← België

Arrest 253536 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.536 Rolnummer: A. 233111/VII-41040 Zaak: Arrest 253536 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-25 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:42 Fiche Arrest nr 253.536 van 21 april 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.536 van 21 april 2022 in de zaak A. é.111/VII-41.040 In zake : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Nicolas VERSTRAETE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Victor Petitat kantoor houdend te 8000 Brugge Ter Pannestraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 5 maart 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0562 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 28 januari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0247-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 1 april
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.040-1/14 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 14 oktober 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 maart
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Victor Petitat, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Op 8 augustus 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) een omgevingsvergunning voor het bouwen van een pluimveestal en voor het verder exploiteren, uitbreiden en wijzigen van een kippenfokkerij en een groententeeltbedrijf. VII-41.040-2/14
  7. Met een besluit van 9 oktober 2019 verklaart de gewestelijke omgevingsambtenaar van het Vlaamse Gewest het administratief beroep van Nicolas Verstraete tegen de vergunningsbeslissing van 8 augustus 2019 van de deputatie onvolledig en onontvankelijk: “[...] Op 16 september 2019 stelde u beroep in tegen de onder rubriek vermelde beslissing. Bij ons bericht van 26 september 2019, werd u gevraagd het bewijs van gelijktijdige verzending van het beroepschrift naar de aanvrager, de deputatie en het college van burgemeester en schepenen te bezorgen bínnen een termijn van 14 dagen. Gezien we het bewijs van gelijktijdige verzending van het beroepschrift aan het college niet hebben ontvangen, wordt uw beroep met toepassíng van artikel 56 en 57 van het Omgevingsvergunningendecreet als onvolledig beschouwd. U stelt dat u de gemeente op 27 september 2019 bij aangetekende brief het beroepschrift heeft bezorgd en dat deze zending niet tot de onontvankelijkheid van het beroep kan leiden omdat het normdoel van artikel 56 van het Omgevingsvergunningendecreet is bereikt. Wanneer een decreet op duidelijke wijze en zonder twijfel open te laten een onontvankelijkheidsvereiste opneemt, dan is noch de gewestelijke omgevingsambtenaar noch de Vlaamse Regering gemachtigd om het decreet naast, zich neer te leggen, louter omwille van de redenering dat het gestelde ‘normdoel’ zou zijn bereikt. De rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, waarnaar verwezen wordt, heeft betrekking op de VCRO. In die VCRO was de gelijktijdige verzending echter veel minder duidelijk als ontvankelijkheidsvereiste ingeschreven. De rechtspraak van de Raad kan dus niet op het omgevingsvergunningendecreet worden toegepast. Aan het door u ingestelde administratief beroep wordt dus geen verder gevolg gegeven. [...]”.
  8. Het bestreden arrest verwerpt de exceptie van het Vlaamse Gewest wegens laattijdigheid, verklaart het middel van Nicolas Verstraete gegrond en vernietigt bijgevolg de beslissing van de gewestelijke omgevingsambtenaar. De RvVb verklaart het middel waarin Nicolas Verstraete “in essentie [stelt] dat het normdoel van de bepaling van artikel 56 OVD is bereikt […] dat door de onontvankelijkheidsverklaring louter en alleen op basis van de niet-gelijktijdige verzending van een afschrift aan het college van burgemeester en VII-41.040-3/14 schepenen […] haar op een disproportionele wijze het recht op toegang tot de rechter is ontzegd […] in strijd met de ingeroepen grondwetsartikelen en verdragsbepalingen” […] dat “had moeten worden onderzocht of het normdoel dat artikel 56 OVD voorstaat, was bereikt”, “in de aangegeven mate gegrond” na het besluit: “Aangezien is komen vast te staan dat het niet strikt vervullen door [Nicolas Verstraete] van de formaliteit om tegelijkertijd een afschrift van het administratief beroepschrift te bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen deze laatste niet in zijn belang heeft geschaad, en meer nog, er niet aan in de weg heeft gestaan dat aan het normdoel van deze formaliteit is voldaan, is het hanteren van de sanctie van onontvankelijkheid van het administratief beroep onevenredig met het vooropgestelde doel en al te streng”. IV. Onderzoek van het middel Standpunt Vlaamse Gewest
