← België

Arrest 253609 - Niet begeleide minderjarigen - 29/04/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.609 Rolnummer: A. 233473/XIV-38673 Zaak: Arrest 253609 - Niet begeleide minderjarigen - 29/04/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-04 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 16:32 Fiche Arrest nr 253.609 van 29 april 2022 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 253.609 van 29 april 2022 in de zaak A. é.473/XIV-38.673 In zake : Ali Mohammed SAFI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nele Van der Linden kantoor houdend te 2300 Turnhout Steenweg op Antwerpen 48 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep tot nietigverklaring, ingesteld op 21 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 7 april 2021 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XIV-38.673-1/10 Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 3 februari 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 16 maart
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is België binnengekomen en hij dient op 22 februari 2021 een verzoek om internationale bescherming in. Hij verklaart alsdan van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 5 januari
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over de leeftijd van betrokkene. In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen ondergaat verzoeker op 1 april 2021 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op 7 april 2021 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.673-2/10 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel, en meer specifiek als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”, opgelegd door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’, van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel en van artikel 17, § 1, van het Europees Sociaal Handvest. Hij licht dit als volgt toe: “Verzoeker werd onderworpen aan een medische test maar werd niet onderworpen aan een klinisch onderzoek, noch werd een psycho-affectieve test uitgevoerd. Het rapport aan de Koning betreffende het Koninklijk Besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ stipuleerde nochtans dat de medische test aan de welke de minderjarige vreemdeling kan worden onderworpen ook psycho-affectieve testen moet bevatten. De Dienst Voogdij heeft echter na een zeer kort gesprek, twijfel geuit en quasi onmiddellijk een medisch onderzoek bevolen, zonder met deze elementen rekening te houden. Het feit dat de bestreden beslissing nergens melding maakt van en waarom er twijfel is omtrent de leeftijd van verzoeker en waarom er geen volledig onderzoek is gevoerd, maakt een schending uit van de materiële motiveringsplicht. Immers dient de beslissing de juridische én de feitelijke overwegingen […] te vermelden die aan de beslissing ten gronde liggen. De motiveringsplicht is geschonden wanneer met bepaalde feitelijke gegevens geen rekening, of minstens onvoldoende rekening wordt gehouden, alsook wanneer bepaalde gegevens worden vermeld, waarvan de waarachtigheid niet wordt nagegaan. (R.v.St. nr. 101.758, 12.12.2001, T. Vreemd. 2002, afl. 3, 289-293; R.v.St. nr. 108.321, 21.06.2002, T. Vreemd. 2004, afl. 1,1-33) Artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 22.12.2003 tot uitvoering van Titel XIII, XIV-38.673-3/10 Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24.12.2002 bepaalt tevens dat: ‘De Dienst Voogdij gaat over tot identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting, voor zover dit verzoek om inlichtingen de minderjarige of zijn familie die zich in het land van doorvoer en/of herkomst bevindt, niet in gevaar brengt.’ Uit de bestreden beslissing blijkt ook niet dat dergelijke inlichtingen (zoals voornoemd artikel 3 bepaalt) gevraagd zijn. Echter, het medisch onderzoek dat werd uitgevoerd kan onmogelijk als het ‘ultieme’ bewijsmiddel worden bestempeld. Het medisch onderzoek is bovendien controversieel en onderhevig aan kritiek m.b.t. de geldigheid en betrouwbaarheid ervan. Er wordt een foutenmarge gehanteerd bij de leeftijdsbepaling, maar er wordt geen rekening gehouden met de socio-economische situatie, etnische of geografische afstamming, ziekte e.d. die de ontwikkeling van een kind kunnen beïnvloeden. (‘Niet-begeleide minderjarigen in België’, Onthaal, terugkeer en integratie, Europees Migratienetwerk, Belgisch contactpunt, blz.27-28). Het medisch onderzoek kan immers onmogelijk sluitend bewijs vormen en kan slechts een louter indicatieve functie hebben. Het feit dat een standaarddeviatie van 1.7 jaar – een foutenmarge dus – wordt bepaald, toont onomstotelijk de slechts indicatieve functie ervan aan. Gezien de aard van het medisch onderzoek en de louter indicatieve functie ervan, dient er bij het bepalen van de leeftijd rekening te worden gehouden met andere bewijsmiddelen als die voorhanden zijn. Dit is ook de bedoeling van de wetgever geweest (volledig onderzoek inclusief psycho-affectieve tests- zie rapport aan de koning). De Dienst Voogdij is dus niet gehouden tot de loutere overname van de resultaten van het medisch onderzoek zoals uw Raad reeds terecht stelde in het verleden : ‘in het kader van het hoger belang van de minderjarige, kunnen andere elementen dan de leeftijdstest in aanmerking worden genomen en dat binnen een redelijke marge, voor zover de elementen in het dossier coherent zijn’ (Arrest. 