← België

Arrest 253700 - Tucht (openbaar ambt) - 09/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.700 Rolnummer: A. 230894/X-17725 Zaak: Arrest 253700 - Tucht (openbaar ambt) - 09/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-13 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:49 Fiche Arrest nr 253.700 van 9 mei 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 253.700 van 9 mei 2022 in de zaak A. 230.894X-17.725 In zake : Thierry ROUIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Greet Louwet en Christian Lemache kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de HULPVERLENINGSZONE ZUID-WEST LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Jarien Bloemen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 9 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing dd. 4 mei 2020 van het zonecollege van de hulpverleningszone Zuid-West Limburg, waarbij de heer Rouin Thierry vrijwillige brandweerman ambtshalve wordt ontslagen en dit met onmiddellijke ingang met toepassing van het rechtsgevolg bepaald in artikel 302 van het laatste lid van het koninklijk besluit van 19 april 2014 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel van de hulpverleningszones [hierna: het koninklijk besluit van 19 april 2014]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 249.020 van 25 november 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ingewilligd. X-17.725-1/13 De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Greet Louwet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Koen Geelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is sinds 1992 in dienst als vrijwillig brandweerman, aanvankelijk bij de stad Sint-Truiden en vervolgens bij de hulpverleningszone Zuid-West Limburg. X-17.725-2/13 Wegens feiten tijdens een interventie op 23 september 2015 wordt hem op 18 januari 2016 door de zoneraad van de hulpverleningszone de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd. Deze tuchtstraf wordt door de Raad van State bij arrest nr. 235.520 van 15 juli 2016 geschorst. Ze wordt bij arrest nr. 238.049 van 28 april 2017 vernietigd omdat de tuchtoverheid “niet geacht kan worden regelmatig tot haar voorstelling en appreciatie van de feiten te zijn gekomen, inzonderheid met betrekking tot de ampleur van de aan verzoeker aangerekende disciplinaire tekortkomingen”. 3.
  6. Op 26 juni 2017 beslist de zoneraad verzoeker voor de feiten van 23 september 2015 opnieuw met het ontslag van ambtswege te bestraffen. Ook die tuchtstraf wordt door de Raad van State geschorst, bij arrest nr. 240.158 van 12 december
  7. De tuchtstraf wordt op 28 januari 2020 bij arrest nr. 246.855 vernietigd omdat ze bijna anderhalf jaar na de sluiting van het proces-verbaal van het laatste verhoor is genomen en “de vervaltermijn waarbinnen de verwerende partij overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 april 2014 uitspraak moest doen over de op te leggen tuchtsanctie, sinds lang verstreken [was]”. 3.
  8. Op 23 maart 2020 besluit de zoneraad, na kennisneming van het arrest van 28 januari 2020, dat verzoeker “wellicht niet meer voldoet aan de voorwaarden van artikel 150 van het KB van 19 april 2014 tot bepaling van het administratief statuut van het operationeel personeel zodat artikel 302 moet toegepast worden”. Met een brief van 6 april 2020 deelt de zonecommandant verzoeker mee dat hij genoodzaakt is om “voor te stellen ambtshalve ontslag uit te spreken op basis van artikel 302, [eerste lid,] 6°, zijnde ‘het niet volledige aantal uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 150 volgen’”. De zonecommandant hoort verzoeker op 27 april
