergelegd, alsook op het standpunt van de verwerende partij inzake de melding in het dossier R. Voorts repliceert hij dat de verwijzing naar de criteria inzake onderscheid tussen tucht en evaluatie in de memorie van antwoord niet pertinent zijn vermits hij politieambtenaar is en er geen sprake is van disfunctioneren. Voorts stelt verzoeker vast dat de meerderheid van de door hem ingestelde procedures hem dus eigenlijk niet worden verweten en meer nog, dat blijkt dat ze hem nooit verwijtbaar zijn geweest, zodat wat dan ook juist onder de “opstapeling” van procedures dient te worden begrepen, niet eenduidig blijkt uit de lezing van het tuchtdossier en de opeenvolgende beslissingen van de verwerende partij. Tot slot wijst hij erop dat de verwerende partij het advies van de Tuchtraad en AIG verkeerd leest daar waar de verwerende partij stelt dat die de procedures afzonderlijk heeft beschouwd. Wat het derde onderdeel betreft repliceert verzoeker op de stelling van de verwerende partij dat met verjaarde tuchtfeiten rekening mag worden gehouden om het misbruik van procedures te illustreren. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat de verjaarde feiten als illustratie van een welbepaald gedrag werden beschouwd. Verzoeker verwijst ter zake naar het tweede middel. Voorts gaat verzoeker omstandig in op het antwoord van de verwerende partij dat zij weldegelijk het bewijs levert van een tuchtvergrijp en dat die duidelijk zijn en gaat hij niet akkoord dat de grondslag voor de tuchtstraf is aangegeven onder punt 6 van de bestreden beslissing. Tot slot voert verzoeker aan dat nieuwe feiten zonder meer werden toegevoegd onder dat punt 6 na het advies van de Tuchtraad en zelfs na de intentie om af te wijken van dat advies, waarbij hij ten aanzien van die feiten geen verweer heeft kunnen voeren hetgeen zijn recht van verdediging schaadt aangezien feiten die dateren van na het inleidend verslag niet kunnen worden toegevoegd. Tot slot wijst verzoeker op een aantal anomalieën inzake het in aanmerking genomen aantal tuchtfeiten en de wisselende standpunten van de verwerende partij ter zake. XIV-37.117-6/116 Wat het vierde onderdeel betreft benadrukt verzoeker dat de verwerende partij er niet in slaagt aan te duiden om welke redenen de specifieke wettelijke en deontologische bepalingen wel zouden zijn geschonden, in afwijking van het advies van de Tuchtraad. Het hernemen van een eerder standpunt voldoet geenszins aan de toets van artikel 54 van de Tuchtwet.
- In zijn laatste memorie herneemt verzoeker het middel en zijn repliek in de memorie van wederantwoord en repliceert hij op het standpunt van het auditoraat. Hij stelt inzonderheid wat het eerste onderdeel betreft, dat het standpunt van het auditoraat voorbijgaat aan de essentie van het tuchtdossier, het deskundigenverslag van het AIG en het advies van de Tuchtraad. Volgens hem bevestigt de Tuchtraad met zoveel woorden dat de tuchtvervolging eerder steunt op de wijze waarop verzoeker zich als personeelslid gedraagt en dat dus het functioneren in vraag wordt gesteld. Voorts blijkt volgens verzoeker uit zowel het deskundigenverslag, het advies van de Tuchtraad als uit het advies van de procureur des Konings dat de wettelijke basis om tuchtrechtelijk op te treden ontbreekt, waarbij de tuchtoverheid op geen enkele wijze motiveert waarom er toch een wettelijke basis zou zijn. Hij wijst er op dat de hogere tuchtoverheid kennis heeft genomen van het standpunt van het AIG doch dat zij aansluitend geen stukken heeft bijgebracht waaruit zou blijken dat zij instanties zou hebben bevraagd aangaande de wijze waarop verzoeker zijn rechten uitoefent. Voorts gaat verzoeker in op het feit dat in geen van de procedures een tusseneis uit hoofde van tergend en roekeloos geding is ingesteld, hetgeen hij omstandig detailleert. Ook gaat hij verder in op een aantal specifieke klachten. Tot slot doet hij gelden dat het bewijs van de tuchtfeiten nergens uit blijkt. Wat het tweede onderdeel betreft, doet verzoeker gelden dat “het geheel van procedures en klachten” in het voorstel van tuchtsancties een opsomming blijkt te zijn van in totaal zeventien initiatieven, terwijl “het geheel” in de bestreden beslissing wordt herleid tot drie of vijf. Volgens hem is er geen sprake meer van een geheel van feiten en kan men dit geheel dan ook niet op dezelfde wijze als basis gebruiken voor het opleggen van de thans bestreden XIV-37.117-7/116 tuchtstraf. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verjaring en verzoeker herneemt ter zake zijn standpunt dat de hogere tuchtoverheid er geen blijk van heeft gegeven dat zij er rekening mee hield dat een groot deel ervan was verjaard. Hij voegt er aan toe dat de hogere tuchtoverheid er niet mee kan volstaan te stellen dat verjaarde feiten als illustratie kunnen worden behouden zonder te motiveren waarom dezelfde tuchtsanctie wordt behouden. Wat het derde onderdeel betreft, antwoordt verzoeker dat er niet wordt verduidelijkt over welke combinatie van ingestelde procedures het gaat: aanvankelijk was er sprake van zestien, later verhoogd tot drieëntwintig waarvan er, na het advies van de Tuchtraad, nog drie/vijf konden worden behouden, doch waarvan nadien werd gesteld dat de klacht inzake R. op zich niet als tuchtfeit wordt beschouwd. Voorts betwist verzoeker dat het tuchtfeit een combinatie is van het aantal ingestelde procedures en gaat hij uitvoerig in op de elementen ervan: het beperkte resultaat ervan, het oneigenlijk gebruik van het recht om de eigen rechten af te dwingen, het feit dat verzoeker ook rechten van een derde tracht af te dwingen, de wijze waarop hij strafklachten indient en de wijze waarop hij in de ingestelde procedures en klachten omgaat met de feiten. Wat het vierde onderdeel betreft, voegt verzoeker toe dat bij gebrek aan opgave van de schending van de concrete wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de tuchtsanctie, hij de mogelijkheid niet meer heeft gehad zich tegen de afwijking van het advies van de Tuchtraad te verweren en de redenen daartoe te betwisten. Dit werd ook met zoveel woorden door hem bekritiseerd in zijn verweer. Beoordeling Eerste onderdeel
- In het eerste middelonderdeel doet verzoeker in het verzoekschrift gelden dat de hem ten laste gelegde feiten geen tuchtvergrijpen XIV-37.117-8/116 zijn in de zin van artikel 3 van de tuchtwet, waarbij hij ter adstructie van zijn standpunt, enkel verwijst naar en citeert uit het deskundigenverslag en het advies van de Tuchtraad die adviseren dat verzoeker geen tuchtvergrijpen zou hebben gepleegd. Het middelonderdeel wordt vanuit dit oogpunt beoordeeld.
- Artikel 3 van de tuchtwet definieert het begrip “tuchtvergrijp” als volgt: “Elke handeling of gedraging, zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die van aard is de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot het opleggen van een tuchtstraf.” De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- De bestreden beslissing omschrijft in punt 6 “Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten” het tuchtvergrijp als volgt: “
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Conform artikel 3 van de wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten dd 13 mei 1999 wordt een tuchtvergrijp als volgt omschreven: […]. XIV-37.117-9/116 De volgende feiten dienen te worden vastgesteld op het ogenblik van het opstellen van het inleidend verslag: A. U heeft tot op heden drieëntwintig
(23)procedures tegen Lokale Politie Antwerpen/Stad Antwerpen/leden van het politiekorps/ de burgemeester ingesteld:
- Verzoekschrift d.d. 7 juli 2011 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de ordemaatregel d.d. 7 juli 2011 door korpschef [E/B.];
- Verzoekschrift d.d. 13 augustus 2011 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de ordemaatregel d.d. 7 juli 2011 door korpschef [E.B.];
- Verzoekschrift d.d. 13 augustus 2011 bij de Raad van State tot nietigverklaring van de ordemaatregel d.d. 7 juli 2011 door korpschef [E.B.];
- Verzoekschrift d.d. 22 maart 2013 bij de Raad van State tot nietigverklaring van de ordemaatregel d.d. 25 januari 2013 door korpschef a.i. [S.M.];
- Verzoekschrift d.d. 5 april 2013 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de functioneringsnota d.d. 28 januari 2013 door commissaris van politie [P.C.];
- Verzoekschrift d.d. 5 april 2013 bij de Raad van State tot nietigverklaring van de functioneringsnota d.d. 28 januari 2013 door commissaris van politie [P.C.];
- Klacht d.d. 30 april 2013 bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (Antwerpen) wegens schending van de artikelen 32bis e.v. van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk ten laste van commissaris van politie [P.C.] en korpschef a.i. [S.M.];
- Klacht d.d. 10 juli 2013 bij het Vast Comité P tegen hoofdcommissaris van politie [S.M.] en commissaris van politie [P.C.] wegens laster en eerroof, lasterlijke aantijgingen tegen een ondergeschikte, valsheid in geschrifte, het gebruik van valse stukken en schending van artikel 32bis van de Wet betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van het werk (dossier nr. 2013/30460);
- Klacht d.d. 1 augustus 2013 bij de arbeidsauditeur tegen hoofdcommissaris van politie tegen hoofdcommissaris van politie [S.M.] en commissaris van politie [P.C.] wegens pesten op het werk;
- Klacht met burgerlijke partijstelling d.d. 18 september 2013 in handen van onderzoeksrechter [V.H.] tegen hoofdcommissaris van politie [S.M.] en commissaris van politie [P.C.] wegens laster en eerroof, lasterlijke aantijgingen tegen een ondergeschikte, valsheid in geschrifte, het gebruik van valse stukken (dossier 173/2013);
- Klacht met burgerlijke partijstelling d.d. 7 april 2014 (notitienummer: AN.21.99.351/14) in handen van de onderzoeksrechter tegen voormalig korpschef [E.B.];
- Klacht d.d. 20 november 2014 bij de arbeidsauditeur tegen hoofdcommissaris van politie [S.M.[ en commissaris van politie [P.C.] en nader te identificeren leden van het team Algemene Reserve en Bijstand van Lokale Politie Antwerpen, en dit wegens pesten op het werk;
- Dagvaarding d.d. 21 november 2014 voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank in kortgeding tegen de stad Antwerpen teneinde een verbod op te leggen aan de stad Antwerpen om nadelige maatregelen te treffen wegens de klacht met burgerlijke partijstelling d.d. 18 september 2013;
- Klacht d.d. 9 januari 2015 bij het Vast Comité P tegen hoofdcommissarissen van politie [S.M.] en [G.D.] en commissaris van politie [J.D.];
- Verzoekschrift d.d. 8 april 2015 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsingsbeslissing d.d. 2 april 2015 door burgemeester [B.D.W];
- Verzoekschrift d.d. 27 mei 2015 bij de Raad van State tot nietigverklaring van XIV-37.117-10/116 de schorsingsbeslissing d.d. 2 april 2015 door burgemeester [B.D.W.]; Daarnaast heb ik, sedert het opmaken van het inleidend verslag op 17 juli 2015 vastgesteld dat u op hetzelfde elan doorgaat, en nog steeds procedures tegen Lokale Politie Antwerpen / Stad Antwerpen / leden van het politiekorps / de burgemeester en zelfs tegen de procureur des Konings en de arbeidsauditeur instelt:
- Verzoekschrift d.d. 5 augustus 2015 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsingsbeslissing d.d. 28 juli 2015 door burgemeester [B.D.W];
- Verzoekschrift d.d. 25 september 2015 bij de Raad van State tot nietigverklaring van de schorsingsbeslissing d.d. 28 juli 2015 door burgemeester [B.D.W];
