id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.566 Rolnummer: A. 232122/IX-9796 Zaak: Arrest 253566 - Varia (onderwijs en cultuur) - 26/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-05 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:44 Fiche Arrest nr 253.566 van 26 april 2022 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Vernietiging Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.566 van 26 april 2022 in de zaak A. 232.122/IX-9796 In zake:
- de VZW LECTIO
- Lindsey DIERCKXSENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Valérie De Schepper kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Vanheule kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs van 28 augustus 2020 waarbij de aanvraag van de vzw Lectio tot voorlopige erkenning en subsidiëring van een school te Genk wordt afgewezen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9796-1/37 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valérie De Schepper, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Dirk Vanheule, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De vzw Lectio wordt als vereniging zonder winstoogmerk opgericht op 4 februari
- De vereniging geeft zich als maatschappelijk doel “[h]et inrichten, besturen en bevorderen van kwalitatief, vrij onderwijs/opvoeding en dat vanuit een welbepaald en [om]schreven pedagogie die erop gericht is om kinderen voor te bereiden en in staat [te] stellen tot volwaardig functioneren en te participeren in de huidige samenleving”. Zij “wil deze doelstelling verwezenlijken door onderwijsinstellingen op te richten”. IX-9796-2/37 Lindsey Dierckxsens is medeoprichter en bestuurder van deze vzw. 3.
- Op 28 maart 2019 dient de vzw Lectio bij de verwerende partij een aanvraag in tot erkenning en subsidiëring van een school uit het secundair onderwijs, genaamd Selamcollege. De aanvraag betreft een school behorende tot het gesubsidieerd vrij onderwijs, die ‘islamitische godsdienst’ en ‘eigen cultuur en religie’ als levensbeschouwelijke vakken wil aanbieden in de structuuronderdelen 1A en 1B. 3.
- De vzw Lectio sluit op 1 juni 2019 met de vzw CMB (voluit: vzw Communauté Musulmane de Belgique) een bruikleenovereenkomst om niet voor het gebruik van gebouwen te Genk, met het oog op het oprichten van een school. 3.
- De artikelen 14 en volgende van de Codex Secundair Onderwijs (VCSO) sommen de voorwaarden op voor een voorlopige of definitieve erkenning en voor financiering of subsidiëring. Over de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden stelde artikel 15 VCSO toentertijd (met ingang van het schooljaar 2019-2020) het volgende: “§
- Een structuuronderdeel gewoon of buitengewoon secundair onderwijs wordt gefinancierd of gesubsidieerd als aan alle onderstaande voorwaarden, die betrekking hebben hetzij op het structuuronderdeel in kwestie hetzij op de vestigingsplaats van de school die het organiseert, samen is voldaan: 1° georganiseerd zijn onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur; 2° gevestigd zijn in gebouwen en lokalen die aan de voorwaarden op het gebied van hygiëne, veiligheid en bewoonbaarheid voldoen; 3° de controle door de onderwijsinspectie of, indien het gaat om opleidingen van het hoger beroepsonderwijs, een ander daarvoor door de Vlaamse Regering aangewezen orgaan mogelijk maken; 4° beschikken over voldoende didactisch materiaal en over een aangepaste schooluitrusting; 5° bepalingen naleven over de onderwijstaal en de taalkennis van het personeel; IX-9796-3/37 6° een structuur aannemen zoals vastgesteld bij decreet. Onder structuur wordt begrepen de grote indelingen binnen een onderwijsniveau en de duur van die indelingen; 7° de reglementering betreffende verlofregeling en aanwending van de schooltijd in acht nemen; 8° beantwoorden aan de op het structuuronderdeel toepasbare decretale en reglementaire bepalingen inzake erkende onderwijskwalificaties, eindtermen, ontwikkelingsdoelen, specifieke eindtermen, erkende beroepskwalificaties, curriculumdossiers, leerplannen of individuele handelingsplannen; 9° samenwerkingsafspraken maken met een centrum voor leerlingenbegeleiding en een beleid op leerlingenbegeleiding voeren; 10° beschikken over personeel waarvan de gezondheidstoestand de gezondheid van de leerlingen niet in gevaar brengt; 11° als school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen; 12° voor wat het gemeenschapsonderwijs en het gesubsidieerd officieel onderwijs betreft: […] 13° voldoen aan de reglementaire programmatie- of rationalisatienormen; 14° deelnemen aan en samenwerken binnen een lokaal overlegplatform, opgericht overeenkomstig artikel IV.2, § 2, eerste lid, van het decreet van 28 juni 2002 betreffende gelijke onderwijskansen-I. Onder samenwerken wordt verstaan de in artikel IV.4, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet vermelde gegevens leveren, en de in het kader van artikel IV.4, eerste lid, van hetzelfde decreet gemaakte afspraken naleven; Dit punt is niet van toepassing op ziekenhuisscholen. 15° wat het gemeenschapsonderwijs betreft: […] 16° wat het gesubsidieerd onderwijs betreft: geen afbreuk doen aan de besluitvormingsprocedures, vermeld in artikelen 19 tot en met 22 van het decreet van 2 april 2004 betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad. Deze voorwaarde sluit tevens in dat de directeur met betrekking tot de hem door het schoolbestuur gedelegeerde bevoegdheden die voorwerp uitmaken van advies of overleg, voldoende gemandateerd wordt om in de verhouding tot de schoolraad autonoom te kunnen optreden; 17° (...) 18° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs: […] 19° uitsluitend voor het deeltijds beroepssecundair onderwijs: […] 20° een doeltreffend beleid voert om het rookverbod, bedoeld in het decreet van 6 juni 2008 houdende het instellen van een rookverbod in onderwijsinstellingen en centra voor leerlingenbegeleiding, kenbaar te maken en te handhaven, controle uitoefent over de naleving van het verbod en overtreders sancties oplegt, conform het eigen sanctiebeleid zoals vermeld in het school-, centrum- of arbeidsreglement; 21° beantwoorden aan de decretale en reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van het onderwijs.” IX-9796-4/37 Met het oog op een voorlopige erkenning moet alvast zijn voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 15, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11°, VCSO. Een en ander wordt onderzocht door de onderwijsinspectie. 3.
- De onderwijsinspectie vraagt op 8 mei 2019 aan de Staatsveiligheid een onderzoek te voeren over de banden tussen de vzw Lectio en de Turkse Millî Görüsbeweging en de implicaties op het vlak van de eerbiediging van de rechten van de mens en van het kind. Op 21 augustus 2019 bezorgt de Staatsveiligheid haar advies, met de vermelding ‘beperkte verspreiding’. In een aanvullend e-mailbericht van 28 augustus 2019 van de Staatsveiligheid wordt dit advies nog toegelicht. Zo een ‘beperkte verspreiding’ in de zin van artikel 20 van het koninklijk besluit van 24 maart 2000 ‘tot uitvoering van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’ betekent dat de Staatsveiligheid “de verspreiding wil beperken tot de personen die bevoegd zijn om er kennis van te nemen, zonder aan deze beperking de juridische gevolgen te verbinden voorzien door de wet”. De informatie die de Staatsveiligheid aanreikt komt erop neer, aldus de verwerende partij in de memorie van antwoord, “dat de Staatsveiligheid de inschatting maakt dat de sturende kracht achter het onderwijsproject van [de vzw Lectio] een ideologie aankleeft die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en de andere grondslagen van de rechtsstaat, met de inschatting van een potentiële dreiging van de verspreiding van deze ideologie onder de leerlingen van het Selamcollege”. De onderwijsinspectie adviseert op 29 augustus 2019 aan de minister van Onderwijs om het voorgelegde initiatief geen voorlopige erkenning te verlenen omwille van het niet voldaan zijn aan de erkenningsvoorwaarde, gesteld in artikel 15, § 1, 11°, VCSO, ‘als school in het geheel van haar werking IX-9796-5/37 de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen’. Op 30 augustus 2019 beslist de minister van Onderwijs “tot de niet-subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning van het voorgelegde initiatief”. Zij verwijst naar voormeld advies van de onderwijsinspectie, waarin zij leest dat de inspectie op haar beurt verwijst naar informatie afkomstig van de Staatsveiligheid, waaruit blijkt “dat er een reële kans bestaat dat het voorliggende onderwijsinitiatief in Genk een extremistische vector wordt in het Limburgse onderwijsmilieu conform de dragende ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtstaat”. De minister valt het advies bij, met de overweging dat “immers niet [kan] worden toegestaan dat enige twijfel bestaat inzake een in de context van het opleiden van leerlingen door de decreetgever essentieel geacht gegeven als het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen op het vlak van de rechten van de mens en [het] kind”. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring, waarover heden uitspraak is gedaan in arrest nr. 253.
- 3.