  9. X-17.725-3/13 Op 4 mei 2020 spreekt het zonecollege met onmiddellijke ingang het ontslag van ambtswege van verzoeker uit “met toepassing van het rechtsgevolg bepaald in artikel 302 laatste lid”. Dit is de bestreden beslissing. Onder meer wordt erin overwogen dat artikel 302, (eerste lid,) 6°, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 voorschrijft dat het ambt van de vrijwilliger eindigt door ontslag van ambtswege wanneer het vrijwillig personeelslid niet het volledige jaarlijkse aantal uren voortgezette opleiding volgt zoals bepaald in artikel 150, en dat verzoeker “niet voldoet aan de voortgezette opleiding voor de jaren 2015 tot 2018”. Overwogen wordt ook dat moet worden aangenomen dat verzoeker altijd personeelslid is gebleven en dat hij “zich niet in een situatie van juridische en feitelijke onmogelijkheid bevond om de voortgezette opleidingen te volgen, hetgeen meteen betekent dat er geen overmacht is in de zin van artikel 302, 6°, van het statuut”. Meer bepaald wordt ter staving dat verzoeker niet in een situatie van juridische en feitelijke onmogelijkheid verkeerde om voortgezette opleidingen te volgen, aangevoerd: “- Zelfs indien vrijwillige brandweerlieden geen operationele taken meer uitvoeren, zijn zij niet ontslagen van de verplichting om de voortgezette opleidingen te volgen; - Uit artikel 13 § 2 van het Koninklijk Besluit van 18 november 2015 betreffende de opleiding van de leden van de openbare hulpdiensten en tot wijziging van diverse koninklijke besluiten volgt dat ook niet-operationele leden van een hulpverleningszone een attest van voortgezette opleiding kunnen verwerven. - Dhr. Thierry Rouin beweert niet en toont ook niet aan dat hij uitgesloten zou zijn om een opleiding te volgen, zodat het hem vrij stond om hieraan deel te nemen; - Dhr. Thierry Rouin bevond zich niet in één van de verloven vermeld in artikel 207 - 246 van het statuut; hij heeft evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot opschorting vermeld in artikel 44 van het KB van 26 januari 2018 tot opschorting van de benoeming. - Dhr. Thierry Rouin heeft in ieder geval in het gehele jaar 2015 (wat de helft is van de periode 2015 - 2016), geen enkele opleiding gevolgd, terwijl naar de eigen bewering van dhr. Thierry Rouin de onmogelijkheid om de opleiding te volgen slechts aanving op 18 januari
  10. X-17.725-4/13 - Er is van dhr. Thierry Rouin geen enkel verzoek bekend of wordt door hem bijgebracht conform artikel 151 van het statuut en gericht aan de zone of de zonecommandant om hem de opleiding te laten volgen. - Er is van dhr. Thierry Rouin geen enkele actie bekend of wordt door hem bijgebracht ten aanzien van de zone om minstens in regel te blijven. - Er is geen enkele actie van dhr. Thierry Rouin bekend of wordt door hem bijgebracht waaruit blijkt dat hij ook maar ooit een poging gedaan heeft om de voortgezette opleiding te volgen dan wel zich daaromtrent bekommerd heeft.” IV. Onderzoek van het eerste middel, eerste onderdeel Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker leidt een eerste middel af uit “een schending van artikel 150 §1 eerste lid en van artikel 302, 6° van het koninklijk besluit van 19 april 2014 […], alsmede een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het onpartijdigheids-, motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel”. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker onder meer aan dat er geen bewijs is dat hij tekort is gekomen aan zijn “actuele wettelijke verplichtingen”, omschreven in artikel 150, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 april 2014, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 april
  12. Vóór het koninklijk besluit van 13 april 2019 moest het operationeel personeelslid minimaal 24 uur voortgezette opleiding per jaar volgen. Vanaf 1 januari 2019 “is de teller op nul gezet”. Vanaf dan wordt de voortgezette opleiding bekeken over een periode van vijf jaar. De jaarlijkse puntentelling die voor het verleden gold, werd opgeheven. Het bestuur moet bij het nemen van een beslissing de geldende regelgeving toepassen. Dat moet tot uiting komen in de motieven. Verzoeker mocht dan ook niet ambtshalve worden ontslagen op 4 mei
