id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.537 Rolnummer: A. 233114/VII-41041 Zaak: Arrest 253537 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 21/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-25 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:42 Fiche Arrest nr 253.537 van 21 april 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.537 van 21 april 2022 in de zaak A. é.114/VII-41.041 In zake : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
(2)de vereiste gelijktijdige verzending van een afschrift van het administratief beroepschrift aan het CBS voorgeschreven is op straffe van onontvankelijkheid en de onontvankelijkheid of onvolledigheid van het beroepschrift van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg heeft”. Het Vlaamse Gewest zet uiteen: VII-41.041-4/13 “De bewoording uit artikel 56, derde lid Omgevingsvergunningsdecreet is duidelijk. De vereiste van het gelijktijdig versturen per beveiligde zending van een afschrift van het administratief beroepschrift aan het CBS gebeurt ‘op straffe van onontvankelijkheid’. Uit de bewoording van het artikel volgt dus dat wanneer de kennisgeving van het afschrift aan het CBS niet gelijktijdig gebeurde, het administratief beroep onontvankelijk is. De onontvankelijkheid van het beroepschrift heeft overeenkomstig artikel 58, tweede lid van het Omgevingsvergunningsdecreet van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg”. Deze duidelijke regeling is volgens het Vlaamse Gewest niet voor interpretatie vatbaar, anders dan het geval was voor het inmiddels opgeheven artikel 4.7.21, § 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat heeft geleid tot arrest nr. 226.088 van 15 januari 2014 van de Raad van State. De decreetgever heeft kennis genomen van de taalkundige analyse in dat arrest, en heeft, zoals ook blijkt uit de memorie van toelichting bij het ontwerp dat het OVD is geworden, bij het stellen van artikel 56, derde lid, van dat decreet “alle twijfel uitgesloten door te voorzien in een duidelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde die niet voor interpretatie vatbaar is”. Het Vlaamse Gewest zet verder uiteen: “[…] Het bestreden arrest schendt de in het aanhef van het cassatiemiddel aangehaalde bepalingen omdat de vastgestelde schending van de decretale ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een administratief beroep uit artikel 56, derde lid van het Omgevingsvergunningsdecreet de vraag naar een mogelijke schending van de formele motiveringswet in de bestreden beslissing inzake het bereiken van diverse normdoelstellingen en de afwezigheid van belangenschade, vooraf gaat. Door in het bestreden arrest eerst vast te stellen dat er niet werd voldaan aan een decretaal bepaalde ontvankelijkheidsvereiste voor het instellen van een administratief beroep en door vervolgens toch een schending van de formele motiveringsplicht in de bestreden beslissing tot onontvankelijkheid van het administratief beroep te weerhouden, schendt het bestreden arrest het artikel 56 en 57 van het Omgevingsvergunningsdecreet. De gewestelijke omgevingsambtenaar is er bij haar onderzoek in het kader van artikel 57, eerste lid van het Omgevingsvergunningsdecreet immers toe gehouden om louter een correcte toepassing te maken van de duidelijke norm. De decretale norm heeft bovendien zelf een duidelijke sanctie verbonden bij niet naleving. Een duidelijke bepaling behoeft dan ook geen verdere interpretatie en de decreetgever heeft in artikel 56, derde lid van het VII-41.041-5/13 Omgevingsvergunningsdecreet voor een volstrekte duidelijkheid gezorgd zodat er niet de minste ruimte bestaat voor enige interpretatie. Bij het onderzoek naar de volledigheid en ontvankelijkheid van een administratief beroep treedt de gewestelijke omgevingsambtenaar op als een orgaan van actief bestuur in het kader van een georganiseerd administratief beroep zonder jurisdictioneel karakter. Een orgaan van actief bestuur is verplicht de geldende rechtsnormen toe te passen. Aangezien de vaststelling was dat er geen afschrift van het administratief beroepschrift gelijktijdig werd verstuurd per beveiligde zending aan het betrokken CBS diende de gewestelijke omgevingsambtenaar hoe dan ook de rechtsnorm toe te passen en het administratief beroep onontvankelijk te verklaren. Zij diende het normdoel van artikel 56, derde lid van het Omgevingsvergunningsdecreet niet te onderzoeken en diende dan ook geen weerlegging in dat verband te voorzien in de bestreden beslissing als antwoord op de uitvoerige betwisting daarover van de beroepsindieners. Wanneer een decreet op duidelijke wijze en zonder twijfel open te laten een ontvankelijkheidsvereiste opneemt, dan is de gewestelijke omgevingsambtenaar niet gemachtigd om het decreet naast zich neer te leggen louter omwille van de redenering dat het gestelde ‘normdoel’ bereikt zou zijn of er geen belangenschade zou zijn in hoofde van het CBS. Hierover anders oordelen, zou bovendien aanleiding geven tot willekeur. Het kan niet de bedoeling zijn dat bij een duidelijke wetsbepaling in materiële zin een orgaan van actief bestuur zoals de gewestelijke omgevingsambtenaar kan oordelen dat