id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.523 Rolnummer: A. 235867/VII-41332 Zaak: Arrest 253523 - Milieuvergunningen - 19/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-23 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-14 03:19 Fiche Arrest nr 253.523 van 19 april 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.523 van 19 april 2022 in de zaak A. 235.867/VII-41.332 In zake: 1. T.P. 2. E.D. 3. D.D. 4. de VZW GREENPEACE BELGIUM 5. de VZW BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Audrey Baeyens en Carole Billiet kantoor houdend te 1780 Wemmel Fr. Robbrechtsstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW GRONDBANK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Deltour kantoor houdend te 1030 Brussel August Reyerslaan 80 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. de NV STADSBADER 2. de NV CIT BLATON 3. de NV ARTES ROEGIERS 4. de NV ARTES DEPRET 5. de BV MOBILIS samen vormend de tijdelijke maatschap RINKONIEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marco Schoups, Kristof Hectors en Céline Bimbenet kantoor houdend te 2000 Antwerpen De Burburestraat 6-8, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roel Meeus kantoor houdend te 1000 Brussel Regentschapsstraat 58, bus 8 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-1/83 6. de NV van publiek recht BEHEERSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN MOBIEL (BAM), handelend onder de naam LANTIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Bastiaan Schelstraete en Maarten Christiaens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen 7. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Johan Verbist, Britt Weyts en Joyce Van Caeyzeele kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 187, bus 302 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip Dewallens, Christophe Lemmens en Thierry Vansweevelt kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 8. de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts, Jean-Christophe Beyers en Pieter-Jan Van De Weyer kantoor houdend te 2600 Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 14 maart 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van : “- De conformverklaring met referentienummer 2015-22-301125 van 5 maart 2022 van het ‘Technisch Verslag Infrastructuurwerken Linkeroever (ref OWL1-SBS-RTS-RAP-0001)’ (eerste bestreden beslissing); - De conformverklaring met referentienummer 2015-22-301327 van 9 maart 2022 van het Technisch Verslag ‘Oosterweelverbinding Scheldetunnel en aansluiting ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-2/83 Linkeroever (ref OWL2-01742-LAN-RAP-W30-000002)’. (tweede bestreden beslissing); - Alle navolgende beslissingen die gebaseerd zijn op voormelde documenten, zoals, maar niet uitsluitend: - de grondverzettoelating met nr. 5015-22-301125.01 van 7 maart 2022 in het dossier Linkeroever voor afvoer van uitgegraven bodem binnen de werf (derde bestreden beslissing) - de grondverzettoelating met nr. 5015- 301125.02 van 7 maart 2022 in het dossier linkeroever voor afvoer van uitgegraven bodem binnen de werf (vierde bestreden beslissing) die omwille van hun verbondenheid met de eerste twee bestreden beslissingen uit het rechtsverkeer moeten verdwijnen (samen: de overige bestreden beslissingen)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 21 maart 2022 hebben de nv Stadsbader, de nv Cit Blaton, de nv Artes Roegiers, de nv Artes Depret en de bv Mobilis gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een verzoekschrift van 21 maart 2022 heeft de nv van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM), handelend onder de naam Lantis, gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een verzoekschrift van 21 maart 2022 heeft het Vlaamse Gewest gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Met een verzoekschrift van 30 maart 2022 heeft de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-3/83 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 april 2022, om 10.30 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Audrey Baeyens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Bernard Deltour en afdelingshoofd Andy Heurckmans, die verschijnen voor de verwerende partij, advocaten Kristof Hectors en Céline Bimbenet, die verschijnen voor de eerste vijf tussenkomende partijen, advocaten Jan Bouckaert en Bastiaan Schelstraete, die verschijnen voor de zesde tussenkomende partij, advocaten Johan Verbist en Christophe Lemmens, die verschijnen voor de zevende tussenkomende partij, en advocaten Jean-Christophe Beyers en Pieter-Jan Van De Weyer, die verschijnen voor de achtste tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Er wordt in eerste instantie verwezen naar de feiten uiteengezet in arrest nr. 252.567 van 29 december 2021 van de Raad van State die de schorsing beveelt van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van: - de conformverklaring door vzw Grondbank met nr. 2015-16-210737 van 3 december 2021 van de actualisatie van het Technisch Verslag ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-4/83 infrastructuurwerken Linkeroever dd. 19/12/2019, met als referentie OWL1-SBSRTS-RAP-0001; - de conformverklaring door vzw Grondbank met nr. 2046-19-305809 van 3 december 2021 van de actualisatie van het Technisch Verslag Scheldetunnel en aansluiting Linkeroever dd. 21/11/2020, met als referentie OWVA-SBS-BAM-RAP-0027. De in dit arrest uiteengezette feiten blijven relevant in de huidige procedure. 4. “[N]aar aanleiding van de vernieuwing van de technische verslagen van Lantis voor de Oosterweelwerf (zone Linkeroever en zone Scheldetunnel) op basis van het arrest van de Raad van State 252.567 van 29/12/2021” verleent de zogenaamde Commissie Grondverzet op 22 februari 2022 een “locatiespecifiek advies” waarbij “twee buitenlandse experten [werden] betrokken”. Het advies gaat over twee vragen die aan deze commissie “[i]n opdracht van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken” werden voorgelegd: “Vraag 1 Kunnen de PFAS-houdende gronden, onder de hergebruiksvoorwaarden zoals beschreven in de technische verslagen hergebruikt worden binnen de in technisch verslagen gedefinieerde en afgebakende kadastrale werkzone en dit rekening houdend met de ‘standstill-principes’ zoals beschreven in het VLAREBO (artikels 163-172) (i.c. bijkomende verontreiniging van het grondwater en bijkomend risico van mogelijke blootstelling)? … Vraag 2 Passen de herwerkte technische verslagen binnen de eerdere aanbevelingen van de Commissie Grondverzet van 14 juli 2021 betreffende stof, bodem en (grond)water?”. De Commissie Grondverzet stelt in haar advies voorafgaandelijk over de “zoneringsaanpak Oosterweelwerken” dat: - de “Oosterweelwerf […] een uitzonderlijk grote werf [is] in een context waarbij receptoren, zowel mens als milieu (bodem, grondwater, lucht en oppervlaktewater) ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-5/83 reeds geruime tijd onderhevig zijn aan een hoge belasting als gevolg van de aanwezige PFAS-verontreiniging”; - “[b]innen dergelijke context moet gestreefd worden naar een maximale beperking van bijkomende humane blootstelling als gevolg van de ingrepen in het kader van de Oosterweelwerf” en dat “het verantwoord [kan] zijn om strikter te handelen dan de grondverzetsregeling expliciet vereist en dus strengere principes te hanteren dan het standstill-principe”; - “bij deze evaluatie [...] rekening [moet] gehouden worden met” ‘de bron (de aanwezige verontreiniging)’, de ingreep (verontreiniging die wordt verplaatst door grondverzet in de zones rondom 3M)”, “het effect van de verspreiding van de verontreiniging als gevolg van de ingreep (via stof en grondwater)”, “de receptor (gebruikers van de zone Oosterweel en omwonenden) die hetzij via inhalatie/ingestie van beladen stof, hetzij via het gebruik van verontreinigd grondwater en/of van consumptie van voedsel gekweekt in de verontreinigde bodem wordt blootgesteld”; - “[n]aast het maximaal beperken van (in)directe (humane) blootstelling tijdens en na de grondverzetswerken op de zone van de werken zelf [...] tevens de verspreiding van de verontreiniging via stof en grondwater [moet] vermeden worden” omdat “[d]eze verspreiding onrechtstreeks [...] ook weer [kan] leiden tot blootstelling via inname van stof of het gebruik van verontreinigd drink- of putwater en voeding”; - de “blootstellingsroutes [die] worden beoordeeld als gevolg van de ingreep in de zones die worden heraangelegd in het kader van de Oosterweelverbinding” zijn “Ingestie en inhalatie van stof” en “Ingestie via hand-mond contact”, dat “[v]ermits er geen bewoning zal zijn in de afgewerkte Oosterweelzone [...] enkel passanten en gebruikers van de zone [worden] blootgesteld”, dat “[v]oor evaluatie van de verspreiding [...] gekeken [wordt] naar de routes via stof en grondwater” en dat “[d]e eventueel nadelige effecten op organismen in het leefmilieu (ecotox) worden meegenomen in het kader van de sanering door 3M (BBO en BSP) en [...] geen deel uit[maken] van dit advies”; - de (ontwerp-)technische verslagen voorzien in een indeling van de uitgegraven grond in verschillende kwaliteiten, elk met eigen codering: “Bodemmaterialen met ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-6/83 3 μg/kg ds PFOS” die worden “hergebruikt binnen de kadastrale werkzone volgens een gezoneerde aanpak” door de verdeling van de kadastrale werkzone (KWZ) “in subzones met 3 kwaliteitscategorieën boven de hergebruikswaarde (3 μg/kg DS)”, meer bepaald “Categorie ! => >3 μg/kg ds PFOS en ≤14,4 μg/kg ds2 PFOS”, “Categorie !! => >14,4 μg/kg ds PFOS en ≤70 μg/kg ds som PFAS” en “Categorie !!! => >70 μg/kg ds som PFAS en ≤1000 μg/kg ds som PFAS”; - “[v]oor het grondverzet binnen de kadastrale werkzone […] het standstill-principe [geldt] volgens de […] voorwaarden” van artikel 164, § 2, Vlarebo, dat “tot doel [heeft] dat door de werken geen bijkomende verontreiniging wordt gecreëerd” en dat deze “evaluatie gebeurt op niveau van de kadastrale werkzone”. Vervolgens antwoordt de Commissie Grondverzet op de eerste vraag dat “[o]p basis van de informatie in de technische verslagen (ontwerp technische verslagen, dd. 16/01/2022) […] invulling is gegeven aan het standstill-principe zoals omschreven in Hoofdstuk XIII van Vlarebo (het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen) en de codes van goede praktijk van OVAM” na de vaststelling “dat in vergelijking met de technische verslagen die werden voorgelegd in juni 2021, aanpassingen gebeurden op volgende vlakken”: - “De kadastrale werkzone werd opgesplitst in meerdere kadastrale werkzones”; - “De KWZ101 en KWZ102 wordt telkens verdeeld in subzones met 3 kwaliteitscategorieën boven de hergebruikswaarde (3 μg/kg DS) [...] waarbij uitgegraven bodem slechts hergebruikt kan worden binnen zones met een gelijkaardige of slechtere kwaliteit” en “De volumes in m³ per kwaliteitscategorie zijn als volgt”: “ILO: 134.000!; 110.000!!; 72.000!!!” en “ST: 500.000!; 310.000!!; 16.000!!!”; - “Voor hergebruik buiten de kadastrale werkzone wordt geen code opgegeven aangezien gesteld wordt dat de bodemmaterialen volledig binnen de respectievelijke kadastrale werkzone worden hergebruikt, behalve de fractie 9!!!, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-7/83 met concentraties >1000 μg/kg ds som PFAS. Deze kwaliteitscategorie wordt afgevoerd voor eindverwerking”; - “De fractie >70μg/kg ds 70μg/kg
- ds)af te voeren naar de terreinen van 3M, gezien deze nu buiten de kadastrale werkzone liggen. Nochtans creëerde de gecontroleerde opslag van de verontreinigde fractie op de terreinen van 3M een opportuniteit om de verontreiniging te concentreren op de privéterreinen van de veroorzaker van de verontreiniging, in afwachting van de sanering ervan en dit in de nabijheid waardoor de hinder als gevolg van transport (het gaat om grote volumes) zeer beperkt bleef. Deze piste werd door de commissie beschouwd als een meer duurzame oplossing in functie van toekomstige sanering. In het huidige voorstel wordt de verontreinigde fractie tijdelijk opgeslagen op openbaar domein en op terreinen die een lagere verontreinigingsgraad hebben dan de terreinen van 3M. De commissie vindt dit een nadelige evolutie en blijft voorstander van een gecentraliseerde opslag van de verontreinigde gronden op de terreinen van 3M in een goed ingekapselde berm, met monitoring van de grondwaterkwaliteit”; - “Het draft technisch verslag geeft aan dat de bodemmaterialen met concentraties >1000 μg/kg ds worden afgevoerd. Nochtans vermelden de technische verslagen (tabel 55) bij deze fractie eveneens de bijkomende codering “!!!”. Dit klopt niet, vermits het toetsingskader het volgende vermeldt “Grondlagen voorzien van de bijkomende codering ‘!!!’ kunnen worden aangewend ter hoogte van zones met gelijkaardige PFOS/PFAS-concentraties, aangeduid met ‘!!!’”. De codering !!! moet dus geschrapt worden voor materialen met concentratie >1000 μg/kg som PFAS. Door de code Y=9 is duidelijk dat dit materiaal niet mag hergebruikt worden. Bijkomende codering is weinig zinvol en verwarrend. In antwoord op vragen van de commissie gaf Lantis aan dat deze aanpassing zal doorgevoerd worden”; - “Met betrekking tot de fractie >70 μg/kg ds som PFAS wordt in de huidige technische verslagen enkel gesproken van dubbellagige bovenafdek, terwijl hiervoor aanvankelijk een 3-lagige bovenafdek en een onderafdek werd voorzien. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-8/83 Gezien de specifieke context van de omgeving van 3M, met de huidige hoge blootstelling van de omgeving, is het ten zeerste aan te bevelen om ook een onderafdek te voorzien. De nieuwe bepalingen van de Raad van State kunnen geen reden zijn om goede beheerspraktijken die in de vorige versie van het technisch verslag waren voorzien terug te schroeven. Voor de opslag van de meest verontreinigde fractie (in de technische verslagen >70μg/kg ds som PFAS) wordt dan ook aanbevolen om de oorspronkelijke werkwijze (bovenafdek: vezeldoek - klei - folie; onderafdek: folie) te behouden. Hiervoor kan tevens verwezen worden naar het advies van de afdeling Geotechniek (17 augustus 2021) en het “advies bermenlandschap” van AZG (24 januari 2022). Volgens de oorspronkelijke werkwijze (veiligheidsberm 3M) werd tevens een monitoring voorzien van het grondwater onder de berm. Het is niet duidelijk beschreven of dit ook wordt voorzien bij de tijdelijke opslag. De commissie acht het aangewezen dat ook ter hoogte van de tijdelijke opslag een monitoring van de grondwaterkwaliteit wordt voorzien.”; - “Met betrekking tot het grondwater wenst de commissie, in lijn met haar vorige advies, een reeks aandachtspunten te formuleren, die verder in dit advies aan bod komen”. De Commissie Grondverzet antwoordt vervolgens op de tweede vraag: - aangaande de zoneringscriteria, dat “het standstill-principe niet [volstaat] om de gezondheid van de omwonenden maximaal te beschermen in de context van de vastgestelde reeds hoge humane belasting”, dat zij beoordeelt “of de gebruikte zoneringscriteria en de toegepaste procedures volstaan om de verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan, maar ook om de algemene blootstelling van de omwonenden maximaal te beperken”, dat de “nood om de algemene blootstelling van de omwonenden te beperken volgt uit de resultaten van het bloedonderzoek uitgevoerd door AZG in november-december 2021, waaruit bleek dat de bewoners in de omliggende zone van 3M sterk verhoogde PFAS-waarden in hun bloed vertonen” en dat het “nastreven van een nulrisico […] evenwel niet realistisch” is maar dat wel “kan gestreefd worden naar een zo laag mogelijk risico”; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-9/83 - aangaande het zoneringscriterium “3 μg/kg ds PFOS als criterium vrij hergebruik”, dat “werd afgeleid door de achtergrondwaarde (1,5 μg/kg