- De vzw Lectio aanvaardt op 12 februari 2020 twee nieuwe leden, zij neemt akte van het ontslag van een reeks leden en zij wijzigt dienovereenkomstig haar raad van bestuur. Lindsey Dierckxsens is het enige overblijvende lid van de oorspronkelijke raad van bestuur en zij wordt er voorzitter. 3.
- Op 26 maart 2020 dient de vzw Lectio een nieuwe aanvraag in tot erkenning en subsidiëring van een school uit het secundair onderwijs, genaamd Plura C. Het betreft ditmaal de programmatie van het eerste leerjaar A en het eerste leerjaar B, het tweede leerjaar A en het tweede leerjaar B. IX-9796-6/37 Bij de aanvraag wordt een document gevoegd, ondertekend door de voorzitters van de vzw CMB en de vzw Lectio, dat de volgende afspraken tussen de twee vzw’s beschrijft: “• De vzw CMB heeft het oude Syntra-gebouw in Genk gekocht. Zij stelt dit gebouw kosteloos ter beschikking aan vzw Lectio, opdat vzw Lectio hierin een school zou kunnen oprichten. • De vzw CMB wenst te benadrukken dat zij louter het schoolgebouw ter beschikking stelt, onder de enige voorwaarde dat hierin onderwijs wordt verstrekt. Met betrekking tot de aard en de inhoud van het onderwijs, de werking van de school, de inrichtende macht van de school, stelt de vzw CMB geen enkele voorwaarde aan de terbeschikkingstelling van het gebouw. Het dagelijks bestuur van de school wordt georganiseerd door de directie, maar de wettelijke verantwoordelijkheid ligt uiteindelijk bij vzw Lectio ([die] inrichtende macht is) Docenten, hulplieden en alle partners die in de school tewerkgesteld worden, worden beslist door de directie die dit op zijn beurt doorgeeft aan vzw Lectio. De directie houdt toezicht op het educatieve team en het educatieve en administratieve aspect onder toezicht van de inrichtende macht. • De vzw CMB is geen lid van vzw Lectio. Geen enkel lid van vzw CMB is tegelijk lid van vzw Lectio. De twee vzw’s zijn aldus volstrekt onafhankelijk van elkaar. • De vzw CMB heeft dan ook geen enkele invloed op het onderwijsproject en de werking van de school die zal worden opgericht in het oude Syntra- gebouw in Genk.” 3.
- De onderwijsinspectie adviseert in een nota aan de minister op 18 augustus 2020 om geen voorlopige erkenning te verlenen. In dit advies staat het volgende te lezen: “Zoals decretaal is voorzien dient elke school die wil erkend worden te voldoen aan een aantal erkenningsvoorwaarden die bij decreet zijn vastgelegd. Omdat een aantal van deze erkenningsvoorwaarden maar voluit te beoordelen zijn eens de school in werking is, werd in de regelgeving een erkenningsprocedure in twee fasen ingebouwd. Eerst is er een voorlopige erkenning die nodig is om een school te kunnen opstarten. In deze fase kan nog geen lesmateriaal bekeken worden, ook gesprekken met leerlingen en ouders zijn nog niet mogelijk. Om een voorlopige erkenning te krijgen dient te worden voldaan aan zes erkenningsvoorwaarden. Als een school een voorlopige erkenning krijgt, kan ze minimum één jaar werken. Binnen de eerste zes maanden volgt er echter een volledige doorlichting van de inspectie die dan focust op alle IX-9796-7/37 erkenningsvoorwaarden. Pas na deze tweede inspectie, uiterlijk op 31 maart, kan een school ‘definitief erkend’ worden. Of een school al of niet wordt gesubsidieerd hangt, naast de erkenning, ook af van het aantal leerlingen dat ze op 1 oktober telt. Deze specifieke erkenningsaanvraag voor een school in Genk kan gezien worden als een vervolg van de aanvraag die vorig jaar werd gedaan door dezelfde vzw. De aanvraag werd vorig jaar door de Vlaamse Regering negatief beoordeeld en de voorlopige erkenning werd niet verleend. Deze negatieve beslissing berustte vooral op de resultaten van een aan de staatsveiligheid gevraagd onderzoek naar de indienende vzw en de mogelijke effecten op het pedagogisch project en in het bijzonder het realiseren van de 6e erkenningsvoorwaarde: ‘het in het geheel van haar werking eerbiedigen van de internationaal rechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder’. Het door de staatsveiligheid toen bezorgde rapport ‘met beperkte verspreiding’ bracht een aantal ernstige bezorgdheden aan het licht die doorslaggevend waren bij de definitieve afweging die dient te worden gemaakt voor de toekenning van de voorlopige erkenning aan de school. In deze nota worden de diverse elementen van het nieuwe dossier kort becommentarieerd. De uitgeschreven teksten i.v.m. het erkenningsonderzoek vindt u als bijlage.
- Het ontwerp adviesrapport voor voorlopige erkenning van de Onderwijsinspectie Op 23 juni 2020 voerde de onderwijsinspectie een erkenningsonderzoek uit op de locatie waar de school Plura C wenst op te starten. Drie onderwijsinspecteurs hebben er gesproken met bestuurders en de persoon die als directeur zou worden aangesteld. Ze onderzochten puntsgewijs de zes erkenningsvoorwaarden die voor een voorlopige erkenning moeten zijn voldaan. Aan de eerste vijf erkenningsvoorwaarden (georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur, gevestigd zijn in gebouwen die voldoen aan de voorwaarden, controle van de inspectie mogelijk maken, een bij decreet vastgelegd[e] structuur aannemen en het hebben van een samenwerkingsovereenkomst met een clb) werd onmiddellijk voldaan. Voor de zesde erkenningsvoorwaarde vond het inspectieteam, op basis van de gesprekken en de door het bestuur ter beschikking gestelde documenten, waaronder het schoolreglement, geen indicaties dat hier niet zou worden aan voldaan. De conclusie van het door het inspectieteam gevoerde onderzoek op locatie voor de voorlopige erkenning concludeert daarom ook met een ‘voldoet aan de voorwaarden inzake voorlopige erkenning’.
- Onderzoek van de Staatsveiligheid in 2019 en 2020 Het onderzoek dat de staatsveiligheid voerde naar het Selam college in Genk in 2019 bracht extra en nieuwe informatie in het dossier waar de onderwijsinspectie, met haar door de regelgeving opgelegde erkenningsonderzoek, niet de vinger kon op leggen. Deze nieuwe IX-9796-8/37 informatie gaf aan dat er een reële kans bestaat dat dit onderwijsinitiatief in Genk een extremistische vector wordt in het Limburgse onderwijsmilieu conform de dragende ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtstaat. Voor dit nieuwe erkenningsdossier werd opnieuw de vraag gesteld aan de Staatsveiligheid om een advies uit te brengen. De Staatsveiligheid bezorgde echter dit jaar geen bijkomende informatie op papier die aan het dossier kan worden toegevoegd. Daarom werd voor dit nieuwe erkenningsdossier onderzocht of de informatie van het onderzoek Staatsveiligheid van vorig jaar ook geldig is op dit dossier.
- Verband tussen beide aanvragen De aanvraag voor de oprichting van het Selam College in 2019 en de aanvraag voor Plura C in 2020 gebeurt door dezelfde vzw, namelijk vzw Lectio. De samenstelling van de vzw Lectio onderging een grondige aanpassing, de statuten bleven dezelfde. Bij de aanvraag voor erkenning van 2020 zat een door de voorzitters van de vzw CMB (eigenaar van het schoolgebouw) en vzw Lectio (school- bestuur) ondertekend document dat de strikte scheiding tussen beide vzw’s beschrijft. Er wordt afgesproken dat de leden van de vzw CMB geen invloed hebben op het schoolproject en de werking van de school. Er zijn dus wel degelijk een aantal verschillen aan te duiden tussen de aanvraag vorig jaar voor het Selam College en de aanvraag voor Plura C dit jaar. Er moet echter een afweging worden gemaakt of de veranderingen/wijzigingen in het dossier van die orde zijn dat de bezorgdheden die vorig jaar werden geuit, niet meer van toepassing zijn. De veranderingen in het dossier zijn duidelijk, maar brengen, volgens onze inschatting, geen fundamentele wijzigingen aan ten aanzien van de elementen die vorig jaar doorslaggevend waren. Daarom durf ik te stellen dat het huidige dossier weinig nieuwe elementen binnen brengt die aan de bezwaren van vorig jaar tegemoet komen en dat daarom dezelfde bezorgdheden overeind blijven.
