id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.499 Rolnummer: A. 233492/XIV-38676 Zaak: Arrest 253499 - Niet begeleide minderjarigen - 13/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-26 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-14 02:44 Fiche Arrest nr 253.499 van 13 april 2022 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 253.499 van 13 april 2022 in de zaak A. é.492/XIV-38.676 In zake : Hassan Reza SHAFAHI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 25 februari 2021 waarbij wordt beslist de “meerderjarige beslissing” te behouden en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XIV-38.676-1/12 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 16 november 2021 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 22 december
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker komt België binnen en hij dient op 14 december 2020 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 december
- Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij doch de dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers leeftijd. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 14 januari 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op 26 januari 2021 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. XIV-38.676-2/12 3.
- Verzoeker bezorgt op 27 januari 2021 een kopie van zijn taskara aan de dienst Voogdij, die als datum (omgerekend) 23 augustus 2018 vermeldt en waarin als leeftijd wordt vermeld dat verzoeker acht jaar was in
- Op 25 februari 2021 beslist de dienst Voogdij de “meerderjarige beslissing” te behouden en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van titel XIII, hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van artikel 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: het WIPR), van artikel 25 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: richtlijn 2013/32), van artikel 24.2 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ en van de motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij licht dit toe als volgt: XIV-38.676-3/12 “
- Artikel 25.5 van de herschikte Procedurerichtlijn vereist als waarborg voor minderjarigen dat waar de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige wordt vastgesteld door een medisch onderzoek dit pas kan nadat ‘er een algemene verklaring is afgelegd of andere relevante aanwijzingen zijn overgelegd’ en die twijfel doen rijzen: ‘De lidstaten kunnen in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd’. Verzoeker kan op basis van de bestreden beslissing en het medische dossier niet nagaan welke afgelegde verklaringen of andere relevante aanwijzingen geleid zouden hebben tot twijfel die op zijn beurt tot de medische test geleid heeft. Er wordt in de bestreden beslissing enkel gesteld dat de Dienst Vreemdelingenzaken ‘twijfel’ geuit heeft. Wat die twijfel inhoudt, op wat die gebaseerd is, en welke aanwijzingen ertoe geleid hebben komen we niet te weten. Dit maakt een schending uit van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn, dat verder niet is omgezet naar nationale wetgeving en directe werking heeft.
- Verder bepaalt artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn als waarborg naar niet-begeleide minderjarigen toe dat indien een medisch onderzoek wordt verricht dat de niet-begeleide minderjarige in een taal die hij begrijpt of waarvan kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen. Er wordt daartoe informatie verstrekt over de onderzoeksmethode, over de mogelijke gevolgen van het onderzoek voor de behandeling van de asielaanvraag en over de gevolgen indien de betrokkene weigert het onderzoek te ondergaan. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat verzoeker werd geïnformeerd over het verloop van het medisch onderzoek. Of verzoeker effectief in kennis werd gesteld in een taal die hij kon begrijpen, wat de onderzoeksmethode zou zijn, wat de mogelijke gevolgen van het onderzoek kunnen zijn en wat de gevolgen kunnen zijn voor de asielaanvraag en wat er gebeurt indien hij weigert kan niet afgeleid worden uit de motieven van de bestreden beslissing. Artikel 51 van de Procedurerichtlijn bepaalt dat artikel 25.5 van de richtlijn diende omgezet te zijn uiterlijk op 20 juli