- ds)te verdubbelen”, dat zij aanbeveelt “dat ook rekening gehouden wordt met perfluor-1-butaansulfonamide (PFBSA), vermits deze molecule ook door 3M wordt geproduceerd” en “om het onderste zoneringscriterium uit te breiden tot de 3 huidige Vlaamse toetsingswaarden voor vrij hergebruik: 3 μg/kg ds PFOS, 3 μg/kg ds PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS (incl. PFBSA)”; - aangaande het zoneringscriterium “14,4 μg/kg PFOS als eerste zoneringscriterium” die “wordt afgeleid van de ontwerp bodemsaneringsnorm (BSN) type III (wonen)”, dat zij voorstelt “om hier ook een waarde voor som PFAS te hanteren en [...] om het criterium aan te passen naar 14,4 μg/kg ds som PFAS. Waarden onder de LOQ worden niet meegerekend”; - aangaande het zoneringscriterium “70 μg/kg ds som PFAS als tweede zoneringscriterium”, dat binnen de aangepaste technische verslagen voor “alle opgegraven bodemmateriaal met PFAS-gehalte >70 μg/kg ds som PFAS het risico op blootstelling en verspreiding” wordt vermeden “door afvoer of inkapseling” en dat “het bodemmateriaal met concentraties “>3 μg/kg ds PFOS en door vermindering van de vuilvracht in de werfzone, wordt de bron van blootstelling en verspreiding rechtstreeks aangepakt”,
- ii)“bijkomende directe blootstelling: dit is de blootstelling door direct contact met de bodem als gevolg van bodemgebruik, in dit geval recreatie (fietspaden, parkgebied) en industrie (wegen)”, iii) “verspreiding via grondwater” en
- iv)“verspreiding via stof”; - vanuit de invalshoek “Bronaanpak: beperking vuilvracht”, dat volgens een benaderende berekening “hoeveel % van de totale hoeveelheid PFAS in de bodem wordt verwijderd door het tijdelijk stockeren met boven- en onderafdek van de bodemmaterialen >70 μg/kg ds som PFAS en het afvoeren van bodemmaterialen >1000 μg/kg ds voor eindverwerking”, deze ingreep een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-10/83 belangrijke impact heeft op de reductie van de aanwezige vuilvracht en dus ook op de grootte van de bron – hoewel de relatieve impact in het project Scheldetunnel lager is, vermits daar grotere volumes van minder verontreinigde bodem worden verzet - aangezien het “afvoeren en inkapselen van verontreinigde bodemmaterialen >70 μg/kg ds som PFAS [...] voor de twee werfzones samen voor een vermindering van de vuilvracht van 25,61 kg, dit is 55% van de totale hoeveelheid PFAS in de verplaatste gronden” zorgt; - vanuit de invalshoek “Bijkomende directe blootstelling – bodem”, dat “[d]e directe blootstelling aan PFAS [...], na afwerking van de werken, enkel [kan] optreden voor zover personen in contact komen met opwaaiend stof of bodemmateriaal. Het risico van die directe blootstelling kan bepaald worden, door toetsing van de blootstelling tijdens de voorziene manier van gebruik, aan een gezondheidskundige grenswaarde (GGW)”; dat zij op basis van een scenarioberekening voor “de lokale situatie van de Oosterweelwerf […] met oog op de finale bestemming van de werfzone” die zal bestaan uit bermen, parkgebied, fietspaden en (auto)snelwegen, die niet gebruikt worden als woonfunctie” aanbeveelt “om ook de toplaag van de bermzone ten Zuid-Westen van de knoop R1-E34, die aansluit bij de Polderstraat uit te voeren in zuivere grond” en vaststelt dat alle “andere zones [...] nauw aan[sluiten] bij de snelweg en [...] soms [worden] doorkruist door fietspaden”, dat het “gebruik van deze zones kan vergeleken worden met een gebruikstype ‘park of outdoor recreatie’”, dat dit “gebruikstype [...] er van uit[gaat] dat gebruikers blootgesteld worden aan opwaaiend stof van de bodem en dit via inademing, alsook ingestie via hand-mondcontact opnemen”, dat het “hier [gaat] om een worst case scenario, vermits de bermen na afronding van de werken grotendeels niet vrij toegankelijk zullen zijn voor gebruikers, en stofvorming zal beperkt worden door begroeiing en onderhoud van de bermen”; dat “[i]n deze specifieke situatie […] er rekening mee gehouden [moet] worden dat de bewoners al sterk blootgesteld zijn en hoge PFAS-waarden in hun bloed vertonen”, zij dan ook “aan[beveelt] om het bijkomende risico maximaal te beperken” en “dat de extra dosis via deze route maximaal 10% van de TWI [Toegelaten Wekelijkse Inname] mag bedragen” en “[v]anuit die overweging […] voor[stelt] om het tweede zoneringscriterium aan te passen naar 47 μg/kg ds som ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-11/83 PFAS. Verontreinigde bodemmaterialen met concentratie boven deze waarde moeten opgeslagen worden in tijdelijke opslagplaatsen met boven- en onderafdek […]. […] Bij de evaluatie van de verontreiniging van een bepaalde (sub)zone, worden de meetwaarden geëvalueerd en uitgemiddeld volgens de normaal gehanteerde procedures bij grondverzet. Voor de zones >14,4 en - vanuit de invalshoek “verspreiding via grondwater”, dat zij vaststelt “dat de grondwaterkwaliteit in het gebied rondom 3M problematisch is. Een (verdere) verspreiding van de verontreiniging moet ten allen tijde tegengegaan worden. In het gebied zijn geen waterwinningen of putwatergebruikers gesitueerd, waardoor er geen risico op directe blootstelling bestaat”; dat “[i]n de eerste plaats […] het verminderen van de vuilvracht […] voor een beperking van de bron van uitloging van PFAS naar het grondwater” zorgt, “dat het gebruik van bodemmaterialen met concentraties som PFAS 3 - 47 μg/kg ds nog steeds aanleiding geeft tot uitloging naar het grondwater” en dat deze “uitloging als gevolg van de aanwezige historische verontreiniging zorgt voor een verdere PFAS aanrijking van het reeds verontreinigde grondwater in de zone” en dat de “aanpak van de grondwaterverontreiniging [...] verder uitgewerkt [zal] moeten worden in het op te stellen bodemsaneringsplan van 3M” dat er zal voor moeten zorgen “dat de aanwezige verontreiniging in het grondwater zich niet verder kan verspreiden en dat de verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. […] Een eventuele bijdrage door uitloging van de bouwwerken kan (en zal) meegenomen worden in de algemene saneringsaanpak en zal dus pas na verdere sanering niet tot een (bijkomend) verspreidingsrisico leiden”; dat “[i]n de zone van de Scheldetunnel [...] op grotere diepte nog een diepe laag niet-verontreinigd grondwater [wordt] aangetroffen. Door uitgraven van de tunneltoegang, zal er tot op het niveau van dit grondwater gegraven worden. Bij uitvoering van de werken moet ervoor gezorgd worden dat de diepe grondwaterlaag in de zone Scheldetunnel niet verontreinigd wordt. Lantis geeft in antwoord op vragen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-12/83 hieromtrent door de Commissie Grondverzet aan dat bij het aanvullen van de diepere lagen de oorspronkelijke gelaagdheid gerespecteerd zal worden. Dit houdt in dat de diepere bodemlagen, waarin voor uitgraving geen PFAS-houdende gronden aanwezig zijn, niet aangevuld zullen worden met PFAS-verontreinigde gronden. Deze werkwijze is conform de voorwaarden voor het gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone: Bij het gebruik binnen de KWZ wordt er steeds op toegezien dat bodemmaterialen met een bepaalde gebruikscategorie (geen !, !, !! of !!!) enkel gebruikt kunnen worden in zones waar de kwaliteit van een gelijkaardige of minder goede kwaliteit is. Dezelfde voorwaarden gelden ook voor de ondiepere lagen en voor de talud die bovenop het oorspronkelijk maaiveld word aangelegd. Ter hoogte van de diepe grondwaterlaag beveelt de commissie aan te werken met zuivere grond (d.w.z. - vanuit de invalshoek “verspreiding via stof”, dat “Lantis [...] een stofactieplan [heeft] opgesteld en geïmplementeerd. In dat kader is er monitoring opgezet, worden acties genomen indien verhoogde waarden worden gemeten, worden hieruit lessen getrokken i.v.m. de effectiviteit van maatregelen en er werd een stofverantwoordelijke aangesteld. De gehanteerde goede werfpraktijken voor beperking van stofemissies geven blijk van een degelijk uitgewerkte en afdoende aanpak om de stofverspreiding, en aldus de bijkomende risico’s die hiermee gepaard gaan, te beperken”. De Commissie Grondverzet besluit als volgt: “De commissie blijft voorstander van een gecentraliseerde opslag van de verontreinigde gronden op de terreinen van 3M in een goed ingekapselde berm, met monitoring van de grondwaterkwaliteit. Voor de (tijdelijke) opslag van de meest verontreinigde fractie wordt ook aanbevolen om de oorspronkelijke werkwijze (bovenafdek: vezeldoek - klei - folie; onderafdek: folie) te behouden, inclusief de monitoring van de grondwaterkwaliteit rondom de opslagplaats. De technisch verslagen voldoen aan het standstill-principe zoals dat binnen de grondverzetsregeling wordt gehanteerd. Gezien de specifieke situatie rondom 3M, adviseert de commissie dat het risico op blootstelling en verspreiding van de verontreiniging maximaal wordt beperkt. Vanuit die insteek werden de toegepaste zoneringscriteria geëvalueerd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-13/83 De zoneringscriteria moeten telkens uitgedrukt worden als maximale gehalten aan som PFAS. In het huidige voorstel wordt voor de twee laagste criteria enkel naar PFOS verwezen. Voor deze bepaling dient de lijst en berekeningswijzen van het Compendium voor Monstername en Analyse van OVAM te worden gevolgd, waarbij zowel de kwantitatieve als de indicatieve parameters worden gemeten. De Commissie Grondverzet beveelt aan om het onderste zoneringscriterium uit te breiden tot de 3 huidige Vlaamse toetsingswaarden voor vrij hergebruik: 3 μg/kg ds PFOS, 3 μg/kg ds PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS (incl. PFBSA). De wetenschappelijke onderbouwing van het zoneringscriterium 70 μg/kg ds som PFAS werd recent in vraag gesteld. Via nieuwe scenarioberekening op basis van het reële gebruik van de heraangelegde zone (worst case benadering, blootstelling van kinderen), stelt de commissie voor om het criterium gebiedsspecifiek te herzien naar 47 μg/kg ds. Boven dit criterium worden ontgraven gronden samengebracht in tijdelijke opslag, voorzien van boven- en onderafdek en grondwatermonitoring. De praktijk om de meest verontreinigde uitgegraven gronden in te kapselen, zorgt voor een belangrijke reductie van de aanwezige vuilvracht die ter beschikking is voor uitloging of verspreiding. Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >3 μg/kg ds en Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >14,4 μg/kg ds en De commissie stelde daarnaast nog specifieke gebruiksadviezen op voor een beperkt aantal zones in de nabijheid van bewoning. De voorgestelde zoneringsaanpak neemt niet alle verontreiniging weg uit het systeem en kan dus nog steeds aanleiding geven tot uitloging van PFAS uit hergebruikte gronden met concentraties 3 – 47 μg/kg ds som PFAS. Dit risico beperken vormt een essentieel onderdeel van de uit te werken saneringsaanpak van het grondwater”. 5. Met een “addendum” geeft de Commissie Grondverzet op 27 februari 2022 “een aantal technische verduidelijkingen” bij haar advies van 22 februari 2022: “[…] - Tijdelijke opslag De term ‘tijdelijke opslag’ heeft enkel betrekking op de aanwending van het bodemmateriaal >47 μg/kg ds in een berm met boven- en onderafdek, in afwachting van verdere verwerking. Het betreft niet de tijdelijke werfopslag, in afwachting van verdere verplaatsing, afdekken of inpakken. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-14/83 De commissie gebruikte deze bewoording voor de bouwwerken (bermen) die aangelegd moeten worden om de verontreinigde grond op te slaan. De commissie geeft de voorkeur aan één centrale berm. Als dat niet kan, zal het één berm per KWZ zijn. Hierbij gaat de Commissie er van uit dat het om een tijdelijke oplossing gaat, voor de tijd dat er gezocht wordt naar een oplossing voor afvoer of reiniging. Zodra er technische oplossingen beschikbaar komen moet deze sterk vervuilde grond gereinigd worden (bvb. in een te bouwen reinigingsinstallatie op de 3M site). Die verdere saneringsaanpak is de verantwoordelijkheid van 3M en wordt uitgewerkt in het BBO (beschrijvend bodemonderzoek) en BSP (bodemsaneringsplan). Daarnaast werd een werkgroep saneringstechnieken opgericht in kader van het Stakeholderoverleg Zwijndrecht. Die groep zal innovatieve en bestaande saneringstechnieken inventariseren en evalueren. De grond die wordt ontgraven en tijdelijk (max. 1 maand) op de werf opgeslagen in afwachting van een meer definitieve toepassing wordt beschouwd als werfopslag, en valt niet onder het begrip ‘tijdelijke opslag’, zoals gehanteerd in het rapport van de commissie van 22 februari 2022. Langdurige (> 1 maand) onbedekte werfopslag van verontreinigde grond moet vermeden worden. Reeds in haar eerste verslag beval de Commissie aan om de werfopslag in te zaaien met snelgroeiend onkruid en continu te besproeien bij droog weer. - Gemiddelde concentraties Het rapport van de commissie van 22 februari stelt ‘Bij de evaluatie van de verontreiniging van een bepaalde (sub)zone, worden de meetwaarden geëvalueerd en uitgemiddeld volgens de normaal gehanteerde procedures bij grondverzet.’ Deze aanbeveling bleek op verschillende manieren geïnterpreteerd te kunnen worden. De commissie stelt daarom hierbij dat de grens 47 μg/kg ds moet beoordeeld worden tegenover het rekenkundig gemiddelde van de (sub)zone. De commissie keek hiervoor naar de subzones en waarden zoals weergegeven in de tabellen van Lantis waarin de vuilvrachtvermindering wordt berekend. De daarin gehanteerde zones moeten bij evaluatie van dit criterium behouden blijven. Het rekenkundig gemiddelde is een goede weergave van de bodemkwaliteit van de beschouwde subzone, met oog op het humane risico. - PFBSA De commissie hecht bijzonder belang aan PFBSA en heeft daarom expliciet in het advies opgenomen dat ook deze parameter mee bekeken moest worden. Daarnaast werd voor de bepaling van de som PFAS verwezen naar de CMA. In de huidige (goedgekeurde) CMA versie 11/2020 (Per- en polyfluorverbindingen (PFAS) (vito.be)) worden 36 PFAS-verbindingen geanalyseerd, 28 kwantitatieve parameters en 8 indicatieve parameters, zoals in het rapport van de commissie vermeld. Hierin is PFBSA (nog) niet vervat. Dat is wel het geval voor de ontwerp (nog niet goedgekeurde) CMA versie 11/2021 (ontwerpversie, Per- en polyfluorverbindingen (PFAS) (vito.be)), die gehanteerd wordt voor staalnames en analyses die sinds december 2021 worden uitgevoerd. Deze CMA versie (11/2020) wordt rechtsgeldig vanaf juni 2022. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-15/83 De Commissie adviseert derhalve om voor alle toekomstige stalen het gehalte PFBSA en andere indicatieve parameters volgens het CMA te bepalen, met oog op karakterisering van de verontreiniging. Voor evaluatie van de zoneringscriteria moeten ook de indicatieve parameters opgenomen worden in de evaluatie van de som PFAS. [...]”. 6. In de bestreden eerste en tweede beslissing wordt het overleg tussen de voorzitter van de Commissie Grondverzet, de erkende bodemsaneringsdeskundige van nv BAM, nv BAM en vzw Grondbank van 2 maart 2022, evenals het antwoord van de OVAM op vragen van Grondbank van 3 maart 2022 vermeld die werden in acht genomen bij die conformverklaringen. In haar antwoord op de vragen van vzw Grondbank, vestigt de OVAM de aandacht op de voorwaarde “dat het gebruik van de bodemmaterialen de eventuele toekomstige bodemsaneringswerken niet mag verhinderen” en stelt zij in dat verband dat het aangewezen lijkt “om, in het kader van de nieuwe technische verslagen, rekening te houden met een eventuele toekomstige bodemsanering” en dat het “ook logisch [lijkt] dat de initiatiefnemer van de grondverzetwerken en de aangestelde bodemsaneringsdeskundige zich bewust zijn van deze problematiek en dat de bodemsaneringsdeskundige aangeeft wat de impact van de grondwerken kan zijn op de verschillende mogelijke varianten van de bodemsanering”. De OVAM verwijst nog naar “een verslag van gefaseerd beschrijvend bodemonderzoek van de erkende bodemsaneringsdeskundige ERM in opdracht van 3M Belgium” en stelt dat de bevindingen in dat bodemonderzoek “ongetwijfeld nuttig aangewend [kunnen] worden door de erkende bodemsaneringsdeskundige van de initiatiefnemer van de grondverzetswerken om de interactie van die werken en de bodemsanering na te gaan”. 7. Het Technisch Verslag “Infrastructuurwerken Linkeroever - Oosterweel 2000 Antwerpen” van 3 maart 2022 (TV IWLO) vervangt het Technisch Verslag waarvan de conformverklaring bij voormeld arrest nr. 252.567 werd geschorst behalve voor de “zone Beveiligingsberm” waarvoor de geschorste conformverklaring nog steeds van toepassing is. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-16/83 De vzw Grondbank verklaart met de eerste bestreden beslissing het TV IWLO conform. De vzw Grondbank overweegt: - het advies van de Commissie Grondverzet, het addendum bij dit advies, het overleg van 2 maart 2022 en het antwoord van de OVAM op vragen van vzw Grondbank in acht te nemen; - dat het TV IWLO beantwoordt aan het standstill-beginsel; - dat het “dossier heel bijzonder is” en dat de “Vlaamse overheid” zich daarom “heeft omringd met bijzondere, aanvullende expertise”; - te hebben vastgesteld “dat de aanbevelingen van de Commissie Grondverzet die betrekking hebben [op] het gebruik van de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone […] geïntegreerd [zijn] in het TV IWLO”; “- Toegepaste zoneringscriteria teneinde het risico op blootstelling en verspreiding van de verontreiniging maximaal te beperken; - Uitdrukking van de zoneringscriteria als maximale gehalten aan som PFAS; - Gebiedsspecifieke herziening van het criterium van 70 μg/kg ds som PFAS naar gemiddeld 47 μg/kg ds som PFAS; - Bodemmaterialen met concentratie PFOS > 3 μg/kg ds, PFOA > 3 μg/kg ds en som PFAS > 8 μg/kg ds en - Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >14,4 μg/kg ds en - Specifieke gebruiksadviezen voor beperkt aantal zones in de nabijheid van bewoning”; - “dat ook de volgende aanbevelingen van de Commissie Grondverzet zullen dienen inachtgenomen in het vooropgezette omgevingsvergunnings- en/of bodemsaneringsrechtelijke traject: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-17/83 - de aanwending van bodemmaterialen >47μg/kg ds som PFAS in een berm met boven(vezeldoek - klei - folie) en onderafdek (folie), inclusief monitoring van de grondwaterkwaliteit; het risico op potentiële uitloging van residuaire PFAS uit hergebruikte gronden met concentraties tot 47μg/kg ds som PFAS dient een essentieel onderdeel te zijn van de uit te werken saneringsaanpak van het grondwater”. De vzw Grondbank merkt dan “voorafgaandelijk” op dat: - er “wordt gegraven in de buurt van een verdacht terrein” en dat wanneer “er zintuiglijk verontreinigde bodem wordt aangetroffen” dit “onmiddellijk [moet] gemeld worden aan de opdrachtgever en Grondbank vzw, zodat verdere stappen kunnen genomen worden”; - omwille “van de concentraties PFAS in het grondwater […] voor de bemalingen mogelijk nog overleg met de OVAM en VMM nodig [zal] zijn om de aanpak van de bemalingen in de specifieke zones vast te leggen”; omdat grondwaterbemaling “een invloed [kan] hebben op de aanwezige verontreiniging […] moet in overleg met de erkende bodemsaneringsdeskundige worden nagegaan of er voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen”. Over het punt “begeleiding” stelt de vzw Grondbank onder meer dat: - “[h]et gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen […] integraal [moet] worden opgevolgd door een erkende bodemsaneringsdeskundige” die toeziet “op de correcte toepassing van de bepalingen met betrekking tot het gebruik binnen de kadastrale werkzone”; - de uitgravingswerken ter hoogte van een aantal zones moeten worden begeleid door een erkende bodemsaneringsdeskundige; - ter hoogte van zone 201c is bijkomend onderzoek noodzakelijk op PFAS door een erkende bodemsaneringsdeskundige; - de zone waar de calamiteit “CAL04: Lozing potentieel verontreinigd PFAS-water in beek thv Neerstraat” zich heeft voorgedaan, “wordt onder begeleiding van de erkende bodemsaneringsdeskundige A+E Consult ontgraven (lopende)” ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-18/83 - met betrekking tot zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 (in de kadastrale werkzone 101) en de gestapelde grondhopen (501 t.e.m. 507) verwezen wordt naar de bijkomende voorwaarden. De vzw Grondbank stelt vervolgens dat er 2 kadastrale werkzones (KWZ) worden afgebakend: - KWZ 1001 die de zones 215a en 318 omvat “waar geen concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden: de “partijen afkomstig van deze zones kunnen binnen KWZ 1001 en KWZ 11 worden hergebruikt”; – KWZ 101 die de zones 201a, 201b, 201c, 202, 203, 204, 205, 206a, 207b, 207c, 208, 209a, 209b, 210, 211, 213, 214, 215b, 215c, 216, 217, 218, 219, 220, 221, 319a, 401, 402, 403, 404 en 405 omvat “waar de concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden”: twee “partijen” afkomstig van deze zones worden onderscheiden: enerzijds de partijen “met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met ‘!’, ‘!!’, ‘!!!’ en ‘!!!!’)” die “enkel binnen KWZ 101 [kunnen] worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen” die in “hoofdstuk 4” worden vermeld en anderzijds partijen “met concentraties PFAS kleiner dan of gelijk aan de toetsingswaarde vrij gebruik” die “kunnen worden hergebruikt binnen KWZ 101 en KWZ 1001”. De vzw Grondbank vermeldt dan volgende “bijkomende voorwaarden”: “- De partijen 020! thv zone 203 mogen enkel hergebruikt worden binnen zone 203 mits hergebruik onder een verharding of leeflaag. Het hergebruik van de gronden dient voor toepassing afgestemd te worden met een EBSD. Opgelet: hierbij dient bijkomend rekening gehouden te worden met de voorwaarden opgenomen voor PFAS. Voor de aanpak van de ontgraving van de PFAS-houdende gronden verwijzen we naar punt 5 van de conformverklaring. - Thv zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 mogen enkel terreineigen gronden hergebruikt worden. Voor gebruik van partijen die niet afkomstig zijn van zone 208, 209a, 209b, 210 en 214 dient op voorhand afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige of toepassing van de betreffende gronden mogelijk is voor de parameters van het standaard ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-19/83 analysepakket. Hergebruik van gronden met concentraties aan genormeerde parameters groter dan de 80% BSN III is niet mogelijk in deze zone. - De gestapelde grondhopen (zones 501, 502, 503, 504, 505, 506 en 507) moeten in functie van het hergebruik nog geëvalueerd worden voor de parameters van het standaard analysepakket en voor PFAS door een erkende bodemsaneringsdeskundige. - Thv de nieuwe loop van de Palingbeek in zone 204 zullen geen gronden worden toegepast. - Er is een directe afvoer naar een ontwateringsbekken voorzien voor de partijen waterbodem. Indien men toch zou opteren voor tijdelijke oeverdeponie, is een bijkomende evaluatie van de mogelijkheid tot ontwatering binnen de vijfmeterstrook van de oever nodig”. Wat betreft de “PFAS-houdende gronden (KWZ 101)” stelt de vzw Grondbank dat: - in deze zones en hopen (uitgegraven bodem) 501, 503 en 504 (samen 4200m³), 505 en 506 (samen 17.930m³) en 507 (5.000m³) “concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik [worden ] aangetroffen”; - voor “gebruik van de PFAS-houdende partijen […] een afzonderlijk bodembeheerrapport [zal] worden opgemaakt”; - de KWZ 101 onderverdeeld wordt in “4 subzones […] in de opmetingstabel met een ‘!’, ‘!!’, ‘!!!’ en ‘!!!!’ aangeduid in de partijen”, en verder: “- Bij voorbereidende sleufwerken kunnen PFAS-houdende gronden (> 3 μg/kg ds PFOS/PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS) ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvullingen mits respecteren van de gelaagdheid. De uitgraving en het hergebruik van deze partij dient te gebeuren conform de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’. Voor dit gebruik is geen bodembeheerrapport vereist. Conform deze principes geldt dit ook zo voor de PFAS-houdende gronden met gemiddelde concentraties > 47 μg/kg ds. - In de nabijheid van bewoning en recreatieterreinen mogen enkel niet verontreinigde gronden worden toegepast in de leeflaag van de berm. De betreffende delen staan aangeduid op het zoneringsplan (zie zones 201c, 207a, 207b, 207c en 208). M.a.w. dienen in deze zones partijen met code 211 of terreineigen gronden met natuurlijke aanrijking met code 4y1* te worden gebruikt (of externe partijen 3y1 of 4y1 met van nature verhoogde concentraties obv een vereenvoudigde studie van de ontvangende grond). ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-20/83 - Thv de zones 201b (laag 0,5-1,5 m-mv), 207b (0,5-1,5 m-mv), 209a (1,5-5 m-
- mv)en 216 (1,5-2,5 m-
- mv)mogen geen partijen met PFOS-concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden. - Voor partijen met concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of PFAS groter dan 8 μg/kg ds is gebruik buiten de KWZ niet mogelijk. - Voor de partijen met concentraties PFAS boven detectielimiet maar die de door de EBSD voorgestelde toetsingswaarde voor Vrij Gebruik niet overschrijden is er bijkomende evaluatie nodig: - bij afvoer naar terreinen met een Studie Ontvangende Groeve dient men steeds na te gaan of de vermelde parameter mag aanvaard worden. - voorafgaand aan onderwatertoepassingen 4.1 Subzones met code ‘!’ Partijen met code 020! bevatten concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of som PFAS groter dan 8 μg/kg ds. Concentraties som PFAS zijn kleiner dan of gelijk aan 14,4 μg/kg ds. Partijen met code 020! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!’ en ‘!!!’). 4.2 Subzones met code ‘!!’ Partijen met code 020!! bevatten concentraties som PFAS groter dan 14,4 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds. Partijen met code 020!! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!!’), waar actief recreatief gebruik op niet-verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd wordt. 4.3 Subzones met code ‘!!!’ Partijen met code 020!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan gemiddeld 47 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan 1000 μg/kg ds. Partijen met code 020!!! kunnen enkel hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!!!’ - mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail EBD dd. 12/6/2018) en onder afdek (zie p. 76 van het technisch verslag voor de specifieke voorwaarden). We verwijzen ook naar 0. Inleiding ivm de onderafdek en de monitoring. - In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds PFAS worden toegepast (behalve bij voorbereidende sleufwerken cfr principes de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’). 4.4 Subzones met code ‘!!!!’ Partijen met code 090!!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan 1000 μg/kg ds. Er mogen geen bodemmaterialen met concentraties aan som PFAS groter dan 1000 μg/kg ds binnen de KWZ 101 gebruikt worden. Binnen dit deel van de Oosterweelwerken werden concentraties hoger dan 1000 μg/kg ds vastgesteld thv de Palingbeek (slibfractie met code 090!!!!). Deze gronden dienen afgevoerd te worden naar een erkend verwerker”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-21/83 De vzw Grondbank stelt wat betreft “saneringen” dat volgens “de erkende bodemsaneringsdeskundige […] er aanwijzingen [zijn] dat er op het terrein zal moeten overgegaan worden tot bodemsanering” en zij wijst er tevens op dat de Code van Goede Praktijk “Gebruik van bodemmaterialen in een kadastrale werkzone” bepaalt dat het gebruik van de bodemmaterialen eventuele toekomstige bodemsaneringswerken niet mag verhinderen”. 