← België

Arrest 253563 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 26/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:

volksgezondheid) - 26/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-03 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 06:44 Fiche Arrest nr 253.563 van 26 april 2022 Sociale zaken

volksgezondheid - Varia (sociale zaken

volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK

ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 253.563 van 26 april 2022 in de zaak 236.042/XIV-38.998 In zake: 1. NV DM HOLDINGS 2. BV TLALOC II 3. BV LA SILLA 4. Leopold DE BACKER 5. Jan TOPS bijgestaan

vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge

Johan Vande Lanotte kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan tegen: NATIONALE BANK VAN BELGIË bijgestaan

vertegenwoordigd door advocaten Marc Fyon, David D’Hooghe, Sophie Brenard

Matthias De Groot kantoor houdend te 1050 BRUSSEL Loksumstraat 25 bij wie keuze van woonplaats wordt gedaan -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 7 april 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het directiecomité van de Nationale Bank van België van 29 maart 2022 “gekend onder referte TB/2022/L.204 verzonden met een mail van de heer Yves BILLIET van 15u21 (met inbegrip van de brief van 30 maart 2022 van de NBB aan de Speciaal Commissaris met referte TB/2022/L.211), tot weigering van de verwerving door Renell Werpapierhandelsbank AG van de aandelen in Merit Capital NV

tot herroeping van de vergunning van Merit Capital NV als beursvennootschap”. XIV-38.998 -1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota

een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2022, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaten Walter Van Steenbrugge

Johan Vande Lanotte, die verschijnen voor de verzoekende partijen,

advocaten Marc Fyon, Sophie Brenard

Matthias De Groot, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering 3. Ter terechtzitting bevestigen de verzoekende partijen dat de vordering

kel is gericht tegen de beslissing van de verwerende partij van 29 maart 2022 tot herroeping van de vergunning als beursvennootschap van nv Merit Capital

niet tegen de afzonderlijke beslissing van dezelfde datum waarmee de verwerende partij zich verzet tegen de voorgenomen verwerving door Renell Wertpapierhandelsbank AG (hierna: Renell) van 100% van de aandelen van de nv Merit Capital. XIV-38.998 -2/14 IV. Feiten 4.1. De nv Merit Capital is een vennootschap, actief in het privaatvermogensbeheer. Zij is erkend als beursvennootschap in de zin van artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 ‘op het statuut van

het toezicht op kredietinstellingen

beursvennootschappen’ (hierna: de wet van 25 april 2014). Nadat de verwerende partij tijdens inspecties in de loop van 2016 een aantal ernstige tekortkomingen had vastgesteld bij de nv Merit Capital, werd een overdracht van aandelen van de nv Merit Capital doorgevoerd. Dit leidde tot de volgende aandeelhoudersstructuur: - nv DM Holdings (eerste verzoekende partij, dochtervennootschap van de Duet-groep) voor 51%; - Jan Tops (vijfde verzoekende partij), voor 24,50%; - bv Tlaloc II (tweede verzoekende partij), voor 14,19%; - bv La Silla (derde verzoekende partij), voor 9,12%; - Leopold De Backer (vierde verzoekende partij), voor 0,46%. De verwerende partij keurt deze overname van aandelen op 10 juli 2018 goed, doch met een aantal voorwaarden, waaronder de overname op korte termijn van alle aandelen van de huidige verzoekende partijen in de nv Merit Capital. 4.2. Na de voormelde overname van aandelen blijken zich opnieuw een aantal onregelmatigheden voor te doen. Aldus stelt de verwerende partij op 20 oktober 2020 ernstige problemen vast die als volgt worden samengevat: “(i) het bestaan van een parallel circuit voor Duet-gerelateerde private equity-projecten

informele terugkoop-afspraken met Duet-

titeiten (o.m. met betrekking tot de ‘Ignition’-obligatie)

hieruit voorvloeiende belangenconflicten, (ii) de niet-remediëring van door de FSMA in haar inspectieverslag van 19 mei 2020 vastgestelde tekortkomingen, (iii) de gebrekkige governance

gebrekkige werking van de interne controleorganen, (iv) de precaire financiële toestand van de beursvennootschap