- Conclusie De onderwijsinspectie bezorgt, via de leidend ambtenaar van Agodi, aan de Vlaamse Regering het volledige dossier in verband met het erkenningsonderzoek dat zij heeft gevoerd en dat uit twee delen bestaat: vooreerst het verslag van het ‘op locatie uitgevoerde erkenningsonderzoek’, daarnaast het definitief adviesrapport dat ook met hogervermelde aspecten rekening houdt. Alle elementen samen laten concluderen dat een sterke terughoudendheid op zijn plaats blijft bij het toekennen van een voorlopige erkenning. Daarom komt de onderwijsinspectie opnieuw tot de eindconclusie dat ze gezien bepaalde elementen uit het dossier aangeven dat er een reële dreiging van het onderwijsinitiatief uit gaat, onvoldoende garanties heeft dat aan de zesde erkenningsvoorwaarde, m.n. dat ‘de school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke IX-9796-9/37 beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen’ wordt voldaan. Daarom formuleert ze een samenvattend advies van geen voorlopige erkenning. Het blijft voor de onderwijsinspectie een zeer moeilijk punt dat er voor de beoordeling van de zesde erkenningsvoorwaarde geen juridische vertaling of ingang is gemaakt. Dit zorgt er voor dat de operationalisering zeer moeilijk is. Het is wenselijk dat er een procedure wordt opgestart die deze lacune opheft. Om die reden dringt de onderwijsinspectie er tot slot op aan dat de Minister de inschatting voor voorlopige erkenning met zorg heroverweegt en daarbij rekening houdt met de hogervermelde moeilijkheden.” 3.
- Het agentschap voor Onderwijsdiensten (Agodi) bezorgt op 26 augustus 2020 een nota aan de minister met het voorstel te besluiten tot “niet- subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning”. Het voorstel van beslissing luidt: “Agodi stelt voor om Plura C niet voorlopig te erkennen om de volgende redenen. Voor een toekenning van subsidiëring met inbegrip van een voorlopige erkenning is vereist dat het betrokken structuuronderdeel voldoet aan de voorwaarden gesteld in art. 15, § 1, 1°, 2°, 3°, 6°, 9° en 11° Codex secundair onderwijs. Overeenkomstig § 2, lid 2 van datzelfde artikel, samen te lezen met artikel 35 van het decreet betreffende de kwaliteit van onderwijs van 8 mei 2009 wordt het vervuld zijn van de voorwaarden voor een voorlopige erkenning nagegaan in het kader van een onderzoek door de Onderwijsinspectie. Dat onderzoek resulteert in een rapport met een advies op basis waarvan een beslissing over de aanvraag wordt genomen. In het voorliggende dossier werd een advies van de Onderwijsinspectie ontvangen op 20 augustus
- De Onderwijsinspectie adviseert om het voorgelegde initiatief geen voorlopige erkenning te verlenen omwille van het niet voldaan zijn aan de erkenningsvoorwaarde gesteld in art. 15, § 1, 11° Codex secundair onderwijs, die erin bestaat dat de school ‘in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder (moet) eerbiedigen’. De Onderwijsinspectie is in dat verband van oordeel dat het huidige aanvraagdossier onvoldoende elementen bevat waarmee wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren die haar ertoe brachten de aanvraag tot erkenning en subsidiëring van een nieuwe secundaire school die vzw Lectio in 2019 had ingediend, negatief te adviseren. Daarmee verwijst zij naar de informatie die zij in het kader van haar onderzoek van die IX-9796-10/37 aanvraag had ontvangen van de Staatsveiligheid, waaruit gebleken was dat er een reële kans bestond dat het voorgelegde onderwijsinitiatief in Genk een extremistische vector zou worden in het Limburgse onderwijsmilieu conform de dragende ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtsstaat. De Onderwijsinspectie meent dat de nieuwe gegevens in het huidige dossier ten aanzien van de aanvraag van 2019 – de wijziging van de samenstelling van de raad van bestuur van vzw Lectio en de opmaak van een document met afspraken tussen vzw Lectio en vzw CMB (eigenaar van de schoolgebouwen) waaruit zou moeten blijken dat de vzw CMB geen enkele invloed heeft op het onderwijsproject en de werking van de op te richten school – niet van die aard zijn dat ze de in 2019 geuite bezorgdheden wegnemen en besluit dan ook onvoldoende garanties te hebben dat wordt voldaan aan de erkenningsvoorwaarde vervat in 15, § 1, 11° Codex secundair onderwijs. Het advies van de Onderwijsinspectie kan worden bijgetreden, gelet op de band die uit het aanvraagdossier blijkt te blijven bestaan tussen het voorgelegde onderwijsinitiatief en de vzw CMB, die met het oog op de oprichting van de school kosteloos gebouwen ter beschikking stelt van vzw Lectio. Eerder is in het kader van de hangende procedure voor de Raad van State inzake de in 2019 afgewezen erkenningsaanvraag van de vzw Lectio, door de Vlaamse Gemeenschap gewezen op de verbondenheid van vzw CMB, via de aanwezigheid van de Europäische Moscheebau- und Unterstützungsgemeinschaft (EMUG) in haar raad van bestuur, met de Millî Görüs-beweging. Daarbij werden bevindingen van de Duitse veiligheidsdiensten aangehaald die erop wijzen dat Millî Görüs een religieus-islamitische orde voorstaat die niet verenigbaar is met de basisprincipes van de vrije democratische orde, die zij tracht te vestigen door middel van politieke en maatschappelijke beïnvloeding, in welk verband opleiding een belangrijke rol speelt in haar activiteiten (zie memorie van antwoord ingediend voor de Vlaamse Gemeenschap op 26 januari 2020 in dossier G/A. 229.445/IX-9641 inzake vzw Lectio e.a. t. Vlaamse Gemeenschap, p.3-6). Dat in het voorliggende aanvraagdossier een document is opgenomen waarin vzw Lectio en vzw CMB stellen overeen te komen volledig onafhankelijk van elkaar te zullen opereren en vzw CMB geen enkele invloed zal uitoefenen op het onderwijsproject en de werking van de school, neemt niet weg dat het gegeven van de geheel kosteloze terbeschikkingstelling van gebouwen waarvoor door vzw CMB in 2019 een aanzienlijke financiële investering werd gedaan, onder de voorwaarde dat hierin onderwijs wordt verstrekt, de effectieve onafhankelijkheid van vzw Lectio tegenspreekt. Samen genomen met de hoger vermelde vaststellingen door de Duitse veiligheidsdiensten omtrent de door Millî Görüs gehanteerde strategie – en het belang daarin van opleiding – met het oog op de vestiging van de religieus-islamitische orde die zij voorstaat, blijft daarmee een ernstig en reëel risico bestaan dat de op te richten school in haar werking zal worden beïnvloed door de vzw CMB IX-9796-11/37 en een ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtsstaat. De gedeeltelijke wijziging van de samenstelling van de raad van bestuur van vzw Lectio leidt evenmin tot een ander oordeel. Met de Onderwijsinspectie dient op grond van bovenstaande elementen dan ook te worden vastgesteld dat met de gegevens van het huidige aanvraagdossier de bevindingen van de Staatsveiligheid gedaan naar aanleiding van de erkenningsaanvraag uit 2019 dat een reële dreiging van het onderwijsinitiatief uitgaat, niet worden ontkracht en dat daarmee de bezwaren die geleid hebben tot de afwijzing van die aanvraag blijven gelden. Deze vaststelling laat geen ander besluit toe dan dat daarmee de realisatie van de erkenningsvoorwaarde dat een school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder dient te eerbiedigen, op dit moment niet voldoende wordt gegarandeerd. Er kan immers niet worden toegestaan dat enige twijfel bestaat inzake een in de context van het opleiden van leerlingen door de decreetgever essentieel geacht gegeven als het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen op het vlak van de rechten van de mens en [het] kind. De Onderwijsinspectie concludeert dan ook terecht dat aan de voorwaarde vervat in 15, § 1, 11° Codex secundair onderwijs niet is voldaan. Er wordt dan ook overeenkomstig art. 15, § 2, lid 2 besloten tot de niet- subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning van het voorgelegde initiatief.” 3.
