id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.650 Rolnummer: A. 233584/VII-41104 Zaak: Arrest 253650 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 06:47 Fiche Arrest nr 253.650 van 5 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.650 van 5 mei 2022 in de zaak A. é.584/VII-41.104 In zake : de NV GOPLUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Jan VAN DEN BRANDT
- Thijs VANGOIDSENHOVEN
- Roger VERBEEK
- Marie-Claire LUTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de VZW KRISTELIJK MEDICO-SOCIAAL LEVEN (KMSL) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joëlle Gillemot kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0800 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 25 maart 2021 in de zaak 2021-RvVb-0081-A. VII-41.104-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 juni
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De vzw Kristelijk Medico-Sociaal Leven (KMSL) heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 10 februari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de verwerende partijen en advocaat Joram Maes, die loco advocaten Reiner Tijs en Joëlle Gillemot verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.104-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 14 maart 2019 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout (hierna: college) aan de nv Goplus een omgevingsvergunning “voor het bouwen van 50 appartementen (verspreid over 6 gebouwen) met ondergrondse parking en de aanleg van openbaar domein (na afbraak van bestaande gebouwen en constructies)”.
- De deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) willigt op 24 oktober 2019 het administratief beroep tegen deze vergunningsbeslissing van het college in en weigert de omgevingsvergunning.
- Bij arrest nr. RvVb-A-1920-1156 van 25 augustus 2020 vernietigt de RvVb op vordering van de nv Goplus de vergunningsbeslissing van de deputatie na de gegrondverklaring van het enig middel en navolgende overwegingen: “
- De enkele vaststelling dat het vergunningverlenend bestuursorgaan een nieuwe beslissing heeft genomen buiten de decretaal voorgeschreven vervaltermijn, moet tot de vaststelling leiden dat de [deputatie] de vervaltermijn heeft overschreden, waardoor de nieuwe beslissing is aangetast door bevoegdheidsoverschrijding. Wanneer de vervaltermijn waarbinnen de [deputatie] een nieuwe beslissing diende te nemen, is verstreken, moet het administratief beroep overeenkomstig artikel 66, § 3, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet worden geacht stilzwijgend te zijn afgewezen. Het verstrijken van vermelde termijn, waardoor de bevoegdheid van de [deputatie] zonder meer is uitgeput, houdt van rechtswege het rechtsgevolg in dat de [deputatie] in het kader van het ingesteld administratief beroep geen uitdrukkelijke vergunningsbeslissing meer kon nemen maar dat het besluit overeenkomstig artikel 66, § 3, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet en artikel 79 van het Omgevingsvergunningsbesluit nog diende bekend te worden gemaakt. VII-41.104-3/14
- Uit het voorgaande volgt dat de Raad de [deputatie] niet kan bevelen om binnen een welbepaalde termijn een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep van de verzoekende partij. Er ligt immers, overeenkomstig artikel 66, § 3, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet, een beslissing voor, namelijk een stilzwijgende beslissing waarmee het administratief beroep van de belanghebbenden wordt geacht te zijn afgewezen. In zoverre de stilzwijgende beslissing tot op heden nog niet conform het Omgevingsvergunningsdecreet en Omgevingsvergunningsdecreet werd bekendgemaakt, heeft de termijn waarbinnen men zich bij de Raad in rechte kan verzetten tegen een dergelijke stilzwijgende beslissing, nog geen aanvang genomen”.