8. Het Technisch Verslag “Scheldetunnel” van 8 maart 2022 (TV ST) vervangt het Technisch Verslag waarvan de conformverklaring bij voormeld arrest nr. 252.567 werd geschorst “voor zover de erin afgebakende kadastrale werkzones overlappen met de kadastrale werkzones in het voorgaande Technisch Verslag. De kadastrale werkzones of onderdelen ervan die afgebakend werden in het voorgaande Technisch Verslag maar niet in het huidige Technisch Verslag, vallen uitsluitend onder het toepassingsgebied van het voorgaande, weliswaar geschorste, Technisch Verslag”. De vzw Grondbank verklaart met de tweede bestreden beslissing het TV ST conform. De vzw Grondbank verwijst naar de communicatie op 3 februari 2022 met de erkende bodemsaneringsdeskundige en overweegt: - dat zij “bij het beoordelen van de conformiteit van het TV ST inzonderheid ook” het advies van de Commissie Grondverzet, het addendum bij dit advies, het overleg en het antwoord van de OVAM op vragen van de vzw Grondbank in acht neemt; - dat het TV ST beantwoordt aan “het standstill-beginsel”; - dat het “dossier heel bijzonder is” en dat de “Vlaamse overheid” zich daarom “heeft omringd met bijzondere, aanvullende expertise”; - te hebben vastgesteld “dat de aanbevelingen van de Commissie Grondverzet die betrekking hebben [op] het gebruik van de bodemmaterialen binnen de kadastrale werkzone […] geïntegreerd [zijn] in het TV ST”: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-22/83 “- Toegepaste zoneringscriteria teneinde het risico op blootstelling en verspreiding van de verontreiniging maximaal te beperken; - Uitdrukking van de zoneringscriteria als maximale gehalten aan som PFAS; - Gebiedsspecifieke herziening van het criterium van 70 μg/kg ds som PFAS naar gemiddeld 47 μg/kg ds som PFAS; - Bodemmaterialen met concentratie PFOS > 3 μg/kg ds, PFOA > 3 μg/kg ds en som PFAS > 8 μg/kg ds en - Bodemmaterialen met concentratie som PFAS >14,4 μg/kg ds en - Specifieke gebruiksadviezen voor beperkt aantal zones in de nabijheid van bewoning”; - “dat ook de volgende aanbevelingen van de Commissie Grondverzet zullen dienen inachtgenomen in het vooropgezette omgevingsvergunnings- en/of bodemsaneringsrechtelijke traject: - de aanwending van bodemmaterialen >47μg/kg ds som PFAS in een berm met boven(vezeldoek - klei - folie) en onderafdek (folie), inclusief monitoring van de grondwaterkwaliteit; - het risico op potentiële uitloging van residuaire PFAS uit hergebruikte gronden met concentraties tot 47μg/kg ds som PFAS dient een essentieel onderdeel te zijn van de uit te werken saneringsaanpak van het grondwater”. De vzw Grondbank merkt dan “voorafgaandelijk” onder meer op dat: - er “wordt gegraven in de buurt van een gesaneerde zone (thv zone 308)” en dat wanneer “er zintuiglijk verontreinigde bodem wordt aangetroffen” dit “onmiddellijk [moet] gemeld worden aan de opdrachtgever en Grondbank vzw, zodat verdere stappen kunnen genomen worden”; - omwille “van de concentraties PFAS in het grondwater […] voor de bemalingen mogelijk nog overleg met de OVAM en VMM nodig [zal] zijn om de aanpak van de bemalingen in de specifieke zones vast te leggen”; omdat grondwaterbemaling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-23/83 “een invloed [kan] hebben op de aanwezige verontreiniging […] moet in overleg met de erkende bodemsaneringsdeskundige worden nagegaan of er voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen”. Over het punt “begeleiding” stelt vzw Grondbank onder meer dat - “[h]et gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen […] integraal [moet] worden opgevolgd door een erkende bodemsaneringsdeskundige” die toeziet “op de correcte toepassing van de bepalingen met betrekking tot het gebruik binnen de kadastrale werkzone”; - de uitgravingswerken ter hoogte van een aantal zones moeten worden begeleid door een erkende bodemsaneringsdeskundige; - met betrekking tot “zones 302a en b (vanaf 1 m-
- mv)en de zones 320 en 328 (tot 1 m-mv)” verwezen wordt naar de bijkomende voorwaarden; – in een aantal specifieke gevallen bijkomend bemonsterd moet worden alvorens een grondverzettoelating te kunnen afleveren. De vzw Grondbank stelt vervolgens dat er 3 kadastrale werkzones (KWZ) worden afgebakend: - KWZ 1 die de zones 309, 310, 311, 312, 313, 314a, 314b, 318 en 320 omvat waar geen concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden: de partijen afkomstig van deze zones kunnen binnen KWZ 102 en KWZ 1 worden hergebruikt; er zijn bijkomende voorwaarden: - ter hoogte van de Schelde (zone 309 tem 314B):
- i)“Er is geen hergebruik van de waterbodem mogelijk op het droge”;
- ii)“Hergebruik als bodem van de waterbodem (zones 309 tem 314B) is enkel mogelijk binnen de zone van de Schelde binnen KWZ 1 (= zones 309 tem 314B). Deze conformverklaring heeft geen betrekking op bagger- en ruimingsspecie die wordt teruggestort in de waterloop waaruit ze afkomstig is als vermeld in rubriek 2.3.7, b), van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.5.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. (artikel 137 4°, Bodemdecreet)”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-24/83 - “Zone 320: hergebruik van de partij 921 kan enkel thv de openbare wegenis of binnen zones met gelijkaardige verhoogde concentraties. Het hergebruik van de partij dient afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige”. - KWZ 102 die de zones 301, 302a, 302b, 303, 304, 306, 307, 315, 316, 317, 319a (het deel van zone 319a opgenomen in KWZ 102 overlapt niet met het deel van zone 319a opgenomen in KWZ 101 van het TV Infrastructuurwerken Linkeroever), 319b, 321, 322, 324, 325, 326, 327, 328, 329 en 330 omvat waar concentraties aan PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen werden: “de partijen met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met ‘!’, ‘!!’ en ‘!!!’) afkomstig uit deze zones kunnen enkel binnen KWZ 102 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen (zie hoofdstuk 5 voor bijkomende toelichting). De partijen met concentraties PFAS kleiner dan of gelijk aan de toetsingswaarde vrij gebruik afkomstig van deze zones (oa diepere lagen) kunnen worden hergebruikt binnen KWZ 1 en KWZ 102”; er zijn bijkomende voorwaarden: - “Zone 302a en 302b: de partij 020!! in de laag 1,0-3,0 m-mv kan enkel hergebruikt worden binnen de kadastrale werkzone mits toepassing onder een verharding of leeflaag (minstens 20 cm). De partij kan bijkomend enkel ter plaatse toegepast worden binnen de talud van de Scheldetunnelmond. Het hergebruik van de partij dient afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige”. - “Zone 303: Bij eventueel hergebruik van de gereinigde gronden met code 090!! dienen deze een gebruik te krijgen waarbij rekening wordt gehouden met de restconcentraties voor PFAS”. - “Zone 328: Hergebruik van de partij 020! tot 1,0 m-mv kan enkel thv de openbare weg of binnen zones met gelijkaardige verhoogde concentraties. Het hergebruik van de partij dient afgestemd te worden met een erkende bodemsaneringsdeskundige”. - “Thv de zones 302a (laag 1,0-3,0 m-mv), 302b (vanaf 1,0 m-mv), 304 (vanaf 1,0 m-mv), 306 (laag 0-1,5 m-mv), 326 (laag 1,0+ m-
- mv)en 327 (laag 1,0-2,5 m-
- mv)mogen geen partijen met PFOS-concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-25/83 - KWZ 301 omvat zone 308: “De partij 020! ene 020 afkomstig van zone 308 kan worden hergebruikt binnen KWZ 301. De vzw Grondbank formuleert vervolgens “Hergebruiksmodaliteiten buiten KWZ”: “De partijen met code 999 (zone 310) en code 090!!! (zone 315 en 316) en code 921 thv zone 320 bevatten PCB’s boven waarde vrij gebruik. Voor partijen met concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of PFAS groter dan 8 μg/kg ds is gebruik buiten de KWZ niet mogelijk. Voor de partijen met concentraties PFAS boven detectielimiet die echter de toetsingswaarde vrij gebruik niet overschrijden is er bijkomende evaluatie nodig: - bij afvoer naar terreinen met een Studie Ontvangende Groeve of Grond dient men steeds na te gaan of de vermelde parameter mag aanvaard worden - voorafgaand aan onderwatertoepassingen”. Wat betreft de “PFAS-houdende gronden” stelt de vzw Grondbank: “In zones 301, 302a, 302b, 303, 304, 306, 307, 315, 316, 317, 319a, 319b, 321, 322, 324, 325, 326, 327, 328, 329 en 330 worden concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen. Voor gebruik van de PFAS-houdende partijen zal een afzonderlijk bodembeheerrapport worden opgemaakt. KWZ 102 wordt onderverdeeld in 3 subzones. Deze subzones worden in de opmetingstabel met een ‘!’ , ‘!!’ en ‘!!!’ aangeduid in de partijen. 5.1 Subzones met code ‘!’ Partijen met code 020! bevatten concentraties PFOS/PFOA groter dan 3 μg/kg ds en/of som PFAS groter dan 8 μg/kg ds. Concentraties som PFAS zijn kleiner dan of gelijk aan 14,4 μg/kg ds. Partijen met code 020! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 102 - binnen subzones met ‘!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!’ en ‘!!!’). 5.2 Subzones met code ‘!!’ Partijen met code 020!! bevatten concentraties som PFAS groter dan 14,4 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds. Partijen met code 020!! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 102 - binnen subzones met ‘!!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!!’), waar actief recreatief ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-26/83 gebruik op niet-verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd wordt. 5.3 Subzones met code ‘!!!’ Partijen met code 020!!! bevatten som PFAS-concentraties groter dan gemiddeld 47 μg/kg ds en kleiner dan of gelijk aan 1000 μg/kg ds. Partijen met code 020!!! kunnen enkel hergebruikt worden binnen KWZ 102 - binnen subzones met ‘!!!’ mits gebruik boven grondwaterniveau (cfr. e-mail eBSD dd. 12/6/2018) en onder afdek (zie p. 69 van het technisch verslag voor de specifieke voorwaarden). We verwijzen ook naar 0. Inleiding ivm de onderafdek en de monitoring. In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds PFAS worden toegepast (behalve bij voorbereidende sleufwerken cfr principes de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’). 5.4 Concentraties PFAS > 1000 μg/kg ds Er mogen geen bodemmaterialen met concentraties aan som PFAS groter dan 1000 μg/kg ds binnen de KWZ 102 gebruikt worden. Binnen dit deel van de Oosterweelwerken werden geen concentraties hoger dan 1000 μg/kg ds vastgesteld”. Wat betreft “Afbakening” stelt de vzw Grondbank: “De code 921 thv zone 320 geldt alleszins tot 1m-mv (A-laag). Indien echter ook dieper (bak)steenhoudende gronden voorkomen, dient de code 921 doorgetrokken te worden. De code 411 geldt enkel voor de niet-(bak)steenhoudende gronden thv zone 320. Afzeven verbetert de kwaliteit niet. De code 999 thv zone 324 geldt alleszins van 1,5-2 m-mv (toplaag code 090!). Indien echter ook dieper of elders in de naastgelegen zone (zone 320) gronden met bodemvreemd aanvulmateriaal (glas, kolengruis) worden aangetroffen, dient de code 999 (of 090!, !! of !!! indien PFAS bijkomend boven waarde vrij gebruik in naastgelegen zone) doorgetrokken te worden”. Over het punt “Cement-bentonietwanden” stelt de vzw Grondbank: “In de zones 301, 302b, 304, 316, 329 en 330 wordt een cement-bentonietwand voorzien. De gronden die vrijkomen bij het plaatsen betreft een mengsel van de verschillende lagen. Eventuele bovenliggende PFAS-houdende lagen dienen voorafgaandelijk te worden verwijderd. Indien dit praktisch niet mogelijk blijkt, zal het mengsel van de gronden vrijgekomen uit de verschillende lagen aanvullend onderzocht moeten worden op PFAS. Het mengsel van de niet PFAS-houdende lagen krijgen de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-27/83 code 421 toegekend (dieptes per zone staan verduidelijkt in het technisch verslag - 5.5 Bespreking zonering). Het bentonietmengsel dat achteraf zal vrijkomen tijdens het inpompen van het cementmengsel dient bijkomend bemonsterd te worden door een erkende bodemsaneringsdeskundige. De partij krijgt dan voorlopig code 000. Grondbank vzw dient te beschikken over de analyseresultaten en de interpretatie door een erkende bodemsaneringsdeskundigen, alvorens een grondverzettoelating te kunnen afleveren. Opgelet: Indien het bentonietmengsel cement bevat, dient deze partij afgevoerd te worden conform VLAREMA-wetgeving”. De vzw Grondbank stelt wat betreft “saneringen” dat volgens “de erkende bodemsaneringsdeskundige […] er aanwijzingen [zijn] dat er op het terrein zal moeten overgegaan worden tot bodemsanering” en zij wijst er tevens op dat de Code van Goede Praktijk “Gebruik van bodemmaterialen in een kadastrale werkzone” bepaalt dat het gebruik van de bodemmaterialen eventuele toekomstige bodemsaneringswerken niet mag verhinderen”. 9. Met de derde bestreden beslissing van 7 maart 2022 geeft de vzw Grondbank aan de nv Stadsbader een toelating “voor gebruik van uitgegraven grond binnen de werf”, meer bepaald voor “gebruik als bodem” en voor “bouwkundig bodemgebruik” mits “de specifieke en aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen” in acht te nemen. Het gaat concreet om “partijen ! en !!” die “worden gebruikt zoals omschreven in het TV/CTV (enkel binnen eigen subzone of slechter) […] in sleufaanvulling met respect voor de gelaagdheid”, voor “nivelleren percelen”, “opvullen bouwputten” en “in bouwkundige toepassingen (cfr plannen) o.a. aanleg landhoofden, wegenis in talud en geluidsbermen”. Onder “aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen” geldt: “Bijkomend: – Thv de woonzones wordt de afdek voorzien met partijen code 211. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-28/83 – Thv deze zone 203 (code 020!) zal geen grondverzet plaatsvinden (enkel ophoging) of indien toch gronden vrijkomen zullen deze worden toegepast onder de toekomstige wegenis. – Thv zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 worden enkel terreineigen gronden hergebruikt. – Indien thv de nieuwe loop van de Palingbeek in zone 204 gronden worden toegepast (afdek teelaardelaag) zal dit met code 211 gebeuren. – Thv de zones 201b (laag 0,5-1,5 m-mv), 207b (0,5-1,5 m-mv), 209a (1,5-5 m-
- mv)en 216 (1,5-2,5 m-