- Verzoekschrift d.d. 23 januari 2016 bij de Raad van State tot nietigverklaring van de schorsingsbeslissing d.d. 27 november 2015 door burgemeester [B.D.W];
- Verzoekschrift d.d. 4 april 2016 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsingsbeslissing d.d. 25 maart
- Klacht bij de Hoge Raad voor Justitie tegen de arbeidsauditeur en de procureur des Konings. Sinds mijn Intentie d.d. 10 mei 2016 heeft u uw houding niet gewijzigd :
- U heeft de ochtend van de zitting van de Raadkamer bij de Correctionele Rechtbank te Antwerpen d.d. 12 mei 2016, waarop er zou beslist worden over de buitenvervolgingstelling van de hoofdcommissaris [S.M.] e.a., meer dan 100 pagina's besluiten aan de Raadkamer en aan de raadsman van de betichten overhandigd met nog maar eens de vraag tot het voeren van bijkomend onderzoek. Dat u zolang wachtte om deze vraag aan de raadsman van de betichten over te maken, kon alleen maar ingegeven zijn door uw drang om de regeling tot rechtsprocedure (in casu de buitenvervolgingstelling van de diverse betichten) uitgesteld te zien. U, dan wel uw raadsman, wist zeer goed dat de raadsman van de betichten geen andere keuze had dan een uitstel te vragen om de omvangrijke besluiten te onderzoeken. Hierdoor wordt de regeling tot rechtsprocedure in deze zaak pas behandeld op de zitting van 16 juni
- U diende op 23 mei 2016 een verzoekschrift in bij de Raad van State tot vernietiging van de beslissing tot derde verlenging van de schorsing van 25 maart
- Het verzoekschrift werd door de raadsman van [verzoeker] op dezelfde dag aan de raadslieden van de stad Antwerpen overgemaakt. Deze procedure is nog hangende. Tot op heden werd s1echts in een procedure ook daadwerkelijk uw vordering toegekend (arrest d.d. 4 november 2014), namelijk naar aanleiding van het verzoekschrift d.d. 22 maart 2013 bij de Raad van State tot nietigverklaring van de ordemaatregel d.d. 25 januari 2013 door korpschef a.i [S.M.]. De Raad van State is in deze procedure echter enkel maar tot vernietiging overgegaan omdat de procedure van artikel 22 van het reglement op interne mobiliteit (RIM) niet gevolgd was geweest. In casu ging het dus enkel om het niet naleven van een vormvereiste. B. Het is een grondrecht voor één ieder om zijn rechten in een procedure af te dwingen. Wat evenwel in deze onaanvaardbaar is, is dat, wanneer u vaststelt dat de Raad van State niet geneigd is u gelijk te geven (u krijgt diverse negatieve arresten na elkaar), u dan maar overschakelt naar een volkomen ander soort van procedures, met name (straf)klachten bij het Vast Comité P, bij het parket en bij het arbeidsauditoraat. Deze zijn des te onaanvaardbaarder gelet op hun oneigenlijk gebruik omdat zij XIV-37.117-11/116 enkel ingesteld werden omdat u nergens anders gehoor kreeg terwijl u zeer goed weet dat deze strafklachten een substantieel verschil in perceptie bij derden teweegbrengen in vergelijking met een administratieve / burgerlijke procedure. Dat over de procedures bij de Raad van State nauwelijks (of niets) in de kranten verschijnt, in tegenstelling tot de strafprocedures, bewijst net dit punt. Een aantal van deze strafklachten werd bovendien op ‘een bijzonder tijdstip’ neergelegd met een bijzondere intentie tot schade van zowel het politiekorps als zijn leden. In dit kader is het meest typerende de klacht met burgerlijke partijstelling d.d. 18 september 2013 tegen de [S.M.] net op het moment dat deze laatste tijdens de Gemeenteraadzitting van 23 september 2013 zou worden voorgedragen als nieuwe korpschef van Lokale Politie Antwerpen. Er was geen enkele concrete aanleiding of nieuw feit dat de datum van neerlegging van deze klacht kan verklaren dan precies de gemeenteraad d.d. 23 september 2013 en het proberen weerhouden van de benoeming van korpschef [S.M.]. Hier kan niet voldoende herhaald worden dat nog geen enkele van de klachten tot een daadwerkelijke doorverwijzing naar de correctionele rechtbank heeft geleid. Meer nog, de dossiers zouden zelfs al zijn afgesloten mocht u niet telkens een ‘nieuwe’ klacht (op basis van dezelfde feiten) neerleggen wanneer u vaststelt dat het parket en/of de onderzoeksrechter van plan is de vorige af te sluiten wegens gebrek aan bewijs. C. Het is daarenboven ieders EIGEN grondrecht om zijn rechten in een procedure af te dwingen. Dit is niet bij uitbreiding van toepassing op procedures om andermans rechten af te dwingen. In een zoveelste poging om uw gelijk te halen, diende u zelfs een klacht in tegen korpschef [S.M.], hoofdcommissaris van politie [G.D.] en commissaris van politie [J.D.] voor feiten die betrekking hadden op een weigering tot verlenging van de pensioenleeftijd van een ander personeelslid en waar uzelf geenszins betrokken partij bij bent. De teneur van uw klacht op 9 januari 2015 gericht aan het Vast Comité P t.a.v. van deze politieambtenaren in deze is bovendien verbijsterend: ‘(...) Bij gebrek aan initiatief van de heer [R.] zie ik mij opnieuw genoodzaakt om de systematiek van de korpsleiding van de lokale politie Antwerpen aan te tonen bij de behandeling van personeelsdossiers, waarbij zij zich er niet voor schroomt om zich van officiële stukken te bedienen om personeelsleden in hun rechten te schaden en er van uitgaand dat men in de mogelijkheid verkeert om het bewijs van het tegendeel te leveren. (..)’ Het getuigt van weinig respect ten aanzien van de heer [R.] om een procedure in ‘zijn belang’ op te starten zonder hem hierin te kennen of hemzelf het initiatief te laten nemen. Dit kan alleen maar betekenen dat de heer [R.] zelf geen noodzaak tot enige verdere procedure zag en dat u anderen gebruikt om uw eigen doel te bereiken, wat in casu niet gelukt is. Deze klacht werd immers zonder gevolg geklasseerd door de procureur des Konings. D. De inhoud van uw strafklachten verdient trouwens verdere aandacht. Het is immers opvallend dat ondanks het feit dat er in totaal 6 strafonderzoeken werden geïnitieerd sinds 10 juli 2013, er nog geen enkele verwijzing naar de correctionele rechtbank gebeurde, wel integendeel. Dit is ook niet zo verwonderlijk: o Zo heeft u twee klachten wegens pesten ingediend bij de arbeidsauditeur. De eerste wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs op 7 januari
- Desondanks en zonder enige schroom dient u op 20 november 2014 een bijna identieke klacht in bij dezelfde arbeidsauditeur voor dezelfde — oude ! — feiten. Dat deze klacht met XIV-37.117-12/116 forse spoed eveneens wordt geseponeerd, hoeft geen verwondering te wekken. Dit betekent dat u een van bij aanvang nutteloze procedure heeft opgestart, waarbij u van een reeds overbelast parket eist dat deze de klacht (opnieuw) bekijkt zonder dat u nieuwe feiten aanbrengt. Dit is des te onaanvaardbaarder aangezien dit er ook voor zorgt dat er alweer een formele klacht tegen personeelsleden van Lokale Politie Antwerpen wordt ingeleid wat alweer een negatieve perceptie bij derden met zich meebrengt die geen kennis van zaken hebben en enkel door de pers worden geïnformeerd. o De klacht die u heeft neergelegd met betrekking tot het dossier van de heer [R.] behoeft geen verdere uitleg aangezien dit reeds uitgebreid werd vermeld onder punt C. o U beweert telkens dat u uw aantijgingen kan bewijzen en verwijst daarvoor naar de stukken die u aanwendt in de hangende strafprocedure. Ik heb geen inzage in deze stukken maar ik ga er van uit dat deze dezelfde zijn die u ook aanwendt in de diverse procedures voor de Raad van State. Daarbij zal ook het parket reeds tot de vaststelling zijn gekomen dat de omvang van uw dossier wordt gevormd door het overmaken van steeds opnieuw dezelfde stukken: de ene keer als afzonderlijk stuk, de andere keer als bijlage van een ander stuk. Van deze stukken zijn de transcripties van de opgenomen gesprekken de belangrijkste. En precies van deze transcripties heeft bv. de voorzitter van de arbeidsrechtbank al gesteld dat deze in geen geval uw stelling onderschrijven, wel integendeel: ‘Afgezien van deze vaststelling valt uit de door [verzoeker] aangehaalde passages uit de gesprekken met de heer [C.] en de heer [B.] weinig af te leiden aangaande de concrete feiten die geleid hebben tot de malaise binnen het PROA-team en hieruit kan al helemaal niet worden afgeleid dat de korpsleiding blijk zou hebben gegeven van kwade trouw bij het nemen van de ordemaatregel van 25 januari 2013.’. ‘Anders dan [verzoeker] beweert valt uit het verslag van de korpspsycholoog aangaande het gesprek van 14 december 2012 evenmin de onwaarachtigheid van de feiten af te leiden en bevestigt dit verslag enkel de problematische communicatie en samenwerking tussen [verzoeker] en zijn team.’... ‘Voorgaande beweringen leiden tot het besluit dat, in tegenstelling tot wat [verzoeker] meent te kunnen voorhouden, uit de voorliggende stukken van het dossier niet onomstotelijk kan worden afgeleid dat de voorgenomen procedure op basis van artikel 22 RIM gesteund is op motieven die foutief of onbestaand zouden zijn, dan wel gebaseerd zouden zijn op lasterlijke geruchten.’ E. Tot slot verdient ook de manier waarop u selectief omgaat met feiten de nodige aandacht. o Immers weerhoudt u zich er niet van om uw gelijk te proberen te bewijzen door slechts onderdelen van arresten te citeren in andere procedures. Als voorbeeld kunnen we hier aanhalen dat u op pagina 10 van uw verzoekschrift in uiterst dringende noodzakelijkheid d.d. 8 april 2015 dat u voor de Raad van State neerlegde, vermeldde: XIV-37.117-13/116 Dat ernstige vragen kunnen worden gesteld bij de werkelijke toedracht van de ordemaatregel, was ook Uw Raad niet ontgaan, waar zij in het vernietigingsarrest dd. 4 november 2014 stelde (stuk 3): ‘
- Eén zaak is de aard van de bestreden beslissing zoals die aard zich spontaan laat bepalen aan de hand van de vermeldingen van de beslissing. Een andere zaak is dat, mogelijk de beslissing niet is wat ze lijkt te zijn maar dat ze wezenlijk een ander karakter heeft dan normaal op zicht van haar vermeldingen moet worden aangenomen..
- In het eerste middel dat verzoeker aanvoert, beargumenteert hij dat de bestreden beslissing zich weliswaar als een ordemaatregel presenteert, maar in feite een verkapte tuchtstraf uitmaakt en dat het enige doel dat de verwerende partij ermee beoogde erin bestond verzoeker te sanctioneren. Aangezien dit middel in het auditoraatsverslag niet werd onderzocht, ken de Raad van State er zich niet over uitspreken…’ Wat u evenwel ‘vergat’ te citeren is het vervolg van het arrest waarin net het tegendeel wordt gezegd: ‘
- Het hier besproken eerste onderdeel van het vierde middel, zoals de Raad van State het begrijpt, gaat er integendeel van uit dat reeds de lectuur van de bestreden beslissing ervan doet blijken dat het niet zomaar om een ordemaatregel gaat. Namelijk zou de beslissing duidelijk uitwijzen dat ze niet is ingegeven door verzoekers gedragingen op zichzelf, waarbij die gedragingen louter worden beschouwd als een element dat de goede orde verstoort, maar dat ze is opgelegd vanwege de tekortkomingen die werden vastgesteld in het functioneren van verzoeker. Om die reden moest de verwerende partij volgens verzoeker het artikel 23 van het reglement op interne mobiliteit van de lokale politie Antwerpen hebben nageleefd, in verband met de herplaatsing door de korpschef van ‘[p]ersoneelsleden van wie de tekortkomingen in het functioneren, de goede werking van de dienst verstoren’.