(v) onzekerheden rond de toekomstige samenwerking XIV-38.998 -3/14 met Merit Capital Global Investment Fund, de bevek waarvan zij het intellectueel beheer verzekert.” Er blijkt onder meer dat de Duet-groep de nv Merit Capital gebruikt voor beleggingen die de belangen van de Duet-groep dienen, maar niet die van de eigen klanten

de nv Merit Capital zelf. Hierop nemen alle door de Duet-groep benoemde bestuurders ontslag uit de raad van bestuur van de nv Merit Capital. 4.3. In een brief van 21 oktober 2020 deelt de verwerende partij de nv Merit Capital mee dat zij de volgende maatregelen overweegt: - de aanstelling van een speciaal commissaris bij toepassing van artikel 236, § 1, 1° iuncto artikel 585 van de wet van 25 april 2014

/of: - het gelasten van een overdracht bij toepassing van artikel 236, § 1, 5°/1 iuncto artikel 585 van de wet van 25 april 2014, dit middels het doorvoeren van een asset deal. Na de nv Merit Capital te hebben gehoord

kennis te hebben genomen van haar schriftelijke stellingname, beslist de verwerende partij op 17 november 2020 om de nv Merit Capital bij toepassing van artikel 236, § 1, 5°/1

§ 2

iuncto artikel 585 van de wet van 25 april 2014 te gelasten haar bedrijf over te dragen. Op vraag van de nv Merit Capital wordt in deze beslissing niet

kel een asset deal maar ook een share deal toegelaten, dit laatste echter onder de volgende voorwaarden: “Ondanks zijn twijfels over de slaagkansen ervan, wil het Directiecomité van de NBB de aandeelhouders van Merit Capital in de gelegenheid stellen om hun onderhandelingen met het oog op een share deal voort te zetten, doch op voorwaarde van (i) de parallelle (doch onmiddellijke) opstart - in uitvoering van de bij huidige beslissing in toepassing van artikel 236, § 1, 5°/1 juncto artikel 585 van de Wet van 25 april 2014 opgelegde overdracht van het bedrijf van de beursvennootschap - van de professioneel begeleide zoektocht naar een overnemer van de activa van de beursvennootschap voor het geval de sharedeal-onderhandelingen niet uitmonden in een effectieve transactie met een partij die beantwoordt aan alle in artikel 18 juncto artikel 500 van de Wet van 25 april 2014 opgenomen geschiktheidscriteria, XIV-38.998 -4/14

(ii) het onderbrengen van deze onderhandelingen in hetzelfde professioneel begeleide verkoopproces als dit waarmee een overnemer van de activa wordt gezocht (met inbegrip van het voormelde verplicht na te leven stappenplan).” De verwerende partij ziet vooralsnog onder bepaalde voorwaarden af van de aanstelling van een speciaal commissaris

de nv Merit Capital krijgt een termijn van 19 weken, hetzij tot 31 maart 2021, om de overdracht te realiseren. 4.4. Op 16 februari 2021 stelt de verwerende partij vast dat de nv Merit Capital een aantal eerder opgelegde voorwaarden nog steeds niet naleeft. Zij beslist om alsnog om met toepassing van artikel 236, § 1, 1°

§ 2

juncto artikel 585 van de wet van 25 april 2014 een speciaal commissaris aan te stellen met als opdracht te voorzien in een passende omkadering van de behoorlijke tenuitvoerlegging door nv Merit Capital van de voornoemde beslissing van 17 november

  1. 4.
  2. Op 16 mei 2021 wordt een kennisgevingsdossier ingediend betreffende een beoogde overname van alle aandelen van de nv Merit Capital door de nv Netoil. Met een beslissing van 22 juni 2021 verzet de verwerende partij zich tegen de door de nv Merit Capital voorgestelde verwerving van 100% van de aandelen door de nv Netoil. 4.
  3. Op 20 juli 2021 kent de verwerende partij aan de nv Merit Capital een verlenging toe van de termijn om de opgelegde overdracht te realiseren, namelijk tot 30 september
  4. 4.
  5. De nv Merit Capital geeft kennis aan de verwerende partij van een voorgenomen verwerving door Renell van 100% van de aandelen, doch op 7 december 2021 beslist de verwerende partij zich hiertegen te verzetten. Renell heeft tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring aangetekend, bij de Raad van State gekend onder het nummer 235.592/XIV-38.
  6. XIV-38.998 -5/14 4.
  7. In de voormelde beslissing van 7 december 2021 deelt de verwerende partij ook haar voornemen mee om een herroeping van de vergunning van de nv Merit Capital in overweging te nemen. De nv Merit Capital wordt hierover gehoord op 11 januari 2022

