id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.652 Rolnummer: A. 234117/VII-41171 Zaak: Arrest 253652 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 05/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-14 02:46 Fiche Arrest nr 253.652 van 5 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.652 van 5 mei 2022 in de zaak A. 234.117/VII-41.171 In zake :
- Angelo WALRAVEN
- Elisabeth MULDERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Nick Parthoens kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Reginald SCHREINEMACHER
- Marc SCHREINEMACHER
- Julie SCHREINEMACHER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Sarah Houben kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1095 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 10 juni 2021 in de zaak 1920-RvVb-0576-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 augustus
- VII-41.171-1/13 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 27 januari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valérie Vandecaetsbeek, die loco advocaten Koen Geelen en Nick Parthoens verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Wim Mertens, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 19 februari 2020 verleent de deputatie van de provincieraad van Limburg (hierna: deputatie) een stedenbouwkundige vergunning aan Walraven – Mulders voor “de bouw van een woning”. VII-41.171-2/13
- Het bestreden arrest: – verklaart het eerste en het zesde middel van Schreinemacher cons. “gegrond met betrekking tot de schending van de artikelen 2.1.3.1 en 2.1.4.2 Verkavelingsvoorschriften en artikel 4.4.1 VCRO” , – vernietigt de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie, en – stelt het bestreden arrest “in de plaats van de bestreden beslissing en weigert een stedenbouwkundige vergunning voor de bouw van een woning”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Walraven en Mulders hebben een “verzoek tot voortzetting” ingediend waarin zij repliceren op het auditoraatsverslag. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van Walraven en Mulders. Dit procedurestuk waarin zij onder meer de “[w]eerlegging van het standpunt van” de auditeur opnemen wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. Voor zover het daarnaast de neerslag vormt van de uiteenzetting van Walraven en Mulders ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van het enige middel Standpunt Walraven en Mulders
- Walraven en Mulders voeren machtsoverschrijding aan en de schending van artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 4.3.1 en 4.4.1 van de VII-41.171-3/13 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna:VCRO) en “de artikelen 2.1.3.1, 2.1.3.2, 2.1.4.2 en 2.3.3 van de verkavelingsvergunning van 5 mei 2009; Doordat, eerste onderdeel, de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de geveluitsprong in de aanvraag van de verzoekende partijen strijdig is met artikel 2.1.4.2 van de verkavelingsvergunning van 5 mei 2009 omdat zij niet het daarin vermelde type constructie zou zijn zonder te oordelen of hiervoor een afwijking kan worden verleend; Doordat, tweede onderdeel, de Raad voor de vergunningsbetwistingen oordeelt dat de afrit naar de kelder en een lichtkoker een schending zijn van de artikelen 2.1.3.1 en 2.1.4.2 van de verkavelingsvergunning van 5 mei 2009 omdat zij niet het daarin vermelde type constructie zijn, waarvan zij meent dat geen afwijking kan worden verleend; Terwijl, artikel 149 Gw. de rechter de verplichting oplegt om zijn rechterlijke uitspraak correct te motiveren; En terwijl, artikel 4.4.1 VCRO afwijkingen op een verkavelingsvergunning toelaat voorzover het niet gaat om een wijziging van de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen, zodat de motivering dat een bepaalde afwijking niet overeenstemt met de vermelde constructie geen reden is om een afwijking niet toe te staan. En terwijl de in het middel aangehaalde bepalingen uit de verkavelingsvergunningen minstens de geveluitsprong mogelijk maken en het bestreden arrest hieromtrent inherent tegenstrijdig is”. Zij lichten toe: “
- Het middel peilt naar de wettigheid van de 2 kernmotieven waarop het bestreden arrest is gevestigd. Deze kernmotieven hebben betrekking op de 2 constructieve elementen in de aanvraag waarvan het bestreden arrest oordeelt dat zij niet stroken met de verkavelingsvergunning en die de reden zijn waarom de beslissing van de Deputatie wordt vernietigd.