  9. Het Vlaamse Gewest voert de schending aan van artikel 56, derde lid, 57, eerste lid, en 58, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD) en artikel 73, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVB). Het Vlaamse Gewest betoogt: “[…] De RvVb heeft in het bestreden arrest het artikel 56, derde lid, artikel 57, eerste lid en artikel 58, tweede lid van het Omgevingsvergunningsdecreet miskend, door te oordelen dat het administratief beroep niet onontvankelijk verklaard kon worden wegens het voldoen aan de diverse normdoeldoelstellingen en bij gebrek aan belangenschade in hoofde van het CBS terwijl de RvVb

(1)eerst heeft vastgesteld dat de kennisgeving van het afschrift van het administratief beroepschrift aan het CBS van de gemeente Wingene niet gelijktijdig gebeurde, maar wel 11 dagen later, en
(2)de vereiste gelijktijdige verzending van een afschrift van het administratief beroepschrift aan het CBS voorgeschreven is op straffe van onontvankelijkheid en de VII-41.040-4/14 onontvankelijkheid of onvolledigheid van het beroepschrift van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg heeft”. Het Vlaamse Gewest zet uiteen: “De bewoording uit artikel 56, derde lid Omgevingsvergunningsdecreet is duidelijk. De vereiste van het gelijktijdig versturen per beveiligde zending van een afschrift van het administratief beroepschrift aan het CBS gebeurt ‘op straffe van onontvankelijkheid’. Uit de bewoording van het artikel volgt dus dat wanneer de kennisgeving van het afschrift aan het CBS niet gelijktijdig gebeurde, het administratief beroep onontvankelijk is. De onontvankelijkheid van het beroepschrift heeft overeenkomstig artikel 58, tweede lid van het Omgevingsvergunningsdecreet van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg”. Deze duidelijke regeling is volgens het Vlaamse Gewest niet voor interpretatie vatbaar, anders dan het geval was voor het inmiddels opgeheven artikel 4.7.21, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat heeft geleid tot arrest nr. 226.088 van 15 januari 2014 van de Raad van State. De decreetgever heeft kennis genomen van de taalkundige analyse in dat arrest, en heeft, zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het OVD is geworden, bij het stellen van artikel 56, derde lid, van dat decreet “alle twijfel uitgesloten door te voorzien in een duidelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde die niet voor interpretatie vatbaar is”. Het Vlaamse Gewest zet verder uiteen: “[...] Het bestreden arrest schendt de in het aanhef van het cassatiemiddel aangehaalde bepalingen omdat de vastgestelde schending van de decretale ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een administratief beroep uit artikel 56, derde lid van het Omgevingsvergunningsdecreet de vraag naar het al dan niet bereikt zijn van de diverse normdoelstellingen en de vraag naar de aan- of afwezigheid van belangenschade in hoofde van het CBS, vooraf gaat. Door in het bestreden arrest eerst vast te stellen dat er niet werd voldaan aan een decretaal bepaalde ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een administratief beroep en door vervolgens niet tot de onontvankelijkheid van het administratief beroep te besluiten, schendt het bestreden arrest het artikel 56 en 57 van het Omgevingsvergunningsdecreet. VII-41.040-5/14 De gewestelijke omgevingsambtenaar is er bij haar onderzoek in het kader van artikel 57, eerste lid van het Omgevingsvergunningsdecreet immers toe gehouden om louter een correcte toepassing te maken van de duidelijke norm. De decretale norm heeft