id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.462 Rolnummer: A. 235919/VII-41340 Zaak: Arrest 253462 - Kansspelen - 04/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-06 Raadplegingen: 89 - laatst gezien 2026-06-10 06:38 Fiche Arrest nr 253.462 van 4 april 2022 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.462 van 4 april 2022 in de zaak A. 235.919/VII-41.340 In zake:
- de BV N-N & M
- de NV BETCENTER GROUP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Wynant en Alexei Loubkine kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 maart 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de gemeenteraad van de stad Genk van 15 maart 2022 om geen convenant af te sluiten met de nv Betcenter Group voor het exploiteren van een kansspelinrichting klasse IV, gelegen aan de Vennestraat 251, bus 1 te Genk. De verzoekende partij vraagt in fine van haar verzoekschrift als voorlopige maatregel de verwerende partij “te bevelen om de nieuwe beslissing aangaande de aanvraag van het convenant te nemen […] uiterlijk binnen 1 maand na het tussenkomen van het arrest […] en dit op straffe van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag vertraging” en tevens haar “toelating te verlenen om het wedkantoor tijdelijk verder uit te baten in afwachting van een nieuwe beslissing VII-41.340-1/9 van de verwerende partij volgend op de schorsing van de bestreden beslissing, en in voorkomend geval eveneens in afwachting van het tussenkomen van de beslissing van de Kansspelcommissie over de aanvraag tot hernieuwing van de vergunning, of, bij gebreke van een nieuwe beslissing van de verwerende partij, tot aan de uitspraak […] in het kader van de […] in te stellen vordering tot vernietiging van de bestreden beslissing”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 maart 2022, om 14.00 uur. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexei Loubkine, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- VII-41.340-2/9 III. Feiten 3.
- De tweede verzoekende partij beschikt over een kansspelvergunning F2, geldig tot 20 februari 2022, dewelke haar toelaat een wedkantoor te exploiteren aan de Vennestraat 251, bus 1 te Genk. Zij blijkt een overeenkomst te hebben afgesloten over de exploitatie van dat wedkantoor met de eerste verzoekende partij, de bv N-N & M, die zelf geen houder is van enige kansspelvergunning. 3.
- In het kader van de hernieuwing van de voornoemde kansspelvergunning richt de tweede verzoekende partij op 7 september 2021 een aanvraag aan de stad Genk tot het verkrijgen
(1)van een convenant in de zin van artikel 43/4, § 1, vierde lid, van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet) en
(2)van een advies van de burgemeester in de zin van artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 december 2010 ‘betreffende de vorm van de vergunning klasse F2, de wijze waarop de aanvragen voor een vergunning klasse F2 moeten worden ingediend en onderzocht en de verplichtingen waaraan vergunninghouders F2 moeten voldoen inzake beheer en boekhouding’. 3.
- Aangezien de verwerende partij in gebreke blijft om een beslissing te nemen over de aanvraag, leiden de verzoekende partijen op 8 maart 2022 een procedure in kort geding in bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Tongeren, teneinde de verwerende partij tot een beslissing te dwingen. 3.
- Op 15 maart 2022 beslist de gemeenteraad van de stad Genk om geen convenant af te sluiten. Dit is de thans bestreden beslissing. VII-41.340-3/9 IV. Ontvankelijkheid van de vordering Ambtshalve exceptie
- Ter terechtzitting verklaart de tweede verzoekende partij dat het verzoek tot het sluiten van een convenant met het oog op het verkrijgen van een hernieuwde kansspelvergunning F2 enkel van haar uitgaat.