- Het gaat om de volgende 2 constructieve elementen: • Een volume-uitsprong in de linkerzijgevel van het hoofdgebouw De motieven m.b.t. deze uitsprong zijn in het bestreden arrest terug te vinden in randnummer 7 van het arrest. Samengevat oordeelt de Raad: - dat deze uitsprong voldoet aan de in de verkaveling toegelaten maximale maat van 0m80 VII-41.171-4/13 - dat de motivering van de Deputatie voldoende is om deze uitsprong als beperkt te verantwoorden - dat niet blijkt waarom deze uitbouw een uitsprong is conform artikel 2.1.4.2, aangezien het eerder een (beperkte) volume-uitbreiding vormt Uit de motieven van het arrest blijkt niet waarom er hiervoor geen afwijking conform artikel 4.4.1 VCRO kan worden verleend. • Een afrit naar de kelder en een lichtkoker achteraan tegen het hoofdgebouw De motieven m.b.t. deze uitsprong zijn in het bestreden arrest terug te vinden in randnummer 8 van het arrest. Samengevat oordeelt de Raad daaromtrent: - Dat deze constructies volgens de verkaveling liggen in de strook voor private tuin - Dat in deze zone enkel tuinbergingen, tuinhuisjes toegelaten zijn - Dat de aangevraagde constructies geen dergelijke constructies zijn - Terwijl voor de bouw van een niet-toegelaten constructie geen afwijking kan verleend worden conform artikel 4.4.1, §1 VCRO.
- In dit middel zullen de onwettigheden m.b.t. deze 2 kernmotieven toegelicht worden. Het middel wordt aldus ontwikkeld: • De verzoekende partijen zullen vooreerst de bepalingen duiden waarvan zij een schending aanvoeren (onder punt 4.2.1); • Vervolgens deze beginselen toepassen t.o.v. het bestreden arrest (onder punt 4.2.2) waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen de motieven m.b.t. de uitsprong (eerste onderdeel – punt 4.2.2.1) en de motieven m.b.t. de afrit naar de kelder en de lichtkoker (tweede onderdeel – punt 4.2.2.2).
- De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft in het bestreden arrest tot vernietiging en definitieve weigering van de vergunning besloten op grond van het eerste en zesde middel van de verzoekende partijen.
- In deze middelen kaartten de verzoekende partijen voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen aan dat de vernietigde vergunning van 19 februari 2020 drie constructies buiten de bouwzone toeliet, nl.: de lichtkoker voor daglicht aan de speel- en hobbykamer, de toegang tot de kelderruimte en de volume-uitsprong in de linkerzijgevel van het hoofdgebouw.
- De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft geoordeeld dat deze constructies inderdaad niet als beperkte afwijkingen van de verkavelingsvoorschriften beschouwd kunnen worden.
- Dit oordeel strijdt met de tekst van de verkavelingsvoorschriften. Er kon wel degelijk op grond van artikel 4.4.1 VCRO regelmatig worden afgeweken van de verkavelingsvoorschriften.
- De verzoekende partijen zullen hierna uiteenzetten dat het onjuist is om te stellen dat de aangehaalde constructies strijden met de verkavelingsvoorschriften ter plaatse; minstens betreffen het toelaatbare afwijkingen. Wat de tekst van de verkavelingsvoorschriften betreft, verwijzen de verzoekende partijen naar hun uiteenzetting onder titel 4.2.1.2 hierboven.
- M.b.t. de volume-uitsprong is het arrest behept met 3 kennelijke gebreken die leiden tot de onwettigheid van het arrest. VII-41.171-5/13
- Het eerste gebrek ligt in de schending van artikel 2.1.4.2 van de verkavelingsvoorschriften, laatste gedachtenstreepje, waarin uitsprongen in het hoofdvolume worden toegelaten voor zover ze het concept niet ondermijnen (maximaal 0.80m), beperkt zijn (balkon, luifels, inkomen, ramen …) en architecturaal een geïntegreerd onderdeel vormen van het hoofdgebouw.
- Het arrest zelf aanvaardt dat de eerste voorwaarde (maximaal 0m80) vervuld is. Het arrest stelt ook letterlijk dat de Deputatie het beperkt karakter correct motiveert, zodat ook de tweede voorwaarde vervuld is. De derde voorwaarde komt in het arrest niet aan bod.
- Hieruit volgt dat het bestreden arrest zelf concludeert dat de voorwaarden van artikel 2.1.4.2 vervuld zijn, zodat het arrest niet kon oordelen dat de vergunning omwille van deze uitsprong niet mocht verleend worden.
- Het tweede gebrek ligt evenzeer in de schending van artikel 2.1.4.2 en houdt verband met de reden waarom het arrest de vergunning niet verleent. Het arrest meent dat uit de beslissing van de Deputatie niet blijkt dat de te vergunnen uitsprong geen uitsprong is, zoals bepaald in artikel 2.1.4.2 van de verkavelingsvoorschriften, omdat het een (beperkte) volume-uitbreiding is van ruimtes op de eerste verdieping.