- De deputatie geeft op 25 september 2020 aan Van Den Brandt e.a. kennis van de stilzwijgende beslissing. Deze kennisgeving vermeldt het volgende: “Gelet op het arrest 1920-RvVb-0248-A van 25 augustus 2020 waarbij de Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelde dat de beslissing een stilzwijgende beslissing had moeten zijn omdat de beslissingstermijn overschreden werd. De Deputatie heeft over het ingestelde beroep, aldus de Raad voor Vergunningsbetwistingen, geen beslissing genomen binnen de vereiste termijn, die wordt bepaald door artikel 66 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Hierdoor wordt het beroep geacht te zijn afgewezen en wordt de bestreden beslissing van het college van burgemeester en schepenen als definitief aanzien. Tegen deze beslissing kan beroep worden ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen …..”.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van Van Den Brandt e.a. “de stilzwijgende beslissing van de [deputatie] van 4 september 2020 waarbij het beroep van [Van Den Brandt e.a.] tegen de vergunningsbeslissing van het [college] stilzwijgend wordt afgewezen” en beveelt de deputatie “een nieuwe beslissing te nemen over het administratief beroep van [Van Den Brandt e.a.] en dit binnen een termijn van drie maanden” na: VII-41.104-4/14 – verwerping van de exceptie van de nv Goplus van onontvankelijkheid van de vordering van Van Den Brandt e.a. “louter tegen de stilzwijgende beslissing van de deputatie” en niet “tegen de definitieve omgevingsvergunning van 14 maart 2019”; – “onderzoek van de behandeling in korte debatten”, de gegrondverklaring van het enige middel wegens “schending van de motiveringsplicht” en omdat “de toets van het aangevraagde project met de verenigbaarheid ervan met de goede ruimtelijke ordening als kennelijk onredelijk hetzij kennelijk onzorgvuldig [dient] te worden aangemerkt”. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep Exceptie Van Den Brandt e.a.
- Van Den Brandt e.a. werpen op dat de nv Goplus “geen belang [heeft] bij de ingeroepen middelen aangezien het aangevoerde geschilpunt reeds op definitieve wijze beslecht is in de onderlinge rechtsverhouding tussen partijen” door voormeld arrest nr. RvVb-A-1920-1156 van 25 augustus 2020 van de RvVb waaruit blijkt dat zij “zich [niet] nuttig zouden hebben kunnen verzetten tegen de vergunningsbeslissing van 14.03.2019” gelet op de overweging: “In zoverre de stilzwijgende beslissing tot op heden nog niet conform het Omgevingsvergunningsdecreet en Omgevingsvergunningsdecreet werd bekendgemaakt, heeft de termijn waarbinnen men zich bij de [RvVb] in rechte kan verzetten tegen een dergelijke stilzwijgende beslissing, nog geen aanvang genomen”. Beoordeling
- Het gezag van gewijsde van arrest nr. RvVb-A-1920-1156 van 25 augustus 2020 van de RvVb strekt zich uit tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven die uitspraak doen over de tijdens het rechtsgeding voor de RvVb betwiste rechtspunten waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. VII-41.104-5/14
- De door Van Den Brandt e.a. aangehaalde overweging uit het bestreden arrest doet geen uitspraak over de tijdens dit rechtsgeding voor de RvVb betwiste rechtspunten waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.
- De exceptie wordt verworpen. Het cassatieberoep is ontvankelijk. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt nv Goplus
- De nv Goplus voert de schending aan van artikel 2, 4°, 66, § 3 en 105, § 1 van het decreet ‘betreffende de omgevingsvergunning' (hierna: OVD). Zij betoogt dat: – zij in haar nota met opmerkingen in het kader van de korte debatten voor de RvVb een exceptie van onontvankelijkheid heeft opgeworpen aangezien het “vernietigingsberoep […] enkel gericht [is] tegen de stilzwijgende beslissing van de deputatie […] terwijl [Van Den Brandt e.a.] de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing […] dienden aan te vechten”, dat “enkel wettigheidskritiek werd geformuleerd tegen de stilzwijgende beslissing tot afwijzing van het administratief beroep” en “geen wettigheidskritiek ten aanzien van de in eerste administratieve aanleg verleende omgevingsvergunning”; – zoals zij heeft aangevoerd voor de RvVb, uit de samenlezing van de aangevoerde decretale bepalingen volgt dat de deputatie bij termijnoverschrijding over geen enkele bevoegdheid meer beschikt om zich uit