- mv)zullen geen partijen met PFOS-concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden (enkel met code ‘!’ of beter)”. De toelating wordt gegeven onder volgende “specifieke voorwaarden”: - de toelating “geldt voor alle partijen met PFAS-concentraties hoger dan de Waarde Vrij Gebruik. In zones 201a, 201b, 201c, 202, 203, 204, 205, 206a, 207a, 207b, 207c, 208, 209a, 209b, 210, 211, 213, 214, 215b, 215c, 216, 217, 218, 219, 220, 221, 319a, 401, 402, 403, 404 en 405 en hopen 501, 503, 504, 505, 506 en 507 worden concentraties PFAS boven de toetsingswaarde vrij gebruik aangetroffen”; - de toelating “geldt niet voor partijen met code ‘!!!’ en ‘!!!!’” - “De uitgravingswerken worden begeleid door de erkende bodemsaneringsdeskundige”: “- Het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen worden opgevolgd door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO. - Thv de zone rondom boring B403 (ontgraving onder begeleiding) is obv huidige ontwerpplannen geen grondverzet voorzien (cfr toelichting Elke Declerck dd 7/03/2022). - De begeleiding van de calamiteiten wordt uitgevoerd door de erkende bodemsaneringsdeskundige A+E consult en bodemassen aan zone ‘t Rot door de erkende bodemsaneringsdeskundige Universoil (cfr toelichting Elke Declerck dd 7/03/2022). - Thv zone 201c wordt bijkomend onderzoek uitgevoerd op PFAS door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO”. - “De partijen met verhoogde concentraties aan PFAS (aangeduid met ‘!’, en ‘!!’) afkomstig uit bovenvermelde zones kunnen enkel binnen KWZ 101 worden hergebruikt mits specifieke gebruiksbeperkingen. Voor hergebruik van deze ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-29/83 partijen binnen de werf gelden, zowel voor hergebruik als bodem als voor bouwkundig bodemgebruik, de volgende voorwaarden (zowel horizontaal als verticaal begrensd): - Partijen met code 020! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!’ en ‘!!!’). - Partijen met code 020!! kunnen hergebruikt worden binnen KWZ 101 - binnen subzones met ‘!!’ en subzones met hogere PFOS/PFOA/PFAS-concentraties (zones met ‘!!!’), waar actief recreatief gebruik op niet-verharde bodem vermeden wordt en toegang ontmoedigd wordt”. De toelating wordt gegeven onder volgende “bijkomende voorwaarden”: - Bij voorbereidende sleufwerken kunnen PFAS-houdende gronden (> 3 μg/kg ds PFOS/PFOA en 8 μg/kg ds som PFAS) ter plaatse hergebruikt worden voor sleufaanvullingen mits respecteren van de gelaagdheid. De uitgraving en het hergebruik van deze partij dient te gebeuren conform de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’. Voor dit gebruik is geen bodembeheerrapport vereist. Conform deze principes geldt dit ook zo voor de PFAS-houdende gronden met gemiddelde concentraties > 47 μg/kg ds. - De gestapelde grondhopen (zones 501, 503, 504, 505, 506 en 507) moeten in functie van het hergebruik nog geëvalueerd worden voor de parameters van het standaard analysepakket en voor PFAS door een erkende bodemsaneringsdeskundige. - Ter hoogte van de nieuwe loop van de Palingbeek in zone 204 zullen geen gronden worden toegepast. - In de nabijheid van bewoning en recreatieterreinen mogen enkel niet verontreinigde gronden worden toegepast in de leeflaag van de berm. De betreffende delen staan aangeduid op het zoneringsplan (zie zones 201c, 207a, 207b, 207c en 208). Met andere woorden dienen in deze zones partijen met code 211 of terreineigen gronden met natuurlijke aanrijking met code 4y1 te worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-30/83 gebruikt (of externe partijen 3y1 of 4y1 met van nature verhoogde concentraties op basis van een vereenvoudigde studie van de ontvangende grond). - In de toplaag mogen enkel partijen met concentraties kleiner dan of gelijk aan gemiddeld 47 μg/kg ds PFAS worden toegepast (behalve bij voorbereidende sleufwerken conform principes de code van goede praktijk voor ‘gebruik binnen een zone voor gebruik ter plaatse’). - Ter hoogte van de zones 201b (laag 0,5-1,5 m-mv), 207b (0,5-1,5 m-mv), 209a (1,5-5 m-
- mv)en 216 (1,5-2,5 m-
- mv)mogen geen partijen met PFOS-concentraties groter dan 14,4 μg/kg ds toegepast worden. - Er mogen geen gronden met concentraties aan PFAS hoger dan 1000 μg/kg ds binnen de KWZ 101 gebruikt worden. Binnen dit deel van de Oosterweelwerken werden concentraties hoger dan 1000 μg/kg ds vastgesteld ter hoogte van de Palingbeek (slibfractie met code 090!!!!). Deze gronden dienen afgevoerd te worden naar een erkend verwerker”. De toelating herneemt nog de bemerkingen die de vzw Grondbank “voorafgaandelijk” in het TV ILWO formuleert (supra). De toelating geldt van 7 maart 2022 tot 31 december 2024. 10. Met de vierde bestreden beslissing van 7 maart 2022 geeft de vzw Grondbank aan de nv Stadsbader een toelating “voor gebruik van uitgegraven grond binnen de werf”, meer bepaald voor “gebruik als bodem” en voor “bouwkundig bodemgebruik” mits “de specifieke en aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen” in acht te nemen. Het gaat concreet om partijen die gebruikt worden voor het “nivelleren percelen, opvullen van bouwputten en gebruikt in bouwkundige toepassingen (cfr plannen) oa. aanleg landhoofden, wegenis in talud en geluidsbermen”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-31/83 De toelating wordt gegeven onder volgende “specifieke voorwaarden”: - “Dit document geldt voor alle partijen met PFAS-concentraties lager dan of gelijk aan de Waarde Vrij Gebruik”; - “De uitgravingswerken worden begeleid door een erkende bodemsaneringsdeskundige: - Het gebruik van PFAS-houdende bodemmaterialen wordt opgevolgd door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO. - Thv de zone rondom boring B403 (ontgraving onder begeleiding) is obv huidige ontwerpplannen geen grondverzet voorzien (cfr toelichting Elke Declerck dd 7/03/2022). - De begeleiding van de calamiteiten wordt uitgevoerd door de erkende bodemsaneringsdeskundige A+E consult en bodemassen aan zone ‘t Rot door de erkende bodemsaneringsdeskundige Universoil (cfr toelichting Elke Declerck dd 7/03/2022). - Thv zone 201c wordt bijkomend onderzoek uitgevoerd op PFAS door de erkende bodemsaneringsdeskundige SWECO”. - “De partijen kunnen binnen KWZ 1001 en KWZ 101 worden hergebruikt. Thv zones 208, 209a, 209b, 210 en 214 worden als bodem enkel terreineigen gronden hergebruikt (cfr telefonische toelichting Elke Declerck dd 7/03/2022)”; - “De gestapelde grondhoop (zones 502) moet in functie van het hergebruik nog geëvalueerd worden voor de parameters van het standaard analysepakket en voor PFAS door een erkende bodemsaneringsdeskundige”. De toelating herneemt nog de bemerkingen die de vzw Grondbank “voorafgaandelijk” in het TV ILWO formuleert (supra). De toelating geldt van 7 maart 2022 tot 31 december 2024. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-32/83 IV. Tussenkomst 11. De nv van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (hierna: BAM) stelt dat zij als bouwheer van de Infrastructuurwerken Linkeroever en de Oosterweelverbinding het rechtens vereiste belang heeft om in de procedure tussen te komen. Het grondverzet waarbinnen de bestreden beslissingen kaderen, is noodzakelijk in het kader van de realisatie van deze werken. 12. De eerste tot en met de vijfde tussenkomende partij, in eigen naam en als vennoot van de maatschap Rinkonien (hierna: RINK), stellen dat zij als hoofdaannemer van de Infrastructuurwerken Linkeroever het rechtens vereiste belang hebben om tussen te komen in de procedure. RINK stelt door de nv BAM “als bouwheer [van] de infrastructuurwerken op Linkeroever” te zijn aangesteld “als hoofdaannemer voor de Infrastructuurwerken Linkeroever” die “logischerwijs grondverzet en bemalingen” vereisen. 13. Het Vlaamse Gewest stelt dat het het rechtens vereiste belang heeft om tussen te komen. De vordering van de verzoekende partijen, de maatschappelijke relevantie en de mogelijke impact van de huidige procedure, belangen “de materies van volksgezondheid en leefmilieu aan”. Het Vlaamse Gewest “is verantwoordelijk voor het bewaken van het leefmilieu en de gezondheid op het Vlaams grondgebied”. 14. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) verwijst naar haar bevoegdheden inzake bodemsanering (met beslissingsbevoegdheid) en inzake grondverzet (zonder beslissingsbevoegdheid), de artikelen 10.3.1 tot en met 10.3.5 en 10.6.1 DABM, die haar het rechtens vereiste persoonlijk, rechtstreeks en wettig belang verlenen bij het instellen van haar vordering tot tussenkomst waarbij zij “niet [zal] ingaan op de eerste twee middelonderdelen”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-33/83 15. De verzoekende partijen betwisten niet het door de nv BAM, RINK en het Vlaamse Gewest aangevoerde belang om toegelaten te worden tussen te komen in de huidige procedure. Zij betwisten wel het door de OVAM aangevoerde belang. Beoordeling 16. Het feit dat de OVAM niet is tussengekomen in de procedure die geleid heeft tot arrest nr. 252.567 is geen reden om de tussenkomst van de OVAM in de huidige procedure te ontzeggen. In de gegeven omstandigheden worden de onderscheiden verzoeken tot tussenkomst in de huidige procedure ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering A. De “navolgende beslissingen” 17. Luidens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (hierna: RvS-wet) kan de afdeling bestuursrechtspraak de schorsing bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, §§ 1 en 3. 18. Uit de door de partijen voorgelegde stukken, in het bijzonder het administratief dossier van de vzw Grondbank, blijken geen navolgende beslissingen” andere dan de derde en de vierde beslissing, die gebaseerd zijn op de eerste en/of tweede beslissing”. Bijgevolg dient in de huidige stand van de procedure aangenomen te worden dat de “navolgende beslissingen” andere dan de derde en vierde beslissing, onbestaande zijn. 19. De excepties van de vzw Grondbank, de nv BAM, RINK en het Vlaamse Gewest zijn gegrond. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-34/83 20. De vordering in zoverre gericht tegen de “navolgende beslissingen” andere dan de derde en vierde beslissing, wordt afgewezen. B. De eerste tot en met de vierde bestreden beslissingen 21. De in artikel 186 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: Vlarebo 2008) bedoelde uitspraak van de erkende bodembeheersorganisatie over de conformiteit van het technisch verslag met de bepalingen van Vlarebo 2008, is overeenkomstig artikel 188 Vlarebo 2008 tegenstelbaar aan andere erkende bodembeheersorganisaties die daartegen administratief beroep kunnen instellen bij de OVAM, en laat overeenkomstig artikel 189 Vlarebo 2008 de uitvoerder van de werken toe de werken te starten mits melding van de startdatum aan een erkende bodembeheersorganisatie. Het feit dat artikel 190, § 1, Vlarebo 2008 bepaalt dat voordat de bodemmaterialen worden verplaatst, de uitvoerder van de werken een grondverzettoelating moet aanvragen bij de erkende bodembeheersorganisatie waaraan de startdatum van de werken is gemeld, doet de Raad van State niet aannemen dat de eerste en de tweede bestreden beslissing louter voorbereidende handelingen zijn die op zich geen enkel nadeel aan de verzoekende partijen toebrengen. De bestreden conformverklaringen zijn in dat geval, als voorbereidende handelingen, onmiddellijk grievende en aanvechtbare voorbeslissingen. De derde en vierde bestreden beslissing zijn grondverzettoelatingen die gebaseerd zijn op de eerste bestreden beslissing en laten toe dat de uitgegraven bodemmaterialen binnen de werf worden gebruikt als bodem en voor “bouwkundig bodemgebruik”. 22. De vordering in zoverre gericht tegen de eerste tot en met de vierde beslissing, is ontvankelijk. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-35/83 C. Belang 23. De vierde verzoekende partij heeft luidens artikel 3 van haar statuten “als algemene doelstelling de bescherming van de natuur en van het leefmilieu”, onder meer “door de individuele en collectieve belangen van haar sympathisanten te verdedigen in het kader van haar doelstellingen, zowel via het gerecht als door andere middelen”. Haar maatschappelijk doel is van bijzondere aard, en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. De vijfde verzoekende partij heeft luidens artikel 2 van haar statuten als “belangeloos doel […] het behoud, de bescherming en verbetering van het menselijk en natuurlijk leefmilieu kaderend in een duurzame ontwikkeling van de samenleving, waarbij voldaan wordt aan de behoeften van de huidige generatie, zonder dat daarbij de behoeften van de volgende generaties in het gedrang komen en waarbij het economisch systeem ingebed is in het sociaal systeem en waar beide systemen de grenzen van het ecologisch systeem niet overschrijden”. Dat doel omvat onder meer “het bereiken van een algemene basis-milieukwaliteit voor de milieucompartimenten water, bodem en lucht en het bereiken van een bijzondere milieukwaliteit in specifieke omstandigheden of gebieden”. Haar maatschappelijk doel is van bijzondere aard, en derhalve onderscheiden van het algemeen belang. 24. Het werkingsgebied van de vierde en vijfde verzoekende partij strekt zich volgens hun statuten uit over het grondgebied van België, respectievelijk het Vlaamse Gewest waar het gebruik van uitgegraven PFAS-houdende bodemmaterialen zich situeert die door de bestreden conformverklaringen worden beoogd en door de bestreden grondverzettoelatingen worden toegelaten. 25. Het maatschappelijk doel van vierde en van vijfde verzoekende partij kan worden geraakt door de bestreden conformverklaringen en grondverzettoelatingen, die door de nv BAM “de doorvertaling van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-36/83 aanbevelingen van de Expertencommissie in de grondverzetswerken” en door RINK “het sluitstuk van deze aanbevelingen” werden genoemd. De Commissie Grondverzet stelt immers in haar rapport van 14 juli 2021, dat een inzicht wil geven in de impact van de werken aan de Oosterweelverbinding op Linkeroever, dat er drie mogelijke bronnen van risico’s zijn op korte termijn tijdens de duur van de werken en op lange termijn, die aanleiding geven tot een aantal aanbevelingen: - stof: stofdeeltjes afkomstig van opwaaiend stof die via de mond en de neus het lichaam kunnen binnenkomen; - bodem/grondverzet: via grondverzet kan het verontreinigingspatroon van de bodem mogelijk wijzigen waardoor de bodem lokaal aangerijkt wordt aan PFAS en andere polluenten; - grond- en oppervlaktewater: via infiltratie met regenwater kan het grondwater (verder) gecontamineerd worden. Door uitgraven van grote hoeveelheden grond tot op grote diepte (enkele meters), kan de drainerende werking versterkt worden en kan een bijkomende grondwaterstroming veroorzaakt worden, die voor verdere verspreiding van de verontreiniging kan zorgen. Verontreinigde partijen grond die aangebracht worden op zones met lagere verontreiniging kunnen door uitloging mogelijk zorgen voor een (bijkomende) verontreiniging van het grondwater. Doet aan deze vaststelling niet af het feit dat: - de verzoekende partijen “in tempore non suspecto, precies het gerechtelijk opleggen” van de schorsing van “de tenuitvoerlegging van de kwestieuze handelingen” nastreefden; - “de evaluatie van de potentiële milieuhygiënische en gezondheidsmatige gevolgen van het kwestieuze grondverzet inmiddels […] nog bijkomend is gewaarborgd dankzij de werkzaamheden van de Commissie Grondverzet, respectievelijk in het kader van haar advies dd. 22 februari ll. en haar Addendumadvies”; - de Commissie Grondverzet “is aangevuld met twee gezaghebbende Nederlandse wetenschappers”. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-37/83 26. Er blijkt niet dat de vierde en vijfde verzoekende partij hun respectieve maatschappelijke doelen niet of niet meer nastreven. 