- Anders echter dan verzoeker leest de Raad van State in de bestreden beslissing niet dat er hem tekortkomingen aangerekend worden Integendeel wordt er juist in overwogen dat mogelijke tekortkomingen in het functioneren van verzoeker niet het onderwerp vormen van de beslissing en dat de schuldvraag niet relevant is. Als voorwerp van de ordemaatregel wordt expliciet de onoverbrugbaar gebleken vertrouwensbreuk tussen het PROA-team en verzoeker aangewezen, waardoor de werking van het PROA-team in het gedrang komt. De schuldvraag wordt formeel buiten beschouwing gelaten: ‘hoewel alle partijen mogelijks een aandeel dragen in dit conflict, [is] op dit ogenblik enkel [verzoeker] nog tot verdere samenwerking bereid [...), doch geen van de andere medewerkers’. Hierdoor geeft u een volledig andere lezing van het arrest dan wat er wordt vermeld. Dit is simpelweg de waarheid geweld aandoen. o Hetzelfde geldt voor alle persartikels: u houdt niet op telkens nieuwe initiatieven aan de pers mee te delen, hierin te benadrukken hoeveel bewijzen u wel heeft tegen de diverse individuen, terwijl u op geen enkel moment diezelfde pers heeft ingelicht over alle zaken die u voor de Raad van State en bij de voorzitter van de XIV-37.117-14/116 arbeidsrechtbank heeft verloren noch over de (straf)klachten die inmiddels zouden zijn geseponeerd mocht u deze net kunstmatig in leven houden door telkens een zogenaamde "nieuwe" klacht neer te leggen noch over het feit dat uw omvangrijke dossier tot enkele stukken kunnen worden herleid aangezien dezelfde stukken vaak zowel als stuk als als bijlage van een stuk worden aangewend. Met andere woorden: precies wat u anderen verwijt (bv. in de klacht d.d. 9 januari 2015 bij het Vast Comité P tegen hoofdcommissaris van politie [S.M.], hoofdcommissaris van politie [G.D.] en commissaris van politie [S.D.]: zich bedienen van adviezen [...] de inhoud niet met de werkelijkheid overeenstemt kan uzelf verweten worden. BESLUIT [...] Ik meen dat de niet aflatende stroom van procedures, zowel voor administratieve rechtscolleges als bij het openbaar ministerie en het Vast Comité P, en het steeds blijven zoeken naar daarbijhorende persaandacht, de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: U hebt uw ambtsplichten miskend en de waardigheid van het ambt geschonden door 16 verschillende procedures op te starten tegen de stad Antwerpen, Lokale Politie Antwerpen en leden van het politiekorps. Dit is niet langer de gewone uitoefening van een grondrecht, namelijk uw recht om in rechte op te treden, maar een misbruik van dat recht dat niet kan worden getolereerd. De diverse procedures die u instelde zijn onevenredig, onredelijk en overbodig. Een politieambtenaar dient volstrekt integer te zijn en u hebt zich allerminst gedragen zoals het een politieambtenaar past. Een politieambtenaar dient erop toe te zien dat de wetten worden nageleefd en dient de burgers te beschermen. U hebt zich allerminst voorbeeldig gedragen en u hebt zelf de wetten en reglementen gebruikt maar vooral misbruikt en hiertoe schade toegebracht aan de stad Antwerpen, het politiekorps van Antwerpen en diverse leden van het politiekorps van Antwerpen. Eén van de belangrijkste opdrachten van een politieambtenaar is het doen respecteren van de wet. Het zelf respecteren van de wet is dan ook essentieel. U kwam alzo tekort aan: - Artikel 3 van de deontologische code [...] - Artikel 132 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus [...] - Artikel 28 van de deontologische code [...] - Artikel 41 van de deontologische code [...].” Uit deze omschrijving blijkt, in synthese, dat het aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp niet de talrijke procedures en klachten zijn die verzoeker heeft ingesteld, die op zich individueel als tuchtvergrijp zijn gekwalificeerd door de hogere tuchtoverheid. Het is, integendeel, “de niet aflatende stroom van procedures, zowel voor administratieve rechtscolleges als bij het openbaar ministerie en het Vast Comité P, en het steeds blijven zoeken naar daarbij horende persaandacht” die het tuchtvergrijp uitmaakt, zodat verzoeker de ambtsplichten en de waardigheid van het ambt” schendt door “16 XIV-37.117-15/116 verschillende procedures op te starten tegen de stad Antwerpen, Lokale Politie Antwerpen en leden van het politiekorps”, hetgeen volgens de hogere tuchtoverheid “niet langer de gewone uitoefening [is] van een grondrecht, namelijk [verzoekers] recht om in rechte op te treden, maar een misbruik van dat recht dat niet kan worden getolereerd” omwille van het “onevenredig, onredelijk en overbodig karakter” ervan. De hogere tuchtoverheid komt tot dit besluit op grond van, samengenomen, (1°) de opsomming van het aantal ingestelde procedures en het beperkt resultaat dat die verzoeker hebben opgeleverd, (2°) het oneigenlijk gebruik van het recht om de eigen rechten af te dwingen, (3°) het feit dat verzoeker ook de rechten van een derde tracht af te dwingen, (4°) de wijze waarop verzoeker strafklachten indient en (5°) de wijze waarop verzoeker in de ingestelde procedures en klachten omgaat met de feiten.
- Wat het eerste middelonderdeel betreft, beperkt verzoeker ter adstructie van zijn standpunt dat de hem verweten feiten geen tuchtvergrijp vormen in de zin van artikel 3 van de tuchtwet, er zich in het verzoekschrift toe louter te verwijzen, zonder meer, naar en tot het (selectief) citeren uit het deskundigenverslag van het AIG en uit het advies van de Tuchtraad dat het deskundigenverslag bijtreedt. Het middelonderdeel getuigt hierbij van een misvatting. Zoals hiervoor reeds is overwogen (supra, punt 8), komt het de Raad van State immers niet toe om zich in de plaats van de tuchtoverheid stellend, zelf aan de hand van de stukken, naar eigen inzicht uit te maken of de feiten die tegen verzoeker worden ingebracht als een tuchtfeit in de zin van artikel 3 van de tuchtwet te kwalificeren zijn. Het komt aldus aan verzoeker toe, wanneer hij zoals te dezen, de kwalificatie door de tuchtoverheid van de hem ten laste gelegde feiten betwist – stellend dat die geen tuchtvergrijp vormen – inzichtelijk te maken waarom dat zo is. Een loutere verwijzing met bovendien een slechts gedeeltelijke citering, zoals te dezen, uit het deskundigenverslag van het AIG en uit het advies van de XIV-37.117-16/116 Tuchtraad en het zich bij die adviezen aansluiten, zij het dat deze deskundigen en specialisten zijn inzake tuchtrecht, volstaat dan ook niet opdat de Raad van State, in het raam van zijn hiervoor nader omschreven bevoegdheid als annulatierechter, kan besluiten dat de hogere tuchtoverheid de feitelijke gegevens niet correct heeft gekwalificeerd.
- De argumenten en kritieken aangevoerd in de laatste memorie, zijn voorts nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat, in de mate dat zij al kunnen worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het eerste onderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
- In het tweede onderdeel, waarin verzoeker de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert, gaat verzoeker in het verzoekschrift uit van het eigen standpunt dat van de aanvankelijk zestien verweten tuchtfeiten in het voorstel tot zware straf, de verwerende partij in de intentie tot het afwijken van het advies van de Tuchtgraad er nog drie aanhield, om er dan weer vijf aan te houden in de bestreden beslissing. Hij gaat er derhalve van uit dat elk van de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen feiten – waarvan hij er “3 en/of 5 als weerhouden” ontwaart (de tweede klacht arbeidsauditeur, de procedure kort geding, de melding in het dossier R., de klacht met burgerlijkepartijstelling tegen M., C. en B. – en enkel die, individueel gezien, elk een tuchtvergrijp vormen, waarvan hij in het verzoekschrift tracht aan te tonen dat het feitelijk bestaan van de door de tuchtoverheid aangehouden feiten niet naar behoren is bewezen en dus de motivering niet deugdelijk is. XIV-37.117-17/116 Dit standpunt mist feitelijke grondslag. Het aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp, alsook de feiten waarop dat steunt, is hiervoor weergegeven (supra, punt 9). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt dat niet de talrijke procedures en klachten die verzoeker heeft ingesteld, in het algemeen, en de 3/5 die volgens verzoeker in aanmerking zijn genomen, op zich individueel als tuchtvergrijp zijn beoordeeld door de hogere tuchtoverheid. Verzoeker geeft aldus verkeerdelijk een andere invulling aan het hem ten laste gelegde tuchtvergrijp en betrekt zijn kritiek in het middelonderdeel niet op het hem ten laste gelegde tuchtvergrijp. Het middelonderdeel mist derhalve feitelijke grondslag en aangezien het volledig is opgebouwd vanuit deze verkeerde feitelijke analyse, is het de Raad van State in het raam van zijn hiervoor nader omschreven bevoegdheid als annulatierechter, niet mogelijk verzoekers eigen standpunt op zijn merites te onderzoeken en te onderzoeken of de hogere tuchtoverheid de feitelijke gegevens die verzoeker thans aanvoert, niet correct heeft gekwalificeerd. Het middelonderdeel kan niet tot nietigverklaring leiden en behoeft dan ook geen verdere beoordeling.
- De argumenten en kritieken aangevoerd in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie tot slot, zijn nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat, in de mate dat zij al kunnen worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het tweede onderdeel is ongegrond. XIV-37.117-18/116 Derde onderdeel
- In het derde onderdeel voert verzoeker de schending aan van de formelemotiveringsplicht. Uit het middel blijkt dat hij die bedoelt bepaald in de wet van 29 juli
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid om in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
- In essentie voert verzoeker in het verzoekschrift aan dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid welke feiten nog als tuchtfeiten worden aangehouden. Volgens hem is het, bij lezing van de bestreden beslissing, niet duidelijk welke procedures en hoeveel procedures in aanmerking worden genomen als tuchtfeit en is het evenmin duidelijk of de persartikels nog werden behouden als tuchtfeit. De stelling van verzoeker overtuigt niet. De bestreden beslissing beschrijft onder het hiervoor aangehaalde kopje “
- Vaststaan, XIV-37.117-19/116 kwalificatie en toerekening van de feiten” (supra, punt 9) de aan verzoeker ten laste gelegde feiten en het aan verzoeker tenlastegelegde tuchtvergrijp. Er wordt naar verwezen. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt aldus uit de formele motivering van de bestreden beslissing uitdrukkelijk en ondubbelzinnig welke feiten (en tuchtvergrijp) aan verzoeker ten laste wordt gelegd. Dit volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht. Voorts blijkt niet uit de formele motivering dat de hogere tuchtoverheid de “grondslagen van de tuchtprocedure” en het tuchtrechtelijk vergrijp heeft gewijzigd of bijgesteld. Een schending van de formelemotiveringsplicht kan hieruit dus niet volgen. Dat, zoals verzoeker in wezen voorhoudt, deze feiten niet in alle (navolgende) rubrieken van de bestreden beslissing – met name onder de (navolgende) kopjes “intentie tot afwijking dd. 10 mei 2016” en “schriftelijk verweer dd. 18 mei 2016 en weerlegging van de argumenten in dit schriftelijk verweer” – extensief worden herhaald doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Eenzelfde vaststelling geldt inzake het “ten overvloede” aangevoerde argument, nu deze kritiek uitgaat van het hiervoor onjuist bevonden standpunt dat de talrijke procedures en klachten die verzoeker heeft ingesteld, op zich individueel als tuchtvergrijp zijn beoordeeld door de hogere tuchtoverheid. Aldus kan een schending van de formelemotiveringsplicht niet voorliggen door niet te motiveren waarom die klacht bij het Comité P als tuchtvergrijp in aanmerking wordt genomen nu dat standpunt uitgaat van een verkeerde lezing van het tuchtvergrijp. De enkele omstandigheid tot slot dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering en een andere opvatting over het afdoend karakter ervan heeft, maakt die daarom niet onwettig.
- De argumenten en kritieken aangevoerd in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie tot slot, zijn nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat, in de mate dat zij al kunnen worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen XIV-37.117-20/116 ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het derde onderdeel is ongegrond. Vierde onderdeel
- In het vierde onderdeel voert verzoeker een schending aan van artikel 54 van de tuchtwet. Het te dezen toepasselijke eerste lid van die bepaling luidt: “Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, dan moet zij de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van de betrokkene. Deze kan een schriftelijk verweer indienen binnen de tien dagen na de kennisgeving, op straffe van verval.” Op grond van deze bepaling is de hogere tuchtoverheid op geen enkele wijze gebonden door het advies van de Tuchtraad, noch wat de uiteenzetting van de feiten en de toerekening ervan aan het betrokken personeelslid betreft, noch wat de kwalificatie van die feiten als tuchtvergrijp betreft, noch wat de voorgestelde tuchtstraf betreft. Wanneer de hogere tuchtoverheid beoogt af te wijken van het advies, moet zij wel de redenen hiertoe aangeven en ze, samen met de voorgenomen straf, ter kennis brengen van het betrokken personeelslid (GwH 28 februari 2013, nr. 25/2013, punt B.7.) Deze in hoofde van de hogere tuchtoverheid opgelegde specifieke pleegvormen om de redenen tot afwijking van het advies van de Tuchtraad aan te geven en ter kennis te brengen van het personeelslid, strekken ertoe om aan het betrokken personeelslid, ter vrijwaring van zijn recht van verdediging, de mogelijkheid te bieden zich schriftelijk tegen het voorstel tot afwijking te verweren en de redenen daartoe te betwisten XIV-37.117-21/116 Voorts heeft het in artikel 54 van de tuchtwet vervatte voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad de draagwijdte van een niet-bindend voorstel. Het is derhalve een louter voorbereidende handeling tot de definitieve beslissing, die de rechtstoestand van verzoeker niet nadelig raakt noch een zeker en definitief schadelijk gevolg heeft.
- In zoverre verzoeker in het middelonderdeel de deugdelijkheid of het afdoend karakter bekritiseert van de formele motivering van het voornemen (of de “intentie”) van de hogere tuchtoverheid om af te wijken van het advies van de Tuchtraad, blijkt uit het administratief dossier dat de hogere tuchtoverheid op 10 mei 2016 het voornemen formuleerde om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. In dit voorstel – de “intentie” genoemd – zijn de redenen uiteengezet om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. Dit voorstel is ter kennis gebracht van verzoeker die vervolgens op 18 mei 2016 tegen dit voorstel een verweerschrift heeft ingediend, dat voorts op zijn merites in concreto is beoordeeld in de bestreden beslissing. Niet blijkt, noch wordt in het middelonderdeel zoals uiteengezet in het verzoekschrift, aangevoerd of uiteengezet dat deze “intentie” verzoeker, met miskenning van zijn recht van verdediging, de mogelijkheid niet bood zich schriftelijk tegen het voorstel tot afwijking te verweren en de redenen daartoe te betwisten. Vastgesteld wordt dat verzoeker aldus afdoende de redenen kende of moest kennen waarom de hogere tuchtoverheid zich voornam af te wijken van het advies van de Tuchtraad en dat hij er zich inhoudelijk tegen heeft kunnen verweren, hetgeen hij ook (inhoudelijk) heeft gedaan. Dit volstaat in het licht van het geschonden geachte artikel 54 van de Tuchtwet. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de opgegeven redenen en die ondeugdelijk bevindt, inzonderheid omdat erin de wettelijke basis voor de tuchtsanctie zou ontbreken, maken die daarom niet onwettig.