te spreken over haar vergunningsaanvraag “nu de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing haar rechtskracht volledig heeft hernomen en dan ook geacht moet worden in VII-41.104-6/14 eerste en meteen ook laatste administratieve aanleg te zijn genomen” en dat zij erop heeft gewezen dat Van Den Brandt e.a. “zich enkel op ontvankelijke wijze tot de [RvVb] konden wenden in zoverre het beroep was ingesteld tegen de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing, wat impliceert dat de [RvVb] hierover rechtsmacht heeft”; – het Grondwettelijk Hof “over dit geschilpunt reeds uitspraak heeft gedaan en heeft geoordeeld dat het decretaal voorzien regime van de stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep bij termijnoverschrijding grondwettelijk is, omwille van de premisse dat de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing kan worden aangevochten bij de [RvVb]” en dat de RvVb “gebonden is door de rechtspunten die beslecht zijn geweest in een verwerpingsarrest op rechtstreeks beroep”; – het bestreden arrest een draagwijdte geeft aan de aangevoerde decretale bepalingen die het niet heeft, “[d]oor de exceptie van onontvankelijkheid te verwerpen, door te beweren dat de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing na stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep bij termijnoverschrijding geen aanvechtbare vergunningsbeslissing is in de zin van artikel 105, § 1 OVD, maar enkel de stilzwijgende afwijzingsbeslissing op grond van artikel 105, § 1 OVD aanvechtbaar is bij de [RvVb]”; – het “bestreden arrest […] niet naar recht verantwoord” is aangezien een in eerste administratieve aanleg genomen beslissing na overschrijding van de beslissingstermijn in graad van beroep definitief is en tegen deze beslissing geen administratief beroep meer mogelijk is “wat betekent dat de devolutieve werking van het administratief beroep niet meer speelt en de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing geacht wordt in laatste administratieve aanleg te zijn verleend, waarover de [RvVb] rechtsmacht heeft”. Zij voegt toe dat: – “het bestreden arrest een niet naar recht verantwoorde draagwijdte [geeft] aan voormelde bepalingen door aan het definitief karakter van zulke vergunningsbeslissing slechts de kenmerken van ‘het blijven bestaan in het VII-41.104-7/14 rechtsverkeer’ en ‘het al dan niet beschikken over een uitdrukkelijke en uitvoerbare omgevingsvergunning’ toe te schrijven, ofschoon het definitieve karakter van een vergunningsbeslissing conform artikel 66, § 3, lid 2 OVD juncto artikel 2, 4° OVD inhoudt dat er tegen deze beslissing ‘geen georganiseerd beroep meer kan worden ingesteld’” en deze wettelijke omschrijving “geheel verschillend [is] dan wat de [RvVb] slechts aan een ‘definitieve beslissing’ toeschrijft”; – het bestreden arrest is om dezelfde reden “niet naar recht verantwoord” waar het overweegt dat “de beslissing in eerste aanleg slechts ten volle een ‘definitief karakter’ verkrijgt wanneer de stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep niet binnen de beroepstermijn bij de [RvVb] wordt bestreden” en dat binnen deze beroepstermijn “het definitieve karakter van de vergunningsbeslissing in eerste aanleg slechts precair” is. Beoordeling
- De RvVb verwerpt de exceptie van de nv Goplus waarin zij “de ontvankelijkheid van het beroep [betwist] omdat het enkel gericht is tegen de stilzwijgende weigeringsbeslissing van de [deputatie] en omdat [Van Den Brandt e.a.] niet tevens de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing van het college […] aanvechten of hebben aangevochten” op grond van volgende overwegingen: – de RvVb “kan zich enkel uitspreken over de bestuurlijke beslissingen die uitdrukkelijk aan zijn rechtsmacht zijn toegewezen”; – volgens artikel 105, § 1 OVD kan enkel beroep bij de RvVb worden ingesteld “tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunning wanneer die in laatste administratieve aanleg is genomen”; – “[h]et begrip ‘in laatste administratieve aanleg’ heeft betrekking op het geval waarin een vergunningsbeslissing enkel nog kan worden bestreden met een beroep bij de rechter, maar niet meer via een beroep bij een administratieve overheid” zodat artikel 105 OVD de RvVb “niet toe[laat] om zich uit te spreken over vergunningsbeslissingen die werden genomen in eerste administratieve aanleg”; VII-41.104-8/14 – nv