- Die omzetting is niet gebeurd tot op heden. Het Van Gend & Loos-arrest (zaak 26/62) vormt de basis voor het mechanisme van rechtstreekse werking. In dit arrest oordeelde het Hof van Justitie dat het gemeenschapsrecht onafhankelijk van de wetgeving van de lidstaten voor particulieren rechten kan scheppen. Als (een deel van) de bepalingen uit de richtlijn rechtstreeks werken, zijn deze volledig en direct van toepassing. Op grond van het beginsel van gemeenschapstrouw (voorheen art. 10 EG-verdrag; huidig artikel 4 lid 3 Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU)), zoals het Hof van Justitie EG oordeelde in het Constanzo-arrest (zaak C-103/88), kunnen de nationale rechters en de administratie zich niet verschuilen achter mogelijke gebreken van de centrale wetgever wanneer het gaat om correcte implementatie van Europese richtlijnen. De bepalingen van artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zijn onvoorwaardelijk, voldoende duidelijk en nauwkeurig en hebben bij gebrek aan omzetting, directe werking en scheppen een subjectief recht voor verzoeker. Gelet op het feit dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoeker werd geïnformeerd over doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico's van de test, en gelet op het feit dat dit ook vereist wordt door een bepaling in de Procedurerichtlijn dat bij gebrek aan omzetting nu directe werking heeft, schendt de bestreden beslissing de motiveringsplicht en artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn. XIV-38.676-4/12
- Verzoeker legde een authentiek document (taskara) voor waaruit zijn leeftijd blijkt. Overeenkomstig artikel 3 van het KB van 22 december 2003 diende de dienst Voogdij rekening te houden met officiële documenten van of inlichtingen verstrekt door het land van herkomst of van doorvoer. Door onvoldoende rekening te houden met de taskara, schendt de verwerende partij artikel 3, maar handelt zij eveneens onzorgvuldig. Gelet op de hieronder foutenmarge volstaat de combinatie van alle beschikbare informatie wel degelijk om verzoekers verklaarde leeftijd in aanmerking te nemen. Het is dan ook niet mogelijk om op basis van onbetrouwbare testen het tegenbewijs te leveren van feiten vastgesteld in geldige authentieke buitenlandse akten. Verzoekers leeftijd werd geschat aan de hand van een ‘medische test’. Het is mogelijk om de leeftijd te bepalen aan de hand van een radiologisch onderzoek, de zogenaamde ‘triple test’ (radiografie van het handpolsgewricht, van de tanden, en van de sternoclaviculaire gewrichten). Deze drie onderzoeken worden ernstig bekritiseerd vanuit de vakliteratuur en op supranationaal niveau. Het gebruik van dergelijke testen evenals de resultaten die dergelijke testen opleveren dienen met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Zo stelt een resolutie van het Europees parlement als volgt: ‘[Het Europese Parlement] betreurt het dat de medische technieken die in sommige lidstaten worden gehanteerd om de leeftijd vast te stellen ongepast en opdringerig zijn en trauma's kunnen veroorzaken, betreurt het eveneens dat sommige, op botontwikkeling of gebitsmineralisatie gebaseerde methodes omstreden blijven en een grote foutenmarge kennen; verzoekt de Commissie om in de strategische richtsnoeren op beste praktijken gebaseerde gemeenschappelijke normen op te nemen voor de methode waarmee de leeftijd wordt bepaald, waarbij deze beoordeling multidimensionaal en multidisciplinair moet zijn en door onafhankelijke, gekwalificeerde beroepsbeoefenaars en deskundigen uitgevoerd moet worden op een wetenschappelijke, veilige, gender- en kindvriendelijke en eerlijke manier, met bijzondere aandacht voor meisjes; herinnert eraan dat de leeftijdsbepaling moet worden verricht onder eerbiediging van de rechten en fysieke integriteit van het kind en van de menselijke waardigheid, en dat minderjarigen altijd het voordeel van de twijfel gegeven moet worden; wijst er tevens op dat medische onderzoeken alleen moeten worden uitgevoerd wanneer andere beoordelingsmethodes zijn uitgeput en dat het mogelijk moet zijn om tegen de uitkomsten van deze beoordeling in beroep te gaan; looft de werkzaamheden van EASO op dit vlak, en is van mening dat deze aanpak voor alle minderjarigen zou moeten worden veralgemeend.’ (Resolutie van het Europese Parlement van 12 september 2013 over de situatie van niet-begeleide minderjarigen in de Europese Unie (2012/2263(INI). Het is duidelijk dat er effectief gerede twijfel bestaat over de nauwkeurigheid van de testen en dat de resultaten er jaren naast kunnen zitten. Op zijn minst dient verzoekers socio-economische achtergrond, nutritioneel niveau en zijn etnische herkomst mee in rekening gebracht te worden om tot een nauwkeuriger resultaat te komen. Artikel 3 laatste lid van het KB van 22 december 2003 stelt dan ook dat het medische onderzoek niet enkel radiografisch onderzoek dient te bevatten maar onder meer ook psycho -affectieve tests kan omvatten, wat de nauwkeurigheid ongetwijfeld ten goede zou komen. Zowel het gebruik van dergelijke testen evenals de resultaten die dergelijke testen opleveren, dienen dan ook met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Dit blijkt echter niet het geval te zijn in de bestreden beslissing. Nochtans geven ook de bewoordingen van het medisch advies, waarop de bestreden beslissing is gebaseerd, aan dat er ruimte is voor twijfel. XIV-38.676-5/12 Door de Dienst Vreemdelingenzaken werd twijfel geuit over de leeftijd van verzoeker. Er werd hierom een test georganiseerd om te controleren of verzoeker jonger of ouder is dan 18 jaar. De test vond plaats in het Universitair Ziekenhuis St-Rafaël (KU Leuven), bij de faculteit Geneeskunde, Faculteit Tandheelkunde. Het besluit van deze test omvat: ‘Analyse van deze gegevens geeft mijns inziens aan dat SHAFAHI Hassan Reza op datum van 14-01-2021 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar’. De medische test gaf hierom aan dat verzoeker ouder zou zijn dan 18 jaar, maar er wordt kenbaar gemaakt dat een interpretatie noodzakelijk is. In de bestreden beslissing worden de resultaten van de medische test echter (ten onrechte) als uitgangspunt gehanteerd. Hierdoor handelt de verwerende partij onzorgvuldig.
- De onzorgvuldige beoordeling door de verwerende partij komt tevens tot uiting bij de beoordeling van de bewijswaarde van de voorgebrachte taskara door verzoeker. Door de sociaal assistent van verzoeker in het opvangcentrum van Sint-Pieters-Woluwe werd vervolgens op 27 januari 2021 een kopie bezorgd aan de dienst Voogdij van volgend document: Een taskara, afgegeven op 23 augustus 2018 te Gazni (Afghanistan), met volgende identiteit: Hassan Reza SHAQAYEE, geboren te Dad-e Zangar (Afghanistan), vastgesteld als 8-jarige in
- Door de Dienst Voogdij werd, op basis van dit document, een nieuwe beslissing genomen op 25 februari 2021 waarbij werd beslist om dit document niet te aanvaarden en zich te baseren op het resultaat van de uitgevoerde medische test. De Dienst Voogdij stelt dat de medische test de leeftijd van verzoeker brengt op 19,5 jaar, terwijl dit volgens de verklaringen en documenten van verzoeker 16 jaar betreft. Dit verschil van 3,5 jaar wordt te groot bevonden. De toetsing heeft dus plaatsgevonden met de resultaten van de medische test als uitgangspunt en niet omgekeerd. Dit blijkt ook uit volgende zinssnede in de bestreden beslissing: We kunnen documenten aanvaarden wanneer het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd volgends de documenten redelijk is (niet te groot). Hieruit blijkt opnieuw dat de verwerende partij, ten onrechte, de resultaten van de test neemt als uitgangspunt en vervolgens aftoetst of de bevindingen in de taskara hiermee in overeenstemming zijn. Verzoeker bepleit echter dat een tegenovergestelde werkwijze moet worden gehanteerd omdat verzoeker een authentiek document heeft voorgebracht en er voorbehoud moet worden gemaakt bij zowel het gebruik van medische testen als de resultaten die dergelijke testen opleveren. De authenticiteit van de voorgebrachte taskara staat bovendien niet ter discussie. Bovendien meent verzoeker dat het verschil in leeftijd, zowel weergegeven in beide documenten, niet als ‘te groot’ kan worden beschouwd (in de mate dat hierdoor de taskara van verzoeker aan de kant moet worden geschoven). De verwerende partij geeft ook geen criteria welke leeftijdsverschillen men als aanvaardbaar of onaanvaardbaar zou beschouwen. Er had veel zorgvuldiger kunnen omgesprongen worden met verzoekers minderjarigheid, de gebreken van de tests en de authentieke akte die hij voorgelegd heeft dan dat zulks het geval is geweest in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing dient hierom te worden nietig verklaard.” XIV-38.676-6/12 Beoordeling
- Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen bevestigt de bestreden beslissing de beslissing van 26 januari 2021 waarin wordt vastgesteld dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en waarin de conclusie van het leeftijdsonderzoek wordt weergegeven, waaruit blijkt dat verzoeker op 14 januari 2021 een leeftijd heeft “van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar” en dus ouder dan 18 jaar is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Verzoeker toont niet aan dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van het verslag van het medisch onderzoek, nu in de beslissing van 26 januari 2021 uitdrukkelijk wordt vermeld dat hij een kopie van de resultaten van de medische test kan vragen en het verslag ook deel uitmaakt van het administratief dossier. De bestreden beslissing blijkt dus te zijn gesteund op de resultaten van het medisch onderzoek, dat een dragend en afdoend motief vormt zodat, zoals verder zal blijken, de verwerende partij er zich wettig op vermocht te steunen en het medisch leeftijdsonderzoek kon laten prevaleren op de door verzoeker bijgebrachte kopie van zijn taskara. In de bestreden beslissing wordt de op 14 december 2020 door de dienst Vreemdelingenzaken geuite twijfel aan de door verzoeker opgegeven leeftijd vermeld. Net omwille van het objectief medisch verslag is een nadere motivering waarom werd getwijfeld aan verzoekers leeftijd, niet vereist in het licht van de formelemotiveringsplicht. Verzoeker toont geen schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. XIV-38.676-7/12
- Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32 kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van deze bepaling, kan er geen verplichting uit worden afgeleid om aan de vreemdeling, nadat deze laatste een verklaring heeft afgelegd, mee te delen welke de redenen zijn om te twijfelen aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. In de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling”, die deel uitmaakt van het administratief dossier, staat overigens aangegeven dat wordt getwijfeld over de ingeroepen minderjarigheid omwille van verzoekers fysiek voorkomen en dat verzoeker werd geïnformeerd over de geuite twijfel. Naar luid van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32, zorgen de lidstaten ervoor dat “de niet-begeleide minderjarige, voordat het verzoek om internationale bescherming wordt behandeld, in een taal die hij begrijpt of waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat hij deze begrijpt, in kennis wordt gesteld van het feit dat mogelijk een medisch onderzoek zal worden verricht om zijn leeftijd vast te stellen” en wordt daarbij “onder meer informatie verstrekt over de onderzoeksmethode en over de mogelijke gevolgen van het medische onderzoek voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, alsook over de gevolgen indien de niet-begeleide minderjarige weigert het medische onderzoek te ondergaan”. Te dezen staat in de “fiche niet-begeleide minderjarige vreemdeling” betreffende verzoeker vermeld dat hij het document dat hem informeert over het verloop van de leeftijdstest heeft ontvangen en dat hij zich niet verzet tegen de uitvoering van een leeftijdstest. Uit het verslag van het leeftijdsonderzoek blijkt dat verzoeker op 14 januari 2021 “was vergezeld van XIV-38.676-8/12 mevrouw [K.E.] van de dienst Voogdij”. Ook toen heeft verzoeker zich niet verzet tegen het leeftijdsonderzoek, dat zonder zijn medewerking immers niet had kunnen worden uitgevoerd. Omwille van deze elementen blijkt dan ook niet dat de voornoemde voorwaarden van artikel 25.5, derde lid, a), van richtlijn 2013/32 niet werden gerespecteerd. Voor zover ze op ontvankelijke wijze kan worden ingeroepen, blijkt dan ook geen schending van artikel 25.5 van richtlijn 2013/
- Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Nu de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel heeft ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat, blijkt geen schending van een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Verzoeker weidt uit over de voorgehouden onnauwkeurigheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling. Hij beperkt zich tot algemene kritiek doch toont niet aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Meer concreet blijkt dat de arts zich steunt op een meervoudig onderzoek, waarvan elk deelonderzoek individueel wordt geïnterpreteerd en waarna een algemene conclusie wordt getrokken met de eigenlijke leeftijdsschatting. Bij het bepalen in de bestreden beslissing of verzoeker al dan XIV-38.676-9/12 niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, is de eindconclusie van de arts op basis van die deelonderzoeken relevant en niet het resultaat van een afzonderlijk deelonderzoek. Die eindconclusie, en niet de conclusie van ieder deelonderzoek afzonderlijk, is derhalve ook bepalend voor de in het voornoemde artikel 7, § 3, van de voogdijwet bedoelde “jongste leeftijd”. Indien de arts voor zijn eindconclusie een deviatiefactor vermeldt, wordt de ondergrens daarvan in aanmerking genomen voor het bepalen van de leeftijd. Te dezen gaat het dus op datum van 14 januari 2021 om “een leeftijd […] van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Verzoeker betwist in het middel niet op concrete wijze de door de arts gevolgde onderzoeksmethodologie noch gaat hij hierop (in concreto) in. De algemene kritiek vervat in de resolutie waarnaar verzoeker verwijst, is onvoldoende om ervan te overtuigen dat het concrete medische onderzoek dat hij heeft ondergaan, aanleiding geeft tot twijfel. Met zijn algemene kritiek geeft verzoeker aldus wel zijn eigen standpunt of visie weer omtrent de opportuniteit van de keuze van de drievoudige test als wijze waarop het wettelijk vereiste medisch onderzoek gebeurt, maar maakt hij niet aannemelijk dat de in concreto gehanteerde onderzoeksmethode niet objectief is of niet is gericht op het op wetenschappelijk verantwoorde wijze verkrijgen van de relevante en juiste gegevens nodig voor het bepalen van de vraag of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd noch dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. Verder komt het de Raad van State niet toe zijn eigen interpretatie van de onderzoeksresultaten in de plaats te stellen van deze in het deskundig verslag. Verzoeker maakt in die mate geen schending aannemelijk van artikel 7 van de voogdijwet noch van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel of de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. XIV-38.676-10/12
- Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de door de betrokkene verstrekte informatie wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. De dienst Voogdij moet een kopie van een taskara niet laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2, van het wetboek van internationaal privaatrecht, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten met alle middelen mag worden aangebracht. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Te dezen motiveert de dienst Voogdij in de bestreden beslissing voorts waarom hij het voorgelegde document afwijst, meer bepaald omdat een verschil van 3,5 jaar tussen de door verzoeker verklaarde leeftijd en de jongste leeftijd van het medisch onderzoek te groot wordt geacht en de dienst Voogdij zich dan ook baseert op de resultaten van dit onderzoek. Het is niet vereist dat ook wordt aangegeven waarom dit verschil te groot is. De formelemotiveringsplicht vereist immers niet dat de overheid de gronden van haar motieven specificeert. Het enige middel is ook in die mate ongegrond.
- Vermits uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker op 14 januari 2021 meer dan 18 jaar was en verzoeker de onwettigheid van deze vaststelling niet aantoont, kan hij zich niet dienstig beroepen op artikel 24.2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. XIV-38.676-11/12
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.676-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.499 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div