- De minister van Onderwijs beslist op 28 augustus 2020 tot niet- subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning: “De Onderwijsinspectie adviseert om het voorgelegde initiatief geen voorlopige erkenning te verlenen omwille van het niet voldaan zijn aan de erkenningsvoorwaarde gesteld in art. 15, § 1, 11° Codex secundair onderwijs, die erin bestaat dat de school ‘in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder (moet) eerbiedigen’. De Onderwijsinspectie is in dat verband van oordeel dat het huidige aanvraagdossier onvoldoende elementen bevat waarmee wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren die haar ertoe brachten de aanvraag tot erkenning en subsidiëring van een nieuwe secundaire school die vzw Lectio in 2019 had ingediend, negatief te adviseren. Daarmee verwijst zij naar de informatie die zij in het kader van haar onderzoek van die aanvraag had ontvangen van de Staatsveiligheid, waaruit gebleken was dat er een reële kans bestond dat het voorgelegde onderwijsinitiatief in Genk een extremistische vector zou worden in het Limburgse onderwijsmilieu conform de dragende ideologie die ingaat tegen de IX-9796-12/37 beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtsstaat. De Onderwijsinspectie meent dat de nieuwe gegevens in het huidige dossier ten aanzien van de aanvraag in 2019 – de wijziging van de samenstelling van de raad van bestuur van vzw Lectio en de opmaak van een document met afspraken tussen vzw Lectio en vzw CMB (eigenaar van de schoolgebouwen) waaruit zou moeten blijken dat de vzw CMB geen enkele invloed heeft op het onderwijsproject en de werking van de op te richten school – niet van die aard zijn dat ze de in 2019 geuite bezorgdheden wegnemen en besluit dan ook onvoldoende garanties te hebben dat wordt voldaan aan de erkenningsvoorwaarde vervat in 15, § 1, 11° Codex secundair onderwijs. Het advies van de Onderwijsinspectie kan worden bijgetreden, gelet op de band die uit het aanvraagdossier blijkt te blijven bestaan tussen het voorgelegde onderwijsinitiatief en de vzw CMB, die met het oog op de oprichting van de school kosteloos gebouwen ter beschikking stelt van vzw Lectio. Eerder is in het kader van de hangende procedure voor de Raad van State inzake de in 2019 afgewezen erkenningsaanvraag van de vzw Lectio, door de Vlaamse Gemeenschap gewezen op de verbondenheid van vzw CMB, via de aanwezigheid van de Europäische Moscheebau- und Unterstutzungsgemeinschaft (EMUG) in haar raad van bestuur, met de Millî Gorus-beweging. Daarbij werden bevindingen van de Duitse veiligheidsdiensten aangehaald die erop wijzen dat Millî Gorus een religieus-islamitische orde voorstaat die niet verenigbaar is met de basisprincipes van de vrije democratische orde, die zij tracht te vestigen door middel van politieke en maatschappelijke beïnvloeding, in welk verband opleiding een belangrijke rol speelt in haar activiteiten (zie memorie van antwoord ingediend voor de Vlaamse Gemeenschap op 26 januari 2020 in dossier G/A 229 445/IX-9641 inzake vzw Lectio e.a. t. Vlaamse Gemeenschap, p. 3-6) Dat in het voorliggende aanvraagdossier een document is opgenomen waarin vzw Lectio en vzw CMB stellen overeen te komen volledig onafhankelijk van elkaar te zullen opereren en vzw CMB geen enkele invloed zal uitoefenen op het onderwijsproject en de werking van de school, neemt niet weg dat het gegeven van de geheel kosteloze terbeschikkingstelling van gebouwen waarvoor door vzw CMB in 2019 een aanzienlijke financiële investering werd gedaan, onder de voorwaarde dat hierin onderwijs wordt verstrekt, de effectieve onafhankelijkheid van vzw Lectio tegenspreekt. Samen genomen met de hoger vermelde vaststellingen door de Duitse veiligheidsdiensten omtrent de door Millî Gorus gehanteerde strategie – en het belang daarin van opleiding – met het oog op de vestiging van de religieus-islamitische orde die zij voorstaat, blijft daarmee een ernstig en reëel risico bestaan dat de op te richten school in haar werking zal worden beïnvloed door de vzw CMB en een ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtsstaat. De gedeeltelijke wijziging van de samenstelling van de raad van bestuur van vzw Lectio leidt evenmin tot een ander oordeel. IX-9796-13/37 Met de Onderwijsinspectie dient op grond van bovenstaande elementen dan ook te worden vastgesteld dat met de gegevens van het huidige aanvraagdossier de bevindingen van de Staatsveiligheid gedaan naar aanleiding van de erkenningsaanvraag uit 2019 dat een reële dreiging van het onderwijsinitiatief uitgaat, niet worden ontkracht en dat daarmee de bezwaren die geleid hebben tot de afwijzing van die aanvraag blijven gelden. Deze vaststelling laat geen ander besluit toe dan dat daarmee de realisatie van de erkenningsvoorwaarde dat een school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder dient te eerbiedigen, op dit moment niet voldoende wordt gegarandeerd. Er kan immers niet worden toegestaan dat enige twijfel bestaat inzake een in de context van het opleiden van leerlingen door de decreetgever essentieel geacht gegeven als het waarborgen van de eerbiediging van de beginselen op het vlak van de rechten van de mens en [het] kind. De Onderwijsinspectie concludeert dan ook terecht dat aan de voorwaarde vervat in 15, § 1, 11° Codex secundair onderwijs niet is voldaan. Er wordt dan ook overeenkomstig art. 15, § 2, lid 2 besloten tot de niet- subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning van het voorgelegde initiatief.” Dat is de bestreden beslissing. De voormelde nota van Agodi wordt bij de kennisgeving ervan aan de vzw Lectio bezorgd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Gebrek aan hoedanigheid van tweede verzoekster Exceptie 4.
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat Lindsey Dierckxsens “geen rechtstreeks persoonlijk belang” heeft, “daar zij niet de aanvraagster van de erkenning is”. 4.
- Ambtshalve rijst de vraag of Lindsey Dierckxsens hoedanigheid heeft om huidig beroep in te stellen. De exceptie wordt zo nodig in die zin geherformuleerd. Ze is uit die invalshoek ook uitdrukkelijk aan Lindsey IX-9796-14/37 Dierckxsens tegengeworpen vóór de terechtzitting, zodat zij haar standpunt hierover kon verduidelijken voor de sluiting van het debat.
- Hierover ondervraagd, laat Lindsey Dierckxsens op de terechtzitting gelden dat het opzet van haar vordering ruimer is dan het voordeel dat aan de aanvrager geweigerd is. Zij bestempelt zichzelf als de “dragende kracht” achter het initiatief. Zij heeft emotioneel zwaar geïnvesteerd in het project. Journalisten contacteren haar constant, zij is haar tewerkstelling kwijtgeraakt en ziet haar reputatie op het spel gezet. IX-9796-15/37 Beoordeling
- Een verzoekende partij dient te beschikken over de vereiste hoedanigheid om een beroep tot nietigverklaring in te stellen.
- De rechtsvordering waarvan het specifieke opzet erin bestaat een geweigerd voordeel alsnog te verkrijgen, kan alleen worden ingesteld door wie om dat voordeel heeft gevraagd. Alleen aan die persoon kan immers dat voordeel worden verleend.
- De aanvraag tot erkenning gaat uit van de vzw Lectio. Lindsey Dierckxsens is niet de aanvrager, noch de geadresseerde van de bestreden beslissing. Zij kan derhalve in eigen naam geen vordering instellen die erop gericht is een aanspraak die haar niet toebehoort, alsnog gerealiseerd te zien worden. Zij beschikt niet over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen.
- Het zou eventueel anders kunnen zijn, indien Lindsey Dierckxsens als bestuurder van de vzw zich zou beroepen op een functioneel belang, wat haar de hoedanigheid zou geven om voor de vrijwaring van dat belang op te komen. Zij beweert evenwel niet op een dergelijk belang en hoedanigheid te steunen én een daarmee verband houdend middel aan te voeren.
- Het beroep is niet ontvankelijk in hoofde van Lindsey Dierckxsens.
- De omstandigheid dat Lindsey Dierckxsens als bestuurder en voorzitter van de vereniging en toekomstig directeur van de school onbetwistbaar een belang heeft om de bestreden beslissing uit de rechtsorde te zien verdwijnen, leidt niet tot een andere conclusie. De vereiste van het belang dient te worden onderscheiden van de vereiste van hoedanigheid. IX-9796-16/37 Dat belang kan wel volstaan om in de zaak tussen te komen. Het volstaat immers dat wie wil tussenkomen in een geding voor de Raad van State belang heeft bij de oplossing van de zaak. Lindsey Dierckxsens is hierop gewezen en zij heeft gevraagd, ondergeschikt, om in het geding tussen te komen. Met die tussenkomst kan worden ingestemd. Aangezien Lindsey Dierckxsens in elke stap van de procedure is opgetreden aan de zijde van de vzw Lectio en haar standpunt ermee samenvalt, kan haar tussenkomst de procedure niet vertragen. Het standpunt van de vzw Lectio is telkens ook het standpunt van, voortaan, de tussenkomende partij Lindsey Dierckxsens.
- Hierna wordt de vzw Lectio ‘verzoekster’ genoemd. B. Weigering tot subsidiëring Exceptie
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat het beroep “onontvankelijk [is] in zoverre het gericht is tegen de beslissing tot niet-subsidiëring, omdat niet wordt aangetoond dat het onderwijsinitiatief het door de programmatienorm vooropgestelde minimum aantal leerlingen zou tellen”. Voor Plura C dat een eerste graad wil aanbieden met islamonderricht en cultuurbeschouwing ligt de norm op 141 regelmatig ingeschreven leerlingen. In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat die voorwaarde weliswaar niet geldt voor de erkenning, maar des te meer voor de subsidiëring. Zij verwijst naar artikel 15, § 1, 13°, VCSO.