Goplus leest onterecht “in artikel 66, § 3 [OVD], impliciet dan wel uitdrukkelijk, een rechtsmachtstoewijzing aan de [RvVb]” aangezien “[n]och uit de tekst van het decreet noch uit de voorbereidende werken kan worden afgeleid dat de decreetgever met die bepaling de vergunningsbeslissing in eerste aanleg aan de rechtsmacht van de [RvVb] heeft willen toewijzen” en “[n]iet artikel 66, § 3 maar wel artikel 105 [OVD] […] de rechtsmacht van de [RvVb]” bepaalt; – het principe dat de beslissing over het administratieve beroep die de deputatie als beroepsinstantie bij toepassing van artikel 63 OVD neemt, in de plaats treedt van de vergunningsbeslissing in eerste administratieve aanleg, die uit het rechtsverkeer verdwijnt, nuanceert artikel 66, § 3, tweede lid OVD “voor het geval waarin het georganiseerd bestuurlijk beroep stilzwijgend wordt afgewezen” omdat “volgens die bepaling de vergunningsbeslissing in eerste aanleg definitief” wordt; – het definitieve karakter dat artikel 66, § 3 OVD aan de vergunningsbeslissing in eerste aanleg toeschrijft, maakt er “geen aanvechtbare vergunningsbeslissing in de zin van artikel 105, § 1 [OVD] van” maar “heeft alleen tot gevolg dat die beslissing in het rechtsverkeer blijft bestaan en de vergunningsaanvrager, afhankelijk van die beslissing, al dan niet beschikt over een uitdrukkelijke en uitvoerbare omgevingsvergunning” en blijft “enkel de stilzwijgende afwijzing van het beroep op grond van artikel 105 van het decreet aanvechtbaar bij de [RvVb]”; – uit artikel 66, § 3, tweede lid en artikel 105 OVD volgt “dat de beslissing in eerste aanleg slechts ten volle een ‘definitief karakter’ verkrijgt wanneer de stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep niet binnen de beroepstermijn bij de [RvVb] wordt bestreden”; – “het definitieve karakter van de vergunningsbeslissing in eerste aanleg [is] slechts precair” wanneer “een vordering tot vernietiging [wordt] ingesteld [bij de RvVb] tegen de stilzwijgende afwijzingsbeslissing” aangezien de vernietiging van deze laatste beslissing tot gevolg heeft dat deze geacht wordt nooit te hebben bestaan, de stilzwijgende afwijzingsbeslissing uit de rechtsorde wordt gehaald en de beslissingsbevoegdheid van de deputatie opnieuw wordt geactiveerd “waardoor de devolutieve werking van het administratief beroep terug ten volle geldt en artikel 66, § 3, tweede lid [OVD] geen uitwerking meer heeft”; – de verwijzing naar artikel 2, 4° OVD doet niet anders besluiten; VII-41.104-9/14 – in arrest nr. 125/2016 van het Grondwettelijk Hof van 6 oktober 2016 wordt geen uitspraak gedaan “over voorliggend geschilpunt” maar enkel “over de aangevoerde ongrondwettigheid van artikel 66, § 3 en artikel 105, § 1 OVD”.
- Artikel 105, § 1, 1° OVD bepaalt dat “de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunningsaanvraag genomen in laatste administratieve aanleg” kan worden bestreden bij de RvVb. Artikel 66, § 3, tweede lid OVD bepaalt dat als geen beslissing in administratief beroep is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn, wordt het administratief beroep of worden de administratieve beroepen geacht te zijn afgewezen en wordt de met het administratief beroep of de administratieve beroepen bestreden beslissing genomen in eerste administratieve aanleg “als definitief aanzien” (Parl.St. Vl.Parl. 2013-14, nr. é4/1, 49). Luidens artikel 2, eerste lid, 4° OVD is een “definitieve beslissing” een beslissing waartegen geen georganiseerd beroep meer kan worden ingesteld.
- Luidens: – artikel 15, § 1, laatste lid, OVD is het college van burgemeester en schepenen voor zijn ambtsgebied in eerste administratieve aanleg bevoegd voor aanvragen over gemeentelijke projecten en andere gevallen dan deze waarvoor de Vlaamse regering of de deputatie in eerste administratieve aanleg bevoegd is; – artikel 32, § 1 en § 4 OVD neemt de bevoegde overheid in de gewone vergunningsprocedure in eerste administratieve aanleg een beslissing binnen de bepaalde termijn en wordt de omgevingsvergunning geacht te zijn geweigerd als geen beslissing is genomen binnen de vastgestelde of in voorkomend geval verlengde termijn; VII-41.104-10/14 – artikel 52 OVD is de deputatie voor haar ambtsgebied bevoegd in laatste administratieve aanleg voor beroepen tegen uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissingen van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg.