27. De excepties van de vzw Grondbank en het Vlaamse Gewest die het belang van de verzoekende partijen betwisten, worden verworpen. 28. In de huidige stand van de procedure volstaat de vaststelling dat de vierde en vijfde verzoekende partij het rechtens vereiste belang hebben bij de vordering. Er is in de huidige stand van de procedure dan ook geen aanleiding om het door de vzw Grondbank en het Vlaamse Gewest betwiste belang van de overige verzoekende partijen te onderzoeken. 29. De vierde en vijfde verzoekende partij worden hierna de verzoekende partijen genoemd. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 30. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Onderzoek van het enige middel 31. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 9, § 3, 19, § 2 en 138 van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: bodemdecreet), de artikelen 7, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-38/83 164, 168, 172, 173, 175, 176, 180, 186, 187 Vlarebo 2008, het ministerieel besluit van 16 mei 2020 ‘tot vaststelling van de standaardprocedure voor het technisch verslag in de regeling over het gebruik van bodemmaterialen’, artikel 23 van de Grondwet, de artikelen 2 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), de beginselen vervat in artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) en artikel 191, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet) en het redelijkheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Tweede middelonderdeel Standpunten van de partijen 32. De verzoekende partijen voeren in het tweede middelonderdeel onder meer de schending aan van artikel 164 Vlarebo. Zij stellen onder meer dat “het gehanteerde handelingskader voor grondverzet bijkomende grondwaterverontreiniging veroorzaakt” en verder: “Het ‘standstill beginsel’ houdt in dat de huidige toestand niet verslechtert en dat natuurwaarden of milieuomstandigheden beschermd worden voor toekomstige generaties. Zeker in een dichtbevolkt gebied als Vlaanderen waar de milieukwaliteit reeds zwaar beproefd wordt, dient elke verdere achteruitgang vermeden te worden. Het standstill beginsel betekent niet enkel een bescherming tegen ‘nieuwe’ ingrepen, die de milieu- en natuurkwaliteit kunnen bedreigen, maar ook het opzetten van actieve beschermings- en herstelprogramma’s om de milieukwaliteit en de biodiversiteit blijvend te garanderen. Het behouden van een milieukwaliteit kan onder andere betekenen dat een aantal ingrepen afgebouwd moeten worden of dat er strengere randvoorwaarden gesteld moeten worden ten aanzien van een gebruiksfunctie. Dit is van belang nu het grondverzet moet verzekeren dat het 1) geen bijkomende verontreiniging van het grondwater, noch 2) bijkomend risico op mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen oplevert. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-39/83 128. De Commissie Grondverzet stelt in haar tweede rapport van 22 februari 2022 het volgende (stuk 13): ‘Zoals hoger vermeld volstaat in de specifieke situatie van Oosterweel het standstill-principe niet om de gezondheid van de omwonenden maximaal te beschermen in de context van de vastgestelde reeds hoge humane belasting. In wat volgt wordt beoordeeld of de gebruikte zoneringscriteria en de toegepaste procedures volstaan om de verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan, maar ook om de algemene blootstelling van de omwonenden maximaal te beperken. Die laatste vraag gaat dus verder dan de eigenlijke vereisten van de grondverzetsregeling en valt in die zin buiten de conformiteitsvraag van de technische verslagen. De conformiteitsverklaring is de verantwoordelijkheid van de erkende bodembeheersorganisatie.’ […] 129. De Expertencommissie geeft weliswaar geen juridisch advies, maar de vetgedrukte zin is onjuist. Uiteraard moet in het kader van een conformiteitsvraag worden gewaakt dat er geen bijkomende vervuiling is met impact op de omwonenden en het leefmilieu. En als het niet uit de grondverzetsregeling zelf zou voortvloeien, vloeit het onmiskenbaar voort uit het redelijk- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In casu worden in de conformiteitsverklaringen bijkomende voorwaarden opgelegd ten aanzien van asbest en accidentele vervuilingen door omringende bedrijven. Uiteraard is dat ook vanuit een oogpunt om bijkomende vervuiling en risico’s maximaal aan te pakken. Als een situatie risico’s veroorzaakt, moeten er maatregelen worden getroffen of voorwaarden opgelegd. Een redenering dat enkel de vervuiling die reeds bestaat wordt verplaatst en zodoende geen bijkomende risico’s ontstaan, gaat niet op in een situatie zoals de huidige, een heel bijzonder dossier met ‘forever chemicals’ ofte ‘eeuwigdurende chemicaliën’ die zeer mobiele toxische stoffen zijn waarbij alle nodige voorzorgen moeten worden genomen en het huidig regelgevend kader bovendien nog kan verstrengen op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. 130. Er kan dus niet worden volstaan met enkel te kijken naar risico’s binnen de contouren van de kadastrale werkzone zelf. Er moet ook worden gekeken naar grondwaterverontreiniging buiten de kadastrale werkzone en naar de (directe en indirecte) risico’s voor mens en milieu in de omgeving van de kadastrale werkzone 131. Hoe dan ook is hier sprake van een verdere PFAS aanrijking van het reeds verontreinigde grondwater in de kadastrale werkzone. 132. Voor de fractie som PFAS 3 – 47 μg/kg ds volgt dit uit het tweede rapport van de Commissie Grondverzet: ‘Anderzijds wordt vastgesteld dat het gebruik van bodemmaterialen met concentraties som PFAS 3 – 47 μg/kg ds nog steeds aanleiding geeft tot uitloging naar het grondwater. Deze uitloging als gevolg van de aanwezige historische verontreiniging zorgt voor een verdere PFAS aanrijking van het reeds verontreinigde grondwater in de zone. De aanpak van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-40/83 grondwaterverontreiniging zal verder uitgewerkt moeten worden in het op te stellen bodemsaneringsplan van 3M. De sanering van het grondwater is een belangrijk aandachtspunt voor de hele werfzone, die deel zal moeten uitmaken van het saneringsplan van 3M. Bij die sanering zal ervoor gezorgd moeten worden dat de aanwezige verontreiniging in het grondwater zich niet verder kan verspreiden en dat de verontreiniging van oppervlaktewater maximaal wordt beperkt. De aanpak die hiervoor ontwikkeld moet worden, richt zich op de hoge verontreinigingswaarden die momenteel vastgesteld worden. Een eventuele bijdrage door uitloging van de bouwwerken kan (en zal) meegenomen worden in de algemene saneringsaanpak en zal dus pas na verdere sanering niet tot een (bijkomend) verspreidingsrisico leiden.’ 133. Er moet eerst nog een saneringsplan worden opgesteld. Er is recent een eerste gefaseerd beschrijvend bodemonderzoek in opdracht van 3M uitgevoerd (stuk 28), doch het heeft enkel betrekking op de directe omgeving van 3M, houdt enkel rekening met (direct)humaantoxicologische effecten, geen ecotoxicologische effecten.[…] Het brengt ook niet de vervuiling van het grondwater in kaart.[…] Er is dus nog verre van sprake van een effectieve sanering, laat staan van de pluim. Het BBO is nog maar in een 1ste fase. Er is helemaal nog geen zicht op het totale plaatje qua vervuiling of sanering.[…] 134. Uit een eerder verslag van Tauw van 20 april 2017 bleek het volgende (stuk 37): ‘De opstart van een beheersing van de pluim kan pas van zodra de ontwikkeling van het aanpalende gebied gekend is. De pluim van PFOS is naar het zuiden toe gemigreerd. De opstart van een pluimbeheersing is echter tijdsintensief en zal pas opgestart kunnen worden na uitvoering van de civiel-technische werken aan de Oosterweel.’ (document overleg Tauw, OVAM,…) 135. Een actieve sanering van de sterk verontreinigde grondwaterpluim, die gedraineerd wordt door de Palingbeek en Tophatgracht (dichtbij 3M), is dus niet voor de komende jaren waardoor een bijkomende verontreinigingsdruk komt op de reeds zwaar belaste omgeving (o.a. Blokkersdijk, de Schelde, de omwonenden). 136. Voorts stelt de Commissie Grondverzet het volgende (stuk 13): ‘In de zone van de Scheldetunnel wordt op grotere diepte nog een diepe laag niet-verontreinigd grondwater aangetroffen. Door uitgraven van de tunneltoegang, zal er tot op het niveau van dit grondwater gegraven worden. Bij uitvoering van de werken moet ervoor gezorgd worden dat de diepe grondwaterlaag in de zone Scheldetunnel niet verontreinigd wordt. Lantis geeft in antwoord op vragen hieromtrent door de Commissie Grondverzet aan dat bij het aanvullen van de diepere lagen de oorspronkelijke gelaagdheid gerespecteerd zal worden. Dit houdt in dat de diepere bodemlagen, waarin voor uitgraving geen PFAS-houdende gronden aanwezig zijn, niet aangevuld zullen worden met PFAS verontreinigde gronden. Deze werkwijze is conform de voorwaarden voor het gebruik als bodem binnen de kadastrale werkzone: Bij het gebruik binnen de KWZ wordt er steeds op toegezien dat bodemmaterialen met een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-41/83 bepaalde gebruikscategorie (geen !, !, !! of !!!) enkel gebruikt kunnen worden in zones waar de kwaliteit van een gelijkaardige of minder goede kwaliteit is. Dezelfde voorwaarden gelden ook voor de ondiepere lagen en voor de talud die bovenop het oorspronkelijk maaiveld word aangelegd. Ter hoogte van de diepe grondwaterlaag beveelt te commissie aan te werken met zuivere grond (d.w.z. 33. De vzw Grondbank antwoordt dat het tweede middelonderdeel: - deels onontvankelijk is omdat zij “enkel één enigszins gepreciseerde rechtsgrondslag voor kritiek [kan] ontwaren: een schending van artikel 186, iuncto artikel 180, al. 2, 13° VLAREBO” en er geen spoor is van “een begrijpelijke uiteenzetting […] van een schending van de overige in het middelonderdeel geciteerde bepalingen”; - “sowieso ook allerminst ernstig” is omdat “het vooropgezette grondverzet […] geenszins bijkomende verontreiniging en blootstelling [zal] veroorzaken, in schending van het standstill-principe” en “er geen sprake [is] van een schending van artikel 164, 2° van het VLAREBO” aangezien de Commissie Grondverzet “dienaangaande expliciet” besluit dat de technische verslagen voldoen aan het standstill-principe van voormeld artikel en de redenering van de verzoekende partijen “hoe dan ook niet gestaafd [is] met wetenschappelijk en technisch geloofwaardige elementen, methodologisch ]is] onderbouwd”. 34. De nv BAM antwoordt vooreerst dat “het enige middel, in al zijn onderdelen, niet kwalificeert als een ernstig middel dat binnen het bestek van een UDN-procedure kan worden onderzocht” en verwijst daarvoor naar de omvang van de technische verslagen en de bijlagen, “meer dan 6.500 pagina’s”, naar “de zeer technische aard van het debat over de grondverzetswerken” en naar de formulering van het middel in 3 middelonderdelen. Zij antwoordt verder dat het tweede middelonderdeel: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-42/83 - onontvankelijk is in zoverre het “geen wettigheidskritiek, maar wel zgn. wetskritiek” aanvoert; - “dermate technisch” is dat het zich niet leent tot een beoordeling ervan binnen het bestek van een UDN-procedure; - feitelijke en juridische grondslag mist omdat uit de technische verslagen blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 164, 2°, Vlarebo is voldaan hetgeen de Commissie Grondverzet ondubbelzinnig bevestigt met toevoeging van “extra aanbevelingen” die “verder [gaan] dan de eigenlijke vereisen van de grondverzetsregeling” en de “conclusies van de technische verslagen en het advies van de Expertencommissie” werden aanvaard door de vzw Grondbank in de eerste en tweede bestreden beslissingen. Zij antwoordt verder dat de verzoekende partijen die aanvoeren dat er hoe dan ook sprake zou zijn van een verdere aanrijking van het reeds verontreinigde grondwater in de kadastrale werkzone, “opnieuw abstractie [maken] van de regelgeving inzake het grondverzet die vervat ligt in het VLAREBO. Van een aanrijking van het grondwater met PFAS is al sprake sinds het ontstaan van de verontreiniging, niet door de Oosterweelwerken maar de exploitatie van 3M. Zij vindt ook plaats zonder het uitvoeren van de grondverzetswerken (het is een natuurlijk verschijnsel bij elke verontreiniging: de uitloging van een verontreiniging stopt immers niet zomaar. Artikel 164 VLAREBO vereist evenwel dat er geen bijkomende verontreiniging van het grondwater wordt veroorzaakt. Men moet dus de verontreiniging van het grondwater ingevolge de werken binnen de kadastrale werkzone afzetten tegen de verontreiniging van het grondwater zonder de werken. […] Het is juist dat de Expertencomissie Vrancken stelt dat de aanpak van de grondwaterverontreiniging in het algemeen het voorwerp zal uitmaken van een nog op te stellen bodemsaneringsproject van 3M Belgium. Dat staat evenwel los van het grondverzet. BAM is niet saneringsplichtig. Het is 3M dat saneringsplichtig zal zijn, als er in de toekomst een (bijkomende) saneringsplicht zou komen vast te staan. Volledigheidshalve is erop te wijzen dat 3M reeds sinds 2006 bezig is met bodemonderzoeken. […] De sanering van de door verzoekende partijen aangehaalde pluim is al uitgevoerd sinds 2014. […] Wat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-43/83 betreft de kritiek dat de aanbeveling om ter hoogte van de diepe grondwaterlaag te werken met zuivere grond nergens zou zijn opgelegd als bijkomende voorwaarde, kan BAM kort zijn. In de zones waar nu geen PFAS-verontreiniging wordt vastgesteld, worden geen PFAS-houdende gronden gebruikt (noch verticaal, noch horizontaal […]). Ter hoogte van de diepe, niet verontreinigde grondwaterlaag, kan dan ook geen verontreinigde grond worden gebruikt. Dat volgt […] uit de technische verslagen en moest dan ook niet met zoveel woorden als bijkomende voorwaarde worden opgelegd”. 35. RINK antwoordt dat het tweede middelonderdeel: - “dermate technisch” is “dat het zich niet leent tot een beoordeling in het kader van een UDN-procedure”; - “niet ernstig en ongegrond” is. Zij antwoordt verder dat het “niet ter discussie [staat] dat het grondwater in de omgeving van de site van 3M ernstig verontreinigd is met PFAS. De Expertencommissie erkent dit. Deze bestaande verontreiniging is veroorzaakt door de exploitatie van 3M en vanzelfsprekend niet door de Oosterweelwerken en het grondverzet dat daarbij wordt uitgevoerd. 