- De argumenten en kritieken aangevoerd in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie tot slot, zijn nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat, in de mate dat ze al kunnen XIV-37.117-22/116 worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het vierde onderdeel is ongegrond. Conclusie
- Het eerste middel is ongegrond. XIV-37.117-23/116 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet. Hij zet in het verzoekschrift uiteen dat het merendeel van de aan hem verweten tuchtfeiten verjaard zijn. Volgens verzoeker heeft de hogere tuchtoverheid hiermee geen rekening gehouden en heeft zij die als illustratie van een algemene houding aangevoerd. Met betrekking tot de stelling dat de verjaarde feiten niettemin als illustratie kunnen dienen voor een algemene sanctioneerbare houding, merkt verzoeker op dat dit niet het geval mag zijn, aangezien die feiten volgens verzoeker ingevolge het advies van het AIG en de Tuchtraad geen tuchtvergrijpen uitmaken en dus onmogelijk als illustratie kunnen gelden voor een algemene sanctioneerbare houding die zou moeten blijken uit de niet-verjaarde tuchtfeiten. Verzoeker besluit dat de regelmatigheid van de tuchtbeslissing is aangetast omdat het gros van de tuchtfeiten verjaard is. De hogere tuchtoverheid kan hieraan niet tegemoet komen door de uitbreiding van het aantal hem verweten feiten. Tot slot stelt verzoeker dat noch uit het inleidend verslag, noch uit het voorstel zware tuchtstraf blijkt dat de tuchtoverheid ervan is uitgegaan dat tal van feiten verjaard zijn.
- In de memorie van wederantwoord beklemtoont verzoeker dat nergens in de bestreden beslissing is vermeld dat de verjaarde feiten ten overvloede als voorbeeld werden aangehaald en zonder dewelke dus de bestreden beslissing ook stand zou houden. Het feit dat de verwerende partij zich heeft gebaseerd op feiten die achteraf verjaard blijken te zijn kan niet meer worden geremedieerd door te stellen dat die illustratief zouden zijn voor een algemeen sanctioneerbare houding. In zijn laatste memorie beklemtoont verzoeker dat het vaststaat dat de tuchtoverheid haar voorstel baseerde op zeventien feiten ten aanzien van welke niet werd aangegeven dat het overgrote deel ervan verjaard zou zijn en dat XIV-37.117-24/116 die feiten, nadat de verjaring ervan werd vastgesteld door de Tuchtraad en dat dit niet werd betwist door de hogere tuchtoverheid, niet op gelijke wijze doorwegen bij de bepaling van de tuchtstraf. Beoordeling
- Het geschonden geachte artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de (hogere) tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Op die manier wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens een tuchtprocedure wordt aangevat. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. XIV-37.117-25/116 Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- In de bestreden beslissing is in de rubriek “
- Datum van kennisneming van de feiten en datum van de kennisgeving van het inleidend verslag” het volgende gesteld: “Een deel van de feiten bedoeld in punt 2 werden mij op 5 maart 2015 ter kennis gebracht met de brief van advocaat-generaal [M.T.] van 3 maart
- Op basis van deze informatie was ik op dat ogenblik geenszins op de hoogte van de volledige omvang van de feiten, bezat ik als tuchtoverheid onvoldoende concrete informatie betreffende de juiste toedracht en omstandigheden, om met kennis van zaken te beslissen om al dan niet een tuchtprocedure lastens u op te starten. Om deze reden ben ik ten gronde uw positie binnen het politiekorps gaan bekijken en heb ik de verschillende procedures waarbij onder meer de stad Antwerpen bij is betrokken geanalyseerd en de nodige stukken opgevraagd bij de procureur des Konings en de arbeidsauditeur. Op 3 juni 2015 ontving ik een voor eensluidend verklaard afschrift van de strafdossiers met notitienummer 1/18[…]0/13 en 1/24[…]1/14 van substituut- arbeidsauditeur [K.V.]. Op 5 juni 2015 ontving ik een voor eensluidend verklaard afschrift van het strafdossier met notitienummer AN.21.99.1[…]1/15 van procureur des Konings [B.T.]. 5 juni 2015 is de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Het inleidend verslag werd u betekend op datum van 17 juli
- Deze datum moet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van dit voorstel tot zware tuchtstraf. Met het inleidend verslag werd mijn voornemen kenbaar gemaakt u de zware tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’op te leggen.” Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat verzoeker in zijn verweerschrift van 13 augustus 2015 na de hoorzitting van 13 augustus 2015, als argument aanvoerde dat de feiten verjaard zijn. Uit de bestreden beslissing blijkt dat dat argument als volgt werd beoordeeld en verworpen door de hogere tuchtoverheid: “
- Analyse van het verweer neergelegd op de hoorzitting dd 13 augustus 2015 Het verweerschrift van 13 augustus 2015 bevatte volgende argumenten: 5.1 Eerste middel: verjaring van de tuchtfeiten U bent van oordeel dat de verjaring is ingetreden aangezien de feiten die aan de tuchtprocedure ten grondslag liggen dateren van meer dan 6 maanden voor de XIV-37.117-26/116 kennisgeving van het inleidend verslag. Twee feiten zouden slechts liggen binnen de voormelde periode van 6 maanden maar geen van beide feiten zou voldoende zijn om tot tuchtsanctie over te gaan. U stelt dat het enkele feit van de opstart van de procedures de redenen zijn voor het opstarten van de tucht. De inhoud van de procedures zou irrelevant zijn zodat de informatie die ik hieromtrent in de loop van de maanden mei en juni heb gekregen niet relevant is en er hier geen rekening mee mag gehouden worden om de verjaring te berekenen. Beoordeling Artikel 56 van de Tuchtwet bepaalt dat ‘de betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid.’ Feiten kunnen echter slechts als vastgesteld of kennisgenomen worden beschouwd op het moment dat de tuchtoverheid over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Zo wordt vermeden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens een tuchtprocedure wordt aangevat. Het inleidend verslag dateert van 15 juli 2015 en werd u op 17 juli betekend. Uit het inleidend verslag blijkt dat het niet elke procedure op zich is die aanleiding geeft tot de tucht, maar de hoeveelheid van de procedures, het tijdstip van de procedures, de inhoud van de procedures en de afloop van al deze procedures. Artikel 56 van de Tuchtwet Politie zegt uitdrukkelijk dat de termijn begint te lopen vanaf de kennisname van de feiten door de tuchtoverheid, niet vanaf wanneer de feiten zich hebben voorgedaan. Daarenboven: wanneer het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen bestaat in een voortdurende tekortkoming van de betrokkene, bepaalt de overheid het tijdstip vanaf wanneer die lopende tekortkoming elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Enkel door de informatie die ik kreeg in de loop van de maanden mei en juni 2015, heb ik mij een beeld kunnen vormen van een deel van deze procedures. Er is immers een substantieel verschil tussen kennis hebben van het bestaan van de procedure en kennis van de inhoud ervan. U geeft daarenboven zelf aan dat de informatie die ik ontving in mei en juni 2015 ook nieuwe procedures vermeldde waarvan ik het bestaan nog niet kon kennen. De draagwijdte van de procedures, en dus de noodzaak om een tuchtprocedure op te starten, is mij maar duidelijk geworden nadat ik de volgende inlichtingen had ontvangen: - de brief van de advocaat-generaal [M.T.] dd 3 maart 2015 (ontvangen op 6 maart 2015): in deze brief met bijlage was slechts voor het eerst sprake van een aantal hangende procedures (zoals u trouwens zelf toegeeft); - de bevraging van het Dircom+ d.d. 12 maart 2015 - de brief van procureur des Konings [B.T.] d.d. 27 april 2015 waarbij een overzicht werd gegeven van alle strafrechtelijke onderzoeken lopende na klachten ingediend door [verzoeker] bij het Vast Comite P en/of het openbaar ministerie; - de brief van de substituut-arbeidsauditeur [K.V.] d.d. 13 mei 2015 waarbij kopie wordt overgemaakt van de twee opsporingsonderzoeken opgestart naar aanleiding van de klachten d.d. 1 augustus 2013 en 20 november 2014 van [verzoeker] - de brief van Procureur des Konings [B.T.] d.d. 5 juni 2015 waarbij kopie wordt overgemaakt van het strafdossier dat was opgestart naar aanleiding van de klacht d.d. 9 januari 2015 van [verzoeker] doch zonder gevolg werd geklasseerd; XIV-37.117-27/116 Dat ik al vroeger kennis had van een aantal elementen die u nu ten laste wordt gelegd, doet de verjaring niet intreden. Zij versterken slechts het dossier. Het eerste middel is derhalve niet gegrond.” Uit deze gegevens blijkt dat de bestreden beslissing 3 juni 2015, zijnde de datum waarop de procureur des Konings kopie bezorgt van een zonder gevolg gerangschikt strafdossier dat was opgestart naar aanleiding van een klacht van 9 januari 2015 van verzoeker, als de datum neemt die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van het inleidend verslag. Voorts blijkt dat de hogere tuchtoverheid van oordeel is dat zij enkel door de informatie die zij kreeg in de loop van de maanden mei en juni 2015 een beeld heeft kunnen vormen van een deel van deze procedures, alsook dat de draagwijdte van de procedures, en dus de noodzaak om een tuchtprocedure op te starten, haar maar duidelijk is geworden nadat de hogere tuchtoverheid de hiervoor nader vermelde inlichtingen had ontvangen, waarvan de laatste dateert van 5 juni
- Verzoeker verzuimt deze beoordeling van de hogere tuchtoverheid te betrekken in zijn middel. Voorts gaat verzoeker uit van het in het eerste middel verkeerd bevonden standpunt dat elke individuele ingestelde klacht of procedure een afzonderlijk tuchtvergrijp vormt. In deze context en zelfs indien de bestreden beslissing melding zou maken van tuchtfeiten die verjaard zouden kunnen zijn, maakt verzoeker niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid die feiten niet mocht gebruiken en vermelden om het misbruik van het in rechte optreden dat verzoeker wordt verweten, te illustreren en om het patroon dat de hogere tuchtoverheid in het aanhoudend gedrag en houding van verzoeker ontwaart, te duiden. Niet blijkt aldus dat de in de bestreden beslissing aangehouden datum van kennisneming van de feiten met miskenning van de in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde verjaringstermijn is vastgesteld.
- Het tweede middel is ongegrond. XIV-37.117-28/116 C. Derde middel Vooraf
- Het eerste onderdeel van dit middel is ongegrond bevonden bij arrest nr. 241.180 van 30 maart
- Het navolgende onderzoek is derhalve beperkt tot het tweede onderdeel van het middel. Uiteenzetting van het tweede onderdeel van het middel
- In het tweede onderdeel van het derde middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel. Hij zet uiteen dat de stad Antwerpen in meerdere procedures werd betrokken, wat volgens hem maakt dat de statutaire werkgever, waarvan de burgemeester als wettelijke vertegenwoordiger hem thans heeft ontslagen, niet objectief en onpartijdig is. De stad Antwerpen is betrokken partij en de burgemeester kan dit dossier dan ook niet met de vereiste onpartijdigheid beoordelen. Daarenboven veruitwendigt de burgemeester in zijn brief van 7 april 2015 gericht aan de procureur des Konings het voornemen tot “het zo snel mogelijk nemen van passende tuchtmaatregelen.” Volgens verzoeker staat aldus het voornemen om over te gaan tot het nemen van tuchtmaatregelen vast op 7 april
- Voor verzoeker is het opvallend dat op die dag reeds een schrijven wordt gericht aan het parket, terwijl geen enkel initiatief volgt om het verslag van het Dircom+ aan een nader onderzoek te onderwerpen, terwijl de burgemeester nochtans de schorsing en later zijn ontslag op dat verslag baseert. Dergelijke manier van handelen is volgens verzoeker het bewijs dat de burgemeester handelt als betrokken partij. De omstandigheid dat de burgemeester betrokken partij is, doet des te meer vragen rijzen, terwijl het volgens verzoeker nochtans eenvoudiger ware geweest door beroep te doen op de tussenkomst van XIV-37.117-29/116 de algemene inspectie, hetgeen hij nader detailleert in het verzoekschrift. Tot slot negeert de burgemeester verzoekers verweer in het kader van de schorsing en de verlenging van de schorsing systematisch, meer bepaald wat de noodzaak betreft tot objectivering van het verslag van het Dircom+, hetgeen hij verder in het verzoekschrift toelicht.
