id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.706 Rolnummer: A. 235606/XIV-38956 Zaak: Arrest 253706 - Tucht (openbaar ambt) - 10/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-21 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 06:49 Fiche Arrest nr 253.706 van 10 mei 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 253.706 van 10 mei 2022 in de zaak A. 235.606/XIV-38.956 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5441 ERPE-MERE/LEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 2 februari 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het politiecollege van de politiezone van Erpe-Mere/Lede d.d. 24 januari 2021, ter kennis gebracht aan verzoeker bij aangetekend schrijven ontvangen op 25 januari 2022”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.956-1/13 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 mei 2022, om 15.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Vande Lanotte, die loco advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is korpschef van de lokale politiezone Erpe-Mere/Lede (PZ 5441). 3.
- Op 25 mei 2021 beslist het politiecollege om verzoeker voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 26 mei 2021 tot 25 september
- 3.
- Op 22 september 2021 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor een termijn van vier maanden (van 26 september 2021 tot 25 januari 2022), zonder inhouding van wedde. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van het beroep tot nietigverklaring gekend onder het nummer A. 234.721/XIV-38.
- Bij arrest nr. XIV-38.956-2/13 252.734 van 21 januari 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing verworpen. 3.
- Op 24 januari 2022 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor een termijn van vier maanden (van 26 januari 2022 tot en met 25 mei 2022), zonder inhouding van wedde. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
- In zijn inleidend verzoekschrift zet verzoeker onder het kopje “De spoedeisendheid” uiteen dat de bestreden beslissing “onherroepelijke gevolgen op persoonlijk en professioneel vlak met zich mee[brengt] voor verzoeker”. Hij stelt vooreerst dat zijn mentale welzijn “ernstig en langdurig [wordt] aangetast door onder andere de bestreden beslissing” en doet gelden dat “klinisch en forensisch psycholoog [P.B.], die verzoeker grondig onderzocht heeft in het kader van een psychologische expertise, besluit dat verzoeker door onder meer de bestreden beslissing lijdt aan een posttraumatische stressstoornis met mogelijke langetermijngevolgen.” Verzoeker citeert daartoe als volgt uit het psychologisch verslag van 2 februari 2022: XIV-38.956-3/13 “(...) In contrast met bovenstaande hebben de beschuldigingen in de pers, gevolgd door een langdurige schorsing door het politiecollege alsook het niet geïnformeerd zijn over de stand van het gerechtelijk onderzoek een traumatische impact op zijn huidig psychisch functioneren. Intrusieve herinneringen en ruminaties leiden tot chronisch negatieve gemoedstoestanden (angst en boosheid), toegenomen prikkelbaarheid en concentratieproblemen. De aandacht kent geen normaal basisniveau meer waardoor er actueel te weinig sprake is van een ontspannen alertheid met ernstige slaapproblemen als gevolg. De symptomen maken deel uit van een langdurend stresssyndroom en impliceren een ernstige psychische belasting voor [verzoeker], met een drastische afname van de kwaliteit van zijn dagelijks leven. In plaats daarvan is er een verhoogde arousal gekoppeld aan mentale vervlakking (TV kijken als verdoving). Concluderend kunnen we stellen dat er actueel sprake is van een ontwrichting van de psychische status ressorterend onder het PTSS syndroom. De traumatiserende feiten genereren een aanhoudende ontregeling van het stress-verwerkend systeem met mogelijks langetermijngevolgen in het interpersoonlijk contact, de slaap, de stemming en de emoties.” Voorts betoogt verzoeker dat op professioneel vlak zijn moreel gezag en het vertrouwen van derden in hem door de bestreden beslissing op onherstelbare wijze worden uitgehold. Door de tweede verlenging van zijn voorlopige schorsing met de maximale termijn van vier maanden wordt “de indruk gewekt bij zijn omgeving, de leden van zijn korps, de bestuurlijke en gerechtelijke overheden en de burgers van Erpe-Mere dat intussen uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker zware (strafbare) fouten begaan heeft (quod certe non)”. Deze indruk wordt volgens verzoeker nog versterkt door de grotendeels incorrecte en zelfs lasterlijke berichtgeving omtrent deze zaak in de pers. Die foutieve indruk “die door de bestreden beslissing (niet door het loutere bestaan van de opsporingsonderzoeken) leeft, holt het morele gezag van verzoeker als korpschef volledig uit, waardoor het de facto onmogelijk zal zijn voor [verzoeker] om terug te keren naar zijn functie, zelfs na een sepot of de vrijspraak”. Ter ondersteuning van dit gegeven verwijst verzoeker naar berichten die werden gepubliceerd op Facebook onder het