- In arrest nr. 125/2016 van 6 oktober 2016 overweegt het Grondwettelijk Hof: – aangaande de aangevoerde schending van de standstill-verplichting in artikel 23 van de Grondwet dat, zelfs indien kan worden aangenomen dat het invoeren van een stilzwijgende weigering in het kader van het administratief beroep tegen een omgevingsvergunning in vergelijking met de eerdere regeling een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau zou behelzen, inzonderheid voor wat door leden van het betrokken publiek ingestelde beroepen tegen beslissingen tot toekenning van de omgevingsvergunning in eerste administratieve aanleg betreft, zulks kan verantwoord worden door redenen die verband houden met het algemeen belang, meer bepaald 1) de rechtszekerheid die gediend wordt door de strikte vervaltermijnen in het milieu- en stedenbouwrecht en 2) de ten gevolge daarvan definitief geworden, in eerste administratieve aanleg genomen beslissing kan alsnog bestreden worden bij de RvVb; – aangaande de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel dat gelet op de bewoordingen in artikel 66, § 3, laatste lid OVD, niet kan aangenomen worden dat in het kader van het administratief beroep, als gevolg van de devolutieve werking ervan, de stilzwijgende beslissing tot verwerping van het beroep volledig in de plaats zou komen van de beslissing die werd genomen in eerste administratieve aanleg en dat derhalve de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing kan worden bestreden bij de RvVb.
- Uit wat voorafgaat volgt dat: – de met een administratief beroep bestreden uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg “als VII-41.104-11/14 definitief aanzien” wordt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de deputatie in laatste administratieve aanleg een uitdrukkelijke beslissing moet nemen; – de als definitief aangeziene uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen in eerste administratieve aanleg en niet in laatste administratieve aanleg werd genomen; – artikel 66, § 3 tweede lid, OVD de devolutieve werking van het georganiseerd administratief beroep nuanceert in geval van een krachtens het decreet tussengekomen afwijzing van een administratief beroep door daaraan het gevolg te koppelen dat de met het administratief beroep bestreden uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg genomen beslissing “als definitief [wordt] aanzien”; – in dat geval er in de rechtsorde twee beslissingen bestaan: enerzijds een krachtens het decreet stilzwijgende beslissing in laatste administratieve aanleg en anderzijds een uitdrukkelijke beslissing in eerste administratieve aanleg die als definitief moet worden aangezien; – artikel 105, § 1 OVD op limitatieve wijze bepaalt welke beslissingen bij de RvVb kunnen worden bestreden en dat is onder meer de stilzwijgende beslissing betreffende een omgevingsvergunningsaanvraag, genomen in laatste administratieve aanleg; – in voorkomend geval de deputatie “de verweerder” (artikel 15, 19, 58, 59, 74, 77, 78 van het besluit van 16 mei 2014 van de Vlaamse regering ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’) is die door de stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep de motieven voor de uitdrukkelijke vergunningverlening in eerste administratieve aanleg tot de hare heeft gemaakt; – het beroep van de verzoeker tegen de stilzwijgende afwijzing van het administratief beroep middelen moet uiteenzetten tegen de motieven voor de uitdrukkelijke vergunningverlening in eerste administratieve aanleg die de verweerder stilzwijgend tot de hare heeft gemaakt.
- Het bestreden arrest dat de exceptie van onontvankelijkheid “van het ingestelde beroep” dat “zich louter [keert] tegen de stilzwijgende VII-41.104-12/14 beslissing van de deputatie” en “niet […] tegen de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing” verwerpt, schendt de samen gelezen artikelen 2, eerste lid, 4°, 66, § 3, tweede lid en 105, § 1, 1° OVD.
- Er is geen grond om de overige middelen te onderzoeken aangezien ze niet tot een ruimere vernietiging of een vernietiging zonder verwijzing kunnen leiden. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2021-0800 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 25 maart 2021 in de zaak 2021-RvVb-0081-A.
- Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van de vernietigde beslissing.
- De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen.
- De verwerende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.104-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.104-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div