- In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de acties van de verwerende partij niet in het verlengde liggen van een eerder initiatief, maar dat het tuchtrechtelijk initiatief wordt genomen omwille van de procedures die tegen de stad Antwerpen zijn ingesteld. Voorts gaat hij dieper in op de omstandigheid dat de verwerende partij het verslag van het Dircom+ niet aan een nader onderzoek heeft onderworpen als kenmerk van gebrek aan goede trouw en stelt hij dat het probleem van partijdigheid niet absoluut was omdat de verwerende partij een beroep kon doen op een externe instantie. In de laatste memorie zet verzoeker nog uiteen dat een evident objectief gegeven dat aantoont dat de burgemeester niet onpartijdig is, het feit is dat de tuchtprocedure werd geïnitieerd om te verhinderen dat verzoeker nieuwe initiatieven zou nemen tegen de belangen van de verwerende partij. Samen met de omstandigheid dat de tuchtprocedure voor het overige steunt op het verslag van het Dircom+ waarvan de objectiviteit volledig ontbreekt, bestond er wel degelijk de noodzaak om het onderzoek aan een extern orgaan toe te vertrouwen. Voorts gaat verzoeker omstandig in op de rol en de problematiek van de bevraging van het Dircom+, ter adstructie van zijn standpunt. Beoordeling
- Het onpartijdigheidsbeginsel, voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, waarborgt zowel de persoonlijke onpartijdigheid van de personeelsleden en de leden van bestuurlijke organen die mede een beslissing nemen, als de structurele onpartijdigheid van die personeelsleden en XIV-37.117-30/116 bestuurlijke organen op het vlak van de organisatie van deze organen, het verloop van de procedure en het tot stand komen van hun beslissingen.
- In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het feit dat de stad Antwerpen in meerdere procedures is betrokken, wat volgens verzoeker maakt dat de statutaire werkgever, waarvan de burgemeester als wettelijke vertegenwoordiger de bestreden beslissing heeft genomen, niet objectief en onpartijdig is, gaat het in de eerste plaats om de functionele of structurele onpartijdigheid van de burgemeester als orgaan van de stad Antwerpen. De onpartijdigheid van de burgemeester dient alzo vanuit een objectief oogpunt te worden beoordeeld. Het enkele feit dat de bevoegde tuchtoverheid te dezen ook de hoedanigheid heeft van orgaan van de publieke rechtspersoon tegen wie verzoeker (onder meer, doch niet uitsluitend) procedures heeft ingesteld, volstaat op zich niet om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid, niet meer in staat zou zijn om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak van de verzoeker. Het komt aan verzoeker toe om met bijkomende en specifieke objectieve gegevens aannemelijk te maken dat de burgemeester van de stad Antwerpen, op grond van het enkele feit dat de stad Antwerpen de statutaire werkgever is, niet meer vermocht zijn bevoegdheden die hem krachtens de tuchtwet toevielen, onpartijdig uit te oefenen. Verzoeker reikt die niet aan.
- In zoverre verzoeker ter adstructie van de partijdigheid van de burgemeester “daarenboven” aanvoert dat het voornemen van de burgemeester om over te gaan tot het nemen van tuchtmaatregelen reeds vaststond op 7 april 2015, voert hij in wezen de subjectieve partijdigheid cq. vooringenomenheid aan van de burgemeester. Voor zover van toepassing op organen van het actief bestuur, houdt dat te dezen in dat de hogere tuchtoverheid zich moet onthouden van deelname aan het besluitvormingsproces in de voorliggende tuchtzaak indien zij een persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij die zaak. Dit kan ook een moreel belang zijn, onder meer wanneer de hogere tuchtoverheid reeds een XIV-37.117-31/116 duidelijk standpunt heeft ingenomen en niet zonder gezichtsverlies op dat standpunt zou kunnen terugkomen. Subjectieve partijdigheid wordt niet vermoed en mag slechts worden aangenomen indien precieze feiten of concrete aanwijzingen worden bijgebracht die deze partijdigheid aantonen. Een loutere subjectieve indruk van partijdigheid volstaat niet om de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk te maken. Het komt aan verzoeker toe de daadwerkelijke vooringenomenheid van de hogere tuchtoverheid in de voorliggende tuchtzaak aan te tonen. Verzoeker levert dat bewijs niet. Verzoeker wijst in het verzoekschrift ter adstructie van zijn argumentatie op de vooringenomen rol van de burgemeester zoals die volgens hem zou blijken uit een zinsnede uit een brief gericht aan de procureur des Konings van 7 april
- Volgens hem vormt die zinsnede een voldoende concreet objectief gegeven om te besluiten tot de vooringenomenheid van de burgemeester. Dat standpunt wordt niet bijgevallen. Het past daartoe de integrale brief aan te halen waaruit verzoeker een zinsnede citeert: “Voorlopige schorsing bij ordemaatregel — [verzoeker] Mijnheer de procureur des Konings Met uw brief van 26 februari 2015, mij toegestuurd met de brief van 3 maart 2015 van advocaat-generaal [M.T.], stelde uw ambt mij in kennis van het bestaan van een gerechtelijk onderzoek ten laste van [verzoeker]. Op basis van de door uw ambt verstrekte gegevens, werd betrokkene voorlopig geschorst voor de duur van vier maanden met een inhouding van 25% van de bruto maandwedde. Deze schorsing nam een aanvang op 2 april 2015 en verloopt dus op 1 augustus
- Als bijlage bezorg ik u een kopie van mijn beslissing. Buiten de klacht bij de arbeidsauditeur te Antwerpen op datum van 20 november 2014 wegens pesten op het werk en verschillende procedures bij de Raad van State maakt u in uw brief gewag op de hoogte te zijn van nog andere klachten uitgaande van [verzoeker]. Gelet op het feit dat [verzoeker] vanaf 2 april 2015 voorlopig bij ordemaatregel werd geschorst en met het oog op het zo snel mogelijk nemen van passende XIV-37.117-32/116 tuchtmaatregelen, verzoek ik u om mij zo spoedig mogelijk een overzicht te bezorgen van deze andere klachten al dan niet ingesteld t.a.v. de korpschef, andere personeelsleden van het politiekorps dan wel de stad Antwerpen? Kan u mij m.b.t. deze klachten, alsook voor de klacht lastens voormalig korpschef [E.B.], mij meer concrete gegevens bezorgen waaronder de datum waarop deze klachten werden ingediend, de concrete inhoud van deze klachten en de huidige stand van zaken per dossier? Kan uw ambt mij zo snel als mogelijk informeren en mij alle informatie verschaffen die nodig is om met kennis van zaken te oordelen of de voorlopige schorsing al dan niet moet gehandhaafd blijven?” Uit de integrale brief blijkt dat die kadert in het onderzoek naar een handhaving, c.q. hernieuwing van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker en dus niet in het kader van het voorliggende tuchtonderzoek, dat maar een aanvang heeft genomen bij de betekening van het inleidend verslag. Voorts is deze brief niet opgesomd onder de stukken die deel uitmaken van het tuchtdossier waarop de bestreden beslissing is gesteund. Los van de vraag naar de concrete draagwijdte van de kwestieuze zinsnede in het licht van een navolgend tuchtonderzoek (over ruimere feiten), blijkt aldus in concreto uit niets in het tuchtdossier – en verzoeker slaagt er ook niet in dat aannemelijk te maken – dat die in de voornoemde context geuite zinsnede bewijst dat de burgemeester (ogenschijnlijk) partijdig zou zijn en zich reeds ruim voor het inleiden van de tuchtvordering, een mening over de tuchtzaak zou hebben gevormd derwijze dat hij er niet meer kon op terugkomen zonder gezichtsverlies te lijden. De indruk van subjectiviteit, door verzoeker gesteund op de aangevoerde niet-context- gerelateerde lezing van een zinsnede uit een brief die niet tot het tuchtdossier behoort, moet immers objectief kunnen worden gerechtvaardigd, rekening houdend met de concrete elementen van de tuchtzaak. De argumenten en beschouwingen die verzoeker ter zake geeft inzake het verslag van het Dircom+ zijn te dezen niet dienend, nu bij arrest nr. 241.180 van 30 maart 2018 , punt 9, is geoordeeld dat verzoeker niet aannemelijk maakt “dat het verslag van het Dircom+ aan de basis ligt – laat staan (quasi-) volledig – van de bestreden beslissing tot ontslag van ambtswege, ook niet wat de vermeende vertrouwensbreuk betreft”, noch “dat de eventuele onregelmatigheid inzake het onpartijdigheidsbeginsel die zou kleven aan dit verslag doorwerkt naar de bestreden beslissing en de wettigheid ervan kan aantasten.” XIV-37.117-33/116 Uit wat voorafgaat, blijkt dat de subjectieve onpartijdigheid die verzoeker in wezen aanvoert in de vorm van een individuele overtuiging, te dezen niet volstaat om aan te nemen dat de hogere tuchtoverheid niet met de vereiste afstandelijkheid en onpartijdigheid heeft besloten.
- Aangezien geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel aannemelijk is gemaakt, doet bijgevolg niet ter zake, de verwijzing door verzoeker, als alternatief om de schending van het onpartijdigheidsbeginsel te vermijden, naar de volgens hem bestaande mogelijkheid om het onderzoek toe te vertrouwen aan een externe neutrale instantie.
- De argumenten en kritieken aangevoerd in de laatste memorie tot slot, zijn nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat, in de mate dat zij al kunnen worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 54 en 55 van de tuchtwet, van artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de tuchtwet’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 november 2001) en van het besluit van de burgemeester van de stad Antwerpen van 12 september 2014 ‘tot aanduiding van de coördinatiedienst’ (hierna: het besluit van 12 september 2014). Hij zet uiteen dat de intentie van de XIV-37.117-34/116 hogere tuchtoverheid om van het advies van de Tuchtraad af te wijken, “vermeldt dat verzoeker een verweerschrift kon indienen bij de juridische dienst van de lokale politie Antwerpen.” Hieruit blijkt volgens verzoeker “onomstotelijk” dat de hogere tuchtoverheid de bestreden beslissing delegeert aan een andere overheid. Dat laat de tuchtwet niet toe. Volgens verzoeker kan de bevoegdheid tot het ontvangen van het verweer van het personeelslid (artikel 54 van de tuchtwet) noch de uitspraak (artikel 55 van de tuchtwet) aan andere overheden worden gedelegeerd. “Ten overvloede” doet verzoeker gelden dat de beoordeling over het ontslag al helemaal niet kan worden gedelegeerd aan de juridische dienst die onder leiding staat van zijn hiërarchische overheid, omdat er bezwaarlijk sprake kan zijn van een objectieve beoordeling door die dienst “gezien het een algemeen gekend gegeven is dat verzoeker en [zijn korpschef] wederzijds opzichtens elkaar strafklachten hebben neergelegd.” Daarenboven was die dienst betrokken bij de redactie van de ordemaatregelen. Volgens hem rijmt het standpunt dat de juridische dienst een taak heeft van administratieve ondersteuning niet met de mededeling dat zijn verweer aan die dienst moet worden gericht daar het uitnodigen om verweer bij die dienst in te dienen, “uiteraard de administratieve ondersteuning [overstijgt].”. Voorts is het ontvangen van een verweerschrift in antwoord op de intentie tot het afwijken van het advies van de Tuchtraad, geen bevoegdheid die aan de coördinatiedienst kan worden overgelaten, zoals blijkt uit de opsomming vermeld in artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november
- Daarenboven is de afdeling Kwaliteitszorg van de lokale politie – die een andere dienst is dan de juridische dienst – als coördinatiedienst aangeduid en niet de juridische dienst, zodat ook hier een schending voorligt van het koninklijk besluit van 26 november 2001 en van het besluit van 12 september
- Tot slot “veroorlooft” verzoeker zich op te merken dat weinig geloof kan worden gehecht aan de motivering van de verwerende partij en uit het dossier genoegzaam blijkt dat de verwerende partij andere motieven had dan de formeel vermelde en dat er sprake is van verborgen elementen, hetgeen hij detailleert.
- In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en beklemtoont dat te dezen het verzoek tot indiening van zijn verweer bij XIV-37.117-35/116 zijn hiërarchische overheid des te meer frappant is “gezien het verwijt van partijdigheid van de korpschef van de lokale politie Antwerpen.” Ook is voorts “verweerder niet ernstig als zou het ontvangen van een verweerschrift moeten worden beschouwd als administratieve ondersteuning.” In de laatste memorie beklemtoont verzoeker dat indien door de tuchtoverheid wordt bepaald dat het verweer moet worden ingediend door toezending aan de juridische dienst van de lokale politie van Antwerpen, het niet aan hem is om hiervan af te wijken. Het verweer werd dan ook gericht aan de burgemeester als tuchtoverheid “maar per aangetekende brief zowel aan de juridische dienst van de lokale politie Antwerpen als aan de burgemeester toegezonden, dit uiteraard om alle eventualiteiten uit te sluiten.” Zijn verweer is dus wel degelijk toegezonden aan de juridische dienst, zodat er volgens verzoeker “niet zonder meer [kan] worden gesteld dat er zich geen probleem zou voordoen omdat het verweer aan de burgemeester werd toegezonden.” De omstandigheid dat de bestreden beslissing “uiteindelijk door de burgemeester werd ondertekend, toont uiteraard niet aan dat de bestreden beslissing door de burgemeester werd genomen en niet door de juridische dienst van de lokale politie Antwerpen.” Beoordeling
- De grief van verzoeker is dubbel: enerzijds kan volgens hem de bevoegdheid tot het ontvangen van het verweer van verzoeker op de intentie van de hogere tuchtoverheid om van het advies van de Tuchtraad af te wijken, niet worden gedelegeerd aan andere diensten en al zeker niet aan de juridische dienst. Anderzijds is volgens hem de beslissingsbevoegdheid gedelegeerd. Beide grieven worden hierna op hun merites onderzocht.
