id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.576 Rolnummer: A. 231821/X-17804 Zaak: Arrest 253576 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 26/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-04-29 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:44 Fiche Arrest nr 253.576 van 26 april 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 253.576 van 26 april 2022 in de zaak A. 231.821/X-17.804 In zake : de NV TATA STEEL BELGIUM PACKAGING STEELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Cornette kantoor houdend te 2140 Antwerpen Bouwensstraat 21 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GEMEENTE DUFFEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Floris Sebreghts en Jean-Christophe Beyers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV ALVANCE ALUMINIUM DUFFEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Mallien kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 8 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Werner Vandenbruwaene kantoor houdend te 1210 Brussel Bolwerklaan 21, bus 1 -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-17.804-1/14 I. Voorwerp van het beroep
- Het verzoekschrift, ingediend op 3 september 2020, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de dienst Milieueffectrapportage van het departement Omgeving van het Vlaamse Gewest (hierna: de dienst Mer) van 24 mei 2019 dat het voorgenomen gemeentelijk RUP ‘Walemstraat’ van de gemeente Duffel geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-milieueffectrapport niet nodig is, b. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Duffel van 30 september 2019 waarbij het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Walemstraat’ voorlopig wordt vastgesteld en c. het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Duffel van 25 mei 2020 waarbij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Walemstraat’ definitief wordt vastgesteld. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 27 november
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 januari
- X-17.804-2/14 Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Cornette, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jelle Zijlstra, die loco advocaten Jean-Christophe Beyers en Floris Sebreghts verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Bram Van den Berghe, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij en advocaat Pascal Mallien, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Ten noorden van de Stocletlaan te Duffel staat op het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen een ongeveer twee kilometer brede zone voor milieubelastende industrieën ingetekend. Het gedeelte van deze zone ten westen van de Walemstraat, dat ongeveer 400 meter breed is, zal hierna worden aangeduid als de westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan. De verzoekende partij is eigenaar van drie percelen in de westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan. Hierop bevindt zich haar bedrijf waarvan de hoofdactiviteit het produceren van film en het lamineren van rollen staal ten behoeve van de verpakkingsindustrie is. De tussenkomende partij is eigenaar van een dozijn percelen in de westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan. Ten oosten van de Walemstraat bevindt zich de zetel van haar aluminiumbedrijf. X-17.804-3/14
- In 2010 neemt de gemeente Duffel het initiatief voor een voorontwerp van gemeentelijk RUP ‘Walemstraat’, dat betrekking heeft op de westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan, de groenbuffer van het gewestplan en de woonstrook van het gewestplan.
- Op 8 december 2011 verleent de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen delegatie aan de gemeente Duffel voor de opmaak van het gemeentelijk RUP ‘Walemstraat’.
- In april 2019 maakt de gemeente Duffel een screeningsnota op over de mogelijke milieueffecten van het voorontwerp van gemeentelijk RUP (hierna: de screeningsnota).
- Op 24 mei 2019 beslist de dienst Mer op basis van de screeningsnota dat het voorgenomen plan geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER) niet nodig is.
- Op 30 september 2019 stelt de gemeenteraad van de gemeente Duffel het ontwerp van gemeentelijk RUP ‘Walemstraat’ voorlopig vast.
- Van 14 oktober tot 13 december 2019 wordt over het ontwerp van gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. Zowel de verzoekende partij als de tussenkomende partij dienen een bezwaarschrift in.
- In haar zitting van 19 februari 2019 bespreekt de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Duffel (hierna: de Gecoro) de ingediende bezwaarschriften en geeft zij advies over het ontwerp van gemeentelijk RUP. X-17.804-4/14 11.
- Bij besluit van 25 mei 2020 stelt de gemeenteraad van de gemeente Duffel het gemeentelijk RUP ‘Walemstraat’ definitief vast (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP). Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juli
- 11.
- Door het bestreden gemeentelijk RUP wordt nagenoeg de volledige westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan bestemd tot “Gemengd bedrijventerrein”, waarvoor de volgende stedenbouwkundige voorschriften van artikel 2 gelden: “
- Het bedrijventerrein is bestemd voor bedrijven met de volgende hoofdactiviteiten: ▪ productie, opslag, bewerking en verwerking van goederen; ▪ onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten; ▪ productie van energie; ▪ ambachtelijke bedrijven. […]
- Volgende hoofdactiviteiten zijn niet toegelaten: ▪ inrichtingen zoals bedoeld in artikel 3 van het Samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, de zogenaamde ‘SEVESO-bedrijven’; ▪ kleinhandel; ▪ agrarische productie; […] ▪ verwerking en bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen.” 11.
