id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.709 Rolnummer: A. 229349/IX-9631 Zaak: Arrest 253709 - O.C.M.W. - 11/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-16 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 06:50 Fiche Arrest nr 253.709 van 11 mei 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.709 van 11 mei 2022 in de zaak A. 229.349/IX-9631 In zake: Gerdy BOUSARD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:
- de STAD ZOTTEGEM
- het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ZOTTEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de afwijzingsbeslissing (impliciete weigeringsbeslissing) tot aanstelling van [Gerdy Bousard] als adjunct-financieeldirecteur of in een passende functie overeenkomstig artikel 589 § 2 Decreet Lokaal Bestuur na ingebrekestelling met vermelding van artikel 14 § 3 van de Raad van State-wet bij aangetekend schrijven dd. 18 april 2019”. IX-9631-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mattijs Vanmarcke, die loco advocaat Alexander De Becker verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten en regelgeving 3.
- Verzoeker is financieel beheerder bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Zottegem. IX-9631-2/8 3.
- Naar eis van artikel 162, § 1, eerste lid, van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur) is er in elke gemeente een financieel directeur die ten dienste staat van zowel de gemeente als het OCMW dat die gemeente bedient. Krachtens artikel 583, § 2, van het decreet lokaal bestuur heeft de gemeenteraad de mogelijkheid om ofwel de titularis(sen) van het ambt van financieel beheerder bij de gemeente en het OCMW op te roepen om zich kandidaat te stellen voor het ambt van financieel directeur bij de gemeente, ofwel ervoor te opteren dat ambt in te vullen door aanwerving of bevordering. Artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur luidt: “De persoon, vermeld in artikel 583, § 2, eerste lid, die niet wordt aangesteld als financieel directeur wordt op persoonlijke titel en met behoud van de aard van zijn dienstverband en geldelijke anciënniteit aangesteld hetzij als adjunct-financieel-directeur bij de gemeente, hetzij in een passende functie van niveau A bij de gemeente of bij het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, of bij een verzelfstandigde entiteit van de gemeente of vereniging van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient. Hij wordt aangesteld met behoud van de salarisschaal die hij kreeg als financieel beheerder, zolang het salaris op basis daarvan gunstiger is dan het salaris dat hij zou krijgen na de inschaling in de passende functie. De adjunct-financieeldirecteur staat de financieel directeur bij in de vervulling van zijn ambt, overeenkomstig het organisatiebeheersingssysteem, vermeld in artikel 217 tot en met
- In afwijking van artikel 166 vervangt de adjunct-financieel-directeur de financieel directeur als hij afwezig of verhinderd is. De gemeenteraad regelt die vervanging.” 3.
- Op 16 april 2018 beslist de gemeenteraad van de stad Zottegem om voor de invulling van de functie van financieel directeur enkel de zittende financieel beheerders van de stad en het OCMW op te roepen om zich kandidaat te stellen. Verzoeker en de financieel beheerder van de stad stellen zich kandidaat. IX-9631-3/8 3.
- Op 18 juni 2018 beslist de gemeenteraad van de stad Zottegem om de financieel beheerder van de stad aan te stellen tot financieel directeur met ingang van 31 juli
- Verzoeker wordt opgenomen in een wervingsreserve met een geldingsduur van twee jaar. 3.
- Bij aangetekend schrijven van 16 augustus 2018 ontvangt verzoeker een beslissing van de algemeen directeur van de stad Zottegem van 31 juli 2018, naar luid waarvan de personeelsformatie nog niet in een passende functie voorziet voor de niet-aangestelde secretaris en financieel beheerder en verzoeker daarom met ingang van 31 juli 2018 wordt belast met de leiding van de cel Debiteurenbeheer van de financiële dienst, wat onder meer de dagelijkse organisatie omvat, de kwaliteitsborging, het management en het overleg en alle opdrachten in het belang van de stad en het OCMW, tot er een definitieve passende functie is gevonden. 3.
- In een schrijven van 3 december 2018 wijst verzoeker de OCMW-voorzitter erop dat overeenkomstig artikel 589 van het decreet lokaal bestuur hem een passende functie moet worden gegeven. Hij stelt voor om een dialoog aan te gaan “waarin verscheidene mogelijke sporen besproken kunnen worden”. 3.
- Op 17 december 2018 antwoorden de burgemeester en de algemeen directeur van de stad Zottegem dat een aantal data in januari zullen worden voorgesteld om samen te zitten met het college van burgemeester en schepenen. De beslissing van de algemeen directeur van 31 juli 2018 wordt nogmaals bijgevoegd. 3.
- Op 25 februari 2019 heeft een onderhoud plaats tussen het college van burgemeester en schepenen en verzoeker. IX-9631-4/8 3.
- Met een aangetekend schrijven van 18 april 2019 stelt verzoeker, met verwijzing naar artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de stad Zottegem en het OCMW van Zottegem in gebreke om uitvoering te geven aan artikel 589 van het decreet lokaal bestuur, aangezien hem geen passende functie wordt voorgesteld. 3.