- Het valt niet in te zien waarom daaruit zou moeten volgen dat de uitsprong niet in overeenstemming zou zijn met artikel 2.1.4.2: • Ten eerste zijn de daarin vermelde constructies allemaal volume-uitbreidingen • Ten tweede is per definitie elke uitsprong een volume-uitbreiding • Ten derde is duidelijk dat de constructies vermeld in artikel 2.1.4.2 enkel gelden ten titel van voorbeeld, zodat er nog andere volume-uitbreidingen dan de vermelde constructies conform zijn aan artikel 2.1.4.
- En het laatste gebrek vormt de schending van artikel 4.4.1 VCRO. In zijn arrest heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet onderzocht waarom -als de uitsprong al geen uitsprong is in de zin van artikel 2.1.4.2- er voor de aangevraagde uitsprong niet kan afgeweken worden van artikel 2.1.4.
- Op het eerste gezicht is de beweerde afwijking immers geen volgens artikel 4.4.1 VCRO verboden afwijking.
- Elk van de drie vermelde motiveringsgebreken is op zichzelf voldoende om het arrest te verbreken.
- Bovendien heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich met haar motieven uitgesproken over de opportuniteit van de beslissing. De beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van een tolerantiegrens in een verkavelingsvergunning, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. De Raad voor Vergunningsbetwistingen is in het bestreden arrest dan ook zijn bevoegdheid te buiten gegaan en heeft zijn interpretatie van de verkavelingsvoorschriften en de inpasbaarheid van de aanvraag van de verzoekende partijen met de toleranties ingebouwd in de verkaveling en de algemene mogelijkheid tot afwijking gegrond op artikel 4.4.1 VCRO in de plaats gesteld van het oordeel van de Deputatie. VII-41.171-6/13
- M.b.t. de lichtkoker en de afrit naar de kelder is de motivering van het arrest behept met één gebrek volgend uit de schending van artikel 4.4.1 VCRO.
- Het arrest meent dat de aanvraag moet worden vernietigd omdat deze constructies niet voldoen aan de in de tuinzone toegelaten bebouwing. Volgens de verkavelingsvoorschriften zijn in deze zone enkel tuinbergingen, tuinhuisjes en dergelijke toegelaten.
- Naar het oordeel van de Raad is de aard van de aangevraagde constructie geen dergelijke constructie, zodat deze constructie niet kan toegelaten worden op grond van de in artikel 4.4.1 VCRO bedoelde toelaatbare afwijkingen.
- De Raad geeft daarmee een verkeerde toepassing van artikel 4.4.1 VCRO aangezien deze bepaling een afwijking enkel onmogelijk maakt wat de bestemming betreft, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen.
- De aard van de constructie hoort niet tot de verboden afwijkingen vermeld in artikel 4.4.1 VCRO, zodat niet valt in te zien waarom er niet van het betrokken verkavelingsvoorschrift in artikel 2.3.3 zou kunnen worden afgeweken.
- Hiermee geeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen een eigen interpretatie aan de verkavelingsvergunning, die daar niet uit volgt.
- Bovendien moet de tuinzone m.n. niet worden beschouwd als een essentieel bouwvrije zone. Er zijn minstens 2 bepalingen aan te duiden waaruit volgt dat gebouwen in de tuinzone kunnen opgetrokken worden: • De tolerantiemarge die artikel 2.1.4.2 van de voorschriften vastlegt. Deze tolerantiemarge wordt uiteraard gecreëerd in de zone voor private tuin, zodat deze zone niet bouwvrij is. • Het artikel 2.3.
- Dit artikel bepaalt letterlijk dat er in de zone voor private tuin type A van de loten 10, 12 – 22 constructies kunnen opgetrokken worden. Daaruit volgt letterlijk dat deze zone voor deze percelen GEEN bouwvrije zone is. Het contrast is zeer sterk met de omschrijving voor dezelfde zone van loten 1 – 8 waarin elke constructie verboden is (voor deze loten is de tuin derhalve wel een bouwvrije zone). En dus blijkt dat de zone in kwestie geen bouwvrije zone is, zodat er op grond van artikel 4.4.1 VCRO kan worden afgeweken van de verkavelingsvoorschriften.