hetzij omwille van belangenafweging of belangenschade, dan wel omwille van het ‘normdoel’ de duidelijke rechtsregel toch niet dient te worden toegepast. Zulks zou onmiskenbaar aanleiding geven tot willekeur. Een orgaan van actief bestuur is verplicht de geldende rechtsnormen toe te passen. Aldus moet de gewestelijke omgevingsambtenaar bij het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid van het administratief beroep de naleving van de ontvankelijkheidsvoorwaarden van het beroep bewaken, zonder de mogelijkheid om die voorwaarden op eigen gezag terzijde te kunnen schuiven. Evenmin is de gewestelijke omgevingsambtenaar daarbij verplicht om bij de toepassing van die ontvankelijkheidsvoorwaarden telkenmale te motiveren waarom de wettelijk voorziene sanctie effectief toegepast moet worden. [...] [...] Ten onrechte wordt er dus geponeerd door de RvVb dat de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet zouden geschonden zijn. De RvVb voegt ten onrechte voorwaarden toe aan het duidelijke voorschrift van de decreetgever in artikel 56, derde lid van het Omgevingsvergunningsdecreet. Er kon door de huidige verzoekende partij in cassatie enkel geconstateerd worden dat daaraan niet was voldaan. Nogmaals, de gewestelijke omgevingsambtenaar moet in kader van het onderzoek naar de volledigheid van een administratief beroep handelen als een orgaan van actief bestuur op basis waarvan het haar niet is toegestaan duidelijke wetteksten te interpreteren en buiten toepassing te laten. VII-41.041-6/13 Er hoefde dus ook niet formeel gemotiveerd te worden over voorwaarden die nu eenmaal niet in artikel 56, derde lid van het Omgevingsvergunningsdecreet vervat zijn. In zoverre de RvVb in het bestreden arrest dan ook meent dat er toch formeel diende gemotiveerd te worden, schendt de RvVb de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet aangezien de decreetgever geen enkel motief aanvaardbaar acht om de ontvankelijkheidssanctie niet toe te passen. De gewestelijke omgevingsambtenaar is bij het onderzoek naar de volledigheid en ontvankelijkheid van het administratief beroep dan ook niet verplicht om bij de toepassing van de ontvankelijkheidsvoorwaarden telkenmale te motiveren waarom de wettelijk voorziene sanctie effectief toegepast moet worden. De RvVb besluit dus volkomen ten onrechte dat de Formele Motiveringswet is geschonden. Er bestaat hij het onderzoek naar de volledigheid en ontvankelijkheid van het administratief beroep door de gewestelijke omgevingsambtenaar geen juridische ruimte om te discussiëren over normdoelen, zodat daaromtrent ook niet over formeel gemotiveerd moet worden. […]”. Beoordeling
- Het Vlaamse Gewest zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest artikel 57, eerste lid, OVD, artikel 58, tweede lid, OVD en artikel 73, eerste lid, OVB schendt. Het middel dat de schending aanvoert van deze bepalingen is niet ontvankelijk.
- Het bestreden arrest stelt onaantastbaar vast dat: - Eeckhout cons. “op dezelfde dag als de verzending van het administratief beroep, een afschrift van het beroepschrift met een aangetekende zending hebben overgemaakt aan de aanvragers en aan de deputatie als vergunningverlenende overheid in eerste aanleg”; - “uit het digitaal omgevingsloket blijkt […] dat onmiddellijk na de registratie van het analoog ingediend beroepschrift in het digitaal loket […] de gemeente reeds op 25 juli 2019 van dit beroep op de hoogte werd gesteld”; - Eeckhout cons. “niet gelijktijdig met het indienen van hun administratief beroep een afschrift ervan hebben verzonden aan het college van burgemeester en schepenen […] op 13 augustus 2019, zijnde 20 dagen later”. VII-41.041-7/13
- Artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’, bepaalt: “Aanvullend op en onverminderd de in het voorgaande eerste en tweede lid bedoelde herzieningsprocedures, waarborgt elke Partij dat leden van het publiek, wanneer zij voldoen aan de eventuele in haar nationale recht neergelegde criteria, toegang hebben tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures om het handelen en nalaten van privé-personen en overheidsinstanties te betwisten die strijdig zijn met bepalingen van haar nationale recht betreffende het milieu”. Artikel 2.4 van het verdrag omschrijft “het publiek” als “één of meer natuurlijke personen of rechtspersonen en, in overeenstemming met nationale wetgeving of praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen”. Uit deze bepalingen volgt dat België en de deelstaten de verplichting op zich hebben genomen om leden van het publiek de toegang tot bestuursrechtelijke of rechterlijke procedures te verzekeren ingeval zij met de bepalingen van het nationale milieurecht strijdig handelen en nalaten van privépersonen en overheidsinstanties willen betwisten, voor zover zij daartoe voldoen aan de in het nationale recht neergelegde criteria. Die criteria mogen niet zodanig worden omschreven of uitgelegd dat zij de toegang van de leden van het publiek in dergelijk geval onmogelijk maken. De rechter vermag de in het nationale recht vastgelegde criteria uit te leggen in overeenstemming met de doelstellingen van artikel 9.3 van het verdrag van Aarhus.