- Op 1 juli 2019 deelt de stad Zottegem aan verzoeker mee dat zij géén verplichting tot beschikken naast zich heeft neergelegd. Eveneens wijst zij erop dat verzoeker reeds sinds 3 december 2018 met ziekteverlof is en inmiddels een nieuwe functie voor hem is gevonden, namelijk de functie van adjunct-financieeldirecteur, maar dat de aanstelling pas kan gebeuren na de vaststelling van de functiebeschrijving en de aanpassing van het organogram, waarvoor de nodige voorbereidingen worden getroffen. IV. Teloorgaan van het voorwerp van het beroep Standpunt van de partijen
- Uit de omstandigheid dat hem bij het verstrijken van de termijn van vier maanden te rekenen vanaf de aanmaning die hij de verwerende partijen op 18 april 2019 heeft toegestuurd, geen passende nieuwe functie is toegekend, leidt verzoeker, overeenkomstig artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de fictieve weigeringsbeslissing van de verwerende partijen af om hem overeenkomstig artikel 589, § 2, van het decreet lokaal bestuur aan te stellen tot adjunct-financieeldirecteur of in een passende functie.
- Bij hun laatste memorie voegen de verwerende partijen evenwel een besluit van de gemeenteraad van de stad Zottegem van 22 maart 2021 waarin wordt voorzien in “een eengemaakt organogram voor stad en ocmw”, alsook een besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem van IX-9631-5/8 29 maart 2021 waarbij verzoeker “met onmiddellijke ingang” wordt aangesteld in de graad van adjunct-financieeldirecteur. De verwerende partijen leiden uit die besluiten af dat “verzoeker geen belang [heeft] bij het verzoek tot nietigverklaring, minstens [dat] hij dit belang intussen [heeft] verloren, en [dat in] ieder geval […] het verzoekschrift intussen zonder voorwerp [is]”.
- In zijn laatste memorie merkt verzoeker op dat het besluit betreffende zijn aanstelling tot adjunct-financieeldirecteur hem tot op heden “niet [is] bekendgemaakt” (versta: ter kennis gebracht), dat er evenmin een hoorzitting daarover werd georganiseerd, niettegenstaande “dat wel een verplichte toepassing van een beginsel van behoorlijk bestuur is” en “[b]ovenal […] dat het college van burgemeester en schepenen niet over de bevoegdheid beschikt om [hem] aan te stellen”. Verzoeker zet voorts uiteen dat hij een “persoonlijk belang” heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing en dat de Raad van State bovendien de gegrondheid van de middelen zal moeten onderzoeken naar aanleiding van de vordering tot schadevergoeding tot herstel die hij op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State nog zal indienen. Beoordeling
- Het staat buiten kijf dat de eerste verwerende partij met het overgelegde besluit van haar college van burgemeester en schepenen van 29 maart 2021 uitdrukkelijk de beslissing heeft genomen die verzoeker met zijn aanmaning van 18 april 2019 beoogde te verkrijgen. De omstandigheid dat, zoals verzoeker beweert, die beslissing hem nog niet ter kennis zou zijn gebracht, zonder een hoorzitting tot stand zou zijn gekomen en door een onbevoegd orgaan zou zijn genomen, neemt niet weg dat deze uitdrukkelijke beslissing inmiddels definitief is geworden ten aanzien van IX-9631-6/8 verzoeker en hoe dan ook de fictieve weigeringsbeslissing heeft opgeslorpt die, desgevallend, krachtens artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voortgekomen uit het volgehouden stilzitten van de verwerende partijen gedurende vier maanden te rekenen vanaf de voormelde aanmaning. Aldus is het voorwerp van het voorliggende beroep alleszins teloorgegaan, wat impliceert dat dit beroep onontvankelijk is. Verzoekers uiteenzetting met betrekking tot zijn “persoonlijk belang” bij het beroep kan daaraan niets veranderen.
- Voor zover verzoeker in zijn laatste memorie doet gelden dat de Raad van State de gegrondheid van de middelen zal moeten onderzoeken naar aanleiding van de vordering tot schadevergoeding tot herstel die hij op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State nog zal indienen, moet vooreerst worden vastgesteld dat verzoeker inderdaad op 4 november 2021 een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State heeft ingediend. Hij is evenwel niet ingegaan op de uitnodiging van de griffie van de Raad van State overeenkomstig artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ om daarvoor het verschuldigde recht en de verschuldigde bijdrage te betalen, zodat de Raad bij arrest nr. 253.708 van heden met toepassing van artikel 71, vijfde lid, van het voormelde besluit van de Regent heeft beslist dat het bedoelde verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel als “niet verricht” wordt beschouwd. Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker in de voorliggende zaak op 18 maart 2022 een nieuw verzoek – overigens gelijkluidend aan het vorige – tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State heeft ingediend waarvoor hij het verschuldigde recht en de verschuldigde bijdrage wel tijdig heeft betaald. IX-9631-7/8 Aangezien deze ontwikkelingen zich hebben voorgedaan ná de sluiting van het debat over het beroep tot nietigverklaring op de openbare terechtzitting van 22 november 2021, is er aanleiding om het debat te heropenen teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden hun respectieve standpunten over de gevolgen daarvan voor het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring te laten kennen.
- De zaak wordt daartoe opgeroepen op de openbare terechtzitting van de IXde kamer van 13 juni 2022 om 10.00 uur. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De zaak wordt opgeroepen op de openbare terechtzitting van 13 juni 2022 om 10.00 uur. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van elf mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9631-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.709 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.