bovendien zelf een duidelijke sanctie verbonden bij niet naleving. Een duidelijke bepaling behoeft dan ook geen verdere interpretatie en de decreetgever heeft in artikel 56, derde lid van het Omgevingsvergunningsdecreet voor een volstrekte duidelijkheid gezorgd zodat er niet de minste ruimte bestaat voor enige interpretatie. Bij het onderzoek naar de volledigheid en ontvankelijkheid van een administratief beroep treedt de gewestelijke omgevingsambtenaar op als een orgaan van actief bestuur in het kader van een georganiseerd administratief beroep zonder jurisdictioneel karakter. Een orgaan van actief bestuur is verplicht de geldende rechtsnormen toe te passen. Aangezien de vaststelling was dat er geen afschrift van het administratief beroepschrift gelijktijdig werd verstuurd per beveiligde zending aan het betrokken CBS diende de gewestelijke omgevingsambtenaar hoe dan ook de rechtsnorm toe te passen en het administratief beroep onontvankelijk te verklaren. Zij diende het normdoel van artikel 56, derde lid van het Omgevingsvergunningsdecreet niet te onderzoeken. Wanneer een decreet op duidelijke wijze en zonder twijfel open te laten een ontvankelijkheidsvereiste opneemt, dan is de gewestelijke omgevingsambtenaar niet gemachtigd om het decreet naast zich neer te leggen louter omwille van de redenering dat het gestelde ‘normdoel’ bereikt zou zijn en/of dat er geen belangenschade zou zijn in hoofde van het CBS. Hierover anders oordelen, zou aanleiding geven tot willekeur. Het kan niet de bedoeling zijn dat bij een duidelijke wetsbepaling in materiële zin een orgaan van actief bestuur zoals de gewestelijke omgevingsambtenaar kan oordelen dat hetzij omwille van belangenafweging of belangenschade, dan wel omwille van het ‘normdoel’ de duidelijke rechtsregel toch niet dient te worden toegepast. Zulks zou onmiskenbaar aanleiding geven tot willekeur. Een orgaan van actief bestuur is verplicht de geldende rechtsnormen toe te passen. Aldus moet de gewestelijke omgevingsambtenaar bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van het administratief beroep de naleving van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van het beroep bewaken, zonder de mogelijkheid om die voorwaarden op eigen gezag terzijde te kunnen schuiven. Evenmin is de gewestelijke omgevingsambtenaar daarbij verplicht om bij de toepassing van die ontvankelijkheidsvoorwaarden telkenmale te motiveren waarom de wettelijk voorziene sanctie effectief toegepast moet worden. […]”. Het Vlaamse Gewest voegt toe dat de RvVb en de Raad van State niet bevoegd zijn om artikel 56, derde (lees: tweede) lid, OVD te toetsen aan de door Nicolas Verstraete opgeworpen grondwettelijke en verdragsbepalingen en VII-41.040-6/14 dat deze decretale beperking “een redelijke beperking van procedurele aard” van de toegang tot de rechter betreft. Beoordeling
  1. Het Vlaamse Gewest zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest artikel 57, eerste lid, OVD, artikel 58, tweede lid, OVD en artikel 73, eerste lid, OVB schendt. Het middel dat de schending aanvoert van deze bepalingen is niet ontvankelijk.
  2. Het bestreden arrest stelt onaantastbaar vast dat: - Nicolas Verstraete “op dezelfde dag als de verzending van het administratief beroep, een afschrift van het beroepschrift met een aangetekende zending heeft overgemaakt aan de aanvragers en aan de deputatie als vergunningverlenende overheid in eerste aanleg”; - “uit het digitaal omgevingsloket blijkt […] dat onmiddellijk na de registratie van het analoog ingediend beroepschrift in het digitaal loket […] de gemeente reeds op 18 september 2019 van dit beroep op de hoogte werd gesteld”; - Nicolas Verstraete “niet gelijktijdig met het indienen van [zijn] administratief beroep een afschrift van [zijn] beroepschrift heeft verzonden aan het college van burgemeester en schepenen […] op 27 september 2019, zijnde 11 dagen later”; - het “college van burgemeester en schepenen […] slechts 11 dagen minder de tijd [heeft] gehad om zijn eventueel advies voor te bereiden, wat bovendien relatief is aangezien op dat ogenblik nog geen termijn liep voor het indienen van het advies”.