- En tenslotte heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich hiermee uitgesproken over de opportuniteit van de beslissing. De beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van een tolerantiegrens in een verkavelingsvergunning, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid. De Raad voor Vergunningsbetwistingen is in het bestreden arrest dan ook zijn bevoegdheid te buiten gegaan en heeft zijn interpretatie van de verkavelingsvoorschriften en de inpasbaarheid van de aanvraag van de verzoekende partijen met de toleranties ingebouwd in de verkaveling en de algemene mogelijkheid tot afwijking gegrond op artikel 4.4.1 VCRO in de plaats gesteld van het oordeel van de Deputatie.
- Het onderdeel is derhalve gegrond. VII-41.171-7/13
- De verwerende partijen stellen ten eerste dat de Raad zijn beoordeling niet in de plaats mag stellen van de beoordeling van de vergunningverlenende overheid.
- De verzoekende partijen betwisten dit principe niet maar in de zaak stelt zich een bijzondere situatie. De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft nl. overeenkomstig artikel 37, §2 DBRC-Decreet, zijn arrest in de plaats van het oordeel van de vergunningverlenende overheid gesteld. De Raad oordeelde dat er geen vergunning verleend kon worden. Opdat de Raad dit kan besluiten is hij wel verplicht te onderzoeken of de afwijkingsmogelijkheid toepassing kan vinden. Enkel wanneer de Raad voor Vergunningsbetwistingen had vastgesteld dat de afwijkingen op de verkavelingsvoorschriften, in de mate deze niet binnen de toleranties van de verkavelingsvergunning vallen, niet als toelaatbare afwijking in de zin van artikel 4.4.1 VCRO beschouwd kunnen worden, had zij tot de onvergunbaarheid van de aanvraag van de verzoekende partijen kunnen besluiten. De toepassing van artikel 37, §2 DBRC-Decreet vormt een uitzondering op de regel dat de Raad zijn oordeel niet in plaats van de vergunningverlenende overheid kan stellen.
- De substitutiebevoegdheid in artikel 37, §2 houdt weliswaar nog steeds in dat de rechter zich niet volledig in de plaats kan stellen van het bestuur - dit wordt uitdrukkelijk overwogen in de parlementaire voorbereiding5 - maar geldt enkel in geval van een gebonden bevoegdheid. De memorie van toelichting benadrukte bij de eerste invoering van de substitutiebevoegdheid dat de indeplaatsstellingsbevoegdheid enkel kan worden aangewend ingeval er sprake is van een zuiver gebonden bevoegdheid, in die zin dat het vergunningverlenende bestuursorgaan over geen enkele beleidsvrijheid of appreciatiemarge (meer) beschikt bij het nemen van de beslissing. Het DBRC-decreet werd recent gewijzigd om te verduidelijken dat het ook kan gaan om situaties waarin de overheid initieel wel beschikte over een discretionaire bevoegdheid, maar deze bevoegdheid in de concrete omstandigheden van het geval redelijkerwijze gebonden blijkt te zijn.6 Nog steeds moet de Raad voor Vergunningsbetwistingen dus onderzoeken of het wel om een gebonden bevoegdheid gaat. Een voorbeeld van hoe dit onderzoek moet verlopen, blijkt uit het arrest nr. 231.918 van 9 juli 2015 van Uw Raad.
- Bij de invoering van de substitutiebevoegdheid in het DBRC-decreet zocht de decreetgever uitdrukkelijk aansluiting bij het mechanisme voorzien in artikel 36, §1 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. Voor een toepassingsgeval van dit artikel verwees de decreetgever naar het arrest nr. 231.
- In het weergegeven arrest onderzocht de Raad of er een afwijkingsmogelijkheid van toepassing kon zijn. Enkel door dergelijk onderzoek kan de rechter vaststellen of er al dan niet sprake is van een gebonden bevoegdheid. Dat de Raad in deze het onderzoek naar de toepasselijkheid van artikel 4.4.1 VCRO heeft nagelaten, is een manifest motiveringsgebrek. Dit is voldoende om het bestreden arrest te verbreken. VII-41.171-8/13
- De repliek van de verwerende partijen komt er voor het overige grotendeels op neer dat de verzoekende partijen de motieven van het bestreden arrest onvolledig zou voorstellen”. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 14, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak, bij wijze van arresten, over de cassatieberoepen ingesteld tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Het middel dat machtsoverschrijding aanvoert, kan niet tot cassatie leiden.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 4.3.1 VCRO zonder uiteenzetting op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling schendt, is, gelet op de vereiste in artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit, niet ontvankelijk.