  13. De verwerende partij kon anno 2020 “niet meer op een nuttige wijze refereren [aan] het aantal voorgeschreven uren in het verleden, nu het aantal uren voortgezette opleiding vanaf 1 januari 2019 niet meer beoordeeld [wordt] over een periode van één jaar”. X-17.725-5/13 Ook doet verzoeker gelden dat, zelfs als medio 2020 voor de periode tussen 2015 en 2018 een jaarlijkse beoordeling zou mogen worden gemaakt, verzoeker ten gevolge van de eerder genomen tuchtrechtelijke beslissingen “niet in de juridische en feitelijke mogelijkheid was om een opleiding te volgen, nu hij de facto niet meer als personeelslid werd beschouwd en behandeld door [de verwerende] partij”. Er dient te worden besloten tot het bestaan van overmacht in hoofde van verzoeker. Hij kon niet voorzien of vermijden dat tot tweemaal toe een onwettige tuchtprocedure tegen hem gevoerd zou worden en dat geweigerd zou worden om hem opnieuw in dienst te nemen. De verwerende partij heeft verzoeker na de arresten tot schorsing van de tuchtsanctie, niet opnieuw tewerkgesteld of opgeroepen als vrijwillig brandweerman. Verzoeker is vanaf 23 september 2015 buitengesloten en behandeld “als niet meer deel uitmakende van het brandweerkorps”. Zijn schriftelijke verzoeken tot re-integratie “werden simpelweg door de werkgever genegeerd”. Sedert 23 september 2015, aldus verzoeker, mocht hij geen prestaties verrichten, kreeg hij geen loon meer, mocht hij niet meer in de kazerne komen, en kreeg hij geen informatie meer, ook niet over de voortgezette opleidingen of over de consequenties indien hij geen voortgezette opleidingen volgde. Nochtans moet de werkgever, indien hij een personeelslid ambtshalve wil ontslaan omdat de voortgezette opleidingen niet zijn gevolgd, aantonen dat het personeelslid daarover concreet werd ingelicht. Het is correct, merkt verzoeker nog op, dat de beide tuchtrechtelijke beslissingen door hun vernietiging geacht worden nooit te hebben bestaan. Maar er kan “niet post factum zonder meer een theoretische toepassing worden gemaakt van de rechtsgevolgen van beide vernietigingsarresten om de rechtsgevolgen van bepaalde verplichtingen die golden in het verleden te gaan transponeren naar de huidige situatie”.
  14. De verwerende partij argumenteert in de memorie van antwoord in de eerste plaats dat verzoeker zonder belang erbij is om te doen gelden dat de vijfjaarlijkse periode van artikel 150, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 nog niet verstreken is. Immers is de bestreden beslissing niet X-17.725-6/13 genomen omdat verzoeker onvoldoende opleidingsuren had voor de periode 2019-2023, maar omdat hij met betrekking tot de periode 2015-2018 niet voldeed aan artikel 150, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april
  15. In de tweede plaats meent de verwerende partij dat verzoeker zich niet in een situatie van overmacht bevond om de uren van de voortgezette opleiding te volgen. Ten eerste zou dit argument op artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 moeten steunen, maar voert verzoeker die bepaling niet aan. Ten tweede is er geen sprake van overmacht: de verplichting tot voortgezette opleiding is voorzienbaar en rust op het korpslid persoonlijk; er was voldoende tijd beschikbaar om de opleiding te volgen en het feit dat verzoeker niet operationeel werd ingezet, betekent niet dat hij in de onmogelijkheid was om de voortgezette opleiding te volgen; er was geen enkele feitelijke omstandigheid die belette dat verzoeker de opleiding volgde; en verzoeker heeft nooit enige poging gedaan om de voortgezette opleiding te volgen. Bijgevolg, aldus de verwerende partij, wordt in de bestreden beslissing terecht gemotiveerd dat er geen overmacht is. Nog in verband met die overmacht benadrukt