ze dient haar schriftelijke opmerkingen in op 17 januari

  1. 4.
  2. Op 31 januari 2022 dient de nv Merit Capital een volgend kennisgevingsdossier in waarin opnieuw een voorgenomen verwerving door Renell van 100% van de aandelen wordt voorgesteld. Op grond hiervan

op uitdrukkelijke vraag van de nv Merit Capital zet de verwerende partij de besluitvorming over de herroeping van de vergunning van de nv Merit Capital on hold. 4.10. Met een brief van 28 februari 2022 deelt de verwerende partij de nv Merit Capital mee dat ze het dossier Renell onderzoekt

dat ze dit samen met de andere aangebrachte elementen zou verwerken voor het nemen van een standpunt betreffende de in haar brief van 7 december 2021 aangekondigde maatregelen. 4.

  1. Op 29 maart 2022 verzet de verwerende partij zich opnieuw tegen de overname door Renell omdat zij deze laatste ook op basis van het nieuwe dossier kennelijk ongeschikt acht overeenkomstig artikel 48 iuncto artikel 515 van de wet van 25 april
  2. De verwerende partij stelt vast dat Renell nog steeds niet voldoet aan de vereisten van financiële soliditeit

onvoldoende het vermogen van de beursvennootschap kan verzekeren om te blijven voldoen aan de prudentiële vereisten van haar statuut. 4.12. Met een afzonderlijke beslissing van 29 maart 2022, die de thans bestreden beslissing is, beslist de verwerende partij tevens om de vergunning van de nv Merit Capital te herroepen

met name om: XIV-38.998 -6/14 “1. in toepassing van artikel 236, §1, 6°

§ 2

juncto artikel 585 van de Wet van 25 april 2014, de vergunning van Merit Capital als beursvennootschap te herroepen met ingang van 5 april 2022. Overeenkomstig artikel 7 van de Wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang van

het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer

beleggingsadvies, zal Merit Capital NV met ingang van 5 april 2022 geschrapt worden van de lijst van de ‘beursvennootschappen naar Belgisch recht’. De termijn van zes

(6)dagen tussen huidige beslissing

het effectief worden van de herroeping van de vergunning van de beursvennootschap op 5 april 2022 moet de beursvennootschap toelaten om - onder controle van de speciaal commissaris - lopende effectentransacties in het belang van de beursvennootschap, haar cliënten

tegenpartijen voorafgaandelijk aan het effectief worden van de herroeping

de hieruit voortvloeiende blokkeringen, correct

volledig af te wikkelen. 2. de bij beslissing van de Bank van 17 februari 2021 in toepassing van artikel 236, §1,1°

§2

juncto artikel 585 van de Wet van 25 april 2014 opgelegde maatregel tot aanstelling van een speciaal commissaris te handhaven, doch zijn opdracht in toepassing van artikel 236, § 1,1°

§ 2

juncto artikel 585 van de Wet van 25 april 2014 te herdefiniëren in functie van de verzekering van de ordentelijke afwikkeling van de beursvennootschap door haar raad van bestuur

leiding, in het belang van de cliënten. Zijn aldus gewijzigde opdracht is opgenomen in het als bijlage 1 opgenomen schrijven van de Bank aan de speciaal commissaris ter kennisgeving van deze opdracht. De beslissing tot handhaving van de maatregel tot aanstelling van een speciaal commissaris

tot wijziging van zijn opdracht zal op of vanaf 5 april 2022 worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Deze opdracht zal een einde nemen wanneer alle door de beursvennootschap gehouden beleggerstegoeden

financiële instrumenten van cliënten werden vereffend, of op elk eerder tijdstip dat door de Bank zou worden bepaald.” 4.