- Walraven en Mulders voeren voor het eerst in hun memorie van wederantwoord aan dat de RvVb bij de uitoefening van de “substitutiebevoegdheid in artikel 37, § 2” van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, heeft nagelaten te onderzoeken of “de afwijkingen op de verkavelingsvoorschriften, in de mate deze niet binnen de toleranties van de verkavelingsvergunning vallen, niet als toelaatbare afwijking in de zin van artikel 4.4.1 VCRO beschouwd kunnen worden”. Zij voeren niet aan dat zij dit “manifest motiveringsgebrek” niet in het verzoekschrift tot cassatie konden aanvoeren en uiteenzetten zoals wordt vereist in artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit. VII-41.171-9/13 In zoverre dit middelonderdeel een “motiveringsgebrek” aanvoert, is het dan ook niet ontvankelijk.
- Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de RvVb overdoen maar mag hij enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”.
- Het eerste middelonderdeel waarin Walraven en Mulders betogen dat: – “de in het middel aangehaalde bepalingen uit de verkavelingsvergunningen minstens de geveluitsprong mogelijk maken”, – “het bestreden arrest […] niet kon oordelen dat de vergunning omwille van deze uitsprongen niet mocht verleend worden”, – het bestreden arrest “meent dat uit de beslissing van de deputatie niet blijkt dat de te vergunnen uitsprong geen uitsprong is, zoals bepaald in artikel 2.1.4.2 van de verkavelingsvoorschriften, omdat het een (beperkte) volume-uitbreiding is van ruimtes op de eerste verdieping”, en – “de beweerde afwijking […] geen volgens artikel 4.4.1 VCRO verboden afwijking” is, noopt tot het in tweede instantie overdoen van de feitelijke beoordeling door de RvVb van hun verweer tegen het middel van Schreinemacher cons., en is derhalve niet ontvankelijk.
- Artikel 4.4.1, § 1 VCRO bepaalt: “In een vergunning kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelsafmetingen, de VII-41.171-10/13 afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen. Afwijkingen kunnen niet worden toegestaan voor wat betreft : 1° de bestemming; 2° de maximaal mogelijke vloerterreinindex; 3° het aantal bouwlagen”. Uit deze bepaling volgt dat: – afwijkingen van bedoelde voorschriften in een vergunning slechts kunnen worden toegestaan voor zover die beperkt zijn en betrekking hebben op perceelsafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen, – afwijkingen van de bestemming, de maximaal mogelijke vloerindex en het aantal bouwlagen niet kunnen worden toegestaan.
- Het middelonderdeel dat ervan uitgaat dat “artikel 4.4.1 VCRO afwijkingen op een verkavelingsvergunning toelaat voor zover het niet gaat om een wijziging van de bestemming, de maximaal mogelijke vloerterreinindex en het aantal bouwlagen” en dat de “aard van de constructie […] niet [hoort] tot de verboden afwijkingen vermeld in artikel 4.4.1 VCRO zodat niet valt in te zien waarom er niet van het betrokken verkavelingsvoorschrift […] zou kunnen worden afgeweken”, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middelonderdeel faalt bijgevolg naar recht.
- De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals VII-41.171-11/13 tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
- Het middelonderdeel dat stelt dat “artikel 149 Gw. de rechter de verplichting oplegt om zijn rechterlijke uitspraak correct te motiveren”, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middelonderdeel faalt naar recht.
- Het bestreden arrest “oordeelt dat de [deputatie] met de bestreden beslissing over de ‘uitsprong’ aan de linkergevel artikel 2.1.4.2 en zo ook artikel 2.1.3.1 Verkavelingsvoorschriften, schendt”. Het middelonderdeel dat stelt dat de RvVb “in het bestreden arrest oordeelt dat de geveluitsprong in de aanvraag van [Walraven en Mulders] strijdig is met artikel 2.1.4.2 van de verkavelingsvergunning van 5 mei 2009 omdat zij niet het daarin vermelde type constructie zou zijn”, mist feitelijke grondslag.
- Het middelonderdeel dat tegenstrijdigheid in de motieven aanvoert zonder dat uiteen te zetten zoals wordt vereist in artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit, is niet ontvankelijk.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. VII-41.171-12/13 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijf mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.171-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.652 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div