- Wat de eerste grief betreft, blijkt uit de gegevens van de zaak dat verzoeker zijn verweerschrift tegen de intentie van de hogere tuchtoverheid om van het advies van de Tuchtraad af te wijken, heeft geadresseerd aan de XIV-37.117-36/116 burgemeester, “ten stadhuize” én dat hij dit verweerschrift op 19 mei 2016 ook rechtstreeks aangetekend heeft verstuurd naar de burgemeester, “ten stadhuize”. Zonder dat moet worden onderzocht of de door verzoeker geschonden geachte bepalingen daadwerkelijk het verbod inhouden om een verweerschrift toe te zenden aan de juridische dienst en of dit een verboden delegatie zou zijn, blijkt aldus dat verzoeker zijn verweerschrift rechtstreeks aan de hogere tuchtoverheid heeft bezorgd. Niet blijkt uit de bestreden beslissing noch uit de overige gegevens van het dossier dat de hogere tuchtoverheid die toezending aan haar adres heeft verworpen of uit de zaak heeft geweerd, of, meer algemeen, ze niet heeft beoordeeld. Niet blijkt aldus dat de door verzoeker aangevoerde grief een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, verzoeker een waarborg heeft ontnomen of als gevolg had de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Aldus heeft verzoeker geen belang bij de grief, zodat deze overeenkomstig artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, geen aanleiding kan geven tot een nietigverklaring. De omstandigheid dat verzoeker, “uiteraard om alle eventualiteiten uit te sluiten”, zijn verweerschrift ook heeft gestuurd naar de juridische dienst, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Hetzelfde geldt wat het argument betreft dat de voornoemde intentie, naar verzoeker stelt, de uitdrukkelijke instructie bevat om het verweerschrift aan de juridische dienst toe te sturen en het hem niet toekomt daarvan af te wijken, nu hij om redenen die hem eigen zijn, er wel heeft van afgeweken. Het middel is in die mate niet ontvankelijk.
- Wat de tweede grief betreft, blijkt dat de bestreden beslissing is ondertekend door de hogere tuchtoverheid. De (ondertekende) bestreden beslissing betreft een openbaar geschrift en levert derhalve tot betichting van valsheid een bewijs op van wat de hogere tuchtoverheid heeft verricht of vastgesteld, zonder dat het voor partijen of de bestuursrechter mogelijk is om daarvan af te wijken. Uit de bestreden beslissing, die overigens is opgemaakt in de “ik-vorm” (optredend in de hoedanigheid van hogere tuchtoverheid), blijkt XIV-37.117-37/116 duidelijk dat de burgemeester als hogere tuchtoverheid aan verzoeker “voor de feiten hiervoor uiteengezet”, de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege is opgelegd. Voorts blijkt niet uit die akte dat het de juridische dienst is die de bestreden beslissing heeft genomen. Niet blijkt dat verzoeker de bestreden beslissing van valsheid heeft beticht. Aldus staat onbetwist vast dat de hogere tuchtoverheid de bestreden beslissing heeft genomen. De loutere bewering van verzoeker dat de hogere tuchtoverheid “niet te goeder trouw [is], minstens [dat] duidelijk [blijkt] dat niet zonder meer geloof kan worden gehecht aan hetgeen de overheid in deze beweert”, is derhalve niet ter zake daar het louter in vraag stellen van de akte niet volstaat om de inhoud ervan te ontkennen. Het middel is in die mate ongegrond.
- Het vierde middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vijfde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 32tredecies en 32septies van de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de welzijnswet). Hij voert aan dat de klacht die hij op 20 november 2014 neerlegde in handen van de arbeidsauditeur voldoet aan de voorwaarden van artikel 32tredecies, §§ 1 en 1/1 van de welzijnswet. Citerend uit de voornoemde klacht doet verzoeker “ten overvloede” gelden dat ook artikel 32tredecies, § 1/1, 3°, b) van dezelfde wet van toepassing is, waardoor ook op basis daarvan ontslagbescherming wordt genoten. Vervolgens betwist verzoeker het standpunt in de bestreden beslissing dat hij niet de bescherming van artikel 32decies van de XIV-37.117-38/116 welzijnswet geniet omdat de beschermingsperiode vermeld in artikel 32decies, § 2 zou zijn verstreken, hetgeen hij omstandig argumenteert. Hij besluit dat het derhalve op grond van artikel 32tredecies, § 2 van de welzijnswet aan de hogere tuchtoverheid toekomt het bewijs te leveren van redenen en rechtvaardiging van het ontslag, vreemd aan pesterijen. Voor zover zou worden geoordeeld dat de bewijslast is verschoven naar verzoeker, is verzoeker van oordeel dat het dossier en de inhoud van het voorstel tot zware tuchtstraf afdoende het bewijs leveren dat het voorgestelde ontslag wel degelijk expliciet (mede) wordt gegeven omwille van de door verzoeker op 20 november 2014 neergelegde pestklacht ten aanzien van welke de burgemeester een bijzondere motivering opneemt in zijn voorstel. Hij voert aan dat afdoende blijkt dat hij na eerste pesterijen in 2010-2011, die volgens hem tot een eerste overplaatsing van hem hebben geleid, hij eind 2012 opnieuw het slachtoffer werd van pesterijen die hij aanklaagde. Het zijn volgens verzoeker, deze pesterijen, die tot op heden niet zijn onderzocht, die een ketting van sancties aan het adres van verzoeker en verweermiddelen, c.q. juridische acties op gang hebben gebracht. Verzoeker benadrukt dat het van belang is vast te stellen dat alle ingestelde procedures en neergelegde klachten direct of indirect kaderen in of betrekking hebben op de feiten die ten grondslag liggen aan de initiële pestklacht of hier het verlengde van zijn en ze vormen alleszins een verweer hiertegen. Verzoeker stelt dat de burgemeester uitdrukkelijk verwijst naar het indienen van de pestklacht als reden van het ontslag, “zodat hij uiteraard niet kan voldoen aan de op hem rustende verplichting tot het leveren van het bewijs van het bestaan van andere redenen voor het ontslag” en dat, gezien de klacht werd neergelegd in handen van de arbeidsauditeur op 20 november 2014, de burgemeester niet kan overgaan tot ontslag zonder schending van artikel 32tredecies van de welzijnswet, tenzij het ontslag wordt gegeven om redenen die vreemd zijn aan de klacht.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het middel en benadrukt zijn standpunt uit het verzoekschrift dat de tweede klacht (van 20 november 2014) geen artificiële verlenging is, maar een handelen betreft in de lijn van hetgeen aan verzoeker door de arbeidsinspectie werd XIV-37.117-39/116 voorgehouden. Voorts gaat de beoordeling dat de tweede pestklacht moet worden beschouwd als een wederrechtelijk gebruik van de procedures - en dus als rechtvaardiging van het ontslag kan worden aangewend - in tegen de beoordeling door de Tuchtraad van de twee klachten bij de arbeidsauditeur. Voorts gaat verzoeker niet akkoord met het standpunt dat het ontslag niet werd gegeven omwille van een terechte strafklacht, omdat dit een wettelijke voorwaarde toevoegt: nergens wordt bepaald dat de bescherming enkel geldt in het geval van het indienen van een terechte pestklacht. Tot slot benadrukt hij dat zijn ontslag kan worden ongedaan gemaakt en dat niet blijkt dat de pestklachten ten overvloede werden aangevoerd. In de laatste memorie gaat verzoeker omstandig in op het gegeven dat de klacht van 4 november 2014, naar hij stelt, reeds op 19 december 2014 was geseponeerd en op het volgens hem stiefmoederlijk karakter waarop zijn klachten werden behandeld, waarbij hij dit alles tracht te illustreren met stukken die hij voor het eerst voegt. Hij besluit uit die analyse dat het dan ook “nietszeggend is dat geen gevolg werd verleend aan deze pestklachten” en dat “gezien het bovenstaande, […] hieruit geen enkele gevolgtrekking [kan] worden gemaakt.” Voorts wijst hij erop dat de beschikking van de voorzitter van de arbeidsrechtbank Antwerpen van 20 januari 2015 geen uitstaan heeft met de pestklachten en dus elke relevantie mist ten aanzien van de door hem ingediende pestklachten. Ook gaat hij nog dieper in op het advies van de arbeidsauditeur aan de voorzitter van de arbeidsrechtbank van 19 november 2014 waarin die volgens hem heeft gesteld dat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de klacht van 20 november 2014 nog lopende is, terwijl uit de vermeldingen op de dossierkaft blijkt dat het opsporingsonderzoek op die dag werd geseponeerd. Dit vormt voor verzoeker opnieuw de bevestiging dat er nooit sprake was van een objectief en doortastend onderzoek van zijn klacht. Tot slot gaat verzoeker dieper in op het gegeven dat hij zich steeds heeft geschikt naar de richtlijnen van de overheid, zo onder meer wat de mogelijkheid betreft tot het indienen van een klacht ingeval hij zou worden teruggeplaatst in zijn oude functie indien de Raad van State de ordemaatregel zou vernietigen. XIV-37.117-40/116 Beoordeling
- De te dezen relevante bepalingen van de welzijnswet luiden: “Art. 32tredecies. §
- De werkgever mag noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in § 1/1 beëindigen noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring. […]. § 1/
- Genieten de bescherming bedoeld in paragraaf 1 : 1° de werknemer die op het vlak van de onderneming of instelling die hem tewerkstelt, overeenkomstig de geldende procedures, een verzoek tot formele psychosociale interventie heeft ingediend voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk; 2° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de met het toezicht belaste ambtenaar bedoeld in artikel 80, waarbij hij de tussenkomst van deze ambtenaar verzoekt om één van de volgende redenen: a) de werkgever heeft geen preventieadviseur gespecialiseerd in de psychosociale aspecten van het werk aangeduid; b) de werkgever heeft niet voorzien in procedures die in overeenstemming zijn met afdeling 2 van dit hoofdstuk; c) volgens de werknemer heeft het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk er niet toe geleid dat een einde werd gesteld aan de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk; d) volgens de werknemer werden de procedures van afdeling 2 van dit hoofdstuk niet wetttig toegepast; 3° de werknemer die een klacht heeft ingediend bij de politiediensten, bij het openbaar ministerie of bij de onderzoeksrechter, waarbij hij hun tussenkomst verzoekt om één van de volgende redenen : a) de werkgever heeft geen preventieadviseur gespecialiseerd in de psychosociale aspecten van het werk aangeduid; b) de werkgever heeft niet voorzien in procedures die in overeenstemming zijn met afdeling 2 van dit hoofdstuk; c) volgens de werknemer heeft het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk er niet toe geleid dat een einde werd gesteld aan de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk; d) volgens de werknemer werden de procedures van afdeling 2 van dit hoofdstuk niet wettig toegepast; e) de interne procedure is niet geschikt, gelet op de ernst van de feiten waarvan hij het voorwerp is geweest; 4° […]. §
- De bewijslast van de in § 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging berust bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op het indienen van een verzoek XIV-37.117-41/116 tot interventie, het indienen van een klacht of het afleggen van een getuigenverklaring. Deze bewijslast berust eveneens bij de werkgever wanneer deze beëindiging plaatsvond of deze maatregel werd getroffen nadat een rechtsvordering werd ingesteld, en dit tot drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis. […].” Art. 32septies.§
- Wanneer er feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk ter kennis worden gebracht van de werkgever, treft deze geschikte maatregelen, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Wanneer de ernst van de feiten het vereist, treft de werkgever de nodige bewarende maatregelen. Indien de werknemer gebruik heeft gemaakt van de procedure bedoeld in artikel 32/2, § 2, derde lid, b, treft de werkgever deze bewarende maatregelen, in voorkomend geval, op basis van de voorstellen van de preventieadviseur bedoeld in artikel 32sexies, § 1, meegedeeld in uitvoering van artikel 32quinquiesdecies, tweede lid, 3°, c, vooraleer deze laatste het advies bedoeld in artikel 32/2, § 2, derde lid, b heeft verstrekt. §
- De preventieadviseur psychosociale aspecten is ertoe gehouden een beroep te doen op de met het toezicht belaste ambtenaar : 1° wanneer de werkgever de nodige bewarende maatregelen bedoeld in § 1 niet treft; 2° wanneer hij, nadat hij zijn advies heeft verstrekt, vaststelt dat de werkgever geen maatregelen of geen geschikte maatregelen heeft getroffen en dat : a) hetzij er een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de werknemer bestaat; b) hetzij de aangeklaagde de werkgever is of deel uitmaakt van het leidinggevend personeel zoals gedefinieerd in artikel 32sexies, § 2/3.” Naar luid van artikel 32tredecies, § 1, eerste lid, van de welzijnswet mag de werkgever noch de arbeidsverhouding van de werknemers bedoeld in paragraaf 1/1 beëindigen, noch een nadelige maatregel treffen ten aanzien van dezelfde werknemers na de beëindiging van de arbeidsverhoudingen, behalve om redenen die vreemd zijn aan het verzoek tot formele psychosociale interventie voor feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, de klacht, de rechtsvordering of de getuigenverklaring. Op grond van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet berust de bewijslast van de in paragraaf 1 bedoelde redenen en rechtvaardiging bij de werkgever, wanneer de arbeidsverhouding werd beëindigd of de maatregelen werden getroffen binnen twaalf maanden volgend op – onder meer – het indienen van een klacht. XIV-37.117-42/116
- De door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming heeft betrekking heeft op represailles van de werkgever die het gevolg zijn van het indienen van het verzoek tot formele psychosociale interventie. Artikel 32tredecies van de welzijnswet wil de werknemer beschermen tegen represailles die geïnspireerd zijn door het feit zelf van het indienen van de klacht. De door artikel 32tredecies van de welzijnswet geboden bescherming sluit evenwel niet uit dat de nadelige maatregel - te dezen de zware tuchtstraf tot ontslag van ambtswege - wordt gerechtvaardigd door redenen die afgeleid zijn uit feiten die in het verzoek tot interventie als pesterijen worden aangemerkt. Dat er een verband bestaat met die feiten, verhindert het nemen van de maatregel niet. Alleen mag de maatregel niet het (rechtstreekse) gevolg zijn van het indienen van de klacht.