  3. Artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’, bepaalt: “Aanvullend op en onverminderd de in het voorgaande eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke Partij dat leden van het VII-41.040-7/14 publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu”. Artikel 2.4 van het verdrag omschrijft “het publiek” als “één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen”. Uit deze bepalingen volgt dat België en de deelstaten de verplichting op zich hebben genomen om leden van het publiek de toegang tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures te verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties willen betwisten, voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria. Die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van de leden van het publiek in dergelijk geval onmogelijk maken. De rechter vermag de in het nationale recht vastgelegde criteria uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus.
  4. Het middel dat stelt dat artikel 56, derde (lees: tweede) lid, OVD “op duidelijke wijze en zonder twijfel open te laten een ontvankelijkheidsvereiste opneemt”, “de gewestelijke omgevingsambtenaar niet gemachtigd [is] om het decreet naast zich neer te leggen louter omwille van de redenering dat het gestelde ‘normdoel’ bereikt zou zijn en/of dat er geen belangenschade zou zijn in hoofde van het CBS”, het “niet de bedoeling [kan] zijn dat bij een duidelijke wetsbepaling in materiële zin een orgaan van actief bestuur […] kan oordelen dat hetzij omwille van belangenafweging of belangenschade, dan wel omwille van het ‘normdoel’ de duidelijke rechtsregel toch niet dient te worden toegepast”, maakt abstractie van de aangehaalde reflexwerking van deze verdragsrechtelijke bepalingen. Het middel faalt in zoverre naar recht. VII-41.040-8/14
  5. Artikel 56 OVD, in de op het geding toepasselijke versie, luidt: “Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel
  6. Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan: 1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt; 2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen; 3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt. De Vlaamse Regering bepaalt, eventueel met inbegrip van een onontvankelijkheidssanctie, nadere regels met betrekking tot de opbouw en de inhoud van het beroepsschrift en de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld”. Artikel 57, tweede en derde lid, OVD, in de op het geding toepasselijke versie, luidt: “De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid. Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen. Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd”. Artikel 58 OVD luidt: “Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 57, wordt aan de beroepsindiener binnen een termijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van het beroepschrift per beveiligde zending meegedeeld. De onvolledigheid of onontvankelijkheid heeft van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg. De beslissing wordt ter kennis gebracht van: 1° de beroepsindiener; 2° de vergunningsaanvrager; VII-41.040-9/14 3° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen; 4° het college van burgemeester en schepenen”. Artikel 73, eerste lid, OVB bepaalt dat een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing wordt ingediend conform artikel 56 OVD. Artikel 74, § 1, OVB, dat uitvoering geeft aan artikel 56, derde lid, OVD, luidt in de op het geding toepasselijke versie: “§
  7. Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid: [...] Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken: 1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks; 2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht; 3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°. Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april
  8. [...]”. Artikel 74, § 3, OVB bepaalt: “De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing, onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014”. Artikel 75, § 2, OVB bepaalt dat de vervaltermijn voor het verlenen van advies door het college van burgemeester en schepenen ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur waarbij “het beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag” ter beschikking wordt gesteld van het schepencollege. VII-41.040-10/14