artikel van TV Oost-Vlaanderen op 30 september 2021 dat werd gepubliceerd naar aanleiding van de eerste verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker, waarbij dit artikel “maar liefst 183 keer geliket en 34 maal [werd] gedeeld.” Volgens verzoeker zijn er te dezen de volgende bijzondere omstandigheden die maken dat zowel wat betreft de morele schade op persoonlijk XIV-38.956-4/13 vlak als die op professioneel vlak een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening verschaft zodat het resultaat ten gronde van het beroep niet kan worden afgewacht. Vooreerst blijkt uit het voornoemde verslag van de klinisch en forensisch psycholoog dat verzoeker nu al leidt aan een posttraumatische stressstoornis met mogelijke langetermijngevolgen, zodat het illusoir is te stellen dat deze bijzonder ernstige psychologische gevolgen ongedaan zouden kunnen worden gemaakt door een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing maanden of jaren na datum. Volgens verzoeker vormen de bijzonder ernstige mentale gevolgen van de bestreden beslissing te dezen dan ook een bijzondere omstandigheid. Ook op professioneel vlak zijn er bijzondere omstandigheden aanwezig die overtuigen dat de morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal verschaffen: Verzoeker wijst erop dat hij de hoogste politieambtenaar is binnen het politiekorps en dat men op die positie maar kan functioneren als men de hoogst mogelijke mate van autoriteit, moreel gezag en vertrouwen geniet binnen het korps, ten aanzien van de bestuurlijke en gerechtelijke autoriteiten en ten aanzien van de burgers. Eenmaal het moreel gezag is ondermijnd (hetgeen het geval is ten gevolge van de bestreden beslissing), kan het niet meer worden teruggewonnen door een eventuele latere nietigverklaring. Dit onherstelbaar nadeel kan volgens verzoeker niet worden vermeden door de loutere vermelding in de bestreden beslissing dat er nog geen uitspraak wordt gedaan over de schuld van verzoeker, nu het moreel gezag gebaseerd is op de subjectieve perceptie van derden en niet op de juridische draagwijdte van een beslissing, zoals ten overvloede blijkt uit de reacties op sociale media. Een dergelijk verlies van vertrouwen en reputatieschade wordt volgens verzoeker door de Raad van State erkend, met name waar het vertrouwen de basis is van het functioneren van XIV-38.956-5/13 verzoeker, waarbij verzoeker verwijst naar en citeert uit het arrest nr. 238.850 van 19 juli
- Verzoeker wijst erop dat de beslissing van het politiecollege om over te gaan tot de voorlopige schorsing én tot de eerste verlenging in september 2021, uitvoerig in de pers is verschenen, waarbij tevens foutieve informatie werd verspreid, wat volgens verzoeker precies het gevolg is van zijn hoge functie en de ermee verbonden hoge mate van gezag. De reputatieschade en uitholling van verzoekers moreel gezag hierdoor, kan worden hersteld door een schorsing van de bestreden beslissing daar een dergelijk arrest namelijk zou bevestigen “dat het politiecollege ten onrechte op geen enkele manier een eigen onderzoek heeft gevoerd naar de feiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd (het aangevoerde ernstige middel).” Nu dit arrest volgens verzoeker ook in de pers zou verschijnen, zal het voor derden “duidelijk zijn dat het politiecollege verzoeker in feite tot driemaal toe ‘blind’ voorlopig heeft geschorst en die beslissingen dus op geen enkele manier bevestigen dat er bezwarende elementen ten aanzien van hem zouden zijn gevonden in het kader van de lopende opsporingsonderzoeken op basis waarvan zijn aanwezigheid onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst.” Ten derde nam volgens verzoeker het politiecollege de bestreden beslissing zonder enige vorm van eigen onderzoek, en zonder enige notie van de feiten die aan verzoeker worden verweten, terwijl door het nemen van de bestreden beslissing, de indruk bij derden wordt gewekt “dat het politiecollege op basis van het eigen gevoerde onderzoek meent dat er voldoende bezwaren bestaan ten aanzien van verzoeker inzake de feiten die hem worden verweten en dat die dermate ernstig zijn dat hij niet in dienst kan blijven.” De schorsing van de bestreden beslissing zou derhalve bevestigen dat het politiecollege ten onrechte op geen enkele manier een eigen onderzoek heeft gevoerd naar de feiten die aan verzoeker ten laste worden gelegd, en kan daardoor de ontstane reputatieschade herstellen. Verzoeker besluit “dat in dergelijke ernstige, bijzondere professionele omstandigheden het morele nadeel wel degelijk als onherstelbare XIV-38.956-6/13 schade kan worden beschouwd die de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing verantwoordt, blijkt uit het arrest van Uw Raad van 29 maart 2012 in een zeer gelijkaardige zaak,” waarbij hij vervolgens dat arrest omstandig toelicht. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). XIV-38.956-7/13 Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- De bestreden beslissing is de tweede verlenging van de aanvankelijk bij beslissing van 25 mei 2021 genomen voorlopige schorsing bij ordemaatregel zonder inhouding van de brutowedde en dit met dezelfde duur van vier maanden. Een dergelijke verlenging op grond van artikel 61 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel zonder inhouding van de brutowedde, veroorzaakt in beginsel vanwege haar voorlopige, tijdelijke en niet-tuchtrechtelijke aard, aan verzoeker geen schadelijke gevolgen of nadelen die van dien aard zijn dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde hierdoor niet kan afwachten. Het komt aan verzoeker toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tijdelijke verlenging van de schorsing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde. Voorts blijkt uit de gegevens van de zaak dat het gaat om de derde beslissing waarmee deze ordemaatregel (van dezelfde duur) wordt opgelegd en dat de tenuitvoerlegging ervan afloopt op 25 mei
- De initiële beslissing heeft verzoeker niet aangevochten en de aangevoerde redenen voor de spoedeisende behandeling van de eerste verlenging zijn verworpen door de Raad van State bij arrest nr. 252.734 van 21 januari
- Dit impliceert dat verzoeker de redenen inzichtelijk moet maken waarom deze de zaak thans voor hem spoedeisend maken, terwijl ze dat voorheen blijkbaar - in de feiten of in rechte na verwerping door de Raad van State van eerder aangevoerde argumenten betreffende de spoedeisendheid - niet was. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden XIV-38.956-8/13 van de gevreesde schade.
- De door verzoeker aangevoerde schadelijke gevolgen op zowel persoonlijk als professioneel vlak ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, worden door verzoeker gekwalificeerd als (morele) schade die volgens verzoeker volgt uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. In de regel verantwoordt een dergelijk (moreel) nadeel niet de spoedeisendheid tenzij verzoeker aantoont dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen; bewijs dat zoals hierna zal blijken door verzoeker niet wordt geleverd.
- Als eerste bijzondere omstandigheid beroept verzoeker zich, wat de schadelijke gevolgen op het persoonlijk vlak betreft, op de ernstige en langdurige aantasting van zijn mentaal welzijn “door onder andere de bestreden beslissing.” Hij verwijst ter zake naar het door hem overgelegde psychologisch verslag van 2 februari 2022 waaruit blijkt dat hij lijdt aan een posttraumatische stressstoornis met mogelijke langetermijngevolgen, waarbij het volgens hem “illusoir [is] te denken dat deze bijzonder ernstige psychologische gevolgen ongedaan zouden kunnen worden gemaakt door een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing maanden of jaren na datum.” Dit argument overtuigt niet. Ter adstructie van zijn standpunt steunt verzoeker zich uitsluitend op het psychologisch verslag van 2 februari 2022 van de door hem aangezochte klinisch en forensisch psycholoog en waaruit hij hiervoor een deel van het “besluit” citeert (zie supra, punt 5). Los van de vraag of zoals de verwerende partij stelt, “de ‘langdurige’ voorlopige schorsing van [verzoeker] […] ook in het psychologisch verslag slechts het gevolg [is] van de beschuldigingen en het gebrek aan informatie over de opsporingsonderzoeken”, blijkt niet uit het verslag, noch wordt aannemelijk gemaakt, dat de enkele schorsing van de tenuitvoerlegging van voorliggende verlenging van de ordemaatregel, het XIV-38.956-9/13 persoonlijk trauma waarop verzoeker zich thans beroept, kan wegnemen. Het verslag in het algemeen en de conclusie in het bijzonder beperkt zich immers tot het besluit dat “de beschuldigingen in de pers, gevolgd door een langdurige schorsing door het politiecollege alsook het niet-geïnformeerd zijn over de stand van het gerechtelijk onderzoek, een traumatische impact [heeft] op [verzoekers] huidig psychisch functioneren,” zonder dat het uitspraak doet over de vraag of de - enkele - schorsing van de verlenging van de ordemaatregel, het persoonlijk nadeel waarop verzoeker zich beroept kan wegnemen, minstens van die aard is dat het aangevoerde onherroepelijke schadelijke gevolg nog zinvol kan worden geweerd op het ogenblik van de eventueel uit te spreken schorsing van de voorlopige schorsing die immers afloopt op 25 mei
- Uit wat voorafgaat volgt dat de uiteenzetting die verzoeker te dezen in het inleidende verzoekschrift geeft en het psychologisch verslag dat hij ter ondersteuning hiervan bijbrengt, de Raad van State niet overtuigen dat de onherroepelijke persoonlijke schadelijke gevolgen waarop hij zich thans beroept, door een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kunnen worden weggenomen. Met de voor het eerst ter terechtzitting opgeworpen argumenten ter zake – die in wezen een eigen invulling inhouden van het gewicht dat aan de voorlopige schorsing als oorzaak van het opgelopen trauma (thans nog) moet worden gegeven en de weerslag ervan op het herstel van het trauma bij inwilliging van de vordering – kan geen rekening worden gehouden.