- Verzoekster betoogt dat er voor haar geen enkele noodzaak bestond om voorafgaandelijk aan 1 oktober 2020 aan te tonen hoeveel leerlingen IX-9796-17/37 zich zouden hebben aangemeld, aangezien de norm om in aanmerking te komen voor subsidiëring bereikt moet worden op 1 oktober
- Beoordeling
- “Voor de scholen die worden opgericht of voor het eerst in de financiering of subsidiëring worden opgenomen of die in opbouw zijn, is de teldatum vastgesteld op 1 oktober van het schooljaar van oprichting of opname in de financiering of subsidiëring of opbouw”, aldus artikel 171, eerste lid, VCSO.
- Verzoekster kan dan ook hierin worden bijgevallen, dat de verwerende partij 1 oktober 2020 zou hanteren als teldatum voor de te bereiken norm van regelmatig ingeschreven leerlingen. De verwerende partij erkent dit ook in haar laatste memorie, maar zij volhardt dat verzoekster “slechts een belang [heeft] bij het beroep tegen de weigering van subsidiëring in zoverre zij [kan] aantonen dat dit aantal leerlingen regelmatig zou zijn ingeschreven in Plura C op 1 oktober 2020”.
- De verwerende partij heeft op 28 augustus 2020 beslist “tot de niet-subsidiëring met inbegrip van geen voorlopige erkenning”, omdat verzoekster niet voldoet aan één van de erkenningsvoorwaarden. Wie niet wordt erkend, wordt ipso facto niet gesubsidieerd. Aan een onderzoek van de subsidiëringsvoorwaarden is de minister in de bestreden beslissing met andere woorden niet toegekomen. Wat meer bepaald de vraag betreft of verzoekster op 1 oktober 2020 de programmatienorm behaalt om ook voor subsidiëring in aanmerking te komen, kón de minister zich daarover op 28 augustus 2020 uiteraard zelfs niet uitspreken. Bij een eventuele nietigverklaring valt het éérst aan het bestuur toe om zich met eerbiediging van het gezag van gewijsde van dit arrest opnieuw over de aanvraag uit te spreken. Pas daarna mag de Raad van State, desgevraagd, IX-9796-18/37 oordelen of de motieven van die nieuwe beslissing in feite en in rechte aannemelijk zijn. Bovendien zal verzoekster pas dan zelfs maar kunnen starten met inschrijvingen en proberen om tegen 1 oktober van dát schooljaar de programmatienorm te behalen. Het is mogelijk dat verzoekster niet tijdig voldoet aan de norm van 141 regelmatige leerlingen om voor subsidiëring in aanmerking te komen en dat zij voor het eerste schooljaar in het beste geval enkel op een erkenning zonder subsidiëring zou kunnen rekenen. Dat is thans evenwel speculatief. Verzoekster heeft dan ook belang bij een nieuwe beoordeling van haar gehele aanvraag, zowel voor erkenning als voor subsidiëring.
- De exceptie wordt verworpen. C. Belang Exceptie
- In haar laatste memorie betwist de verwerende partij het belang van verzoekster omdat het schooljaar 2020-2021 ondertussen is verstreken en verzoekster heeft nagelaten een nieuwe aanvraag in te dienen. Beoordeling
- Nergens blijkt dat verzoekster slechts één schooljaar erkend en gesubsidieerd wil worden. Integendeel, haar aanvraag is ingediend voor erkenning en subsidiëring “vanaf” het schooljaar 2020-
- Na een eventuele nietigverklaring staat de verwerende partij weer voor de verplichting om zich over de aanvraag uit te spreken. Van verzoekster mag niet worden verlangd om telkenjare een nieuwe aanvraag te doen, om haar belang bij huidig beroep te behouden. Gelet op het IX-9796-19/37 weigeringsmotief mag dat van haar des te minder worden geëist. Dat het tijdsverloop en eventuele “inhoudelijke ontwikkelingen” mogelijk reden zijn om de aanvraag te actualiseren of een nieuw inspectieverslag op te stellen, doet niet anders besluiten.
- De exceptie mist feitelijke grond. V. Onderzoek van het eerste en het vierde middel A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 15, § 2, tweede lid, VCSO, artikel 35 van het decreet van 8 mei 2009 ‘betreffende de kwaliteit van onderwijs’ en het besluit van de Vlaamse regering van 25 juli 2014 ‘tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse Regering’. Volgens verzoekster is de Vlaamse regering, niet de Vlaamse minister van Onderwijs, bevoegd om de bestreden beslissing te nemen. De bestreden beslissing is genomen door een daartoe onbevoegde overheid, “daar er geen sprake is van een uitdrukkelijk toegestane delegatie”. Beoordeling
- Verzoekster mocht in het auditoraatsverslag het volgende lezen: “De verdeling van de bevoegdheden in de schoot van de Vlaamse regering is uitsluitend een zaak van die regering. Het enkele feit dat grondrechten kunnen betrokken zijn, doet daar niet anders over oordelen. IX-9796-20/37 Wat de regeerperiode betreft die te dezen aan de orde is, worden de vermelde delegaties geregeld door het delegatiebesluit van 25 juli
- Naar luid van artikel 5, eerste lid, ervan ‘(oefent) (e)lk lid van de Vlaamse regering (…) de in dit hoofdstuk gedelegeerde beslissingsbevoegdheden uit in de aangelegenheden die hem of haar zijn toegewezen’. Artikel 6, eerste lid, 1°, van het besluit van 25 juli 2014 verleent delegatie aan de leden van de Vlaamse regering voor ‘het nemen van beslissingen voor de toepassing van de verdragen, EG-verordeningen, samenwerkingsakkoorden, wetten, decreten, verordeningen, koninklijke besluiten, besluiten van de Vlaamse Regering en ministeriële besluiten’. Een Vlaamse minister is bijgevolg bevoegd om beslissingen te nemen voor de toepassing van onder meer de decreten en besluiten van de Vlaamse regering, wanneer het gaat om een aangelegenheid die volgens het eerste hoofdstuk van het delegatiebesluit tot zijn of haar bevoegdheid behoort. Dat dit gaat over een algemene delegatiebevoegdheid, blijkt uit artikel 7 van het delegatiebesluit waarin op uitdrukkelijke wijze de beslissingen worden vermeld die buiten deze bevoegdheid vallen. In casu kon de minister van Onderwijs bijgevolg de beslissing omtrent de erkenning van het onderwijsinitiatief in toepassing van de VCSO nemen. Het eerste middel is ongegrond.”
- Verzoekster schrijft in haar laatste memorie “nota” te nemen van de redenering van het auditoraat. Verre van die redenering vervolgens nog te weerspreken, schrijft zij slechts: “Uw Raad zal hierover oordelen.”
