id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.544 Rolnummer: A. 230104/XIV-38255 Zaak: Arrest 253544 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 21/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-21 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:42 Fiche Arrest nr 253.544 van 21 april 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 253.544 van 21 april 2022 in de zaak A. 230.104/XIV-38.255 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5341 BRUSSEL-ZUID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181/24 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 januari 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de lokale politiezone Brussel-Zuid van 27 november 2019 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 2 % gedurende twee maanden is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.255-1/11 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor de verzoekster en advocaat Manoël De Keukelaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Brussel-Zuid (PZ 5341). 3.2. Met het inleidend verslag van 23 januari 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoekster de zware tuchtstraf van de inhouding van de bruto maandwedde van 5 % gedurende twee maanden op te leggen. 3.3. Op 6 maart 2019 formuleert het politiecollege, optredend als de hogere tuchtoverheid, het in artikel 38sexies van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) bedoelde voorstel van zware tuchtstraf, met name de zware XIV-38.255-2/11 tuchtstraf van inhouding van de bruto maandwedde van 5 % gedurende twee maanden. Ondertekenen het voorstel van zware straf als volgt: Stéphane Roberti, in de hoedanigheid van “d.d. voorzitter van het politiecollege” en burgemeester van Vorst, Jérémie Drouart in de hoedanigheid van “d.d. burgemeester van Anderlecht” en Thierry Van Campenhout in de hoedanigheid van “d.d. burgemeester van Sint-Gillis”. Tegen dit voorstel dient verzoekster een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.4. Op 24 september 2019 adviseert de Tuchtraad in hoofdorde dat het gepast voorkomt om af te zien van de tuchtprocedure omdat 1°) het voorstel van zware straf genomen werd door een tuchtoverheid die niet aantoont daarvoor bevoegd te zijn en 2°) de taalwet geschonden werd. In ondergeschikte orde wordt onder meer geadviseerd dat de zware straf van de inhouding van wedde van 2 % gedurende twee maanden een gepaste straf is. 3.5. Op 6 november 2019 formuleert de hogere tuchtoverheid haar intentie om van het advies van de Tuchtraad af te wijken. Op 15 november 2019 dient verzoekster een aanvullend schriftelijk verweer in. 3.6. De hogere tuchtoverheid beslist op 27 november 2019 aan verzoekster de zware straf van de inhouding van de brutowedde van 2 % gedurende twee maanden op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.255-3/11 IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen 4. Verzoekster voert in het verzoekschrift de onbevoegdheid van de steller van de handeling aan, alsook de schending van artikel 23 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998), van de artikelen 20 en 38sexies van de tuchtwet en van het algemeen rechtsbeginsel van de beslotenheid van de vergadering. Verzoekster stelt vast dat bij het nemen van het voorstel van straf schepen Thierry Van Campenhout zetelde in het politiecollege, terwijl er geen enkel stuk voorligt waarin die voorafgaandelijk en schriftelijk werd aangesteld als vervangend of waarnemend burgemeester in de plaats van burgemeester-titularis Picqué. Tijdens de procedure voor de Tuchtraad bracht de hogere tuchtoverheid een schrijven voor van de burgemeester van Sint- Gillis van 7 juni 2019 waarin die bevestigd niet te hebben kunnen deelnemen aan het politiecollege van 6 maart 2019 en dat schepen Thierry Van Campenhout er de gemeente Sint-Gillis heeft vertegenwoordigd. Dat schrijven is evenwel in essentie zonder wezenlijke inhoud omdat uit de feiten blijkt dat Thierry Van Campenhout heeft gezeteld voor de gemeente Sint-Gillis en omdat een aanstelling in die zin op voorhand en schriftelijk dient te gebeuren, wat de enige manier is om een daadwerkelijke controle uit te oefenen in een materie die de openbare orde raakt. Tevens bevat die latere verklaring ook geen vermelding dat Thierry Van Campenhout op het moment zelf was aangesteld. Er blijkt enkel uit dat die heeft gehandeld in vertegenwoordiging van de gemeente Sint-Gillis. Aldus was het politiecollege ongeldig samengesteld en dus onbevoegd om te oordelen over het voorstel van straf. Aldus zijn de artikelen 23 van de wet van 7 december 1998 en 20 van de tuchtwet geschonden. Ook artikel 38sexies van de tuchtwet is geschonden aangezien niet binnen de in die bepaling voorziene termijn één van de in artikel 38sexies van de tuchtwet bepaalde beslissingen is meegedeeld. De hogere tuchtoverheid wordt aldus geacht af te hebben gezien van vervolgingen voor de feiten die aan verzoekster ten laste werden gelegd. XIV-38.255-4/11 Aangezien werd beraadslaagd met een derde die wettelijk geen deel uitmaakt van het politiecollege - Thierry Van Campenhout - is bijgevolg ook het beginsel van de beslotenheid van de vergadering geschonden. 5. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat, zoals werd aangegeven in het kader van de procedure voor de Tuchtraad en zoals is toegelicht in de bestreden beslissing, te dezen a posteriori uitdrukkelijk en schriftelijk door de burgemeester van Sint-Gillis werd bevestigd dat schepen Thierry Van Campenhout op 6 maart 2019 was aangesteld als vervanger van de burgemeester. Het enige “verwijt” dat de verwerende partij treft, is niet de onregelmatige samenstelling van de hogere tuchtoverheid maar dat er geen delegatie per voorafgaandelijke schriftelijke aanwijzingsakte werd bewezen. Artikel 66bis van de tuchtwet vereist niet dat er op straffe van nietigheid voorafgaandelijk een delegatie schriftelijk moet worden vastgelegd. Volgens de verwerende partij kan men net zo goed aannemen dat deze delegatie die - a posteriori - schriftelijk is bevestigd, wel degelijk geldig is tot bewijs van het tegendeel. Er is immers geen enkele bepaling die vereist dat een delegatie op straffe van nietigheid voorafgaandelijk schriftelijk moet worden geformaliseerd en nergens wordt die vormvereiste omschreven als een “substantiële, of op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm”. Volgens de verwerende partij kan men bezwaarlijk steunen op parlementaire werkzaamheden om het bestaan in te roepen van “substantiële, of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten”. Voorts is het ook niet ernstig om te stellen dat het schrijven van de burgemeester van de gemeente Sint-Gillis niet zou bevestigen dat deze laatste delegatie wilde verlenen. Er werd immers uitdrukkelijk aangegeven dat de burgemeester zelf niet aanwezig kon zijn op de vergadering van het politiecollege en dat schepen Thierry Van Campenhout op die dag bijgevolg de gemeente Sint- Gillis vertegenwoordigde. Het valt volgens de verwerende partij moeilijk in te zien waarom dit onvoldoende zou zijn om aan te geven dat er sprake was van een delegatie in de zin van artikel 14 van de Nieuwe Gemeentewet. XIV-38.255-5/11 Beoordeling 6. Opdat een collegiaal orgaan op geldige wijze kan beslissen, is vereist dat het op dat ogenblik op regelmatige wijze is samengesteld. Centraal staat derhalve de vraag of het politiecollege regelmatig was samengesteld op 6 maart 2019 wanneer het politiecollege het in artikel 38sexies, eerste lid, van de tuchtwet bedoelde voorstel van zware tuchtstraf, heeft genomen (zie supra, punt 3.3.). 7. Verzoekster is politieambtenaar bij de lokale politiezone Brussel Zuid (PZ 5341). Dit is een meergemeentenzone (koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van het grondgebied van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad in politiezones’). Op grond van artikel 20, 1°,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.