de verwerende partij dat het begrip strikt geïnterpreteerd dient te worden, wat inhoudt dat het voor verzoeker absoluut onmogelijk moest zijn om de opleidingsverplichting te volgen en dat hij volkomen vreemd is aan de niet-uitvoering van de verbintenis. Geen van die twee voorwaarden is volgens de verwerende partij vervuld. In de derde plaats, ten slotte, verzet de verwerende partij zich ertegen dat verzoeker zich in een situatie van overmacht zou hebben bevonden omdat hij in de periode waarin hij de opleiding had moeten volgen juridisch geen personeelslid meer was. Zij meent terecht van mening te zijn geweest dat verzoeker geacht moet worden altijd personeelslid te zijn gebleven. Juridisch moet worden aangenomen dat de vernietigde ontslagbeslissingen nooit hebben bestaan. Het is dan ook logisch dat de verwerende partij “pas nadat zij wist dat de verzoekende partij steeds personeelslid is gebleven, nagaat of de verzoekende partij de beoogde uren van voortgezette opleiding heeft behaald”. Dat zij dat slechts in 2020 deed, mag haar niet worden verweten nu zij eerst in 2020 X-17.725-7/13 kennisnam van de juridische fictie die tot gevolg heeft dat de ontslagbeslissingen nooit bestaan hebben en dat verzoeker altijd personeelslid is gebleven.
  16. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daar nog aan toe dat zij wel degelijk haar verantwoordelijkheid “zoals wettelijk voorzien in het koninklijk besluit van 2014” heeft genomen. Wel is het zo dat de voortgezette opleiding niet door de zone wordt ingericht maar door het opleidingscentrum voor civiele veiligheid en dat het “de verzoekende partij zelf [is] die met deze dienst contact kan opnemen om zich in te schrijven voor permanente of voortgezette opleidingen”. Verzoeker heeft geen enkele poging ondernomen om de voortgezette opleidingen te mogen volgen. De “gang van zaken van het afgelopen voorjaar” illustreert zijn onwilligheid met betrekking tot het aantal uren opleiding dat moet worden gevolgd en met betrekking tot de integratie in het korps. Besluitend herhaalt de verwerende partij dat verzoeker niet aantoont “dat er onvoorzienbare en onweerstaanbare feitelijke of juridische omstandigheden waren die het hem onmogelijk maakten om de verplichte opleiding te volgen”, en dat, integendeel, zij aantoont “dat er geen dergelijke omstandigheden voorhanden zijn en dat de verzoekende partij wel degelijk aan zijn verplichting had kunnen voldoen”. Beoordeling
  17. Artikel 302, eerste lid, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 schrijft voor dat het ontslag van ambtswege wordt uitgesproken, onder meer wanneer – zoals bepaald onder 6° – het personeelslid niet het volledige aantal uren voortgezette opleiding bedoeld in artikel 150 volgt. Overeenkomstig dat artikel 150, § 1, moet het personeelslid in 2015 en 2016 samen, zes uur voortgezette opleiding volgen, in 2017 twaalf uur voortgezette opleiding, en in 2018 achttien uur voortgezette opleiding. Luidens artikel 302, tweede lid, kan enkel overmacht de niet-naleving van de bepalingen bedoeld in artikel 150, § 1, rechtvaardigen. X-17.725-8/13
  18. Te dezen wordt verzoeker met de betreden beslissing van ambtswege ontslagen omdat hij niet het vereiste aantal uren voortgezette opleiding heeft gevolgd voor de jaren 2015-2016, 2017 en
  19. Niet onterecht wijst verzoeker erop dat, ten gevolge van het koninklijk besluit van 13 april 2019 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 april 2014, vanaf 1 januari 2019 het aantal uren voortgezette opleiding dat moet worden gevolgd nog slechts over een periode van vijf jaar wordt bekeken. Het doet evenwel niet ter zake. De voorliggende zaak heeft immers betrekking op de jaren 2015 tot 2018, waarvoor, zoals gezien, geldt dat een personeelslid in 2015-2016 zes uur, in 2017 twaalf uur en in 2018 achttien uur voortgezette opleiding diende te volgen.