- De vraag of op grond van artikel 32tredecies, § 2, van de welzijnswet de bewijslast van de redenen en rechtvaardiging voor de getroffen maatregel te dezen berust bij de hogere tuchtoverheid - standpunt verzoeker - dan wel bij verzoeker - standpunt van de verwerende partij - , mag onbeantwoord blijven, omdat uit wat hierna volgt dat, zelfs indien die bewijslast op de hogere tuchtoverheid berust, verzoeker niet aantoont dat de verwerende partij niet in haar bewijslast is geslaagd. Uit de beoordeling van het eerste middel (supra, punt 9) blijkt immers dat de verwerende partij aannemelijk maakt dat het aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijp niet de talrijke procedures en klachten die verzoeker heeft ingesteld, op zich individueel als tuchtvergrijp zijn beoordeeld door haar. Het is, integendeel, in synthese, “de niet aflatende stroom van procedures, zowel voor administratieve rechtscolleges als bij het openbaar ministerie en het Vast Comité P, en het steeds blijven zoeken naar daarbij horende persaandacht” die het tuchtvergrijp uitmaakt, zodat verzoeker de ambtsplichten en de waardigheid van het ambt” schendt door “16 verschillende procedures op te starten tegen de stad XIV-37.117-43/116 Antwerpen, Lokale Politie Antwerpen en leden van het politiekorps”, hetgeen volgens de hogere tuchtoverheid “niet langer de gewone uitoefening [is] van een grondrecht, namelijk uw recht om in rechte op te treden, maar een misbruik van dat recht dat niet kan worden getolereerd.” Er wordt naar verwezen (supra, punt 9) Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing dat de op 20 november 2014 door verzoeker neergelegde pestklacht reeds ruim voor het inleiden van de tuchtvordering was geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen of bezwaren. Omtrent de datum van dit sepot bestaat weliswaar enige betwisting tussen partijen: volgens verzoekers standpunt in de laatste memorie gebeurde het sepot van de tweede klacht op 19 december 2014 en volgens de bestreden beslissing op 28 januari
- Hoe dan ook, in elk geval blijkt uit het administratief dossier en meer bepaald uit een brief van het arbeidsauditoraat van 13 mei 2015 dat de hogere tuchtoverheid in kennis werd gesteld dat deze tweede klacht op 28 januari 2015 door het arbeidsauditoraat werd geseponeerd “wegens onvoldoende bewijzen/bezwaren”. Overigens blijkt uit diezelfde brief dat ook de eerste klacht van 1 augustus 2013 door het arbeidsauditoraat op 19 december 2013 werd geseponeerd “wegens onvoldoende bewijzen/bezwaren.”. Aldus blijkt uit de voormelde datum van het sepot van de klacht van 20 november 2014 wegens onvoldoende bewijzen/bezwaren, dat deze klacht in elk geval (ruim) vóór 5 juni 2015 - zijnde de datum die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn (zie supra, punt 28) - en (ook) vóór 17 juli 2015 - zijnde de dag waarop de tuchtvordering is ingesteld ingevolge de betekening van het inleidend verslag -, haar beslag heeft gehad. Verzoeker betrekt in het verzoekschrift noch het voornoemde feit dat de hogere tuchtoverheid niet de talrijke procedures en klachten die verzoeker heeft ingesteld, op zich niet individueel als tuchtvergrijp beoordeeld, noch het vernoemde feit dat de ingediende klacht wegens pesten reeds ruim voor het instellen van tuchtvordering was afgewezen als ongegrond. In het licht van deze gegevens die een essentiële weerslag kunnen hebben op de beoordeling van het middel, toont verzoeker met zijn enkele beweringen in het verzoekschrift “dat het dossier en de inhoud van het voorstel zware tuchtstraf afdoende het bewijs XIV-37.117-44/116 levert dat het voorgestelde ontslag wel degelijk expliciet (mede) gegeven wordt omwille van de door verzoeker op 20 november 2014 neergelegde pestklacht”, dat het de pesterijen zijn “die een ketting van sancties aan het adres van verzoeker en verweermiddelen c.q. juridische acties hebben op gang gebracht” en dat het “van belang [is] vast te stellen dat alle ingestelde procedures en neergelegde klachten direct of indirect kaderen in of betrekking hebben op de feiten die ten grondslag liggen aan de initiële pestklacht of hier het verlengde van zijn en [...] hier alleszins een verweer tegen [vormen,]”, niet aan dat de verwerende partij niet in haar bewijslast dat de bestreden beslissing is ingegeven door redenen die vreemd zijn aan het indienen van een klacht wegens pesten, is geslaagd. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekers standpunt dat het indienen van de klacht wegens pesten reden is van zijn ontslag, niet wordt bijgevallen.
- Wat de aangevoerde schending van artikel 32septies van de welzijnswet betreft, wordt door verzoeker geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grief geacht moet worden ofwel samen te vallen met wat hiervoor al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.
- De argumenten en kritieken aangevoerd in de laatste memorie tot slot, zijn nieuw en niet ontwikkeld in het verzoekschrift. Verzoeker toont niet aan dat, in de mate dat zij al kunnen worden betrokken bij het initieel in het verzoekschrift ontwikkelde middelonderdeel, hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden.
- Het vijfde middel is ongegrond. F. Zesde middel XIV-37.117-45/116 Uiteenzetting van het middel
- In het zesde middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel. In een voorafgaande opmerking poneert verzoeker dat “gezien de hoeveelheid aan feiten die de burgemeester opsomt onder onderdeel 2 van de bestreden beslissing geldt het hiernavolgende als een niet-exhaustief overzicht van de door burgemeester onjuist weerhouden feiten”, alsook dat “het geheel van de door de verweerder als tuchtfeiten weerhouden feiten […] ten stelligste [worden] betwist.” Vervolgens gaat verzoeker over tot een “toepassing” en “overzicht foutieve en/of onzorgvuldig vastgestelde feiten”. Een eerste kritiek betreft de weergave van de mededeling door de procureur des Konings die volgens verzoeker verkeerd is weergegeven in het inleidend verslag. In de bestreden beslissing is weliswaar gesteld dat dit een tikfout betreft, maar verzoeker betwist zulks. Voorts is volgens hem duidelijk dat “deze tekstuele rechtzetting niet wegneemt dat uit het inleidend verslag blijkt dat de burgemeester de premisse hanteert dat de heer procureur des Konings heeft vastgesteld dat het dienstbelang is bedreigd, quod certe non” en dat uit het dossier blijkt dat de hogere tuchtoverheid is uitgegaan van de veronderstelling dat er een bedreiging is van het dienstbelang en dat hij zijn onderzoek niet heeft toegespitst op de vaststelling of dit ook daadwerkelijk zo is. Voorts geeft de verwerende partij een heel eigen interpretatie van dat schrijven. Ook de AIG is volgens verzoeker van oordeel dat de procureur des Konings vindt dat er sprake is van een functioneringsprobleem en niet van een probleem van deontologie of tucht. Rekening houdend hiermee, kan de hogere tuchtoverheid haar standpunt dan ook niet zonder meer handhaven. Het getuigt niet van de vereiste zorgvuldigheid om de melding door de procureur des Konings dat de mogelijke invloed op het dienstbelang moet worden onderzocht, zonder meer te extrapoleren naar een destabilisering van het volledige politiekorps, zonder dat enig objectief onderzoek ter zake werd verricht. Het enige stuk op basis waarvan de verwerende partij tot deze vaststelling kan komen, is het partijdige verslag van het Dircom+. XIV-37.117-46/116 In een tweede kritiek gaat verzoeker op zeer omstandige wijze in op het gebrek aan objectieve feitenvinding door het steunen op het verslag Dircom+. In een derde kritiek gaat verzoeker in op de ingeroepen problemen met zijn leiderschap die volgens hem niet stroken met de werkelijkheid. Hij stelt vast dat de hogere tuchtoverheid in de rubriek 2 van de bestreden beslissing stelt dat IDEWE op 5 juli 2011 een rapport heeft afgeleverd waaruit zou blijken dat er zeer negatieve opmerkingen werden geformuleerd over zijn wijze van leidinggeven en dat, wanneer hij bij ordemaatregel van 7 juli 2011 werd overgeplaatst, de samenwerking met het team opnieuw spaak liep ten gevolge van zijn leiderschapsstijl. Voorts stelt hij vast dat de burgmeester eveneens in rubriek 2 van de bestreden beslissing stelt dat een functioneringsnota op 28 januari 2013 werd opgesteld met betrekking tot zijn functioneren. Wat deze vaststellingen betreft, doet verzoeker vooreerst gelden dat de “beide ordemaatregelen en de functioneringsnota” waarop de hogere tuchtoverheid zich beroept, het voorwerp uitmaken van een lopend gerechtelijk onderzoek, waarbij die onder meer van valsheid worden beticht. De feiten die in die maatregelen en nota in aanmerking werden genomen, kunnen dan ook niet zonder meer als basis worden aangewend in het raam van het voornemen van de beslissing tot ontslag. Voorts ontkent verzoeker met klem de verwijten die hem worden aangerekend en herhaalt hij dat die het voorwerp uitmaken van lopende gerechtelijke onderzoeken. Volgens verzoeker houdt een zorgvuldig handelende overheid enkel rekening met vaststaande feiten en niet met feiten die ter discussie staan, hetgeen te dezen des te meer geldt. Hij besluit dat met de inhoud van de ordemaatregelen en de functioneringsnota uiteraard geen rekening mag worden gehouden, alleszins moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd waarom gemeend wordt dat er wel rekening mee mag worden gehouden ondanks de lopende onderzoeken. Met de tweede ordemaatregel kan volgens verzoeker ook geen rekening mee worden gehouden want die is vernietigd door de Raad van State en XIV-37.117-47/116 dit, anders dan hoe de hogere tuchtoverheid het ziet, geenszins op louter formele gronden. Niet blijkt voorts dat de hogere tuchtoverheid kennis heeft gegeven aan het AIG van het gewezen arrest, “hoewel dit meest relevant is gezien de Raad van State een aanwijzing voor machtsafwending weerhoudt, in het verlengde van de vaststelling verricht door het AIG.” De uitsluiting van garanties geldt ten andere ook ten aanzien van het handelen van commissaris van politie C. ten aanzien van verzoeker, inzonderheid met betrekking tot de toepassing van de functioneringsnota. Verzoeker citeert ter zake het advies van de AIG die van oordeel is dat die nota niet voldoet aan de gestelde criteria en sluit er zich bij aan. In afwachting van het afronden van het strafonderzoek kan de hogere tuchtoverheid dus niet zonder meer tot de vaststelling komen dat er geen laakbare feiten werden gepleegd door C. en M.. Verzoeker doet gelden dat mits zorgvuldig onderzoek, de verwerende partij tot de vaststelling diende te komen dat verzoeker met ernstige redenen klacht met burgerlijkepartijstelling heeft neergelegd en dat zijn handelen geen rechtsmisbruik uitmaakt, hetgeen hij verder detailleert in het verzoekschrift. Tot slot wordt in het inleidend verslag verwezen naar een rapport van IDEWE van 5 juli