3M is in deze saneringsplichtige en -aansprakelijke, wat bevestigd wordt door het feit dat 3M een gefaseerd saneringsplan opmaakt. Het staat dan ook niet aan de partijen in het kader van de infrastructuurwerken om in te staan voor de gebeurlijke sanering van de bestaande grondwaterverontreiniging. Het komt daarbij ook niet toe aan [de Raad van State] in het kader van huidige UDN-procedure gericht tegen de conform verklaarde technische verslagen voor het grondverzet van de geplande infrastructuurwerken, om de saneringsaanpak van 3M te beoordelen. Dit maakt niet het voorwerp uit van de huidige procedure. […] De sanering van de bestaande grondwaterverontreiniging zal dus het voorwerp uitmaken van een volgende fase in het BBO-onderzoek van 3M, in samenspraak met OVAM”. RINK betwist dat “het thans bestreden grondverzet een ‘bijkomende verontreinigingsdruk’ op het grondwater veroorzaakt” omdat de “geïmplementeerde zoneringsaanpak […] precies [vermijdt] dat zwaarder verontreinigde PFAS-grond hergebruikt wordt in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-44/83 subzones van de kadastrale werkzone met lagere PFAS-concentraties”, de “opslag van de PFAS-gronden tussen 14,4 en 47 μg.kg ds aan de hand van een boven- en onderafdek en de afvoer naar een erkende verwerker van de PFAS-gronden > 1.000 μg/kg ds […] ervoor [zorgt] dat de zwaarst verontreinigde PFAS-gronden afgezonderd worden en de vuilvracht aldus aanzienlijk daalt” wat “zal resulteren in minder uitloging van de bestaande verontreiniging naar het grondwater” en “ook [zal] voorzien worden in een grondwater monitoring in de subzones waar de PFAS-gronden tussen 14,4 en 47 μg/kg ds worden opgeslagen”. Dit alles maakt dat de situatie van de bestaande grondwaterverontreiniging alleszins sterk verbetert ten opzichte van een nulscenario (zonder grondverzet) waarin er niets gebeurt. RINK laat er geen twijfel over bestaan: zonder het grondverzet voor Oosterweel en de daarbij getroffen beschermingsmaatregelen, loogt de bestaande ¨PFAS-verontreiniging in de bodem verder uit naar het grondwater maar dan in veel ergere mate”. Zij antwoordt verder dat de bewering van de verzoekende partijen “dat in de conformverklaring van het technisch verslag niet als voorwaarde zou zijn opgelegd om ter hoogte van de diepe grondwaterlaag te werken met zuivere grond zoals aanbevolen door de Expertencommissie” waardoor er “geen garantie [zou] zijn dat deze voorwaarde niet zou worden nageleefd” niet correct is. Uit “het advies van de Expertencommissie blijkt dat bouwheer Lantis heeft bevestigd dat zij bij het aanvullen van de diepere lagen de oorspronkelijke gelaagdheid gerespecteerd zal worden, en dat dit inhoudt dat de diepere, niet-verontreinigde bodemlagen niet aangevuld zullen worden met uitgegraven PFAS-verontreinigde gronden. De afbakening van de subzones is niet alleen horizontaal, maar ook verticaal en houdt er dus rekening mee dat diepere grondlagen mogelijk minder PFAS-verontreinigd zijn dan minder diepe grondlagen. Deze werkwijze verzekert precies dat bij het afbakenen van de subzones binnen de kadastrale werkzone ook rekening is gehouden met de verticale dimensie van de PFAS-verontreiniging, en de geïmplementeerde zoneringsaanpak zodoende ook verticaal doorwerkt teneinde te vermijden dat uitgegraven gronden met PFAS-concentraties uit een bodemlaag die zwaarder ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-45/83 verontreinigd is zouden worden hergebruikt in een bodemlaag met lagere PFAS-concentraties”. 36. Het Vlaamse Gewest verwijst naar het verweer van de nv BAM en RINK en “meent dat hieruit alleen al blijkt dat de beweringen van de verzoekende partijen niet ernstig zijn”. Beoordeling 37. In de huidige stand van de procedure beperkt de Raad van State het prima facie onderzoek van het tweede middelonderdeel tot de door de verzoekende partijen aangevoerde schending van artikel 164 Vlarebo omdat het “grondverzet bijkomende grondwaterverontreiniging veroorzaakt” terwijl “het grondwaterverzet moet verzekeren dat het 1) geen bijkomende verontreiniging van het grondwater […] oplevert”. Ze wijzen erop dat uit het verslag van de Commissie Grondverzet van 22 februari 2022 blijkt dat het gebruik als bodem van uitgegraven bodem die tussen 3 en 47 µg/kg ds som PFAS bevat, zorgt voor een verdere aanrijking van het reeds verontreinigde grondwater. De noodzakelijke sanering van het grondwater zal gebeuren bij het nog op te stellen bodemsaneringsproject 3M. In afwachting daarvan leidt dit gebruik van die bodem volgens de verzoekende partijen tot een bijkomend verspreidingsrisico. 38. Anders dan de nv BAM en RINK en ook het Vlaamse Gewest voorhouden, is dit specifiek middelonderdeel niet “dermate technisch” dat het zich niet zou lenen tot een beoordeling ervan binnen het kader van een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het middelonderdeel is voldoende nauwkeurig geformuleerd en dus duidelijk om te oordelen of bij een eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middelonderdeel noodzakelijk is. De vzw Grondbank, de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-46/83 nv BAM, RINK en het Vlaamse Gewest hebben de ernst van het middelonderdeel overigens omstandig beantwoord. Het verweer van de nv BAM dat steunt op de omvang van de kwestieuze technische verslagen en de bijlagen ervan, overtuigt de Raad van State niet omdat dit verweer erop neerkomt dat de omvang van een dossier als criterium zou gelden om al of niet een vordering tot schorsing te kunnen instellen bij uiterst dringende noodzakelijkheid terwijl de procedureregeling dat onderscheid niet maakt. Evenmin slaagt het verweer van de nv BAM dat steunt op de formulering ervan door de verzoekende partijen. Immers de nv BAM is, evenals de overige tussenkomende partijen, erin geslaagd om alle schendingen die de verzoekende partijen aanvoeren, omstandig te weerleggen. 39. De regeling in Vlarebo, Titel III, Hoofdstuk XIII, Afdeling III, “Voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen” (de artikelen 160 tot en met 172 Vlarebo), geeft uitvoering aan artikel 138, § 1, van het bodemdecreet, meer bepaald aan de daar gegeven opdracht die luidt: “Om de verspreiding van bodemverontreiniging te beheersen en het duurzame gebruik van bodemmaterialen te bevorderen stelt de Vlaamse Regering nadere regelen vast betreffende de voorwaarden voor het gebruik van bodemmaterialen […]”. Bij gebruik binnen de kadastrale werkzone gelden voor gebruik als bodem (artikel 164, 2° van Vlarebo) en voor bouwkundig bodemgebruik (artikel 172 van Vlarebo) dezelfde voorwaarden. Onder meer mag ‘het gebruik van de bodemmaterialen […] geen bijkomende verontreiniging van het grondwater’ veroorzaken. 40. In beide conform verklaarde technische verslagen wordt op het eerste gezicht een redenering ontwikkeld volgens dewelke deze voorwaarde niet betekent dat het grondwater niet mag verontreinigd worden door het gebruik van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-47/83 de verontreinigde uitgegraven bodem (administratief dossier, stuk 46, pagina’s 64 -65 en stuk 54, pagina’s 58 - 59). De redenering komt erop neer dat het grondwater reeds voor de werken werd of wordt verontreinigd door uitloging van de aanwezige bodemverontreiniging, en dat er na de uitvoering van de verschillende handelingen die deel uitmaken van de werken minder uitloging zal plaatsvinden en er dus geen bijkomende verontreiniging van het grondwater zal worden veroorzaakt. Volgens de technische verslagen vormen de onderscheiden subzones van de kadastrale werkzones het referentiekader om deze voorwaarde te beoordelen. 41. De Commissie Grondverzet gaat op het eerste gezicht deels mee in deze visie, met die belangrijke nuance evenwel dat “een eventuele bijdrage door uitloging van de bouwwerken kan (en zal) meegenomen worden in de algemene saneringsaanpak en [dus] pas na verdere sanering niet tot een (bijkomend) verspreidingsrisico [zal] leiden”. In de conclusie over wat de commissie noemt “het standstill-principe van het grondverzet”, of “het standstill-principe zoals omschreven in Hoofdstuk XIII van VLAREBO (het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen) en de codes van goede praktijk van OVAM” (verslag 22 februari 2022, pagina 6), of nog “het standstill-principe zoals dat binnen de grondverzetsregeling wordt gehanteerd” (verslag 22 februari, pagina’s 7 en 19) is deze nuance echter niet meer terug te vinden. 42. Gelet op de eerste doelstelling van artikel 138, § 1, van het bodemdecreet, het beheersen van de verspreiding van bodemverontreiniging – hetgeen in de spraakgebruikelijke betekenis het in bedwang houden of hebben van of de baas zijn over de verspreiding van de bodemverontreiniging inhoudt – kan op het eerste gezicht niet aangenomen worden dat de Vlaamse regering bij het vaststellen van de voorwaarden voor het gebruik van uitgegraven verontreinigde bodem zou toelaten dat dit gebruik verontreiniging van het grondwater veroorzaakt, en kan Vlarebo dan ook niet worden gelezen als zou dit het geval zijn. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-48/83 Artikel 164, 2°,
- a)van Vlarebo handelt over “gebruik binnen een kadastrale werkzone”. Artikel 161, §2, 1°, van Vlarebo handelt over “algemeen gebruik”. In beide bepalingen wordt net dezelfde voorwaarde opgelegd, namelijk “het gebruik van de bodemmaterialen veroorzaakt geen bijkomende verontreiniging van het grondwater”. 43. In de technische verslagen wordt “bijkomende” aangegrepen om “het gebruik van de bodemmaterialen” zo te lezen dat daarmee alle werken van het project samengenomen worden bedoeld en dat er na de uitvoering daarvan niet meer verontreiniging mag worden veroorzaakt dan daarvoor, beschouwd over de gehele kadastrale werkzone of de subzone daarvan. Het wegnemen van een grotere bron van verontreiniging lijkt dus in die visie als het ware een krediet op te leveren dat toelaat om zelf toch weer een kleinere verontreiniging te veroorzaken. 44. Bij het in artikel 161 Vlarebo bedoelde “algemeen gebruik” is er echter geen sprake van een kadastrale werkzone als ruimtelijk referentiekader, noch wordt een samenhangend project bedoeld waarvan een balans zou kunnen worden opgemaakt en dat een temporeel referentiekader verschaft. Daarnaast moet worden opgemerkt dat verontreiniging van het grondwater problematisch lijkt omdat deze zich door het verloop van de tijd ruimtelijk (verder) verspreidt en deze vaststelling op zich door geen van de tussenkomende partijen wordt geloochend waar zij de Raad van State ervan willen overtuigen dat het uitloogpotentieel en de eventuele verspreiding van verontreinigde bodemdeeltjes net zal verminderen door het conformverklaarde gebruik van de bodemmaterialen ten opzichte van de toestand vóór het gebruik van de uitgegraven bodemmaterialen. 45. De gemeenschappelijke voorwaarde in de genoemde Vlarebo-bepalingen lijkt dan ook zo te moeten worden begrepen dat deze betrekking heeft op het gebruik van de bodemmaterialen op zich, zonder verrekening met de gevolgen van andere rond dezelfde tijd uitgevoerde ingrepen in de min of meer dichte omgeving. De in beide bepalingen gebruikte formulering ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-49/83 “geen bijkomende verontreiniging” kan dan enkel aangeven dat de voorwaarde ook geldt als het grondwater reeds verontreinigd is. Het verweer van de vzw Grondbank, de nv BAM, RINK en het Vlaamse Gewest dat het bodemgebruik volgens de conform verklaarde technische verslagen in reeds verontreinigd grondwater geen “bijkomende” verontreiniging door uitloging kan veroorzaken, kan de Raad van State in de huidige stand van de procedure niet overtuigen. 46. De in de technische verslagen gehanteerde redenering lijkt ook des te vreemder omdat het, om de ingrepen te kunnen doen waarvan verwacht wordt dat ze de aanwezige vuilvracht en dus de uitloging naar het grondwater verminderen, niet noodzakelijk is dat een deel van de uitgegraven bodem op andere plaatsen binnen de zone wordt teruggelegd. De bestreden conformverklaringen erkennen zelfs uitdrukkelijk dat het uitlogen van “residuaire PFAS uit hergebruikte gronden” een probleem creëert en dat de door de Commissie Grondverzet aanbevolen oplossing daarvan een essentieel onderdeel moet worden van een “uit te werken saneringsaanpak van het grondwater”. Het verweer dat de verontreiniging van het grondwater ingevolge de werken binnen de kadastrale werkzone moet worden afgezet tegen de verontreiniging van het grondwater zonder de werken en dat zulks moet leiden tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van “bijkomende” verontreiniging van het (verontreinigde) grondwater, kan de Raad van State in de huidige stand van de procedure niet overtuigen. Integendeel, dat verweer laat op het eerste gezicht verstaan dat de werken net wel “bijkomende” verontreiniging van het (verontreinigde) grondwater kunnen veroorzaken. 47. Uit het voorgaande besluit de Raad van State in deze stand van de procedure dat wat in de bestreden conformverklaringen wordt voorgesteld als “het standstill-principe zoals dat binnen de grondverzetsregeling wordt gehanteerd” waaraan de technische verslagen zouden voldoen, geen steun vindt in de tekst van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-50/83 Vlarebo en strijdig is met de eerste doelstelling van artikel 138, § 1, van het bodemdecreet. 48. Het tweede middelonderdeel dat de schending van artikel 164 Vlarebo aanvoert, is ernstig. Derde middelonderdeel Standpunt van de partijen 49. De verzoekende partijen voeren in een derde middelonderdeel aan dat “het door de conformverklaring toegestane grondverzet […] op manifest onwettige wijze een (latere) bodemsanering en de afvalstoffenregelgeving” doorkruist. Zij voeren de schending aan van “het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel evenals het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel van bestrijding bij de bron, zoals vervat in art. 1.2.1, § 2 DABM en art. 191 VWEU-verdrag, artikel 180 en 186 VLAREBO 2008, evenals […] art. 9, par. 3 en 19, par. 2 van het Bodemdecreet”. “Doordat, de onuitgegraven en uitgegraven gronden binnen de kadastrale werkzone zwaar vervuild zijn met PFAS en er mogelijks af te voeren afvalhopen liggen. Terwijl, in casu eerst wordt voortgedaan met de graafwerken en het grondverzet en een sanering en verwerking van afval zodanig wordt uitgesteld dat de verontreiniging verder uitdijt en verdere schade aan mens en milieu veroorzaakt, terwijl de redelijkheid en zorgvuldigheid gebiedt in dergelijk geval minstens gelijktijdig met de grondverzetwerken reeds een sanering en afvalverwijdering te doen. Minstens dienen in de conformverklaringen hiertoe de nodige voorwaarden en garanties te worden opgenomen. […]”. “151. Op uitgegraven bodem, is de grondverzetregeling van toepassing, maar de vervuilde uitgegraven gronden die niet duurzaam en nuttig kunnen worden toegepast, zullen vroeg of laat moeten worden gesaneerd, dan wel, als afval moeten worden verwijderd. Immers, ook na de werken zullen bestemmingstypes I en II aanwezig blijven, onder meer rond Blokkersdijk en zullen mensen de fiets- en wandelpaden gebruiken. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-51/83 152. Zoals ook reeds gesteld, wordt op basis van een Nederlandse Kamerbrief aanpassing PFAS-beleid van 2020 opgemerkt dat reiniging van PFAS houdende zandgrond in gehalten boven resp. 60 μg/kg voor PFAS, 140 μg/kg voor PFOA en 60 μg/kg voor andere PFAS-verbindingen voorlopig niet mogelijk is. Dit betekent dat partijen met hogere PFAS-gehalten in aanmerking komen voor een verklaring van niet-reinigbaarheid (stuk 29, p. 5). Deze moeten in principe worden gestort want kunnen niet duurzaam worden aangewend. 153. In het Expertenverslag van februari 2022 staat het volgende (stuk 13): ‘De wetenschappelijke onderbouwing van het zoneringscriterium 70 μg/kg ds som PFAS werd recent in vraag gesteld. Via nieuwe scenarioberekening op basis van het reële gebruik van de heraangelegde zone (worst case benadering, blootstelling van kinderen), stelt de commissie voor om het criterium gebiedsspecifiek te herzien naar 47 μg/kg ds. Boven dit criterium worden ontgraven gronden samengebracht in tijdelijke opslag, voorzien van boven- en onderafdek en grondwatermonitoring. De praktijk om de meest verontreinigde uitgegraven gronden in te kapselen, zorgt voor een belangrijke reductie van de aanwezige vuilvracht die ter beschikking is voor uitloging of verspreiding.’ […] 154. De Commissie Grondverzet herhaalt hierbij dat deze bodemmaterialen bij voorkeur worden verzameld in één bouwwerk op de terreinen van 3M en voorzien van boven- en onderafdek, inclusief monitoring grondwater. Dat scenario is evenwel niet mogelijk met de huidige technische verslagen. 155. Het Addendum (Technisch) bij het van Advies Commissie Grondverzet aan de minister van Mobiliteit en Openbare Werken dd. 22/02/2022 verduidelijkt het volgende (stuk 14): ‘De term ‘tijdelijke opslag’ heeft enkel betrekking op de aanwending van het bodemmateriaal >47 μg/kg ds in een berm met boven- en onderafdek, in afwachting van verdere verwerking’ […] 156. Het lijkt er dus niet op dat de Expertencommissie een duurzaam hergebruik van deze gronden mogelijk acht. Deze grond zou vanuit milieuhygiënisch standpunt, gelet op de risico’s op verspreiding en bijkomende verontreiniging dus zo snel mogelijk moeten worden gereinigd, dan wel afgevoerd als afval. De tijdelijke opslag bevat immers geen milieubaten, wel integendeel, het vormt een risico voor mens en leefmilieu, temeer geen onderafdek en monitoring is opgelegd als voorwaarde in de conformverklaringen. Lantis ontkent ten stelligste dat het om afval zou gaan. Evenwel moeten de fracties > 1000 μg/kg ds naar een erkend verwerker en er valt ook niet in te zien hoe (
- al)de gronden > 47 en 157. Op de gebruiksvoorwaarden, vermeld in artikel 168, §2, Vlarebo 2008, is slechts een uitzondering voorzien voor uitgegraven bodem die geen verontreiniging van de onderliggende bodem kan veroorzaken en waarbij een mogelijke blootstelling aan de verontreinigende stoffen geen bijkomend risico kan opleveren. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-52/83 In het Verslag aan de Vlaamse Regering bij Vlarebo 2008 staat hierover het volgende (stuk 25): ‘Het tweede uitzonderingsgeval betreft de situatie waarbij de uitgegraven bodem onder een waterondoorlatende afscherming gebruikt wordt. Het gebruik van uitgegraven bodem die niet voldoet aan de waarden van bijlage VII kan alsnog in overweging genomen worden indien in het technische verslag wordt aangetoond dat de uitgegraven bodem op duurzame wijze wordt gebruikt. Bij de evaluatie van het duurzaam gebruik van de uitgegraven bodem worden de volgende elementen in rekening gebracht: 1. het effect van de voorgestelde gebruik op de menselijke gezondheid en de veiligheid; 2. het effect van de voorgestelde gebruik op de onderliggende bodem; 3. de mate waarin het gebruik rekening houdt met relevante sociale en economische aandachtspunten en andere plaatsgebonden factoren; 4. de milieubaten; 5. de mate waarin het gebruik de doelstelling van de bodemsanering realiseert; 6. de mate waarin bij de uitvoering van deze techniek onbedoelde schade kan optreden; 7. de kosten voor het voorgestelde gebruik’ Er is in casu geen sprake van een duurzaam gebruik van deze gronden. Het realiseert ook niet de doelstelling van bodemsanering. Meer zelfs, nu deze gronden ook worden gestockeerd in bestemmingstype I/II en derhalve de bodemsaneringsnormen voor deze bestemming overschrijden, kan het goed zijn dat deze grondverzetwerken een zelfstandige saneringsplicht in hoofde van Lantis doen ontstaan. 158. 3M van haar kant is bezig met een eerste gefaseerd beschrijvend bodemonderzoek (stuk 28). Uit een artikel van De Standaard blijkt het volgende: ‘Bestaande onderzoeksresultaten werden gecombineerd met nieuwe metingen in de bodem, het grondwater, groenten, eieren, melk, voedergewassen en fruit. De conclusie is dat er ‘saneringsmaatregelen nodig zijn om de vastgestelde humaantoxicologische risico’s op te heffen’. (...) De ‘ernstige verontreiniging’ betekent volgens de conclusies van ERM ‘een risico voor de volksgezondheid’, vooral dan via de consumptie van eieren. ‘Volgens het decreet betreffende bodemsanering en bodembescherming is in dit geval sanering noodzakelijk’, schrijft ERM. Ze krijgt zelfs de hoogste prioriteit toegekend.’[…] 159. Deze conclusies ervan kunnen hoogstwaarschijnlijk worden doorgetrokken naar de KWZ. Indien de bodemsanering, reiniging, dan wel de afvoer van afval, pas opgestart wordt na de civiel-technische werken aan de Oosterweel (cf. stuk 37), zijn we makkelijk een aantal jaren verder. Het is niet uitgesloten dat sanering dan (deels) niet meer mogelijk of wenselijk wordt geacht. Het gebruik van de bodemmaterialen kan de eventuele toekomstige bodemsaneringswerken bemoeilijken dan wel de bodemsaneringstechnieken beïnvloeden. Immers, bepaalde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-53/83 saneringstechnieken kunnen minder of moeilijk toepasbaar zijn, zeker na het bouwen van verharde constructies (wegen, rotondes, taluds, de Scheldetunnel),… Ondertussen worden de werken in sneltempo verdergezet en wordt verder PFAS verspreid omdat het zeer mobiel is. Zo breidt de verontreinigingspluim verder uit. 160. Dit terwijl het Bodemdecreet niet uitsluit om parallel te werken en gelijktijdig te saneren en aan grondverzet te doen. 161. Dit wordt in de conformverklaring Linkeroever met name reeds voorzien voor de volgende calamiteiten: ‘CAL10: Hydrolieklek Besix Infra (184/906). De zone dient onder begeleiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige te worden ontgraven. CAL11: Morsverliezen ketenpark Antwerpen West (181/421). De zone dient onder begeleiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige te worden ontgraven.’ 162. De keuze om comformverklaringen af te leveren voor grondverzetswerken zonder dat enige garantie (via bijkomende voorwaarden cf. art. 180 en 186 VLAREBO) wordt geboden op een spoedige behandeling van de zwaar vervuilde gronden (via reiniging, sanering, afvalverwijdering etc.) komt er, in de specifieke context van de zeer zware en omvangrijke vervuiling rond 3M, de facto op neer dat wetens en willens verdere verspreiding van de verontreiniging wordt toegelaten. 163. Het komt ons voor dat een redelijke en zorgvuldig handelende overheid zich er eerst van vergewist dat er een (globaal) sanerings-/afvalverwijderingsplan voorligt alvorens toelating te geven voor een grondverzet van dergelijke omvang, dan wel dat zij zelf de nodige bijkomende voorwaarden opneemt in haar conformverklaringen om ervoor te zorgen dat er spoedig een veilige oplossing komt voor de zwaar vervuilde gronden die (bijkomende) verontreiniging veroorzaken. Dit maakt onmiskenbaar een manifeste schending uit van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. 164. Voorts zijn de thans door OVAM vastgestelde bodemsaneringsnormen ook tijdelijk in die zin dat de kennis over PFAS nog volop in evolutie is (stuk 32, p. 5). Het is derhalve waarschijnlijk dat de normen nog zullen worden verstrengd. Ook in dat opzicht is het ontoelaatbaar dat nog niet wordt gesaneerd of afval verwijderd en de verontreiniging wordt gedoogd. Dit maakt bijkomend een schending uit van het preventiebeginsel, voorzorgsbeginsel en het beginsel dat vervuiling aan de bron moet worden aangepakt. Ook het derde middelonderdeel is ernstig en gegrond. In zijn geheel genomen, is het eerste middel ernstig en gegrond”. 50. De vzw Grondbank betwist de ernst van het middelonderdeel. Zij verwijst naar de nota van de OVAM van 3 maart 2022 die “vragen van Grondbank ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-54/83 vzw over toepassing van de regelgeving en bodemsanering” beantwoordt. Zij stelt dat de “technische verslagen aantonen dat het vooropgezette grondverzet de gebeurlijk vereiste bodemsanering (door 3M) niet verhindert. 51. De nv BAM antwoordt dat het derde middelonderdeel: - onontvankelijk is waar de schending van artikel 191, VWEU en de in artikel 1.2.1, § 2, DABM wordt aangevoerd; - “dermate technisch” is dat het niet kan “worden beoordeeld in het kader van een UDN-procedure”; - niet ernstig is. Zij verwijst naar “artikel 38 Materialendecreet, op grond waarvan bodemmaterialen die worden gebruikt in overeenstemming met de regelgeving inzake grondverzet, niet aan te merken zijn als afvalstoffen” zodat niet valt “in te zien op welke manier de bestreden conformverklaring de afvalstoffenregelgeving zou kunnen doorkruisen” en naar de bestreden conformverklaringen waarin wordt gesteld: “Conform artikel 38 van het Materialendecreet worden bodemmaterialen die gebruikt worden conform de grondverzetregeling niet beschouwd als afvalstoffen” en zij besluit daaruit dat “het derde middelonderdeel elke juridische grondslag mist”. Zij wijst er voorts op dat de bestreden conformverklaringen “ook een latere bodemsanering geenszins doorkruisen” en dat de verzoekende partijen eraan voorbijgaan “dat de bestreden conformverklaringen uitdrukkelijk en tot tweemaal opleggen dat het gebruik van de bodemmaterialen eventuele toekomstige bodemsaneringswerken niet mag verhinderen”. Zij antwoordt verder dat: - de verwijzing door de verzoekende partijen “naar de Nederlandse Kamerbrief […] van geen tel is voor de beoordeling van het Vlaamse grondverzet […]. Indien er een gebruik binnen de kadastrale werkzone mogelijk is, met inachtneming van de regels die daaromtrent in het VLAREBO zijn opgenomen, is de vraag naar de reinigbaarheid van partijen grond niet van belang (cf. art. 38 Materialendecreet)”; ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-55/83 - wat betreft het addendum bij het tweede advies van de Commissie Grondverzet “waaruit zou blijken dat een duurzaam gebruik niet mogelijk is […] dat ‘verdere verwerking’ niet zonder meer impliceert dat bv. geen veilige bouwkundige toepassing meer mogelijk zou zijn”, dat wat de commissie “daar zegt […] erop neer[komt] dat het grondverzet een latere sanering niet mag verhinderen” hetgeen “de bestreden beslissingen […] hebben opgelegd” en dat “voor het gebruik van de met PFAS-verontreinigde grond binnen de kadastrale werkzone” voldaan is aan het standstill-beginsel; - “door het inpakken van deze gronden (boven de > 47μg.kg
- ds)[…] er voldoende traceerbaarheid zal zijn van deze grond”, de Commissie Grondverzet “hier net [wijst] op de mogelijkheid dat latere inzichten en ontwikkelingen tot nieuwe innovatieve methodes zouden kunnen leiden die toelaten om de PFAS uit deze gronden volledig te kunnen verwijderen (wat op heden absoluut niet mogelijk is en al zeker niet gelet op de betrokken hoeveelheden)” en het “dan aan 3M [zou toekomen om in het kader van haar saneringsplicht en aansprakelijkheid die ingepakte gronden op veilige wijze te reinigen” en dat verzoekende partijen niet aannemelijk maken dat de voorwaarde dat latere sanering niet onmogelijk mag worden gemaakt, onuitvoerbaar is en daardoor kennelijk onredelijk; - artikel 168, § 2 VLAREBO niet van toepassing is omdat het betrekking heeft op het gebruik van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product buiten de kadastrale werkzone terwijl “de PFAS-houdende gronden op grond van de technische verslagen slechts gebruikt worden binnen de kadastrale werkzone”. Zij antwoordt nog dat: - de redenering van de verzoekende partijen dat de conclusies van het eerst gefaseerd BBO van 3M Belgium waaruit zou blijken dat sanering noodzakelijk is, waarschijnlijk kunnen worden doorgetrokken binnen de KWZ “kant noch wal” raakt omdat de percelen binnen de KWZ “verspreidingspercelen en geenszins bronpercelen [zijn] zoals dat bij 3M Belgium het geval is”, “dat ‘sanering’ niet noodzakelijk inhoudt dat de verontreinigde gronden worden ontgraven en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.253.523 VII-41.332-56/83 afgevoerd” en “[a]ndere saneringstechnieken zoals immobilisatie, afscherming e.d. […] ook [behoren] tot de technische mogelijkheden”; - “op vandaag geen saneringsplicht gevestigd is op het vaste deel van de bodem, buiten de site van 3M”; - “door het ter plaatse houden van de verontreiniging (uiteraard met naleving van het standstill-beginsel), verdere verspreiding in de ruimere omgeving wordt voorkomen”, de “mobiliteit van de aanwezige verontreiniging” niet toeneemt, “de globale mobiliteit van de volledige verontreiniging op zich zelfs drastisch af[neemt]” en “er, als gevolg van de werken, zelf een globale afname [zal] zijn van de uitloging naar het grondwater”; - het bodemdecreet niet verplicht “om parallel te werken en gelijktijdig te saneren en aan grondverzet te doen”, in de bestreden conformverklaringen als voorwaarde is opgelegd “dat het uitvoeren van de grondverzetswerken de latere sanering niet verhindert” en de verzoekende partijen niet aantonen “dat deze voorwaarde niet zou (kunnen) worden nageleefd”, en de verwijzing door de verzoekende partijen naar een aantal calamiteiten naast de kwestie is; - de stelling van de verzoekende partijen dat “de conformverklaringen zouden zijn afgeleverd zonder enige garantie (via bijkomende voorwaarden cf. de artikelen 180 en 186 Vlarebo) maakt […] abstractie van de stukken van het dossier”; - het tijdelijk karakter van de door OVAM voorlopig vastgestelde bodemsaneringsnormen” is “niet van belang […] voor het hergebruik van gronden binnen de kadastrale werkzone”. 52. RINK antwoordt dat het derde middelonderdeel: - onontvankelijk is omdat de kritieken van verzoekende partijen “niet thu