- Het middel dat stelt dat artikel 56, derde (lees: tweede) lid, OVD “op duidelijke wijze en zonder twijfel open te laten een ontvankelijkheidsvereiste opneemt”, “de gewestelijke omgevingsambtenaar niet gemachtigd [is] om het decreet naast zich neer te leggen louter omwille van de redenering dat het gestelde ‘normdoel’ bereikt zou zijn of er geen belangenschade zou zijn in hoofde van het CBS”, het “niet de bedoeling [kan] zijn dat bij een duidelijke wetsbepaling in materiële zin een orgaan van actief bestuur […] kan oordelen dat hetzij omwille van belangenafweging of belangenschade, dan wel omwille van het ‘normdoel’ de VII-41.041-8/13 duidelijke rechtsregel toch niet dient te worden toegepast”, maakt abstractie van de aangehaalde reflexwerking van deze verdragsrechtelijke bepalingen. Het middel faalt in zoverre naar recht.
- Artikel 56 OVD, in de op het geding toepasselijke versie, luidt: “Het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid per beveiligde zending ingesteld bij de bevoegde overheid, vermeld in artikel
- Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan: 1° de vergunningsaanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt; 2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen; 3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt. De Vlaamse Regering bepaalt, eventueel met inbegrip van een onontvankelijkheidssanctie, nadere regels met betrekking tot de opbouw en de inhoud van het beroepsschrift en de bewijsstukken die bij het beroep moeten worden gevoegd opdat het op ontvankelijke wijze wordt ingesteld”. Artikel 57, tweede en derde lid, OVD, in de op het geding toepasselijke versie, luidt: “De bevoegde overheid, vermeld in artikel 52, of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar onderzoekt het beroep op zijn ontvankelijkheid en volledigheid. Als niet alle stukken als vermeld in artikel 56, derde lid, bij het beroep zijn gevoegd, kan de bevoegde overheid of de provinciale respectievelijk gewestelijke omgevingsambtenaar of de door hem gemachtigde de beroepsindiener per beveiligde zending vragen om binnen een termijn van veertien dagen die ingaat de dag na de verzending van het vervolledigingsverzoek, de ontbrekende gegevens of documenten aan het beroep toe te voegen. Als de beroepsindiener nalaat de ontbrekende gegevens of documenten binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, aan het beroep toe te voegen, wordt het beroep als onvolledig beschouwd”. Artikel 58 OVD luidt: “Het resultaat van het onderzoek, vermeld in artikel 57, wordt aan de beroepsindiener binnen een termijn van dertig dagen die ingaat de dag na de datum van de verzending van het beroepschrift per beveiligde zending meegedeeld. VII-41.041-9/13 De onvolledigheid of onontvankelijkheid heeft van rechtswege de stopzetting van de beroepsprocedure tot gevolg. De beslissing wordt ter kennis gebracht van: 1° de beroepsindiener; 2° de vergunningsaanvrager; 3° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen; 4° het college van burgemeester en schepenen”. Artikel 73, eerste lid, OVB bepaalt dat een beroep tegen een uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing wordt ingediend conform artikel 56 OVD. Artikel 74, § 1, OVB, dat uitvoering geeft aan artikel 56, derde lid, OVD, luidt in de op het geding toepasselijke versie: “§
- Het beroepschrift bevat op straffe van onontvankelijkheid: [...] Het beroepsdossier bevat de volgende bewijsstukken: 1° in voorkomend geval, een bewijs van betaling van de dossiertaks; 2° de overtuigingsstukken die de beroepsindiener nodig acht; 3° in voorkomend geval, een inventaris van de overtuigingsstukken, vermeld in punt 2°. Als de bewijsstukken, vermeld in het tweede lid, ontbreken, kan hieraan verholpen worden overeenkomstig artikel 57, tweede lid, van het decreet van 25 april
- [...]”. Artikel 74, § 3, OVB bepaalt: “De overheid die de bestreden beslissing in eerste administratieve aanleg heeft genomen, stelt het vergunningsdossier ter beschikking van de overheid die in laatste administratieve aanleg bevoegd is voor het beroep tegen de bestreden beslissing, onmiddellijk na de ontvangst van het afschrift van het beroepschrift, conform artikel 56, tweede lid, van het decreet van 25 april 2014”. Artikel 75, § 2, OVB bepaalt dat de vervaltermijn voor het verlenen van advies door het college van burgemeester en schepenen ingaat op de dag na de ontvangst van de adviesvraag van het bevoegde bestuur waarbij “het VII-41.041-10/13 beroepschrift, de bestreden beslissing en de vergunningsaanvraag” ter beschikking wordt gesteld van het schepencollege.