- Dit is niet als stuk toegevoegd en het is volgens verzoeker een volstrekt eenzijdig document ten aanzien waarvan verzoeker geen tegenspraak heeft kunnen voeren. Een vierde grief betreft het foutief verwijt van het aanwenden van de strafklacht als alternatief voor de administratieve procedure. Verzoeker stelt, in essentie, dat er geen link is tussen het afgewezen worden door de Raad van State en het starten van een strafprocedure. Hij wijst erop dat de klacht bij het Comité P dateert van voor het instellen van de procedure bij de Raad van State. Verzoeker citeert het advies van de Tuchtraad ter zake en concludeert dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat de beslissing niet is gesteund op werkelijk bestaande feiten. Een vijfde grief betreft de oorzaak van de klacht met burgerlijkepartijstelling tegen M. en C.. Verzoeker stelt, in essentie, dat er een duidelijke reden was waarom hij op 18 september 2013 een klacht met XIV-37.117-48/116 burgerlijkepartijstelling tegen M. heeft neergelegd. Die reden zou niet liggen in het feit dat M. op dat moment zou worden benoemd tot korpschef. En ook de Tuchtraad, die verzoeker citeert, is van oordeel dat de door hem gegeven uitleg plausibel is. Een zesde grief betreft het verschijnen van artikelen in de geschreven pers. Verzoeker stelt vast dat hem wordt verweten selectief contact te hebben gezocht met de pers. Verzoeker stelt vast dat hem niet wordt verweten een standpunt tegen de werkelijkheid te hebben ingenomen en dat hij “zich op nog geen enkel van de door hem aangevatte initiatieven definitief afgewezen voelt,” zodat hij zich ook niet genoodzaakt voelt om de pers hieromtrent in te lichten. Voorts hebben de artikelen geen betrekking op de lokale politie Antwerpen, noch op de stad Antwerpen. Een zevende grief betreft het feit dat verkeerd is gesteld dat hij een klacht heeft ingediend bij het Comité P op 2 februari
- In essentie doet verzoeker gelden dat hij bij het Comité P geen klacht zou hebben neergelegd in het kader van het dossier R. Hij zou enkel een melding hebben gedaan. Voorts gaat hij dieper in op de ratio van zijn optreden en doet hij gelden dat hij niet de rechten van een collega wenste af te dwingen, maar melding maakte van het feit dat hij kennis nam van gelijkaardige feiten als die in zijn dossier en die dus een bevestiging vormden van de realiteit van de feiten waarvan hijzelf het slachtoffer werd. Onder een aparte rubriek “repliek ten aanzien van de hogere tuchtoverheid”, doet verzoeker tot slot “ten overvloede” nog - op uitgesponnen wijze - gelden dat de verwerende partij, zelfs in haar ultieme repliek in de bestreden beslissing, in antwoord op verzoekers verweer op de intentie om af te wijken van het advies van de Tuchtraad, getuigt van onzorgvuldige feitenvinding. Hij illustreert dat aan de hand van de feiten die volgens hem ultiem in aanmerking werden genomen. XIV-37.117-49/116
- In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker wat de eerste grief betreft, dat het een schrijffout betreft die in latere stukken werd rechtgezet en benadrukt hij dat in de memorie van antwoord de stelling niet wordt beantwoord dat bij de tuchtprocedure van een volstrekt verkeerde premisse is uitgegaan. Voorts beantwoordt hij het standpunt van de verwerende partij in de memorie van antwoord wat de tweede kritiek betreft. Inzake de derde grief benadrukt verzoeker dat hij niet werd gehoord inzake het IDEWE-rapport aangewend in de functionerings- en evaluatieprocedures. Wat de vierde grief betreft, doet hij gelden dat het aan hem niet toekomt het bewijs te leveren wanneer hij de klacht bij het Comité P heeft ingediend en dat de twee eerste arresten voorafgaand aan 11 maart 2013 niet ter zake zijn. Inzake de vijfde grief wijst verzoeker erop dat de korpschef werd benoemd bij koninklijk besluit van 15 november 2013, zodat de vermeende timing die hem ten laste wordt gelegd, onderuit wordt gehaald. Wat de zesde grief betreft, benadrukt verzoeker dat zijn laatste contact met de pers dateert van november 2014 en dat hij hierna geen initiatieven meer heeft genomen. Wat de zevende grief betreft, bemerkt verzoeker dat er geen wettelijke bepaling bestaat die verbiedt dat meer dan een melding wordt gemaakt. En het kan hem niet ten kwade worden geduid dat het Comité P op zijn website enkel een klachtenformulier ter beschikking stelt en geen meldingsformulier. In de laatste memorie herneemt verzoeker het middel en gaat hij inzonderheid in op de beoordeling van het verslag van het Dircom+, waarbij hij zich verwondert over het feit dat het auditoraat in zijn verslag teruggekomen is op een eerder ingenomen standpunt. Beoordeling
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht XIV-37.117-50/116 om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- Verzoeker voert in essentie aan dat de door hem opgesomde feiten niet met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Zijn kritieken ter zake worden hierna op hun merites getoetst. Voorts blijkt uit de systematiek van het middel dat het in essentie kritiek uit op de expliciete beantwoording door de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing van verzoekers verweer op het inleidend verslag neergelegd ter hoorzitting van 13 augustus
- Het past daarom om dit onderdeel uit de bestreden beslissing hierna voluit te citeren: “[…]
- Analyse van het verweer neergelegd op de hoorzitting dd 13 augustus
- Het verweerschrift van 13 augustus 2015 bevatte volgende argumenten: […]. 5.4 Vierde middel: onzorgvuldige feitenvinding De feiten die worden aangehaald als basis van de tuchtprocedure zouden foutief zijn en/of niet draagkrachtig. Beoordeling Elk punt vermeld onder IV.2 zal afzonderlijk worden beantwoord: IV.2.1 onjuiste weergave mededeling procureur des konings: U stelt vast dat op pagina 4 van het inleidend verslag vermeld staat dat de procureur tot de vaststelling is gekomen dat de door u gestelde handelingen de goede werking van het politiekorps bedreigen, terwijl de brief zelf stelt dat het de goede werking zou ‘kunnen’ bedreigen. Deze opmerking is inderdaad correct. Echter, dat dit slechts een typefout is, is duidelijk vermits de integrale brief van de afdelingsprocureur werd geciteerd op pagina 3 en daar zonder meer de inhoud van de brief kon worden geconsulteerd en beoordeeld. XIV-37.117-51/116 Dit werd inmiddels op pagina 4 van dit document rechtgezet. Vastgesteld dient te worden dat de Raad van State hierover geen opmerkingen heeft geformuleerd, noch in het arrest van 17 april 2015 noch in het arrest van 13 augustus 2015; IV.2.2 gebrek aan objectieve feitenvinding door het steunen op het verslag DIRCOM+ Er zou volgens u geen gebruik mogen gemaakt worden van het verslag van het DIRCOM+ aangezien (a) dit verslag intern is en per definitie niet objectief, (b) de vergadering wordt voorgezeten door de korpschef […] (c) in aanwezigheid van de [X[, en (d) de verklaringen van de heren [XX] en [XXX] ter discussie worden gesteld. Het verslag van het DIRCOM+ is slechts een van de documenten uit mijn onderzoek. Daarenboven had de bevraging van het DIRCOM+ vooral betrekking op de mogelijkheid om u een andere functie toe te kennen, niet om als enige en integrale basis te dienen van de tuchtprocedure. Dat er mensen deel uitmaken van het DIRCOM+ waarmee u in twist leeft, maakt niet automatisch een verslag van dat DIRCOM+ niet objectief. U geeft trouwens maar op een beperkt aantal punten aan waar het verslag niet objectief zou zijn: […] IV.2.3 de ingeroepen problemen met de leiderschapsstijl van verzoeker stroken niet met de werkelijkheid. De ingeroepen problemen met de leiderschapsstijl zouden zijn opgenomen in documenten die het voorwerp uitmaken van een lopend gerechtelijk onderzoek, waarbij ‘beide’ ordemaatregelen van valsheid worden beticht. Wat u hierbij vergeet te vermelden is dat de ordemaatregel van 7 juli 2011 het voorwerp heeft uitgemaakt van drie procedures voor de Raad van State (tweemaal schorsing, eenmaal vernietiging). De drie procedures die u heeft ingesteld zijn alle drie verworpen. Met andere woorden: het hoogste administratief rechtscollege, de Raad van State, heeft de geldigheid van deze beslissing bevestigd. Dat deze ordemaatregel nu nog het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek weerlegt dit niet; in tegendeel: na drie jaar heeft het parket blijkbaar nog steeds geen enkel element gevonden waaruit zou moeten blijken dat dit stuk vals is. Daarenboven is het niet omdat de nota van valsheid wordt beticht dat alle feiten hierin opgenomen onbestaande zouden zijn. IV.2.4 Foutief verwijt strafklacht als alternatief voor de administratieve procedure. U stelt dat er geen link is tussen het afgewezen worden door de Raad van State en het starten van een strafprocedure; U stelt daarbij dat u reeds op 11 maart 2013 een klacht in handen van het Comité P heeft neergelegd terwijl de vordering tot schorsing en nietigverklaring van de functioneringsnota pas ingeleid werd bij aangetekende brief dd 5 april 2013 (dus nà de klacht). U vergeet daarbij gemakkelijkheidshalve dat er per 26 juni 2013 wel degelijk drie arresten van de Raad van State waren:
- Verzoekschrift d.d. 7 juli 2011 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de ordemaatregel d.d. 7 juli 2011 door korpschef [E.B.]; arrest Raad van State dd 11 juli 2011;
- Verzoekschrift d.d. 13 augustus 2011 bij de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de ordemaatregel d.d. 7 juli 2011 door korpschef [E.B.]; arrest Raad van State dd 5 januari 2012 ;
- Verzoekschrift d.d. 22 maart 2013 bij de Raad van State tot nietigverklaring van XIV-37.117-52/116 de ordemaatregel d.d. 25 januari 2013 door korpschef a.i. [S.M.]; arrest Raad van State dd 26 juni 2013 Daarenboven vermeldt de brief van de procureur dd 3 maart 2015 wel degelijk 10 juli 2013 als datum van de opening van het dossier. Zelfs als de klacht bij het Comité P dateert van 11 maart 2013 en niet van 10 juli 2013, dan waren op het ogenblik van het indienen van de klacht bij het Comité P wel degelijk al twee - voor u - negatieve arresten; deze arresten negeert u volledig. IV.2.5 de oorzaak van de klacht met burgerlijke partijstelling tegen de [M. en C.] U stelt dat er een duidelijke reden was waarom u in september 2013 een klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd tegen [S.M.]; deze reden was niet het feit dat hij op dat moment zou benoemd worden tot korpschef. U zou immers ‘medio september’ hebben vernomen dat de procureur de klacht in handen van Comité P, doorgezonden aan het parket, reeds op 10 juli 2013 zou hebben geseponeerd. Ik stel evenwel vast dat u niet aantoont dat u hiervan pas medio september op de hoogte zou zijn gebracht. Daarenboven is het weinig geloofwaardig dat u dit pas na 2 maanden zou hebben vernomen aangezien het parket reeds op 10 juli 2013 zijn beslissing hiertoe had genomen. Had u niet de bijzondere intentie gehad de benoeming van [S.M.] in de weg te staan, had u enkele dagen gewacht met het indienen van een nieuwe klacht, wat u niet heeft gedaan. Niet alleen toont u niet geloofwaardig aan dat er een ‘andere’ reden zou zijn voor uw timing, daarenboven had u alle kansen om minder schadelijk op te treden, welke kans u niet genomen heeft ondanks het feit dat uw eerste klacht bij het Comité P niet werd weerhouden, uw klacht bijde FOD niet werd weerhouden, en de Raad van State in september 2013 reeds drie negatieve arresten had uitgesproken. (het enige positieve arrest van de Raad van State was toen nog niet uitgesproken!) Al deze afwijzingen hadden u minstens moeten doen voorzichtig handelen en behoedzaam zijn bij het nemen van nieuwe stappen (in het bijzonder bij strafprocedures!), wat u niet heeft gedaan. U heeft de meest schadelijke weg genomen wat onaanvaardbaar is. 1V.2.6 het verschijnen van artikelen in de geschreven pers U stelt dat u ‘zich op nog geen enkel van de door u aangevatte initiatieven definitief afgewezen voelt’ zodat u zich ook niet genoodzaakt voelt om de pers hieromtrent in te lichten. U bewijst met dergelijke uitspraak eens te meer dat voor u blijkbaar vonnissen en arresten van rechtbanken en administratieve rechtscolleges geen enkele waarde hebben wanneer zij negatief zijn voor U. U negeert compleet: o de talrijke arresten van de Raad van State waarbij u telkenmale en keer op keer, behoudens een keer om puur formele redenen, werd afgewezen. o dat uw klacht bij Comité P inzake het dossier [R.]werd afgewezen; o dat de voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, zetelend in kortgeding, uw vordering onontvankelijk heeft verklaard en zelfs in haar argumentatie ten gronde uw vordering heeft afgewezen; o dat uw klacht bij de FOD en uw twee pestklachten bij de auditeur zonder