- Op het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende grafische plan is op de westelijke rand van het “Gemengd bedrijventerrein” de overdruk “Zone voor groen- en collectieve waterbuffering” (artikel 2.1 van de stedenbouwkundige voorschriften) aangebracht. Deze zone zal hierna worden aangeduid als de groenbuffer van artikel 2.
- X-17.804-5/14 IV. Onderzoek van de middelen A. Het derde middel Uiteenzetting van het middel 12.
- Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), evenals van het materiëlemotiverings-, het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 12.
- De verzoekende partij wijst erop dat zij in haar tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift betoogd heeft dat haar bedrijf in een zone voor milieubelastende bedrijven opgenomen dient te blijven. Door de Gecoro is hierop geantwoord dat de verzoekende partij haar activiteiten zou kunnen voortzetten binnen de nieuwe bestemming ‘Gemengd bedrijventerrein’. De beantwoording van dit bezwaar is in strijd met de vastgestelde stedenbouwkundige voorschriften. Die voorschriften bepalen immers voor het ‘Gemengd bedrijventerrein’ dat de verwerking en de bewerking van grondstoffen met inbegrip van delfstoffen niet toegelaten is als hoofdactiviteit. Door die tegenstrijdigheid ontstaat er een situatie van rechtsonzekerheid. Het is onduidelijk hoe het gemeentelijk RUP gelezen moet worden en of de activiteiten van de verzoekende partij nu wel of niet verder uitgeoefend kunnen worden binnen het ‘Gemengd bedrijventerrein’. De verzoekende partij besluit dat haar bezwaarschrift niet op een zorgvuldige wijze is onderzocht en beoordeeld.
- In haar memorie doet de tussenkomende partij “ten titel van overvloede gelden dat ook haar bezwaarschrift onvoldoende werd beantwoord”.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat het in haar productieproces gebruikte polymeer granulaat aanzien zou kunnen worden als een grondstof. X-17.804-6/14
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat reeds uit de haar in 2007 toegekende milieuvergunning blijkt dat zij grondstoffen verwerkt, daar er in die vergunning sprake is van grondstofbesparende maatregelen. Beoordeling 16.
- Het in het verzoekschrift aangevoerde middel heeft betrekking op het bezwaarschrift dat de verzoekende partij tijdens het openbaar onderzoek heeft ingediend en de rechtsonzekerheid die er voor het bedrijf van de verzoekende partij gecreëerd zou zijn. 16.
- In zoverre de tussenkomende partij voorhoudt dat er niet afdoende zou zijn geantwoord op haar bezwaarschrift, geeft zij aan het middel een onontvankelijke nieuwe grondslag.
- Het uitgangspunt van het middel is dat het standpunt van de Gecoro dat de huidige activiteit van het bedrijf van de verzoekende partij voldoet aan de bestemmingsvoorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP, tegenstrijdig is met deze voorschriften.
- De verzoekende partij overtuigt er niet van dat het onterecht zou zijn dat de Gecoro heeft aangenomen dat de hoofdactiviteit van het bedrijf van de verzoekende partij te beschouwen is als de “productie […] van goederen” die door artikel 2.0 van de stedenbouwkundige voorschriften (randnr. 11.2) toegelaten is in de zone “Gemengd bedrijventerrein”. Deze hoofactiviteit betreft immers het produceren van verpakkingsgoederen. Het enkele feit dat de verzoekende partij in haar productieproces één of meer grondstoffen gebruikt, betekent niet dat haar hoofdactiviteit de “verwerking en bewerking van grondstoffen” in de zin van artikel 2.3 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP zou zijn. Het blijkt niet dat de in het middel opgeworpen tegenstrijdigheid ook werkelijk bestaat.
- Het middel, dat steunt op een uitgangspunt waarvan de juistheid niet blijkt, wordt verworpen. X-17.804-7/14 B. Het eerste middel Het aangevoerde middel 20.
- Het eerste middel wordt afgeleid uit “een schending van: Artikel 4.2.
- en artikel 4.2.
- van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), bijlage I, bijlage II en bijlage III van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen [aan milieueffectrapportage], artikel 3 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s […], artikel 2 en artikel 3 van de [formelemotiveringswet] en uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht”. 20.