  1. Op vordering bij eenzijdig verzoekschrift van de nv Merit Capital schorst de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel met een beschikking van 31 maart 2022 “de beslissing van de Nationale Bank van België van 30 maart 2022 gekend onder referte TB/2022/L.204 verzonden met een mail van de heer Yves Billiet van 15:21 uur (met inbegrip van de brief van 30 maart 2022 van de NBB aan de Speciaal commissaris met referte TB/2022/L.211) tot de Raad van State uitspraak zal hebben gedaan over het schorsingsverzoek van Merit Capital bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de voormelde beslissing van de Nationale Bank van België, onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van 1.000.000 euro”. XIV-38.998 -7/14 V. Ontvankelijkheid van de vordering - belang
  2. In de nota met opmerkingen betwist de verwerende partij het belang van de verzoekende partijen bij de voorliggende vordering.
  3. Daargelaten de vraag of de verzoekende partijen als aandeelhouders van de nv Merit Capital beschikken over het vereiste rechtstreekse belang om een vordering in te stellen tegen een beslissing die

kel betrekking heeft op die vennootschap, bestaat er geen noodzaak om over de exceptie van niet-ontvankelijkheid uitspraak te doen. Een onderzoek van

een uitspraak over de opgeworpen exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 7. Krachtens artikel 17, §§ 1

4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden

dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid 8. De verzoekende partijen laten eerst gelden dat het uiterst dringende karakter van de zaak “voor eenieder duidelijk” is

expliciet werd erkend in de supra in punt 4.13 bedoelde beschikking van de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel van 31 maart 2022. Zij hebben met de vereiste spoed

diligentie gehandeld door binnen de vijf XIV-38.998 -8/14 werkdagen na de kennisname van de bestreden beslissing de voorliggende vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen. Een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing volgens de versnelde procedure overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 mei 2003 ‘tot regeling van de versnelde procedure in geval van beroep bij de Raad van State tegen sommige beslissingen van de Autoriteit voor Financiële Diensten

Markten

de Nationale Bank van België’ (hierna: het koninklijk besluit van 15 mei 2003) zou onherroepelijk te laat komen omdat de schade zich dan reeds op desastreuze

onherroepelijke wijze zou hebben gemanifesteerd. Met quasi onmiddellijke ingang wordt de vergunning van de nv Merit Capital als beursvennootschap immers herroepen, wordt de nv Merit Capital van de lijst van beursvennootschappen geschrapt

wordt de aanstelling van de speciaal commissaris gehandhaafd, zij het met een aanpassing van diens opdracht. Volgens de verzoekende partijen impliceert de uitvoering van de bestreden beslissing een volledige

onverwijlde stopzetting van de activiteiten van de nv Merit Capital, een restitutie aan de klanten van de nv Merit Capital

een run on the bank die onvermijdelijk het faillissement van de beursvennootschap betekent met evident een zware

onherstelbare schade voor de aandeelhouders. De verzoekende partijen stellen dat het voortbestaan van de nv Merit Capital op de helling wordt gezet door de bestreden beslissing. Doordat de nv Merit Capital haar cliënteel

zakenpartners op de hoogte moet stellen van de bestreden beslissing, zal dat cliënteel alle aan het beheer van de nv Merit Capital toevertrouwde gelden weghalen bij de beursvennootschap

wordt een significante reputatie-

imagoschade toegebracht aan de nv Merit Capital

niet in het minst aan de verzoekende partijen als haar aandeelhouders. De verzoekende partijen achten de voornoemde overwegingen van aard om de vertrouwensrelatie met het cliënteel

hun eigen reputatie binnen de beroepssector ernstig in het gedrang te brengen. Ook na een gebeurlijke latere vernietiging van de bestreden beslissing volgens de procedure van het koninklijk besluit van 15 mei 2003 zou “onvermijdelijk een zweem van onbetrouwbaarheid rond [de verzoekende partijen] blijven hangen”, gelet op “de ernst van de XIV-38.998 -9/14 aantijgingen” in de bestreden beslissing. Ook zouden de supra geschetste aanzienlijke nadelen, zoals het faillissement van de vennootschap

de ernstige reputatieschade voor de verzoekers, niet kunnen worden rechtgezet door een gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing, vermits deze laatste al een onherstelbare uitwerking zal hebben gehad. Beoordeling 9. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum

beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die

kele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke

onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze

concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de

kele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone XIV-38.998 -10/14 schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak

die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).