  9. Het bestreden arrest oordeelt: - de “vereiste van ‘gelijktijdigheid’ in artikel 56 van het Omgevingsvergunningsdecreet […] betekent […] dat er in principe op de dag van de beveiligde zending van het beroep aan [het Vlaamse Gewest] ook een afschrift van het beroepschrift per beveiligde zending moet worden bezorgd aan de aanvrager, de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen, en het college van burgemeester en schepenen”, - “vormvereisten moeten in beginsel niet worden vervuld omwille van zichzelf, maar omwille van het doel dat ze moeten dienen”, - de gelijktijdige kennisgevingsvereiste ten aanzien van het college van burgemeester en schepenen is niet alleen “nog steeds [...] ingegeven vanuit een zekere proceseconomische doelstelling” maar “ook [vanuit] een specifieke informatiedoelstelling”, meer bepaald “het nuttig kunnen toezien op het niet starten van de werken” gelet op het schorsend karakter van het beroep ingevolge artikel 55 OVD, - “[i]n het licht van de eerste doelstelling” is
(1)“het overmaken van het bewijs dat een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen niet dienstig […] om zo spoedig mogelijk het administratief dossier over te maken” aangezien dit dossier in dit geval niet door het college van burgemeester en schepenen moet worden overgemaakt omdat het niet het vergunningverlenend bestuursorgaan in eerste aanleg was, en
(2)faciliteert de voorafgaande gelijktijdige overmaking door de beroepsindiener van een afschrift van zijn beroepschrift de adviserende taak van het college van burgemeester en schepenen dat te dezen “slechts 11 dagen minder de tijd [heeft] gehad om zijn eventueel advies voor te bereiden, wat bovendien relatief is aangezien op dat ogenblik nog geen termijn liep voor het indienen van het advies”; bijgevolg kan “in het licht van de […] toegang tot de [RvVb] [...] worden gesteld dat de proceseconomie niet in het gevaar is gebracht” en “wordt op geen enkele wijze aangetoond dat het normdoel niet zou zijn behaald”, - “in het licht van de informatiedoelstelling, en met name het tijdig informeren van het college van burgemeester en schepenen over een schorsend administratief beroep”, wordt niet aangetoond “dat het college van burgemeester en schepenen VII-41.040-11/14 zou geschaad zijn in zijn belangen door de laattijdige verzending van een afschrift van het beroepschrift” aangezien het een afschrift van het beroepschrift ontving op maandag 30 september 2019 “over een vergunning die uitvoerbaar werd op 26 september 2019, terwijl de vergunning reeds door het ingestelde administratief beroep daadwerkelijk geschorst was en de aanvragers hiervan onmiddellijk op de hoogte waren” waardoor het college van burgemeester en schepenen “‘slechts’ vier dagen in het ongewisse [bleef] over een mogelijke al dan uitvoering van de aanvraag”; bovendien blijkt dat de gemeente na de registratie van het analoog ingediend beroepschrift in het digitaal loket, “reeds op 18 september 2019 van dit beroep op de hoogte werd gesteld”; het normdoel van de vormvereiste werd dus kennelijk bereikt aangezien de vergunningaanvragers “met zekerheid konden weten dat de uitvoering niet kon starten op 26 september 2019” en ook moet worden vastgesteld dat het college, dat “door de digitale kennisgeving reeds op de hoogte was van het ingediende beroepschrift”, “alsnog in staat zou zijn om op te treden” bij een eventuele miskenning van de schorsing, - de sanctie in artikel 56 OVD moet bovendien gelezen worden in het licht van artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus waardoor deze ontvankelijkheidsvereiste niet zo kan worden uitgelegd of toegepast dat de toegang van belanghebbenden tot de administratieve beroepsprocedure op onevenredige wijze bemoeilijkt wordt; dit geldt des te meer omdat een correct, ontvankelijk ingesteld administratief beroep een noodzakelijke voorwaarde vormt voor een ontvankelijk jurisdictioneel beroep bij de RvVb ingevolge artikel 105, § 2, OVD; het niet strikt vervullen door Nicolas Verstraete van de formaliteit om tegelijkertijd een afschrift van het administratief beroepschrift te bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen heeft deze niet in zijn belang geschaad en heeft er niet aan in de weg gestaan dat aan het normdoel van deze formaliteit is voldaan. Het bestreden arrest besluit dat “het hanteren van de sanctie van onontvankelijkheid van het administratief beroep onevenredig [is] met het vooropgestelde doel en al te streng”. VII-41.040-12/14 13. Uit wat voorafgaat blijkt dat het bestreden arrest de wettigheid van de bestreden onontvankelijkheidsbeslissing van de gewestelijke omgevingsambtenaar onderzoekt onder gelding van artikel 56, tweede lid, OVD. Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat het bestreden arrest “de decretale ontvankelijkheidsvereiste uit artikel 56, derde (lees: tweede) lid van het Omgevingsvergunningsecreet” miskent, mist feitelijke grondslag. Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat de RvVb “na[laat] om artikel 56, derde (lees: tweede) lid van het Omgevingsvergunningsdecreet correct toe te passen”, is niet gegrond. 14. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-41.040-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.040-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.536 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.