- In het middel wordt aangevoerd dat er geen wettig gebruik is gemaakt van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid van de principiële verplichting om een plan-MER op te maken. De verzoekende partij bekritiseert meer bepaald de motivering voor de aanname dat het bestreden gemeentelijk RUP een kleine wijziging inhoudt of het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau. Wat betreft het vereiste dat het om een “kleine wijziging” moet gaan, benadrukt de verzoekende partij dat er in de screeningsnota en de beslissing van de dienst Mer enkel rekening is gehouden met de wijziging van de gewestplanbestemming voor de zone voor milieubelastende industrieën naar “Gemengd bedrijventerrein”. Nochtans moet opgemerkt worden dat het bestreden gemeentelijk RUP voorziet in de groenbuffer van artikel 2.
- Deze zone is bedoeld voor de aanleg, het behoud en het herstel van een groene ruimte met een collectieve waterbuffering. Op het gewestplan is heel deze zone aangeduid als industriegebied. Bezwaarlijk kan de omzetting van het industriegebied van het gewestplan naar de groenbuffer van artikel 2.1 aanzien worden als een kleine wijziging. Naar deze X-17.804-8/14 omzetting wordt niet verwezen in het screeningsdocument. Ze is aldus ten onrechte niet betrokken in de beoordeling of er sprake is van een kleine wijziging. Voorts wijst de verzoekende partij er op dat de bestemmingsvoorschriften voor het “Gemengd bedrijventerrein” van het bestreden gemeentelijk RUP bepaalde types van bedrijven, zoals SEVESO-bedrijven en bedrijven voor de verwerking van grondstoffen, verbieden. Deze beperking kan redelijkerwijze onmogelijk aanzien worden als een kleine wijziging ten opzichte van de gewestplanbestemming. 21.
- In haar memorie voert de tussenkomende partij aan dat, zoals zij in haar tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift heeft uiteengezet, de screeningsnota niet behoorlijk aantoont dat het bestreden gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben voor wat betreft de waterhuishouding en de mobiliteit. 21.
- In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij dat bij het onderzoek van het vereiste van een “kleine wijziging” noodzakelijkerwijze ook moet worden nagegaan of het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Beoordeling
- Artikel 4.2.3, §§ 2 en 3, DABM luidt: “Art. 4.2.
- […] §
- Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, eerste lid, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat niet het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau, noch een kleine wijziging inhoudt, moet een plan-MER worden opgemaakt, wanneer: 1° het plan of programma betrekking heeft op landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme, ruimtelijke ordening of grondgebruik, en het kader vormt voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlagen I, II en III van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van categorieën van projecten onderworpen aan milieu-effectrapportage; 2° voor een ander plan of programma dan deze vermeld onder 1°, de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage X-17.804-9/14 I, die bij dit decreet is gevoegd, niet aantoont dat dit plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten. §
- Voor een plan of programma, dat overeenkomstig artikel 4.2.1, onder het toepassingsgebied van dit hoofdstuk valt, en dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, moet geen plan-MER worden opgemaakt voor zover de initiatiefnemer aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I, die bij dit decreet is gevoegd, aantoont dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de beoordeling van de aanwezigheid van aanzienlijke milieueffecten.” Om wettig gebruik te kunnen maken van de in artikel 4.2.3, § 3, DABM bedoelde afwijkingsmogelijkheid van de principiële plan-MER-plicht, moet cumulatief aan twee voorwaarden worden voldaan: 1°) het plan of programma moet het gebruik bepalen van een ‘klein gebied op lokaal niveau’ of een ‘kleine wijziging’ inhouden (hierna: de eerste voorwaarde om af te wijken van de principiële plan-MER-plicht); 2°) de initiatiefnemer moet aantonen dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben (hierna: de tweede voorwaarde om af te wijken van de principiële plan-MER-plicht). 23.
- Het in het verzoekschrift aangevoerde middel heeft uitsluitend betrekking op de eerste voorwaarde om af te wijken van de principiële plan-MER-plicht. 23.
- In zoverre de tussenkomende partij aanvoert dat de screeningsnota niet behoorlijk aantoont dat het bestreden gemeentelijk RUP geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben – zodat er met andere woorden niet voldaan is aan de tweede voorwaarde om af te wijken van de principiële plan-MER-plicht – geeft zij aan het middel een onontvankelijke nieuwe grondslag. In haar laatste memorie (randnr. 21.2) gaat de tussenkomende partij er ten onrechte aan voorbij dat artikel 4.2.3, § 3, DABM twee van elkaar te onderscheiden voorwaarden bevat, te weten de meergenoemde eerste en tweede voorwaarde.