- De Raad van State oordeelt dat de zienswijze van het auditoraat bijval moet krijgen. Om de aangehaalde redenen is het middel ongegrond. B. Vierde middel Standpunt van de partijen
- Het vierde middel luidt “schending van de materiële en formele motiveringsplicht en van procedurele rechten”. Volgens verzoekster is het advies van de Staatsveiligheid waarop de bestreden weigering steunt “geen afdoende motivering” en heeft zij IX-9796-21/37 het recht “om alle gegevens te kennen waarop de bestreden beslissing gebaseerd is”. De bestreden beslissing is niet met concrete gegevens of bevindingen onderbouwd. Ze bevat louter een uiteenzetting over Millî Görüs. Er kan op geen enkele manier worden nagegaan of de bestreden weigeringsbeslissing gedragen wordt door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn. Ondergeschikt betoogt verzoekster dat de redenering van de verwerende partij – die verzoekster samenvat als volgt: Millî Görüs staat een religieus-islamitische orde voor die niet verenigbaar is met een vrije democratische orde; de vzw CMB kan gelinkt worden aan Millî Görüs; de vzw Lectio is afhankelijk van de vzw CMB – inhoudelijk niet correct is en op geen enkele rechtmatige manier kan leiden tot de vaststelling dat de eerbiediging van de mensenrechten in Plura C niet gewaarborgd wordt. Over de zogeheten afhankelijkheid tussen de vzw Lectio en de vzw CMB stelt verzoekster dat er geen enkele invloed is van de vzw CMB op het pedagogisch project van Plura C en dat er geen enkele verwevenheid bestaat. Zij wijst erop dat de verwerende partij met de eerste weigeringsbeslissing nog pretendeerde dat de vzw CMB de “sturende kracht” achter het onderwijsproject zou zijn, terwijl het in de thans bestreden beslissing gaat over de vermeende afhankelijkheid. Zij onderstreept dat er geen sprake is van enige invloed van de vzw CMB op het schoolbeleid. De kosteloze terbeschikkingstelling van het gebouw toont het tegendeel niet aan. Alleen al door het gebrek aan afhankelijkheid tussen de twee verenigingen klopt de redenering van de verwerende partij niet en is er geen grond om de voorlopige erkenning te weigeren. De link tussen de vzw CMB via EMUG e.V. met Millî Görüs noemt verzoekster “zeer vergezocht”. EMUG e.V. ontplooit vastgoedactiviteiten IX-9796-22/37 van Millî Görüs, is verantwoordelijk voor de economische en financiële aangelegenheden en houdt zich niet bezig met de inhoudelijke invulling van de opdrachten van en de activiteiten georganiseerd door de islamitische inrichtingen die zij bouwt of waarvan zij de bouw ondersteunt. Bovendien bestaat er tussen de vzw CMB en EMUG e.V. een zeer beperkte band, daar EMUG e.V. slechts één van de zes bestuurders is in de vzw CMB. De vzw CMB bestaat en stelt handelingen los van EMUG e.V. Laatstgenoemde kan enkel via haar vertegenwoordiger een zekere invloed uitoefenen en dit wordt sterk beperkt door de wijze waarop de raad van bestuur is samengesteld evenals door de statutaire regels van beraadslagen en beslissen. Een dergelijk verband kan niet volstaan om aan te nemen dat de vzw CMB en EMUG e.V. in werkelijkheid zouden samenvallen of dat de vzw CMB dezelfde doelstellingen als EMUG e.V. zou nastreven. Dergelijke aanname miskent volledig de realiteit van de onderscheiden rechtspersoonlijkheid en doelstellingen van de twee verenigingen. Verzoekster wijst erop dat de vzw CMB van de betrokken overheid met een positief advies van de Staatsveiligheid de toelating heeft gekregen om op 22 januari 2019 het betrokken schoolgebouw te kopen. Over het vermeend extremistisch karakter van Millî Görüs spreekt verzoekster tegen dat deze beweging een religieus-islamitische orde voorstaat die niet verenigbaar is met een vrije democratische orde. Daarnaast merkt verzoekster op dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar de informatie die voortvloeit uit het advies van de Staatsveiligheid haar belet de concrete redenen te achterhalen die de overheid tot de beslissing hebben gebracht. In tegenstelling tot in de eerste weigeringsbeslissing, heeft de verwerende partij in de tweede weigeringsbeslissing wel het aspect van de vzw CMB in beperkte mate ontwikkeld. Daarenboven wordt de vzw CMB bij de eerste beslissing beschouwd als de “sturende kracht” en nu blijkt plots dat het zou gaan om de loutere terbeschikkingstelling van het schoolgebouw. IX-9796-23/37 Verzoekster weet nog steeds niet óf de verwerende partij andere feiten in aanmerking heeft genomen en waaróm zij die feiten in aanmerking heeft genomen. Verzoekster betoogt dat haar procedurele rechten worden geschonden door de geheimhouding van de betrokken documenten. Zo zou er sprake zijn van een “sturende kracht” achter het onderwijsproject die een ideologie zou aankleven die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten. Zij vraagt zich af of dit de eigenaar van het gebouw betreft en merkt op niet de mogelijkheid te hebben om op effectieve wijze de beweringen te weerleggen en aan te tonen dat haar ideologische ingesteldheid wel de nodige waarborgen biedt. Verzoekster onderstreept dat zij sterk gelooft in haar uniek pedagogisch project. Zij heeft zonder kennis te hebben van de concrete informatie en dus belast met onwetendheid een poging ondernomen om tegemoet te komen aan wat zij meende dat de bezwaren konden zijn van de verwerende partij en dus een tweede aanvraag tot erkenning met drie wijzigingen ingediend. 27.
- De verwerende partij werpt in hoofdorde op dat het vierde middel gericht is tegen de beslissing tot niet-erkenning en niet-subsidiëring die de minister van Onderwijs op 30 augustus 2019 heeft genomen voor het Selamcollege en de vraag betreft of de verwijzing naar het advies van de Staatsveiligheid volstaat als motivering. Zij is dan ook van oordeel dat verzoekster in de huidige zaak niet opnieuw de kritiek kan herhalen op die beslissing van 30 augustus
- Behoudens vernietiging van die beslissing, wordt ze geacht wettig te zijn. Het middel is bijgevolg onontvankelijk. 27.
- Ten gronde stelt de verwerende partij dat zij in wezen heeft beslist dat de redenen die in 2019 bestonden voor de weigering van de erkenning van het Selamcollege onverminderd van kracht zijn voor de aanvraag voor Plura C. De wijzigingen die verzoekster heeft doorgevoerd – wijziging van benoeming IX-9796-24/37 van de bestuurders, afspraken met de vzw CMB en de naamswijziging van de school – worden onvoldoende geacht om de bezorgdheden die in 2019 leidden tot de weigering, weg te nemen. Naar het oordeel van de verwerende partij is de beslissing op dat vlak voldoende gemotiveerd. Zij laat gelden dat het advies van de Staatsveiligheid de vermelding ‘beperkte verspreiding’ heeft meegekregen zodat het voor haar niet mogelijk is om de daarin opgenomen informatie onbeperkt te verspreiden. Deze informatie is niet volledig en letterlijk in het advies overgenomen. Desalniettemin maakt de lezing van de motivering het voor verzoekster wel voldoende duidelijk op welke gronden de verwerende partij van oordeel is dat er een reële kans bestaat dat het voorliggende onderwijsinitiatief een extremistische vector wordt in het Limburgse onderwijsmilieu, conform de dragende ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtsstaat. Voorts hebben zowel de onderwijsinspectie als de minister zelf aangegeven waarom zij van oordeel zijn dat de nieuwe gegevens en wijzigingen niet van aard zijn om de bezorgdheden weg te nemen. De minister heeft bovendien nog duiding toegevoegd over de verwevenheid tussen de vzw Lectio en de vzw CMB en de inkadering in de activiteiten van EMUG e.V. en Millî Görüs, met verwijzing naar de door verzoekster gekende procedurestukken in de zaak A. 229.445/IX-
- De uitgebreide argumentatie die verzoekster in haar verzoekschrift heeft ontwikkeld, duidt er overigens op dat de motivering haar finaliteit heeft bereikt. Wat de materiëlemotiveringsplicht betreft, zijn de motieven in de beslissing van 30 augustus 2019 ten aanzien van de aanvraag voor het Selamcollege, waarnaar de bestreden beslissing verwijst, evenals de beoordeling van de elementen van verwevenheid tussen de vzw Lectio en de vzw CMB, van aard dat ze de genomen beslissing draagkrachtig ondersteunen. IX-9796-25/37 Met betrekking tot de schending van de rechten van verdediging, wijst de verwerende partij nogmaals erop dat zij een advies van de Staatsveiligheid met de vermelding ‘beperkte verspreiding’ enkel mag ver- spreiden onder de personen die bevoegd zijn om er kennis van te nemen. Door toch een synthese van de bevindingen in haar beslissing op te nemen, heeft zij verzoekster in staat gesteld haar rechten van verdediging uit te oefenen. De verwerende partij onderstreept dat het niet aan haar toevalt om de vertrouwelijkheid van die stukken op te heffen. Zij wijst erop dat het belang dat de Staatsveiligheid hecht aan de vertrouwelijkheid blijkt uit het feit dat de Staatsveiligheid ook in het kader van de openbaarheidswetgeving weigert om inzage van die stukken te verlenen aan verzoekster. De vertrouwelijkheid in de procedure voor de Raad van State schendt de rechten van verdediging niet. Het is een maatregel waarin voorzien is bij wet en die in casu is ingegeven door een hoger belang verbonden aan de staatsveiligheid. De vertrouwelijkheid belet niet dat de Raad van State ten volle de overtuigingskracht van het advies van de Staatsveiligheid kan beoordelen.