  20. In de bestreden beslissing verklaart de verwerende partij verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen met toepassing van “het rechtsgevolg bepaald in artikel 302 laatste lid”. Bedoeld wordt: artikel 302, eerste lid. Daartoe wordt in de eerste plaats overwogen dat verzoeker niet het vereiste aantal uren voortgezette opleiding heeft gevolgd voor de jaren 2015 tot 2018, waardoor “de voorwaarden van artikel 302, [eerste lid,] 6° van het operationeel statuut vervuld” zijn. Voorts wordt aangenomen dat verzoeker zich “niet in een situatie van juridische en feitelijke onmogelijkheid bevond om de voortgezette opleidingen te volgen”, zodat er geen overmacht is “in de zin van artikel 302, 6° van het statuut”. Bedoeld wordt: artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april
  21. Wat het eerste betreft, voert verzoeker geen betwisting; wat het tweede aangaat wel. Dat verzoeker daarbij niet verwijst naar artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 vormt geen bezwaar. De verwerende partij doet het in de bestreden beslissing evenmin. Zij noch verzoeker is niettemin niet mis te verstaan: zij beogen beiden onmiskenbaar de overmacht bedoeld in artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april
  22. X-17.725-9/13
  23. De overmacht bedoeld in artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 veronderstelt dat het personeelslid buiten zijn wil in een situatie verkeert waarin van hem niet kan worden verwacht dat hij de opleiding volgt.
  24. Tegen de argumentatie in de bestreden beslissing dat er geen sprake is van overmacht in de zin van artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april 2014 voert verzoeker onder meer aan dat het voor hem niet mogelijk was een opleiding te volgen in de periodes dat hij, bij (niet-geschorste) tuchtbeslissingen van 18 januari 2016 en 26 juni 2017, van ambtswege ontslagen was. Dat is terecht. Het feit dat de tuchtbeslissingen op respectievelijk 28 april 2017 en 28 januari 2020 door de Raad van State vernietigd zijn geworden en de daaraan verbonden juridische fictie dat ze bijgevolg geacht moeten worden nooit te hebben bestaan, kunnen niet doen voorbijzien dat verzoeker in de periode van 18 januari 2016 tot 15 juli 2016 en van 26 juni 2017 tot 12 december 2017 op grond van een uitvoerbare ontslagbeslissing geen personeelslid van de verwerende partij meer was en niet nog een voortgezette opleiding kon volgen.
  25. Ook met betrekking tot de periodes waarin verzoeker ontslagen was en de tenuitvoerlegging van de ontslagbeslissingen door de Raad van State was geschorst, of de periode tussen beide ontslagen in, neemt de verwerende partij in de bestreden beslissing onjuist aan dat ze niet kunnen gelden als periodes van overmacht in de zin van artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april
  26. Weliswaar doet de verwerende partij in de bestreden beslissing gelden dat het verzoeker “vrij stond” een opleiding te volgen en dat hij “geen enkel verzoek” daartoe deed of “geen enkele actie” in die zin ondernam, maar dit overtuigt niet. X-17.725-10/13 Zowel na de schorsingen als na de vernietigingen van de ontslagen van ambtswege van verzoeker is de verwerende partij zich blijven gedragen alsof die schorsingen en vernietigingen geen gevolg hadden voor zijn situatie en alsof de ontslagen uitvoerbaar en toegepast bleven. Zij gaf na die arresten taal noch teken – op het uitspreken van een nieuw ontslag na. Verzoeker werd niet, ter naleving van de arresten, gere-integreerd als vrijwillig brandweerman, ook niet voorlopig. Op zijn brieven van 16 juni 2017 en 29 december 2017 werd geen enkele reactie gegeven, ofschoon ze wel degelijk onder meer te begrijpen zijn als een aansporing om te worden gere-integreerd en weer te worden opgeroepen om zijn prestaties te hervatten. Evenmin liet zij ten minste op enige wijze verstaan dat verzoeker spijts alles toch nog ertoe gehouden was om in de besproken periodes voortgezette opleiding te volgen.
