id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.485 Rolnummer: A. 230268/X-17674 Zaak: Arrest 253485 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-22 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 06:40 Fiche Arrest nr 253.485 van 8 april 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 253.485 van 8 april 2022 in de zaak A. 230.268/X-17.674 In zake :
- de VZW KINDERRECHTENCOALITIE VLAANDEREN
- de VZW LIGA VOOR MENSENRECHTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Hind Riad en Joke Callewaert kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dries Pattyn kantoor houdend te 8200 Brugge Rijselstraat 274 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe en Saul Janssens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 februari 2020, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 10 december 2019 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 betreffende de identiteitskaarten en het koninklijk besluit van 19 april 2014 aangaande de identiteitskaarten afgegeven door de consulaire beroepsposten’ (B.S. 20 december 2019). X-17.674-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 247.762 van 10 juni 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joke Callewaert en Dries Pattyn, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Saul Janssens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-17.674-2/14 III. Feiten en juridisch kader
- De verordening (EU) nr. 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ‘betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen’ (hierna: de verordening (EU) nr. 2019/1157) bepaalt dat de identiteitskaart een opslagmedium moet bevatten dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet en dat een gezichtsopname en twee vingerafdrukbeelden van de houder van de kaart bevat, in een digitaal formaat. Voor het verzamelen van biometrische gegevens passen de lidstaten de technische specificaties toe die zijn vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit C
(2018)7767 (artikel 3.5). Artikel 3.6 van de verordening (EU) nr. 2019/1157 luidt: “Het opslagmedium heeft voldoende capaciteit en is voldoende geschikt om de integriteit, de authenticiteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens te garanderen. De gegevens zijn contactloos toegankelijk en zijn beveiligd zoals bepaald in Uitvoeringsbesluit C
(2018)7767. De lidstaten wisselen onderling de informatie uit die nodig is voor de authenticatie van het opslagmedium en voor de toegang tot en verificatie van de in lid 5 vermelde biometrische gegevens.” Artikel 14 van diezelfde verordening luidt: “Aanvullende technische specificaties 1. Om er in voorkomend geval voor te zorgen dat de in artikel 2, onder
- a)en c), bedoelde identiteitskaarten en verblijfsdocumenten overeenstemmen met de toekomstige minimumbeveiligingsnormen, stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen aanvullende technische specificaties vast met betrekking tot het volgende:
- a)aanvullende beveiligingskenmerken en -vereisten, met inbegrip van strengere normen ter voorkoming van vervalsing en namaak;
- b)technische specificaties voor het opslagmedium waarop de biometrische gegevens worden opgeslagen als bedoeld in artikel 3, lid 5, en voor de beveiliging daarvan, waaronder het voorkomen van ongeoorloofde toegang en het faciliteren van validatie;
- c)kwaliteitseisen en gemeenschappelijke technische normen inzake gezichtsopname en vingerafdrukken. […]” X-17.674-3/14 De verordening (EU) nr. 2019/1157 is van toepassing vanaf 2 augustus 2021 (artikel 16). 4.1. De wet van 25 november 2018 ‘houdende diverse bepalingen met betrekking tot het Rijksregister en de bevolkingsregisters’ (hierna: de wet van 25 november 2018) wijzigt onder andere de wet van 19 juli 1991 ‘betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen’ (hierna: de wet van 19 juli 1991). Meer in het bijzonder wijzigt artikel 27 van de wet van 25 november 2018 artikel 6 van de wet van 19 juli 1991. Zo wordt artikel 6, § 2, derde lid, aangevuld met het voorschrift dat de identiteitskaart en de vreemdelingenkaart ook de volgende elektronisch leesbare gegevens van persoonlijke aard dienen te bevatten: het digitale beeld van de vingerafdrukken van de wijsvinger van de linker- en van de rechterhand van de houder of, in geval van invaliditeit of ongeschiktheid, van een andere vinger van elke hand. De Koning bepaalt de voorwaarden en nadere regels voor het nemen van het digitale beeld van de vingerafdrukken. Deze informatie mag, aldus het nieuw toegevoegde vijfde lid van artikel 6, § 2, “enkel worden bewaard gedurende de tijd die nodig is voor het aanmaken en afgeven van de identiteitskaart en in elk geval niet langer dan drie maanden, met dien verstande dat na die periode van drie maanden de gegevens hoe dan ook moeten worden vernietigd en verwijderd”. 