← België

Arrest 253505 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.505 Rolnummer: A. 234089/VII-41632 Zaak: Arrest 253505 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-26 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 06:40 Fiche Arrest nr 253.505 van 13 april 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 253.505 van 13 april 2022 in de zaak A. 234.089/XIV-38.764 In zake : Omid SHINWARI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Micholt kantoor houdend te 8000 Brugge Maria van Bourgondiëlaan 7B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 21 mei 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat W.E. niet meer zijn voogd is. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XIV-38.764-1/5 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: het besluit van de Regent van 23 augustus 1948), heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 16 november 2021 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 22 december
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker komt België binnen en hij dient op 29 oktober 2020 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 oktober
  6. Verzoeker wordt onder de hoede geplaatst door de dienst Voogdij. Op 26 maart 2021 deelt de dienst Vreemdelingenzaken aan de dienst Voogdij mee dat verzoeker op 17 december 2019 onder een andere naam (N.S.) en met opgave van een andere geboortedatum (1 januari 2002) een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Griekenland. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers leeftijd. In het Algemeen Ziekenhuis Sint-Jan Brugge-Oostende ondergaat verzoeker op 19 mei 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al XIV-38.764-2/5 dan niet leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “ouder dan 18 jaar [is], vermoedelijk 20.03 jaar, met een standaarddeviatie van 1.6 jaar”. Op 21 mei 2021 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat W.E. niet meer zijn voogd is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Voorgestelde toepassing van de versnelde rechtspleging van artikel 93 van de algemene procedureregeling
  7. De auditeur-verslaggever heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 waarin zij de twee door verzoeker aangevoerde middelen ongegrond bevindt en van oordeel is dat het beroep tot nietigverklaring met korte debatten definitief kan worden beslecht door het te verwerpen. Wanneer de verkorte rechtspleging wordt toegepast heeft verzoeker niet meer de mogelijkheid om met een memorie van wederantwoord te repliceren op de memorie van antwoord. Evenmin kunnen de partijen nog in een laatste memorie reageren op het auditoraatsverslag dat de in de algemene procedureregeling voorziene memories mede in aanmerking heeft genomen bij het formuleren van een beredeneerd advies over de zaak. Naar luid van artikel 93, vierde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 wordt de zaak definitief beslecht indien de kamervoorzitter het eens is met de conclusies van het verslag. Het vijfde lid van dit artikel bepaalt dat, indien de kamervoorzitter van oordeel is dat de zaak niet gereed is om definitief te worden beslecht, hij deze verwijst naar de gewone rechtspleging
  8. Te dezen acht verzoeker in het tweede middel onder meer de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ geschonden. Hij licht dit als volgt toe: XIV-38.764-3/5 “De bestreden beslissing waarin besloten wordt dat de voogdij van rechtswege eindigt op datum van de kennisgeving van de beslissing wordt gesteund op slechts één gegeven: de resultaten van het medisch onderzoek dat op 19 mei 2021 werd uitgevoerd. Tijdens het medisch onderzoek werden er drie medische testen uitgevoerd. Deze testen leidden tot de volgende resultaten: - Op basis van de orthopantomogram: verzoekende partij heeft een leeftijd van 19,25 jaar, waarbij een standaarddeviatie van 1,49 jaar dient in acht te worden genomen. Op basis van de handpolsradiografie: de skeletale leeftijd kan geschat worden op 19 jaar, met een standaarddeviatie van 1,5 jaar. Op basis van de radiografie van het sleutelbeen: verzoekende partij heeft een gemiddelde leeftijd van 20,8 jaar, met een standaarddeviatie van 1,7 jaar. Op basis van deze testen wordt de volgende conclusie genomen: ‘Conclusie leeftijdsschatting: Op basis van het voorgaande onderzoek is bovengenoemde ouder dan 18 jaar, vermoedelijk 20.03 jaar met een standaard deviatie van 16 jaar.’ (stuk 11, verslag van het leeftijdsonderzoek, dd. 19 mei 2021) Indien er rekening wordt gehouden met de standaarddeviatie, blijkt uit twee van de drie testen dat de kans bestaat dat verzoekende partij op heden minderjarig is. Echter wordt dit op geen enkel moment benadrukt in het verslag van het leeftijdsonderzoek, noch in de bestreden beslissing! Bovendien, indien er een gemiddelde wordt genomen van de leeftijdstesten, wordt er een leeftijd van 19,68 jaar bekomen. Verzoekende partij vraagt zich dan ook oprecht af hoe er tot een vermoedelijke leeftijd van 20,03 jaar gekomen werd? Zowel in het medisch verslag ais in de bestreden beslissing, wordt er op geen enkele manier gemotiveerd hoe er tot de vermoedelijke leeftijd werd gekomen. Dit is een duidelijke schending van de formele motiveringsplicht!” Verzoeker verwijst ter staving van zijn standpunt nog naar ’s Raad arresten nr. 235.151 van 21 juni 2016 en nr. 246.360 van 9 december
  9. Het komt de Raad van State voor dat over het tweede middel geen uitspraak kan worden gedaan in de zin als voorgesteld in het auditoraatsverslag, dit na “korte debatten” zoals bedoeld in artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus
  10. Derhalve moet deze kwestie worden onderworpen aan het normale debat. Uit het voorgaande volgt dat de zaak nog niet in zoverre gereed is dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten. Ze wordt derhalve met toepassing van het vijfde lid van het voormelde artikel 93 verwezen naar de gewone rechtspleging. XIV-38.764-4/5 BESLISSING
  11. De Raad van State heropent het debat.
  12. De zaak wordt verwezen naar de gewone rechtspleging. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.764-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.505 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.812 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.