- Wat de morele schade op professioneel vlak betreft, ziet verzoeker vooreerst een bijzondere omstandigheid in het gegeven dat hij de hoogste rang in het politiekorps bekleedt, waarbij het vertrouwen de basis is van zijn functioneren en dat eenmaal het moreel gezag is ondermijnd, het niet meer kan worden teruggewonnen door een eventuele latere nietigverklaring van de bestreden beslissing. XIV-38.956-10/13 De aangevoerde (morele) reputatieschade steunt aldus op de bijzondere hoedanigheid van verzoeker als korpschef. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, ondergaat verzoeker de ordemaatregel van voorlopige schorsing evenwel reeds sinds 26 mei 2021 (zie supra, punt 3.2). Op dat ogenblik bekleedde verzoeker reeds het mandaat van korpschef. Voorts werd de vorige, eerste verlenging van de ordemaatregel, weliswaar bestreden met een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, maar in het arrest is om de erin uiteengezette redenen het argument verworpen dat die eerste verlenging zijn moreel gezag als korpschef in het gedrang brengt. Dit impliceert dat, zoals hiervoor is gesteld, verzoeker inzichtelijk moet maken waarom de reputatieschade verbonden aan zijn bijzondere hoedanigheid als korpschef, thans door de bestreden beslissing van die aard is dat hij zich erdoor in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen die maken dat een eventuele later tussen te komen nietigverklaring hem niet voldoende morele genoegdoening op dat punt zou kunnen verschaffen. Verzoeker geeft ter zake geen enkele concrete indicatie waarom die professionele reputatieschade thans bij de tweede verlenging van de initiële voorlopige schorsing van dien aard is. Hij beperkt zich immers tot de enkele, in algemene termen gestelde, stelling dat de Raad van State al eerder heeft erkend dat een dergelijk verlies van vertrouwen en reputatieschade een bijzondere omstandigheid kan uitmaken waarin een moreel nadeel als onherstelbaar kan worden beschouwd. Los van de vaststelling dat het Belgische recht geen precedentenwerking kent zodat verzoeker er derhalve enkel op basis van een verwijzing ernaar geen leer uit kan halen en de algemeenheid van dit argument, maakt verzoeker niet aannemelijk dat het door hem aangehaalde precedent doet blijken van gelijke feitelijke omstandigheden als in zijn zaak. Eenzelfde vaststelling geldt wat verzoekers argument betreft afgeleid uit het feit dat de voorlopige schorsing en de verlenging ervan in september uitvoerig in de pers is verschenen waarbij volgens hem tevens foutieve informatie is verschenen over de (juridische) draagwijdte van de (dan) opgelegde ordemaatregel waardoor het vermoeden van onschuld is geschonden, te meer dat te dezen verzoeker in het verzoekschrift bovendien geen concrete gegevens XIV-38.956-11/13 aanbrengt waaruit de pers- en publieke belangstelling omtrent de thans bestreden beslissing (nog) blijkt. Met betrekking tot de bestreden beslissing wordt immers geen enkele berichtgeving en dus ook geen, naar zijn mening incorrecte of lasterlijke, berichtgeving bijgebracht. In de mate tot slot dat verzoeker de bijzondere omstandigheid die aannemelijk moet maken dat hij de tijdelijke verlenging van de schorsing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde, ziet in het feit dat, naar zijn mening, het politiecollege de bestreden beslissing nam zonder enige vorm van eigen onderzoek en zonder enige notie van de feiten die hem worden verweten, zou het aannemen van dit argument als spoedeisend, impliceren dat vaststaat dat een ernstig middel voorhanden is. Verzoeker verwijst overigens ter adstructie van zijn standpunt ter zake naar het enig middel. Dat argument hangt dus samen met het onderzoek van de ernst van de zaak. Het kan aldus de spoedeisendheid niet rechtvaardigen. Zoals de Raad van State in zijn in Algemene Vergadering uitgesproken arrest nr. 249.313 van 22 december 2020 herinnerde, zijn immers de ernst van de middelen en de spoedeisendheid afzonderlijke voorwaarden. De omstandigheid bovendien dat de Raad van State in het verleden in een bepaalde zaak zou hebben vastgesteld dat inzake vergelijkbare feiten de ernst van het middel mede wordt genomen in de beoordeling van de toen geldende vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Thans staat immers ter beoordeling van de Raad van State een volkomen andere wettelijke voorwaarde – de spoedeisendheid – waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel.”
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie XIV-38.956-12/13
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.956-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.706 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.