- Ambtshalve wordt vastgesteld dat de eerste verzoekende partij niet de vereiste hoedanigheid heeft om voorliggende vordering in te stellen. Als aanvrager van het convenant is enkel de tweede verzoekende partij de adressaat van de rechten en plichten die voortspruiten uit de kansspelwet en de titularis van de vorderingsrechten die in verband daarmee kunnen worden uitgeoefend. De vordering is dan ook onontvankelijk in hoofde van de eerste verzoekende partij. Hierna dient onder “de verzoekende partij” enkel de nv Betcenter Group te worden verstaan. V. Grondvoorwaarden voor een schorsing
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-41.340-4/9 Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
- Wat het uiterst dringend karakter van de vordering betreft, wijst de verzoekende partij erop dat het sluiten van een convenant een noodzakelijke voorwaarde vormt voor het hernieuwen van de kansspelvergunning en dat de kansspelvergunning van 20 februari 2019 inmiddels verstreken is, zodat het wedkantoor gesloten moest worden. Hierdoor misloopt zij een maandelijkse omzet van ongeveer 140.641,17 euro. Dat verlies kan niet worden ingehaald hangende de gewone schorsingsprocedure of de vernietigingsprocedure. De verzoekende partij wijst op het risico dat zij haar vast cliënteel definitief zal verliezen en op de imagoschade door de verplichte sluiting van het wedkantoor. Ook dient zij aanzienlijke vaste maandelijkse kosten te blijven dragen tijdens de sluiting, terwijl het wedkantoor geen inkomsten genereert. Voorts beklemtoont zij dat er belangrijke investeringen en verfraaiingswerken in het wedkantoor zijn uitgevoerd, waarvan nog ongeveer 50.000 euro moet worden afgeschreven. Ook de huurovereenkomst van het pand werd pas hernieuwd voor een periode van negen jaar. De kansspelvergunningen F2 zijn onderworpen aan een numerus clausus, zodat het risico bestaat dat zij haar vergunning definitief kwijt is, temeer omdat er op dit ogenblik volgens de Kansspelcommissie nog maar slechts 33 vergunningen beschikbaar zijn. De verzoekende partij wijst ten slotte op de onbehoorlijke wijze waarop het dossier werd behandeld en op de langdurige sluitingen tijdens de Covid-pandemie. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook de uitzondering vormen en beperkt blijven tot die gevallen waarbij het uiterst VII-41.340-5/9 dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, ofwel door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Van de verzoekende partij wordt inzonderheid verwacht dat zij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar verzoekschrift aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden. Daarenboven kan de uiterst dringende noodzakelijkheid niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure de verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling uitwerking krijgt. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. VII-41.340-6/9
- In de eerste plaats wijst de verzoekende partij op het omzet- en inkomstenverlies dat zij zal lijden door de sluiting van het wedkantoor. Een financieel nadeel volstaat in beginsel niet om de behandeling van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de activiteit van de verzoekende partij op een definitieve wijze in gevaar wordt gebracht of wanneer een belangrijk deel van de activiteiten moet worden stopgezet, waardoor zij op een faillissement afstevent, of dat het voortbestaan zelf of het financieel evenwicht van het bedrijf door de bestreden beslissing ernstig in gevaar wordt gebracht. Ter terechtzitting bevestigt de verzoekende partij dat zij exploitant is van 64 kansspelinrichtingen op de Belgische markt. In redelijkheid mag aangenomen worden dat een marktspeler van een dergelijke omvang over voldoende financiële reserves beschikt om het verlies van inkomsten uit enkele lokale wedkantoren en de daaraan verbonden vaste kosten en afschrijvingen te ondervangen in de beperkte tijdspanne die een gewone vordering tot schorsing doorgaans in beslag neemt. Voorts worden in het verzoekschrift geen boekhoudkundige gegevens verstrekt omtrent de totale jaarlijkse omzet van alle door haar geëxploiteerde kansspelinrichtingen noch over de financiële reserves waarover de verzoekende partij beschikt, zodat zij niet voldoet aan de stelplicht die in dit geval inhoudt dat aan de hand van concrete verifieerbare gegevens wordt aangetoond dat haar financiële toestand in die mate aan het wankelen wordt gebracht door de bestreden beslissing dat een faillissement op korte termijn onafwendbaar is.
- Omtrent het beweerde verlies van cliënteel valt evenmin in te zien hoe het wegvallen van de spelers in één van haar 64 wedkantoren, de economische leefbaarheid van de verzoekende partij fundamenteel zou kunnen ontwrichten. Bovendien overtuigt zij niet dat er in de betrokken sector sprake zou VII-41.340-7/9 zijn van een “onomkeerbaar” effect, zelfs bij de tijdelijke sluiting van een wedkantoor.
- De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de beweerde imagoschade, voortkomend uit de (tijdelijke) sluiting van één van de vele wedkantoren die zij exploiteert, van die aard is dat de bestreden beslissing, in afwachting van een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure, haar in een schadelijke toestand brengt die onmogelijk te verdragen valt. Bovendien kan de reputatie van de verzoekende partij steeds gezuiverd worden door een eventueel tussen te komen annulatiearrest.
- Ook met de terechte vaststelling dat er voor kansspelvergunningen F2 een numerus clausus geldt, wordt geen uiterst dringende noodzakelijkheid aangetoond, temeer omdat de verzoekende partij zelf erkent dat er op dit ogenblik nog 33 vergunningen F2 te begeven zijn en er anderdeels op geen enkele manier aannemelijk wordt gemaakt dat het wettelijke maximum binnen een zeer korte termijn zal worden bereikt.
- Tot slot is de al dan niet behoorlijke wijze waarop de verwerende partij het dossier zou hebben afgehandeld, op zich geen dienstig criterium om het uiterst dringend karakter van de vordering te beoordelen. Hetzelfde geldt voor de algemene bedenking over de langdurige sluiting van het wedkantoor tijdens de Covid-pandemie.
- Hieruit volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII-41.340-8/9 VI. Voorlopige maatregelen en dwangsom
- De verwerping van de hoofdvordering brengt de verwerping mee van de bijkomstige vorderingen tot het opleggen van voorlopige maatregelen met dwangsom. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vorderingen.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.340-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.462 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.573 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.561 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div