4.2. Artikel 27 van de wet van 25 november 2018 maakt het voorwerp uit van vijf beroepen tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof, waaronder een beroep ingediend door de tweede verzoekende partij. Deze beroepen zijn verworpen bij het arrest nr. 2/2021 van 14 januari 2021 van het Grondwettelijk Hof. 5. Het koninklijk besluit van 10 december 2019 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 maart 2003 betreffende de identiteitskaarten en het koninklijk besluit van 19 april 2014 aangaande de identiteitskaarten afgegeven X-17.674-4/14 door de consulaire beroepsposten’ (hierna: het bestreden koninklijk besluit) geeft uitvoering aan de verordening (EU) nr. 2019/1157 en de wet van 25 november 2018. Artikel 4 van het bestreden koninklijk besluit wijzigt artikel 3 van het koninklijk besluit van 25 maart 2003. In artikel 3, § 1, wordt aangegeven dat de identiteitskaart twee elektronische chips en een tweedimensionale barcode bevat. Een nieuw artikel 3, § 5, bepaalt onder meer dat de vingerafdrukken op initiatief van het gemeentebestuur door middel van ad hoc sensors gedigitaliseerd worden, en dat het digitale beeld van deze afdrukken via de diensten van het Rijksregister op beveiligde wijze wordt doorgestuurd naar de producent van de identiteitskaart om er elektronisch in geïntegreerd te worden. Artikel 5 van het bestreden koninklijk besluit bepaalt dat in het koninklijk besluit van 25 maart 2003 een artikel 3/1 wordt ingevoegd, luidende: “Art. 3/1. Wanneer de houder van een identiteitskaart of van een vreemdelingenkaart zich meldt bij zijn gemeentebestuur, de eerste keer voor het aanmaken van het basisdocument, overeenkomstig artikel 3, §3, en vervolgens om die kaart af te halen, gaat de gemeenteambtenaar alvorens de kaart uit te reiken na of de persoon die zich bij het loket meldt wel de houder van de kaart is, met name door het gezicht visueel te vergelijken met de foto en door de vingerafdrukken van de persoon te vergelijken met die op de kaart voor zover ze erop geregistreerd werden. Bij twijfel over de identiteit van de houder van de kaart, wordt die kaart niet uitgereikt, zolang er geen zekerheid is over de identiteit van de houder.” IV. Onderzoek van het eerste en tweede middel – prejudiciële vraagstelling Uiteenzetting van het eerste en tweede middel 7. De verzoekende partijen voeren in een eerste en tweede middel de schending aan van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, van de artikelen 7, 8 en artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), van de artikelen 3, 8 en 16 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, van de artikelen 10, 11, 22, 22bis, 33, 37, 105, 108 en 159 van de Grondwet, X-17.674-5/14 van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 9, 25, 32, 35 en 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG’, van de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 27, 28 en 29 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad’, van de artikelen 2, 4, 5, 26, 27, 28, 30, 31, 32, 33, 34, 58, 59 en 60 van de wet van 30 juli 2018 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens’, van de artikelen 1, 3, 4, 5, 10, 42, van de Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG’, alsook van de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten, “in het bijzonder het ontbreken van de rechtens vereiste grondslag voor het bestreden besluit”. De middelen zijn gericht tegen artikel 4 van het bestreden besluit, en – wat het eerste middel betreft – tegen artikel 5 ervan. 8.1. De verzoekende partijen bekritiseren in hun eerste middel in essentie dat het bestreden koninklijk besluit steunt op de verordening (EU) 2019/1157 (eerste middelonderdeel) en artikel 6 van de wet van 25 november 2018 (tweede middelonderdeel), maar dat deze geen deugdelijke en wettelijke grondslag voor het bestreden besluit vormen. Zowel de verordening (EU) 2019/1157 als artikel 6 van de wet van 25 november 2018 houden immers een onevenredige inmenging in “in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer”. X-17.674-6/14 8.2. De verzoekende partijen vragen gezien het voormelde om, wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen: “Zijn de artikelen 3.5 en 3.6 van de Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen, gelezen in samenhang met het Uitvoeringsbesluit C
(2018)7767 van de Commissie van 30 november 2018 tot vastlegging van de technische specificaties betreffende een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen en tot intrekking van Besluit C
(2002)3069, geldig en bestaanbaar met de artikelen 16 en 21 VWEU en de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang met: - de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 9, 25, 32, 35 en 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) - de artikelen 1, 2, 3, 4, 8, 9, 10, 27 en 28 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad; - de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 10, 28, 42 van de Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG In zoverre artikelen 3.5 en 3.6 van de Verordening (EU) 2019/1157 verplicht om twee vingerafdrukbeelden van de houder van de kaart, in een digitaal formaat, te bewaren op een opslagmedium dat de identiteitskaart bevat?” 8.3. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, vragen de verzoekende partijen om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: X-17.674-7/14 “Schenden artikel 6, paragraaf 2, derde lid, 8° en artikel 6, paragraaf 4 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, zoals ingevoerd door artikel 27 van de wet van 25 november 2018 houdende diverse bepalingen met betrekking tot het Rijksregister en de bevolkingsregisters, die verplichten om het digitale beeld van de vingerafdrukken van de wijsvinger van de linker- en van de rechterhand van de houder of, in geval van invaliditeit of ongeschiktheid, van een andere vinger van elke hand, (