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat krachtens het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de X-17.804-10/14 ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ voor de westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan volgend bestemmingsvoorschrift gold: “Artikel 7.2.0: Industriegebieden Deze zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone.” Uit het hiervoor geciteerde voorschrift volgt dat de westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan reeds onder vigeur van het gewestplan een bufferzone diende te bevatten. Wat het bestreden gemeentelijk RUP ten opzichte van het gewestplan toevoegt is de nadere specificatie van de precieze inplantingsplaats van de groenbuffer van artikel 2.
- In zoverre de bestemmingsvoorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP bepalen welke industriële of ambachtelijke bedrijven al dan niet gevestigd kunnen worden in de westelijke hoek van de bedrijfszone van het gewestplan, zijn ze te beschouwen als een beperkte nadere specificatie van het aangehaalde gewestplanvoorschrift. De verzoekende partij overtuigt er niet van dat de voornoemde specificaties méér zouden zijn dan een kleine wijziging. Het blijkt derhalve niet dat ten onrechte is aangenomen dat het bestreden gemeentelijk RUP een ‘kleine wijziging’ in de zin van artikel 4.2.3, § 3, DABM inhoudt. De argumentatie van de verzoekende partij in verband met het criterium ‘klein gebied op lokaal niveau’ is niet dienstig, daar het volstaat dat een plan een ‘kleine wijziging’ inhoudt om te voldoen aan de eerste voorwaarde om af te wijken van de principiële plan-MER-plicht.
- Het middel wordt verworpen. X-17.804-11/14 C. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 26.
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 26.
- Het middel viseert de indicatieve en symbolische aanduidingen op het bij het bestreden gemeentelijk RUP horende grafisch plan en met name de indicatieve aanduiding van de ontsluitingswegen en de buffergrachten. Volgens de verzoekende partij is het bijzonder problematisch dat de exacte inplantingsplaats van de hoofdontsluitingsweg niet gekend is. Door de plannende overheid wordt gesteld dat deze inplantingsplaats nog beperkt kan wijzigen, maar het is hoogst onduidelijk wat daarmee bedoeld wordt.
- In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat een louter indicatieve aanduiding van de ontsluitingsweg het rechtszekerheidsbeginsel schendt.
- In haar laatste memorie erkent de verzoekende partij dat de stedenbouwkundige voorschriften nadere regels bevatten over de inplanting van de ontsluitingswegen maar zij voegt er aan toe dat deze voorschriften te ruime marges laten, daar met name de exacte inplantingsplaats van de nevenontsluitingsweg cruciaal is om te bepalen hoeveel van het perceel gebruikt kan worden voor de oprichting van een bedrijfsgebouw. Bovendien zijn soortgelijke voorschriften onbestaande voor de fiets- en voetgangersverbinding. Beoordeling
- De indicatieve en symbolische aanduidingen op een bij een RUP horend grafisch plan dienen te worden gelezen in samenhang met de stedenbouwkundige voorschriften van dit RUP. X-17.804-12/14
- Te dezen gaat het verzoekschrift er aan voorbij dat artikel 4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP volgende bepalingen bevat in verband met de inplantingsplaats van respectievelijk de hoofdontsluitingswegen, de nevenontsluitingsweg, de fiets- en voetgangersverbinding en de buffergrachten: “De middenas van de [hoofdontsluitingswegen] kan maximaal 6.00 meter afwijken ten opzichte van de markering aangeduid op het grafisch plan en dit langs beide zijden. […] De middenas van de [nevenontsluitingsweg] kan maximaal 10.00 meter afwijken ten opzichte van de markering aangeduid op het grafisch plan en dit langs beide zijden. […] De fiets- en voetgangersverbinding takt aan op de Walemstraat, op Notmeir en op de A. Stocletlaan tegenover de Bosstraat. […] De middenas van de buffergracht[en] kan maximaal 5.00 meter afwijken ten opzichte van de markering aangeduid op het grafisch plan en dit langs beide zijden.” In het licht van de hiervoor geciteerde voorschriften, slaagt de verzoekende partij er niet in aannemelijk te maken dat – als gevolg van de indicatieve en symbolische aanduidingen op het grafische plan – het bestreden gemeentelijk RUP de aangevoerde rechtsbeginselen zou schenden. De argumentatie van de verzoekende partij overtuigt niet daar het vereiste van voorspelbaarheid en nauwkeurigheid van stedenbouwkundige voorschriften niet verhindert dat deze voorschriften flexibel kunnen worden opgevat, noch dat deze binnen redelijke grenzen een bepaalde discretionaire bevoegdheid verlenen aan de vergunningverlenende overheden bij het beoordelen van een concrete aanvraag voor een omgevingsvergunning.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. X-17.804-13/14
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.804-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.576 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div