← België

Arrest 253651 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.651 Rolnummer: A. 233811/VII-41137 Zaak: Arrest 253651 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 06:47 Fiche Arrest nr 253.651 van 5 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.651 van 5 mei 2022 in de zaak A. é.811/VII-41.137 In zake :

  1. de STAD AALST
  2. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD AALST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW RED DE ERPE- EN SIESEGEMKOUTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen De Staercke kantoor houdend te 9550 Hillegem Dries 77 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0910 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 22 april 2021 in de zaak 1920-RvVb-0421-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 juni
  5. VII-41.137-1/7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 15 december 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april
  6. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Jürgen De Staercke, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. Op 9 januari 2020 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) een omgevingsvergunning voor “het VII-41.137-2/7 aanleggen van infraststructuur- en wegeniswerken bij het regionaal bedrijventerrein Siesegem (fase 1A)”.
  9. Het bestreden arrest: – verklaart het derde middel van de vzw Red de Erpe- en Siesegemkouter na de conclusie “dat het college van burgemeester en schepenen oordeelde over een eigen gemeentelijk project en handelde in strijd met artikel 15/1, lid 1 van het omgevingsvergunningsdecreet” gegrond, – vernietigt de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie, en – stelt het bestreden arrest “in de plaats van de bestreden beslissing en weigert […] een omgevingsvergunning voor het aanleggen van infrastructuur- en wegeniswerken bij het regionaal bedrijventerrein Siesegem (fase 1A)”. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt stad Aalst en het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst (hierna: stad Aalst)
  10. De stad Aalst voert de schending aan van artikel 15/1 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet). Zij betoogt dat – artikel 15/1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet “in deze geen toepassing” vindt. De vergunningsaanvraag ging uit van het samenwerkingsverband ‘AGSA – Cordeel Temse – VDS Consult’ en niet van de stad Aalst of het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst; – artikel 15/1 van het omgevingsvergunningsdecreet duidelijk is en geen interpretatie vergt. Het college van burgemeester en schepenen (hierna: college) was niet de aanvrager en zelfs al zou de RvVb terecht hebben geoordeeld dat het college als één van de initiatiefnemers van het omgevingsproject moet beschouwd worden, “quod non, dan nog moet vastgesteld worden dat niet voldaan is aan de VII-41.137-3/7 voorwaarde dat het college […] ook effectief als aanvrager is opgetreden”. De draagwijdte die de RvVb aan artikel 15/1, eerste lid, van het omgevingsvergunningsdecreet geeft, “zou er […] toe leiden dat de vergunningverlenende overheid bij elke project-MER-plichtige aanvraag […], moet nagaan in welke mate het college […] een […] aandeel heeft in het aangevraagde omgevingsproject”; – artikel 15/1, eerste lid van het omgevingsvergunningsdecreet als uitzonderingsbepaling strikt geïnterpreteerd moet worden. “Door het toepassingsgebied van de verbodsbepaling te verruimen tot situaties die niet voorzien zijn in artikel 15/1, eerste lid omgevingsvergunningsdecreet, heeft de RvVb deze bepaling miskend”; – “geen richtlijnconforme interpretatie contra legem mogelijk” is terwijl de RvVb “[d]eze grens” heeft “overschreden” doordat de RvVb “artikel 15/1, eerste lid omgevingsvergunningsdecreet zo interpreteert dat het verbod voor het college van burgemeester en schepenen ook geldt indien ze enkel (mede) initiatiefnemer, maar niet de (mede) omgevingsvergunningsaanvrager is van het project”; – het Autonoom Gemeentebedrijf van de stad Aalst (AGSA) “is geenszins gelijk te stellen met het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst”. AGSA kan niet vereenzelvigd worden met het college door de eigen rechtspersoonlijkheid, de functionele scheiding, de samenstelling van de raad van bestuur conform artikel 235 van het decreet lokaal bestuur bestaande uit gemeenteraadsleden en onafhankelijken, de beschikking over een eigen vermogen, eigen personeel en een verregaande onafhankelijkheid om zelfstandig overeenkomsten te sluiten en in rechte op te treden. Beoordeling
  11. De RvVb oordeelt in het bestreden arrest op onaantastbare wijze dat de bestreden vergunningsbeslissing “voor het project [waarvoor] een milieueffectrapport moet worden opgesteld en er geen ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen”, betrekking heeft op “een eigen gemeentelijk project dat geïnitieerd wordt door de stad”. VII-41.137-4/7
  12. In zoverre de stad Aalst argumenteert dat artikel 15/1, eerste lid van het omgevingsvergunningsdecreet “in deze geen toepassing” vindt, “duidelijk […] geen interpretatie” vergt, “als uitzonderingsbepaling strikt geïnterpreteerd [moet] worden”, dat “geen richtlijnconforme interpretatie contra legem mogelijk” is en dat AGSA “geenszins gelijk te stellen [is] met het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst”, is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.
  13. Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
  14. Het middel dat aanvoert dat het college “niet de aanvrager” is en dat “niet voldaan is aan de voorwaarde dat het college […] ook effectief als aanvrager is opgetreden”, noopt de Raad van State tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling van de RvVb van het verweer van de stad tegen het middel van de vzw Red De Erpe- en Siesegemkouter. Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk.
  15. Artikel 15/1, eerste lid van het omgevingsvergunningsdecreet luidt: “Voor de kennisneming van en de beslissing over een vergunningsaanvraag voor een project of voor de verandering van een project, waarvoor overeenkomstig artikel 15 het college van burgemeester en schepenen bevoegd is, is evenwel de deputatie bevoegd als voldaan is aan volgende twee voorwaarden: 1° voor het project moet een milieueffectrapport worden opgesteld en is er geen ontheffing van de rapportageverplichting verkregen; 2° het college van burgemeester en schepenen is initiatiefnemer en aanvrager van het project”. VII-41.137-5/7
  16. Het bestreden arrest dat concludeert dat “het college van burgemeester en schepenen oordeelde over een eigen gemeentelijk project en […] in strijd [handelde] met artikel 15/1, lid 1 van het omgevingsvergunningsdecreet” omdat de stad Aalst “kan beschouwd worden als mede-aanvrager en initiatiefnemer van het project”, miskent niet de draagwijdte van de voorwaarde in artikel 15/1, eerste lid, 2° van het omgevingsvergunningsdecreet of verruimt niet het toepassingsgebied van deze voorwaarde tot situaties die daar niet in zijn voorzien.
  17. Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  19. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter VII-41.137-6/7 Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.137-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.