197611 van 04/11/2009, Rolnummer A. 194.453/IX-6568). Het VN-Comité voor de Rechten van het Kind dat toeziet op de naleving van het Kinderrechtenverdrag heeft gesteld dat om een geïnformeerde inschatting van de leeftijd van een minderjarige te maken, Staten gebruik moeten maken van een multidisciplinair team dat rekening houdt met de fysieke en psychologische ontwikkeling van kinderen. Medische testen zouden moeten geweerd worden gelet op hun onnauwkeurigheid. Beslissingen moeten aanvechtbaar zijn in beroep: ‘To make an informed estimate of age, States should undertake a comprehensive assessment of the child's physical and psychological development, conducted by specialist pediatricians or other professionals who are skilled in combining different aspects of development. Such assessments should be carried out in a prompt, child-friendly, gender sensitive and culturally appropriate manner, including interviews of children and, as appropriate, accompanying adults, in a language the child understands. Documents that are available should be considered genuine unless there is proof to the contrary, and statements by children and their parents or relatives must be considered. The benefit of the doubt should be given to the individual being assessed. States should refrain from using medical methods based on, inter alia, bone and dental exam analysis, which may be inaccurate, with wide XIV-38.673-4/10 margins of error, and can also be traumatic and lead to unnecessary legal processes. States should ensure that their determinations can be reviewed or appealed to a suitable independent body.’ (Joint General Comment No. 4 of the CMW and No. 23 of the CRC in the context of International Migration: States parties’ obligations in particular with respect to countries of transit and destination, CRC/C/GC/23, 16 Nov 2017, §4). Vrije vertaling: Om een geïnformeerde inschatting te maken van leeftijd moeten Staten een omvattend inschatting maken van de fysieke en psychische ontwikkeling van het kind, uitgevoerde door gespecialiseerde pediaters en andere professionelen die vaardig zijn in verschillende aspecten van ontwikkeling samen te brengen. Dergelijke inschattingen moeten gebeuren in een kindvriendelijke, gender sensitieve en cultureel geschikte wijze, met inbegrip van interview van kinderen en waar toepasselijk volwassenen die hen vergezellen, in een taal die het kind begrijpt. Documenten moeten ais authentiek gezien worden indien het tegendeel niet bewezen wordt en verklaringen van kinderen, ouders of verwanten moeten in rekening gebracht worden. Het voordeel van de twijfel moet gegeven worden aan het individu waarvan de leeftijd wordt geschat. Staten moeten zich onthouden van het gebruik van medische methodes, zoals beenderonderzoek en tandenonderzoek, gezien dit onnauwkeurig kan zijn, met grote foutenmarges, en onnodig traumatiserend kan zijn en kan leiden tot onnodige juridische procedures. Staten moeten verzekeren dat hun beslissingen kunnen aangevochten worden voor een geschikt onafhankelijk lichaam. Het VN Kinderrechtencomité heeft reeds vastgesteld dat de leeftijdstest die in België wordt uitgevoerd intrusief en onnauwkeurig is (Commitee on the Right of the Child, Concluding observations on the Combined Fifth and Sixth periodic Reports of Belgium, CRC/C/BEL/CO/5-6, 28 februari 2019, §41-42). Het Europees Comité voor Sociale Rechten meent dat de leeftijdstest op basis van botscans een schending uitmaakt van artikel 17 § [1] van het Handvest : Artikel
  8. Recht van kinderen en jeugdige personen op sociale, wettelijke en economische bescherming […] ‘
  9. In conclusion, the Committee considers that medical age assessments as currently applied can have serious consequences for minors and that the use of bone testing to determine the age of unaccompanied foreign minors is inappropriate and unreliable. The use of such testing therefore violates Article 171 of the Charter.’ (ECSR, European Committee for Home-Based Priority Action for the Child and the Family (EUROCEF) y. France, complaint no. 114/2015, 24/01/2018). Vrije vertaling: Concluderend beschouwt het Comité dat medische leeftijdstesten zoals momenteel toegepast ernstige gevolgen kunnen hebben voor minderjarigen en dat het gebruik van bottesten om de leeftijd te bepalen van NBMV’s ongepast en onbetrouwbaar is en bijgevolg art. 17, §1 van het Handvest schendt. In de doctrine kan men evenmin vertrouwen opbrengen in de leeftijdstesten. W. DE BONDT hekelt het feit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid een psycho-affectief onderzoek te voeren, en dat er voorbij wordt gegaan aan het feit dat de tests geen eenduidig beeld geven over de leeftijd van personen tussen de 15 en de 23 jaar oud: ‘Het medisch onderzoek wordt desgevallend uitgevoerd door een arts en bestaat uit een drievoudige radiografie van gebit, sleutelbeen en pols. Hoewel het mogelijk is om de medische onderzoeken aan te vullen met een psycho-affectief onderzoek wordt dat in ons land meestal niet gedaan. Dat er in de medische wereld discussie is over de betrouwbaarheid van deze radiologische onderzoeken, is intussen genoegzaam bekend. Eigenlijk is het betreurenswaardig dat er geen initiatieven XIV-38.673-5/10 worden genomen om meer betrouwbare onderzoeksmethoden te ontwikkelen, met ais specifiek doel om de chronologische leeftijdsbepaling van minderjarigen mogelijk te maken. Het is hoogst problematisch dat vandaag methoden worden gebruikt die bij de ontwikkeling nooit bedoeld zijn voor een leeftijdsbepaling van minderjarigen. Erger nog, waarvan de ontwikkelaars en andere wetenschappers duidelijk aangaven dat ze niet betrouwbaar zijn. Bij elk van de drie onderzoeksmethoden moeten belangrijke kanttekeningen worden gemaakt. Wat betreft de analyse van de pols, werd bij de ontwikkeling van de atlas die gebruikt wordt ais referentiemateriaal, al aangegeven dat de atlas beperkingen heeft Zo werd onderstreept dat er afwijkingen kunnen zijn binnen eenzelfde leeftijdsgroep, al dan niet veroorzaakt door de herkomst van de jongere. Wat betreft de analyse van het gebit, gaven de auteurs van het onderzoek aan dat de steekproef gebeurde onder blanke Belgen en dat een leeftijdsbepaling voor jongeren tussen 15,7 en 23,3 jaar altijd problematisch blijft. Ook andere auteurs gaven voorheen al aan dat een precieze leeftijdsbepaling aan de hand van een onderzoek van het gebit onmogelijk is, omdat hierbij onder meer ook het socio-economische kader en de voedingsgewoontes meespelen. Wat betreft de analyse van het sleutelbeen, worden gelijkaardige vraagtekens geplaatst bij de betrouwbaarheid ervan voor de beoordeling van de leeftijd van de betrokkene, omdat ook deze test ontwikkeld werd op basis van een RvV X - Pagina 15 blanke bevolking. Dat zelfs de Orde van Geneesheren de behoefte voelt om haar bedenkingen op papier te zetten, mag dan ook niet zomaar naast zich worden neergelegd Het UNHCR beveelt in dat verband trouwens aan om - met het oog op de bescherming van NBMV - alles in het werk te stellen om te waarborgen dat de leeftijdsbepaling deel uitmaakt van een volledige evaluatie, rekening houdend met zowel het voorkomen van de NBMV, parameters van fysieke aard, als de psychologische maturiteit van de persoon. Precies omwille van de problemen met de betrouwbaarheid van de medische onderzoeken staat de leeftijdsbepaling op gespannen voet met het recht van de NBMV om bij elke beslissing die op hem betrekking heeft, zijn belang ais eerste overweging te nemen.’ (W. DE BONDT, ‘De rechtspositie van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in België: naar het stapsgewijs erkennen van bekwaamheid en het breder invullen van het overwegen van diens belang’, in E. DESMET, J. VERHELLEN, S. BOUCKAERT, Migratie- en migrantenrecht 18, Rechten van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in België, Die Keure, mei 2019, 139-140) Tal van gezaghebbende bronnen uiten dus zeer gefundeerde kritiek op de leeftijdstest zoals die in België wordt uitgevoerd en zoals die ook in geval van verzoeker werd uitgevoerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft deze argumentatie reeds gevolgd in een arrest van 5 februari 2020 (arrest nr 232 244 in de zaak RvV 242630/VIII): ‘Verder is het zo dat de tests bijzonder onnauwkeurig en onbetrouwbaar zijn en een schending uitmaken van het hoger belang van het kind en het recht op een privéleven in de zin van artikel 8 EVRM maar ook artikel 3 EVRM schendingen met zich kunnen meebrengen. Een dergelijke test is niet betrouwbaar en maakt een schending uit van artikel 17, §1 van het Herziene Europees Sociaal Handvest. Het feit dat men enkel gebruik maakt van de onnauwkeurige leeftijdstest en niet van de mogelijkheid om verzoeker aan psycho-affectieve tests te voorzien, hem te horen, zijn neven te horen en men de taskara niet gebruikt ais aanwijzing van zijn minderjarigheid maakt een schending uit van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het feit dat verzoeker door de bijlage 26quater de uitkomst van het beroep tegen de leeftijdsbeslissing niet kan afwachten, een niet schorsende procedure die volgens het VN Kinderrechtencomité sowieso al effectiviteit mist, maakt een schending uit van zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals voorzien door artikel 27 van XIV-38.673-6/10 de Dublin III Verordening, artikel 8 en 3 juncto artikel 13 van het EVRM, artikel 24 juncto artikel 47 van het Handvest van Grondrechten van de Unie.’ Het is dan ook niet in het ‘hoger belang’ van de minderjarige om enkel het resultaat van een dubieuze en onvolledige medische test in overweging te nemen en geen psycho-affectieve test te voorzien, terwijl er daarenboven ook andere coherente elementen aanwezig zijn die het tegendeel bewijzen. Het staat derhalve vast dat met belangrijke gegevens geen rekening werd gehouden, niet de nodige onderzoeken werden uitgevoerd en niet de nodige inlichtingen werden gevraagd en dat de Dienst Voogdij zich enkel gefixeerd heeft op het resultaat van de medische test die onterecht wordt bestempeld als ‘ultiem’ bewijsmiddel. De leeftijdsbeslissing heeft vergaande gevolgen, niet enkel wordt men als meerderjarige beschouwd in het kader van de asielprocedure, maar ook wordt de geboortedatum op de bijlage 26 en in het administratief dossier aangepast aan het resultaat van de medische test zodat een compleet artificiële geboortedatum wordt weerhouden. In de hypothese dat verzoeker wordt erkend als vluchteling of het statuut van subsidiaire bescherming verkrijgt, betekent dit dat op zijn verblijfsdocumenten deze artificiële geboortedatum zal vermeld worden en deze totaal niet zal overeenkomen met de geboortedatum die hij volgens zijn verklaring heeft en die voorkomt op documenten die vaak later in de procedure worden bijgevoegd. De Dienst Voogdij springt dus zeer lichtzinnig om met leeftijdsbepaling in het kader van asielprocedures hetgeen voor verzoeker echter verregaande gevolgen heeft. In die zin werd er, zoals hierboven uiteengezet, geen rekening gehouden met het hoger belang van de minderjarige, en is er naast de schending van de motiveringsplicht, tevens schending van het zorgvuldigheid-beginsel en het redelijkheidsbeginsel. Om deze redenen dient de bestreden beslissing te worden nietig verklaard.” Beoordeling
  10. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de beslissing wordt vermeld. Te dezen vermeldt de bestreden beslissing dat de dienst Vreemdelingenzaken twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd en geeft ze de conclusie van het leeftijdsonderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is niet vereist dat wordt aangegeven waarom verzoekers voorgehouden leeftijd in twijfel werd getrokken noch dat het verslag van het medisch onderzoek aan verzoeker werd meegedeeld alvorens de bestreden beslissing werd genomen. Verzoeker toont ook niet aan dat hij geen kennis heeft kunnen nemen van dat verslag. Het enige middel is ongegrond wat betreft de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht, zoals deze ook is vastgelegd in de XIV-38.673-7/10 artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  11. Waar verzoeker in het middel onder meer voorhoudt dat met bepaalde feitelijke gegevens geen of onvoldoende rekening is gehouden, werpt hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het resultaat van het medisch onderzoek, dat uitdrukkelijk in die beslissing wordt vermeld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Verzoeker beperkt zich tot algemene kritiek op het medisch onderzoek, zonder in te gaan op de concrete vaststellingen en gevolgtrekkingen in XIV-38.673-8/10 de huidige zaak. Hij toont op die wijze niet aan dat de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of artikel 7, § 1, van de voogdijwet werd geschonden doordat de bestreden beslissing is gesteund op een medisch onderzoek waarvan blijkt dat het door de wet zelf is voorzien. Het enige middel is in die mate ongegrond.
  12. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziet weliswaar de mogelijkheid van psycho-affectieve tests, doch er is geenszins sprake van een verplichting bij het uitvoeren van een medisch onderzoek. Noch deze laatste bepaling, noch de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel is derhalve geschonden door het niet uitvoeren van psycho-affectieve tests nu de uitslag van het uitgevoerd medisch onderzoek duidelijk is en door verzoeker niet wordt ontkracht met de algemene bewering van het tegendeel. Het enige middel is in die mate ongegrond.
  13. Verzoeker kan niet dienstig verwijzen naar “het hoger belang van het kind” vermits met de bestreden beslissing net is vastgesteld dat hij de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en zijn kritiek tegen die beslissing ongegrond is bevonden. Artikel 17 van het Europees Sociaal Handvest bevat een algemeen geformuleerde sociale doelstelling tot het nastreven en verwezenlijken waarvan de lidstaten zich hebben verbonden. Het gaat niet om een voldoende nauwkeurig omschreven recht waarop de burgers zich kunnen beroepen. Derhalve heeft deze bepaling geen rechtstreekse werking in de Belgische interne rechtsorde. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. BESLISSING XIV-38.673-9/10
  14. De Raad van State verwerpt het beroep.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 140 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig april tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.673-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.609 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.