  27. In verband met dit laatste wordt in het auditoraatsverslag op goede grond uit het verslag aan de Koning met betrekking tot zowel de versie van artikel 150 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 die het gevolg is van de wijziging bij koninklijk besluit van 26 januari 2018, als met betrekking tot de versie die het gevolg is van de wijziging bij koninklijk besluit van 13 april 2019, geconcludeerd dat er “een verantwoordelijkheid rust op de brandweerzone om een personeelslid, dat onder uitzonderlijke omstandigheden afwezig was, te begeleiden bij het inhalen van de verplichte voortgezette opleiding” en dat de verwerende partij “een rol te spelen [heeft] in de voortgezette opleiding van een personeelslid”. In de laatste memorie beweert de verwerende partij wel de nodige verantwoordelijkheid te hebben genomen, maar zij maakt dat niet hard met betrekking tot de bestreden beslissing. Inzonderheid wordt dat niet aangetoond door de “gang van zaken” die zij schetst “van het afgelopen voorjaar”, zijnde een periode van ná de bestreden beslissing van 4 mei
  28. Het voorgaande wijst uit dat verzoeker voor de jaren 2016 tot en met 2018 niet aan de bepalingen van artikel 150 van het koninklijk besluit van X-17.725-11/13 19 april 2014 heeft voldaan om reden van een hem niet toerekenbare hindernis die zo niet juridisch, dan toch minstens feitelijk onoverkomelijk was. De houding die de verwerende partij tot begin 2020 aan de dag legde, houdt daar in wezen een bevestiging van in. Dat de opgelegde tuchtrechtelijke ontslagen het volgen van de voortgezette opleidingen niet in de weg stonden, is een besef waartoe de verwerende partij kennelijk zelf pas in het begin van 2020 gekomen is: “[Het is] logisch dat de verwerende partij pas in 2020, na kennisname van de vernietigingsarresten van 28 april 2017 en 28 januari 2020 en pas nadat zij wist dat de verzoekende partij steeds personeelslid is gebleven, nagaat of de verzoekende partij de beoogde uren van voortgezette opleiding heeft behaald. Het gegeven dat de verwerende partij dit pas nagaat in 2020 kan haar geenszins worden verweten aangezien zij pas in 2020 kennisnam van de juridische fictie die tot gevolg heeft dat de ontslagbeslissingen nooit bestaan hebben en de verzoekende partij aldus altijd personeelslid is gebleven.” Met andere woorden treft de verwerende partij, naar haar eigen mening, geen verwijt dat zij niet vóór 2020 doorzag wat in de specifieke situatie van verzoeker in de jaren 2015 - 2018, de toepassing van artikel 150 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 betekende. Het laat zich dan niet verstaan dat dit niet ook voor verzoeker geldt en dat hij, integendeel, toentertijd wél moest onderkend en ondernomen hebben wat het meer vermelde artikel 150 vergde.
  29. Uit wat voorafgaat, volgt dat de bestreden beslissing verzoeker onterecht ontslaat omdat hij in de periode 2015 - 2018 niet het vereiste aantal uren voortgezette opleiding heeft gehaald en dit niet gerechtvaardigd wordt door overmacht in de zin van artikel van artikel 302, tweede lid, van het koninklijk besluit van 19 april
  30. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. X-17.725-12/13 BESLISSING
  31. De Raad van State vernietigt de beslissing van het zonecollege van de hulpverleningszone Zuid-West Limburg van 4 mei 2020 om het ontslag van ambtswege van vrijwillig brandweerman Thierry Rouin uit te spreken.
  32. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  33. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een aan verzoeker verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 840 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.725-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.700 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.249.020 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.