- Het bestreden arrest oordeelt: - de “vereiste van ‘gelijktijdigheid’” in artikel 56 OVD “betekent […] dat er in principe op de dag van de beveiligde zending van het beroep aan [het Vlaamse Gewest] ook een afschrift van het beroepschrift per beveiligde zending moet worden bezorgd aan de aanvrager, de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen, en het college van burgemeester en schepenen”, - “[v]ormvereisten dienen in beginsel niet te worden vervuld omwille van zichzelf, maar omwille van het doel dat ze moeten dienen”, - de gelijktijdige kennisgevingsvereiste ten aanzien van het college van burgemeester en schepenen is niet alleen “nog steeds [...] ingegeven vanuit een zekere proceseconomische doelstelling” maar “ook [vanuit] een specifieke informatiedoelstelling”, meer bepaald “het nuttig kunnen toezien op het niet starten van de werken” gelet op het schorsend karakter van het beroep ingevolge artikel 55 OVD, - in het licht van de eerste doelstelling moet “rekening gehouden worden met het gegeven dat het college van burgemeester en schepenen in het voorliggend dossier geen in eerste aanleg vergunningverlenend bestuursorgaan is, en louter een adviserende bevoegdheid heeft” en “dat de vervaltermijn voor het indienen van het advies slechts begint te lopen nadat het bevoegde bestuur overeenkomstig artikel 75 van het Omgevingsvergunningsbesluit bij de ontvankelijk- en volledigheidsverklaring een kopie van het beroepschrift overmaakt aan het college van burgemeester en schepenen”, - in het licht van de informatiedoelstelling, en met name het tijdig informeren van het college van burgemeester en schepenen over een schorsend administratief beroep, “moet dan weer gewezen worden op het gegeven dat het college van burgemeester en schepenen, op grond van onder meer artikel 154 van het Omgevingsvergunningsbesluit reeds automatisch op de hoogte werd gebracht van het beroepschrift van [Eeckhout cons. die] bij het indienen van hun beroepschrift de tussenkomende partij op dezelfde dag een afschrift ervan [hebben] bezorgd VII-41.041-11/13 zodat deze alleszins op de hoogte was dat geen werken mochten worden uitgevoerd”, - Eeckhout cons. hebben in de administratieve beroepsprocedure “met een uitvoerig betoog voorgehouden dat de diverse normdoelstellingen bereikt zijn en dat er in hoofde van het college van burgemeester en schepenen geen belangenschade aanwezig is”, terwijl de gewestelijke omgevingsambtenaar “zich in de bestreden beslissing beperkt tot de weergave van zowel de oude als de nieuwe regelgeving en de bewering dat ‘de formulering in de VCRO, waarop de rechtspraak van de RvVb is gebaseerd minder duidelijk [was] dan de formulering in het OVD, die geen ruimte voor twijfel laat’”, hetgeen “geen afdoende weerlegging [vormt] van de uitvoerige betwisting daarover door” Eeckhout cons..
- Uit wat voorafgaat blijkt dat het bestreden arrest de wettigheid van de bestreden onontvankelijkheidsbeslissing van de gewestelijke omgevingsambtenaar onderzoekt onder gelding van artikel 56, tweede lid, OVD. Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat het bestreden arrest “het artikel 56, derde (lees: tweede) lid van het Omgevingsvergunningsecreet” schendt door “te oordelen dat de niet-gelijktijdige kennisgeving van een afschrift van het administratief beroepschrift aan het College van Burgemeester en Schepenen niet tot de onontvankelijkheid van het administratief beroepschrift diende te leiden”, mist feitelijke grondslag. Het middel, in zoverre ontvankelijk, dat aanvoert dat de RvVb “na[laat] om artikel 56, derde (lees: tweede) lid van het Omgevingsvergunningsdecreet correct toe te passen”, is niet gegrond.
- Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet schendt omdat het “ten onrechte voorwaarden toe[voegt] aan het duidelijke voorschrift van de decreetgever in artikel 56, derde (lees: tweede) lid van het Omgevingsverunningsedecreet”, mist feitelijke grondslag. VII-41.041-12/13
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.041-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.537 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div