- i)te verzamelen en (
- ii)op te slaan op iedere identiteitskaart of vreemdelingenkaart onder de vorm van elektronisch leesbare gegevens op iedere identiteitskaart of vreemdelingenkaart: - artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM); - artikelen 7, 8 en artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; - artikelen 10, 11 en 22 van de Gecoördineerde Grondwet; - artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 9, 25, 32, 35 en 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) - artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 8, 9, 10, 27, 28 en 29 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad; - artikelen 2, 4, 5, 26, 27, 28, 30, 31, 32 33, 34, 58, 59 en 60 van de Wet Gegevensbescherming;” 9.1. De verzoekende partijen bekritiseren ook in hun tweede middel in essentie dat het bestreden koninklijk besluit steunt op de verordening (EU) 2019/1157, maar dat deze geen deugdelijke en wettelijke grondslag voor het bestreden besluit vormt. Deze verordening schendt volgens hen het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doordat zij de integriteit en de vertrouwelijkheid van de verwerkte vingerafdrukgegevens niet waarborgt. 9.2. De verzoekende partijen vragen gezien het voormelde om de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen: X-17.674-8/14 “Zijn de artikelen 3.5, 3.6 en 14 van de Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen, gelezen in samenhang met het Uitvoeringsbesluit C
(2018)7767 van de Commissie van 30 november 2018 tot vastlegging van de technische specificaties betreffende een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen en tot intrekking van Besluit C
(2002)3069, geldig en bestaanbaar met artikel 16 VWEU en de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang met: - de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 9, 25, 32, 35 en 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) - de artikelen 1, 2, 3, 4, 8, 9, 10, 27 en 28 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad; - de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 10, 28, 42 van de Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG In zoverre artikelen 3.5, 3.6 en 14 van de Verordening (EU) 2019/1157, gelezen in samenhang met bijlage III van het Uitvoeringsbesluit C
(2018)7767 van de Commissie van 30 november 2018 tot vastlegging van de technische specificaties betreffende een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen en tot intrekking van Besluit C
(2002)3069, verplichten de vingerafdrukgegevens op de in artikel 2, onder
- a)en c), bedoelde identiteitskaarten en verblijfsdocumenten te bewaren onder de vorm van een digitaal beeld van de vingerafdrukken op een elektronische microprocessorchip die gebruik maakt van RFID en die draadloos/contactloos kan worden uitgelezen?” Beoordeling 10. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, stellen de verzoekende partijen in hun laatste memorie dat “[h]et Grondwettelijk Hof […] in haar arrest nr. 2/2021 uitspraak [heeft] gedaan over het beginsel van de X-17.674-9/14 verwerking van de vingerafdrukgegevens middels de identiteitskaart”, dat de onder randnummer 8.3 gesuggereerde prejudiciële vraag “een identiek voorwerp [heeft]”, en dat zij “ter zake niet aan[dringen]”. 11. Artikel 7 van het Handvest luidt: “Eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.” Artikel 8 van het Handvest bepaalt: “Bescherming van persoonsgegevens 1. Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens. 2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan. 3. Een onafhankelijke autoriteit ziet toe op de naleving van deze regels.” Artikel 52 van het Handvest luidt: “Reikwijdte van de gewaarborgde rechten 1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden. 2. De door dit handvest erkende rechten waaraan de communautaire verdragen of het Verdrag betreffende de Europese Unie ten grondslag liggen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij die verdragen zijn gesteld. 3. Voorzover dit handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.” X-17.674-10/14 Artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) luidt: “1. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. 2. Het Europees Parlement en de Raad stellen volgens de gewone wetgevingsprocedure de voorschriften vast betreffende de bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsook door de lidstaten, bij de uitoefening van activiteiten die binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie vallen, alsmede de voorschriften betreffende het vrij verkeer van die gegevens. Op de naleving van deze voorschriften wordt toezicht uitgeoefend door onafhankelijke autoriteiten. De op basis van dit artikel vastgestelde voorschriften doen geen afbreuk aan de in artikel 39 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde specifieke voorschriften.” Artikel 21 VWEU bepaalt: “1. Iedere burger van de Unie heeft het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. 