- In haar laatste memorie brengt de verwerende partij de chronologie in herinnering van de doorlichting door de onderwijsinspectie. De inspecteur-generaal heeft het definitieve adviesrapport opgesteld, zowel bij de eerste aanvraag in 2019, als bij de tweede aanvraag in
- Daarbij heeft hij rekening gehouden zowel met de informatie die is aangeleverd in het ontwerp- adviesrapport op basis van het plaatsbezoek, als met alle andere elementen die de onderwijsinspectie bekend waren, waaronder de informatie die de Staatsveiligheid heeft bezorgd. In zijn nota voor de minister verwijst de inspecteur-generaal uitdrukkelijk naar het onderzoek van de Staatsveiligheid uit 2019 en verduidelijkt hij dat in 2020 opnieuw de vraag is gesteld aan de Staatsveiligheid om een advies uit te brengen. Die deelde mee dat geen bijkomende informatie op papier aan het dossier kon worden toegevoegd. In het licht daarvan heeft de inspecteur-generaal het dossier onderzocht, met kennis van IX-9796-26/37 de informatie die hem in 2019 al door de Staatsveiligheid was bezorgd en heeft hij nagegaan of de nieuwe elementen in de aanvraag in 2020 toelieten om tot een andere conclusie te komen. De inspecteur-generaal besluit dat “een sterke terughoudendheid op zijn plaats blijft bij het toekennen van een voorlopige erkenning”. De verwerende partij preciseert nog de betekenis van de vermelding in de nota van 29 augustus 2019 gericht aan de minister van Onderwijs dat de onderwijsinspectie “niet de vinger kon leggen” op de extra en nieuwe informatie in het dossier die uit het onderzoek van de Staatsveiligheid volgde. De inspecteur-generaal heeft met die zinsnede in zijn nota van 29 augustus 2019 enkel aangegeven dat de informatie van dien aard is dat de onderwijsinspectie met het haar door de Vlaamse regelgeving opgelegde erkenningsonderzoek zelf deze informatie niet kon verzamelen. Aangezien er in 2020 geen nieuwe informatie van de Staatsveiligheid werd bezorgd, kon de inspecteur-generaal ervan uitgaan dat de risico’s die in 2019 zijn geformuleerd en toen tot het negatieve advies hebben geleid, nog steeds aanwezig waren. In het licht daarvan kon de verwerende partij onderzoeken of de wijzigingen in de aanvraag van 2020 afdoende waren om tegemoet te komen aan de bezwaren die waren geuit. Deze beoordeling viel voor verzoekster negatief uit: dezelfde bezorgdheden blijven overeind. De formele motivering van de bestreden beslissing maakt volgens de verwerende partij afdoende duidelijk waarom de erkenning wordt geweigerd: “- [Ze] verwijst naar de bevinding van de onderwijsinspectie dat op basis van de informatie van de Staatsveiligheid is gebleken dat het ‘voorgelegde onderwijsinitiatief in Genk een extremistische vector zou worden in het Limburgse onderwijsmilieu conform de dragende ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de Staat’. Voorts is aangegeven dat de gewijzigde samenstelling van de samenstelling van de raad van bestuur en de afspraken tussen […] verzoeker en de vzw CMB, die bezorgdheden niet wegnemen. IX-9796-27/37 De samenlezing van beide elementen leidt tot de conclusie dat de initiatiefnemers van het onderwijsinitiatief, noch bij de eerste aanvraag, noch bij de tweede aanvraag door de verwerende partij in staat worden geacht in hun onderwijs de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de Staat te zullen waarborgen. De formele motivering is op dat punt afdoende: het doet […] verzoekster begrijpen dat zij, als dragende kracht achter dit onderwijsinitiatief, wegens het gevaar dat het onderwijsinitiatief zal uitgroeien tot een extremistische vector, [wordt] geacht niet te waarborgen dat het onderwijs de beginselen van de mensenrechten en de andere grondslagen van de Staat zal eerbiedigen. - Daarnaast heeft de verwerende partij nog verduidelijkt dat de verbondenheid tussen [de vzw Lectio] en de vzw CMB, die de onderwijsgebouwen kosteloos ter beschikking stelt, blijft bestaan. Door deze kosteloze terbeschikkingstelling van gebouwen is de vzw Lectio materieel en financieel afhankelijk van de vzw CMB die zo invloed kan uitoefenen via het al dan niet verlengen van (het kosteloze karakter van) de terbeschikkingstelling. De inkadering van de vzw CMB in de activiteiten van EMUG en Milî Gorus versterken de bezorgdheid die reeds op basis van de informatie van de Staatsveiligheid beschikbaar is. De overeenkomst tussen beide vzw’s dat er geen inmenging zal zijn in het onderwijs, is volgens de verwerende partij niet van aard om de feitelijke verbondenheid en afhankelijkheid te doorbreken en zo het risico dat het onderwijsproject een extremistische vector zal worden in het Limburgse onderwijsmilieu, af te wenden. De gewijzigde samenstelling van de raad van bestuur van de vzw en de naamswijziging van het project garanderen dat evenmin.” Beoordeling a. ontvankelijkheid van het middel
- Het beroep is gericht tegen de weigeringsbeslissing van 28 augustus 2020 en het middel formuleert kritiek op de motieven van die beslissing. De exceptie is ongegrond, het middel is ontvankelijk. Dat de beslissing steunt op feitelijke gegevens die ook voorkomen in een ander dossier en daarin tot een vergelijkbare beslissing hebben geleid – de eerste weigeringsbeslissing van 30 augustus 2019 – leidt niet tot een andere conclusie. b. gegrondheid van het middel IX-9796-28/37 30.
- Krachtens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ moeten eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk worden gemotiveerd, wat inhoudt dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. De formelemotiveringsplicht is een doelnorm: ze moet de betrokkene toelaten de concrete redenen te achterhalen die het bestuur tot de beslissing hebben geleid. Nog anders gesteld, strekt de formelemotiveringsplicht ertoe de betrokkene een zodanig inzicht te verschaffen in de redenen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, tegen die beslissing kan verweren door aan te tonen dat de tot uiting gebrachte motieven niet gegrond zijn. Opdat die verplichting haar doel zou bereiken, dient de motivering die in de beslissing is opgenomen duidelijk te zijn, dat wil zeggen nauwkeurig en concreet de fundamentele redenen aangeven die de beslissing kunnen verantwoorden. Zo ook is vereist dat de motivering de bestuurde toelaat na te gaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij deze feiten correct heeft beoordeeld, of zij in voorkomend geval de geformuleerde bezwaren heeft onderzocht en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 30.
- Eén zaak is het, of in de beslissing een motief wordt uitgedrukt dat als zodanig draagkrachtig is, een andere zaak is het of dit formele motief ook IX-9796-29/37 strookt met de gegevens van het dossier – of het met andere woorden voldoende feitelijke grondslag heeft. Het moet werkelijk bestaande, concrete feiten betreffen die door het bestuur met de nodige zorgvuldigheid worden vastgesteld. De vraag of het bestuur kan aantonen dat het bij zijn besluitvorming rekening heeft gehouden met concrete gegevens die het formele motief terdege onderbouwen en die aldus de wettigheidstoets van dat motief mogelijk maken, is een zaak van de materiëlemotiveringsplicht. 30.
- Indien een beslissing verwijst naar onbestaande of onvoldoende bewezen feiten, dan is de formele motivering uit zijn aard niet afdoende én is ook het materiëlemotiveringsbeginsel geschonden.
- De aanvraag van verzoekster is geweigerd omdat niet is voldaan aan de erkenningsvoorwaarde, gesteld in artikel 15, § 1, 11°, VCSO, ‘als school in het geheel van haar werking de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen op het gebied van de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder eerbiedigen’. Aan de andere vijf erkenningsvoorwaarden is, volgens het advies van de onderwijsinspectie van 18 augustus 2020, “onmiddellijk voldaan” – te weten “georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van een schoolbestuur, gevestigd zijn in gebouwen die voldoen aan de voorwaarden, controle van de inspectie mogelijk maken, een bij decreet vastgelegd[e] structuur aannemen en het hebben van een samenwerkingsovereenkomst met een clb”.
- De bestreden beslissing leert dat de negatieve beoordeling van die erkenningsvoorwaarde in wezen steunt op de vaststelling dat een eerste aanvraag is geweigerd omdat toentertijd evenmin was voldaan aan de bedoelde voorwaarde en “dat het huidige aanvraagdossier onvoldoende elementen bevat waarmee wordt tegemoet gekomen aan de bezwaren” die hebben geleid tot die eerste weigering. Er bestond en bestaat nog steeds, aldus de minister, “een reële IX-9796-30/37 kans […] dat het voorgelegde onderwijsinitiatief in Genk een extremistische vector zou worden in het Limburgse onderwijsmilieu conform de dragende ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtsstaat”.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat de eerste weigering van 30 augustus 2019 in essentie verband houdt met “de werking en de verwevenheid tussen de vzw Lectio en vzw CMB en de inkadering in de activiteiten van EMUG en Milî Gorus”.
- Voor zover dit door de verwerende partij met betrekking tot de tweede aanvraag is nagegaan, schrijft de verwerende partij zelf in de memorie van antwoord dat “[u]it nazicht van het schoolreglement en de gevoerde gesprekken […] de onderwijsinspectie geen elementen gevonden [heeft] die strijdig zijn met de internationaalrechtelijke en grondwettelijke beginselen inzake de rechten van de mens en van het kind in het bijzonder”. Verzoekster had dit ook zo begrepen. Zij heeft met het oog op haar nieuwe aanvraag de samenstelling van haar raad van bestuur drastisch gewijzigd en een overeenkomst gesloten met de vereniging die het schoolgebouw om niet ter beschikking stelt, teneinde haar onafhankelijkheid inzake het schoolbeleid te vrijwaren.