  1. Het valt de verzoekende partijen toe aan te tonen dat in hun geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat zij de met de bestreden beslissing bevolen herroeping van de vergunning van de nv Merit Capital als beursvennootschap onmogelijk kunnen ondergaan in afwachting van een uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die zij daardoor dreigen te ondergaan van dien aard zijn dat zij het resultaat van de procedure hierdoor niet kunnen afwachten.
  2. In de mate dat de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel met een beschikking van 31 maart 2022 het uiterst dringende karakter van de zaak zou hebben erkend, gold dit in hoofde van de nv Merit Capital

geenszins in hoofde van de verzoekende partijen als aandeelhouders. Daarenboven houdt die beschikking, genomen op eenzijdig verzoekschrift van de nv Merit Capital, geen uitspraak in over de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid in het kader van het administratief kortgeding voor de Raad van State. 12. In de mate dat de uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid betrekking heeft op de gevolgen van de uitvoering van de bestreden beslissing voor de nv Merit Capital of haar cliënteel, gaat het niet om een XIV-38.998 -11/14 persoonlijk nadeel in hoofde van de verzoekende partijen

blijkt er dan ook geen uiterst dringende noodzakelijkheid uit in hoofde van de verzoekende partijen. 13. De waardevermindering van de aandelen van de verzoekende partijen vormt een bij uitstek financieel nadeel. Dergelijk nadeel is in beginsel herstelbaar, tenzij in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld wanneer de activiteiten van een verzoeker, diens concurrentiepositie of diens voortbestaan op een ernstige wijze in gevaar worden gebracht. In dat geval dient een verzoeker concrete, op zijn situatie betrokken gegevens aan te brengen die de uiterst dringende noodzakelijkheid aantonen. Te dezen brengen de verzoekende partijen geen

kel concreet, op hun situatie betrokken gegeven aan. Zij geven niet aan, laat staan dat zij aannemelijk maken, welke de waarde van hun aandelen is voorafgaand aan de bestreden beslissing, hoe groot het geleden verlies is als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, welke plaats dit verlies inneemt in het geheel van hun vermogenstoestand, of hoe dit verlies hen in een onherroepelijke financiële toestand zou plaatsen. Dit klemt des te meer in het licht van de aan de bestreden beslissing voorafgaande beslissingen van de verwerende partij die zonder redelijke twijfel reeds een belangrijke impact hadden op de toestand van de nv Merit Capital

die definitief zijn geworden. 14. De verzoekende partijen verwijzen nog naar “significante reputatie-

imagoschade”

hun reputatie “binnen de beroepssector”, waarbij zij opmerken dat ook na een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing “een zweem van onbetrouwbaarheid” rond hen zou blijven hangen. Waar dergelijk moreel nadeel in principe met een vernietigingsarrest kan worden rechtgezet, maken de verzoekende partijen met de voormelde uiterst algemene opmerkingen niet aannemelijk dat het te dezen anders zou zijn. Zij hebben het over “aantijgingen” jegens hen in de bestreden beslissing, zonder deze concreet aan te duiden. Ten overvloede is het ook maar de vraag of XIV-38.998 -12/14 eventuele reputatieschade al niet een gevolg is van de reeds eerder door de verwerende partij ten opzichte van de nv Merit Capital genomen beslissingen. 15. Dat de verzoekende partijen met de vereiste spoed zouden hebben gehandeld bij het instellen van de huidige vordering, volstaat op zich niet om de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen

doet geen afbreuk aan het voorgaande.

  1. Het blijkt derhalve niet dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken voor de verzoekende partijen. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. VIII. Conclusie
  2. Uit wat voorafgaat volgt dat niet voldaan is aan één van de bij artikel 17, §§ 1

4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-38.998 -13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.998 -14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.563 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.295 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.837 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.