2. Indien een optreden van de Unie noodzakelijk blijkt om deze doelstelling te verwezenlijken en de Verdragen niet in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, kunnen het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure bepalingen vaststellen die de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten vergemakkelijken. 3. Ter verwezenlijking van dezelfde doelstellingen als in lid 1 genoemd en tenzij de Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien, kan de Raad, volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, maatregelen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming vaststellen. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, na raadpleging van het Europees Parlement.” 12. Het eerste onderdeel van het eerste middel en het tweede middel zijn gesteund op de ongeldigheid van de verordening (EU) 2019/1157, waardoor het bestreden besluit niet op een wettelijke grondslag zou berusten. Om die reden willen de verzoekende partijen de onder randnummer 8.2 en 9.2 vermelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld zien. Zij wijzen er in een brief van 15 maart 2022 de Raad van State bijkomend op dat inmiddels het Verwaltungsgericht Wiesbaden bij beslissing van X-17.674-11/14 20 januari 2022 met betrekking tot de huidige problematiek een gelijkaardige prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld. 13.1. Artikel 267 VWEU luidt: “Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen
- a)over de uitlegging van de Verdragen,
- b)over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie, Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der lidstaten, kan deze instantie, indien zij een beslissing op dit punt noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis, het Hof van Justitie verzoeken over deze vraag een uitspraak te doen. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is deze instantie gehouden zich tot het Hof te wenden. Indien een dergelijke vraag wordt opgeworpen in een bij een nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak betreffende een gedetineerde persoon, doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak.” 13.2. De onder de randnummers 8.2 en 9.2 gesuggereerde vragen betreffen de vraag naar de geldigheid van bepalingen van de verordening (EU) 2019/1157, meer bepaald van de artikelen 3.5, 3.6 en 14 daarvan. Het Hof van Justitie van de Europese Unie, en niet de Raad van State als nationale rechter, is in beginsel bevoegd om de gebeurlijke ongeldigheid van handelingen van de Europese gemeenschapsinstellingen vast te stellen (zie onder meer HvJ 6 december 2005, nr. C-461/03). Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dient de in het dictum geformuleerde vraag te worden gesteld. BESLISSING 1. Het debat wordt heropend. 2. Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: X-17.674-12/14 “Zijn de artikelen 3.5 en 3.6 en 14 van de Verordening (EU) 2019/1157 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ‘betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen’, gelezen in samenhang met het Uitvoeringsbesluit C
(2018)7767 van de Commissie van 30 november 2018 ‘tot vastlegging van de technische specificaties betreffende een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen en tot intrekking van Besluit C
(2002)3069’, geldig en bestaanbaar met artikel 16 VWEU en – wat de artikelen 3.5 en 3.6 betreft – artikel 21 VWEU, alsook met de artikelen 7, 8 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in samenhang met: - de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 9, 25, 32, 35 en 36 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG’, - de artikelen 1, 2, 3, 4, 8, 9, 10, 27 en 28 van de richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad’, - de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 10, 28, 42 van de Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG’, in zoverre de artikelen 3.5 en 3.6 van de Verordening (EU) 2019/1157 verplichten om twee vingerafdrukbeelden van de houder van de kaart, in een digitaal formaat, te bewaren op een opslagmedium dat de identiteitskaart bevat, en in zoverre de artikelen 3.5, 3.6 en 14 van de Verordening (EU) 2019/1157, gelezen in samenhang met bijlage III van het voormelde Uitvoeringsbesluit C
(2018)7767 van de Commissie van 30 november 2018, verplichten de vingerafdrukgegevens op de in artikel 2, onder
- a)en c), bedoelde identiteitskaarten en verblijfsdocumenten te bewaren onder de vorm van een digitaal beeld van de vingerafdrukken op een elektronische microprocessorchip die gebruik maakt van RFID en die draadloos/contactloos kan worden uitgelezen ?” X-17.674-13/14 3. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt opgedragen om na ontvangst van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie een aanvullend verslag op te stellen waarna de partijen de kans wordt geboden hieromtrent nog een laatste memorie in te dienen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.674-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.485 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.762 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div