- De onderwijsinspectie, waar de minister zich bij aansluit, is evenwel van mening dat de nieuwe samenstelling van het schoolbestuur niet kan tegemoetkomen aan de initiële bezwaren. Tegelijk stelt de inspectie dat het gaat om een “grondige aanpassing” van het bestuur. Ook erkent zij dat zij hierover géén nieuwe informatie kreeg van de Staatsveiligheid. Zo de Staatsveiligheid al vroegere bestuurders heeft doorgelicht, dan is dat alvast niet meer gebeurd voor de nieuwe bestuurders. Voor zover de onderwijsinspectie dan zelf de erkenningsvoorwaarde IX-9796-31/37 in kwestie heeft beoordeeld, “vond het inspectieteam, op basis van de gesprekken en de door het bestuur ter beschikking gestelde documenten, waaronder het schoolreglement, geen indicaties dat hier niet zou worden aan voldaan”, aldus het verslag van 18 augustus
- Er wordt niet beweerd dat de verwerende partij, na dat erkenningsonderzoek ter plaatse, nog enig ander onderzoek heeft verricht. Dat betekent dat over de nieuwe bestuurders niets is geweten. Dat hun aanstelling niet aan de bezwaren over de “werking en de verwevenheid” tussen de vzw Lectio en de vzw CMB tegemoetkomt is dus louter speculatie en kan geen afdoende motief vormen voor de weigering.
- Voorts stelt de minister “dat het gegeven van de geheel kosteloze terbeschikkingstelling van gebouwen waarvoor door vzw CMB in 2019 een aanzienlijke financiële investering werd gedaan, onder de voorwaarde dat hierin onderwijs wordt verstrekt, de effectieve onafhankelijkheid van vzw Lectio tegenspreekt”. Vele onderwijsinstellingen in het vrij gesubsidieerd onderwijs zijn geen eigenaar van de gebouwen die zij gebruiken en zouden hun onderwijsverstrekking in het gedrang zien komen, indien zij hun schoolgebouwen niet ter beschikking gesteld zouden krijgen door derden, zoals diocesane verenigingen van de bisdommen, parochiale verenigingen, congregaties, andere private mecenassen of lokale besturen. Het gegeven dat onbetamelijke beïnvloeding van het schoolbeleid in strijd met de overeenkomst tussen de vzw Lectio en de eigenaar van het gebouw moet worden afgeleid uit het enkele feit dat verzoekster een gebouw kosteloos ter beschikking krijgt gesteld, is bijgevolg niet zonder meer draagkrachtig. Dat de op schrift gestelde afspraken tussen de vzw Lectio en de eigenaar van het gebouw – door de onderwijsinspectie niettemin omschreven als een “strikte scheiding tussen beide vzw’s” – niet tegemoetkomen aan de bezwaren is dan al evenzeer een loutere stijlformule. Ook die overeenkomst is noch door de Staatsveiligheid, noch door de verwerende partij inhoudelijk onderzocht, laat staan ontkracht. Een nietszeggende stijlformule is géén afdoende motief. IX-9796-32/37
- De overwegingen over de invloed op de vzw CMB van EMUG e.V. – volgens verzoekster één van de zes bestuurders van de vzw CMB – en alzo onrechtstreeks van de Millî Görüs-beweging – wat de verwerende partij beweert en verzoekster ontkent of minstens relativeert – zijn in die omstandigheden niet pertinent. Gelet op de niet aan doorlichting onderworpen nieuwe samenstelling van het schoolbestuur en de evenmin aan onderzoek onderworpen overeenkomst tussen verzoekster en de vzw CMB, heeft dit immers geen bewezen repercussies op het schoolbeleid. In arrest nr. 245.375 van 5 september 2019 inzake de vzw Lectio en anderen overwoog de Raad van State dat “niet [valt] in te zien dat de controle geen rekening zou mogen houden met nog andere elementen, zoals bijvoorbeeld de samenstelling van de raad van bestuur, zijn externe financiering, de activiteiten van zijn leden of de onderwijsvisie van die raad van bestuur die zou blijken uit andere stukken […] die aan de feitelijke opstart van de school voorafgaan”. De overweging dat “een ernstig en reëel risico [bestaat] dat de op te richten school in haar werking zal worden beïnvloed door de vzw CMB en een ideologie die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en andere grondslagen van de rechtsstaat” vormt in de geschetste omstandigheden evenwel een motief dat van een assumptie (“risico”) én van een toekomstige hypothese (“zal worden beïnvloed”) uitgaat en niet van feitelijke vaststellingen over, bijvoorbeeld, de statuten, het pedagogisch project, de leerplannen, extracurriculaire activiteiten of het profiel van bestuurders of van onderwijzend personeel.
- Aan verzoekster is tegengeworpen dat “de sturende kracht achter het onderwijsproject […] een ideologie aankleeft die ingaat tegen de beginselen van de mensenrechten en de andere grondslagen van de rechtsstaat”. Om dit te verhelpen en zonder precies te weten of de verwerende partij met IX-9796-33/37 “sturende kracht” refereert aan het schoolbestuur zelf of aan de vzw CMB, heeft zij maatregelen genomen die volgens haar dit verwijt moeten ontkrachten: een aanpassing van haar bestuur en een afsprakennota met de eigenaar van het gebouw. Uit wat voorafgaat volgt dat de weigering van de nieuwe aanvraag niet op afdoende en draagkrachtige wijze toelicht waarom die nieuwe gegevens niet van aard zijn de vroegere bezorgdheden van de minister weg te nemen en dat sommige motieven zelfs met elkaar in tegenspraak komen. In die mate is de formelemotiveringsplicht alvast geschonden, zodat de wettigheid van de oorspronkelijk ingeroepen en in de bestreden beslissing opnieuw bijgevallen motieven vooralsnog niet moet worden onderzocht aangezien zelfs niet vaststaat of die motieven inderdaad nog actueel zijn. Om dezelfde reden mag ook de vraag onbeantwoord blijven, of verzoeksters procedurele rechten geschonden zijn als zij geen inzage krijgt van het advies van de Staatsveiligheid.
- Hiervóór is sub 30.3 reeds gewezen op het verband tussen de formele- en de materiëlemotiveringsplicht in het geval dat een beslissing steunt op onbestaande of onvoldoende bewezen feiten. Het zo-even beschreven uitblijven van een inhoudelijk onderzoek door de verwerende partij van de nieuwe aanvraag impliceert dat de besproken motieven geen steun krijgen in stukken van het dossier en dat in die mate ook de materiëlemotiveringsplicht is geschonden.
- Ten slotte, indien nog andere elementen hebben gespeeld bij de “afweging” en de “inschatting” die de onderwijsinspectie hebben gebracht tot haar voorstel en de minister tot zijn bijval, dan blijken die niet uit de motivering van de bestreden beslissing zodat verzoekster zich er niet tegen kan verweren. Ook in die mate is dan de formelemotiveringsplicht geschonden. Ten overvloede IX-9796-34/37 mag worden opgemerkt dat de bestreden beslissing niet stelt te steunen op geclassificeerde informatie als bedoeld in de wet van 11 december 1998 ‘betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen’, de meervermelde adviezen ‘beperkte verspreiding’ van de Staatsveiligheid daargelaten.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. C. Overige middelen
- Het auditoraatsverslag geeft een beoordeling van het eerste en het vierde middel en laat de andere middelen onbesproken. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van het vierde middel en stelt besluitend de nietigverklaring voor. Overeenkomstig artikel 24, tweede lid, RvS-Wet doet de Raad van State “uitspraak over de conclusies van het verslag”. De Raad valt die conclusies bij. In haar laatste memorie vraagt verzoekster wel “om zich bijkomend te buigen over de overige middelen”, maar zij argumenteert dat verzoek niet. Aangezien verzoekster geen, laat staan overtuigende redenen geeft om het debat te heropenen en het geding voort te zetten, gaat de Raad hierop niet in. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep, ingesteld door Lindsey Dierckxsens.
- Het verzoek van Lindsey Dierckxsens tot tussenkomst in het geding wordt ingewilligd. IX-9796-35/37
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de Vlaamse minister van Onderwijs van 28 augustus 2020 waarbij de aanvraag van de vzw Lectio tot voorlopige erkenning en subsidiëring van een school te Genk wordt afgewezen.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring ingesteld door de vzw Lectio, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de vzw Lectio. Lindsey Dierckxsens wordt verwezen in de kosten van haar beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro. IX-9796-36/37 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9796-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.566 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.