id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.731 Rolnummer: A. 233764/IX-9891 Zaak: Arrest 253731 - Tucht (openbaar ambt) - 13/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-23 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 06:52 Fiche Arrest nr 253.731 van 13 mei 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.731 van 13 mei 2022 in de zaak A. é.764/IX-9891 In zake: Xavier DEMETS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat André Deruyver kantoor houdend te 9600 Ronse Oude Vesten 27 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Tijs Lust kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 21 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep voor het Gemeenschapsonderwijs van 30 maart 2021 waarbij aan Xavier Demets als tuchtmaatregel een schorsing van drie dagen wordt opgelegd. IX-9891-1/38 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Gemeenschapsonderwijs, vertegenwoordigd door scholengroep 21 heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 5 augustus 2021. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de IXe kamer bij beschikking van 7 maart 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 25 april 2022. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. IX-9891-2/38 IX-9891-3/38 III. Feiten 3.1. Verzoeker is vast benoemd leraar lichamelijke opvoeding in het Da Vinci Atheneum te Ronse. 3.2. In de bestreden beslissing zijn de “relevante gegevens van de zaak” door de kamer van beroep samengevat: “Xavier Demets is vast benoemd leraar lichamelijke opvoeding in het GO! Atheneum Da Vinci Ronse behorend tot Scholengroep Vlaamse Ardennen. Op 17 februari 2020 vergadert een klassenraad over de klas 3Kantoor. De verzoeker is er aanwezig en volgens de verwerende partij heeft hij tijdens de vergadering op onheuse manier aangedrongen op de verwijdering van leerling [A]. Op 2 maart 2020 doen zich twee incidenten voor:
- a)tijdens een partij voetbal gedurende de les schopt leerling [A] een bal tegen de rug van de heer Demets, die daar toevallig voorbij komt en emotioneel reageert en
- b)op het einde van de les mengt de heer Demets zich in een discussie tussen [A] en dezes leraar lichamelijke opvoeding [G] waarbij Xavier Demets de gemoederen zou verhit hebben door zich, zijn gsm in de aanslag, in de discussie te mengen. Nog dezelfde dag voert schooldirecteur […] en leerlingenbegeleidster […] een intern onderzoek over de twee incidenten. Zij verhoren de verzoeker, [A] en een aantal medeleerlingen. De verzoeker plaatst op 4 maart 2020 zijn versie van het tweede incident op Smartschool en op 23 maart 2020 vraagt hij aan de directeur en de Algemeen Directeur om een gesprek. Hij hoopt dat uit een ‘overleg’ een ‘constructieve oplossing’ kan komen om opnieuw aan het werk te gaan. Op 24 maart 2020 vraagt de Algemeen Directeur een onderzoek aan bij de Onderzoekscel GO!. Hij zet uiteen: ‘Recent vond een ernstig incident plaats tussen een leerling en twee leerkrachten LO, de heer Demets en zijn collega [G]. De scholengroep wil klaarheid krijgen over de rol van de heer Demets bij dit recente incident. Het lijkt er sterk op dat er een verband is tussen dit incident en de klassenraden van februari 2020 in 6 kantoor en vooral in 3 kantoor waarop de heer Demets en [G] verbaal stevig zouden uitgehaald hebben. Daarom wil de scholengroep ook klaarheid over het gedrag van de heer Demets tijdens deze klassenraden.’ De Algemeen Directeur brengt zijn beslissing met een brief van 3l maart 2020 ter kennis van de verzoeker, ook met de mededeling dat hij bereid is met de verzoeker in gesprek te gaan, maar dat hij ‘eerst duidelijkheid wil over wat er zich nu precies heeft voorgedaan’. Verzoeker Xavier Demets is van 3 maart 2020 tot 30 juni 2020 met ziekteverlof. Op 3 september 2020 laat de schooldirecteur middels een bericht op Smartschool weten: ‘We zijn ondertussen een nieuw schooljaar IX-9891-4/38 gestart en [A] uit 4Kan zal ook opnieuw deelnemen aan de lessen LO.’ De verzoeker reageert daarop met de mededelingen ‘Bedankt voor het herstelgesprek’ en ‘Die natuurlijk nooit is doorgegaan. Toppy’. De Onderzoekscel GO! finaliseert haar verslag op 14 oktober 2020. Op 16 november 2020 bespreekt de raad van bestuur het verslag van onderzoek. Hij beslist de verzoeker op te roepen voor een hoorzitting in het kader van een tuchtprocedure met het oogmerk om hem een tuchtstraf op te leggen van één maand schorsing voor volgende tenlasteleggingen: - Uw niet-constructieve, zelfs negatieve houding op de klassenraad van 3Kantoor van 17 februari 2020, zoals beschreven in het onderzoeksrapport van 14 oktober 2020 waarbij u uw collega [G] bijviel in zíjn hevige aanval op leerling [A] waarbij sommige collega’s zich geïntimideerd voelden, terwijl u – op een vervanging na – geen les gaf aan de betrokken leerling en dus terughoudendheid van uw kant tijdens deze bespreking had mogen verwacht worden. - Uw houding tijdens het incident met leerling [A] op 2 maart 2020, zoals beschreven in het onderzoeksrapport van 14 oktober 2020, waarbij u buitensporig en op een níet pedagogische wijze reageerde (met termen als ‘kl[*]zakken’ en dreigementen met de klassenraad) toen u een bal legen zich aangeschopt kreeg en u nadien tijdens de bespreking met [A] een provocatieve houding aannam tegenover de leerling door hem te filmen toen hij in een discussie verwikkeld was met uw collega [G]. - Uw cynisch Smartschoolbericht aan directeur […] van 4 september 2020 waarin u haar ‘bedankt’ voor het herstelgesprek met [A] ‘dat natuurlijk nooit is doorgegaan (toppy)’, terwijl u destijds roepend aangegeven had dat het ‘hem (= [A]), of u was op school’, daarna tot het einde van het schooljaar 2019-2020 afwezig was en bij het begin van het huidig schooljaar op geen enkel moment had aangegeven dat u tot een dergelijk herstelgesprek bereid was of daarvoor vragende partij was.’ De hoorzitting vindt plaats op 14 december 2020. Dezelfde dag beslist de raad van bestuur dat de eerste twee tenlasteleggingen bewezen zijn en dat de derde tenlastelegging heromschreven wordt als ‘zijn cynisch smartschoolbericht aan directeur […] van 4 september 2020 waarin hij haar ‘bedankt’ voor het herstelgesprek met [A] ‘dat natuurlijk nooit is doorgegaan’’. De feiten, aldus heromschreven, worden als tuchtfeiten aangemerkt en de verzoeker wordt gestraft met een schorsing voor drie dagen.” 3.3. Op 30 maart 2021 oordeelt de kamer van beroep dat de tenlastelegging met betrekking tot het verloop van de klassenraad van 17 februari 2020 verjaard is en bevestigt zij de tuchtstraf ‘schorsing voor drie dagen’. Dat is de bestreden beslissing. IX-9891-5/38 IX-9891-6/38 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In een eerste middel voert verzoeker aan dat het tuchtfeit van 2 maart 2020 verjaard is, met toepassing van “artikel 19, § 5, 5°, lid 2” (lees: artikel 19, § 5, derde lid,) van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (“tuchtbesluit”). De tuchtprocedure is gestart met de aangetekende brief van 18 november 2020 van de algemeen directeur. De bestreden beslissing aanvaardt de verjaring van de tuchtfeiten van 17 februari 2020, maar niet deze van 2 maart 2020. Nochtans moet volgens verzoeker voor de verjaring van beide feiten dezelfde redenering worden gevolgd: de vaststelling of de kennisname van de feiten door de schooldirecteur vormen het startpunt van de verjaringstermijn. De schooldirecteur kreeg op 2 maart 2020 kennis van het incident. Het is de algemeen directeur die later een onderzoek opstart. Er wordt niet aangetoond waarom nu een andere schoolinstantie bevoegd of verplicht zou zijn om een mogelijk tuchtfeit te rapporteren aan de tuchtoverheid. Als de schooldirecteur een verplichting tot rapporteren heeft, dan geldt dit voor de beide tuchtfeiten. Verzoeker wijst erop dat de schooldirecteur nog dezelfde dag een intern onderzoek heeft gevoerd naar het incident. Bijgevolg kan onmogelijk ontkend worden dat zij, in haar hoedanigheid van schooldirecteur, voldoende kennis had op 2 maart 2020 van “mogelijke tuchtfeiten” in hoofde van verzoeker. Zij had dan ook de verplichting dit te rapporteren aan de tuchtoverheid en dit is de datum van kennisname. Het inschakelen van de onderzoekscel door de IX-9891-7/38 algemeen directeur staat los van de datum van kennisname van het mogelijke tuchtfeit. 5. In de memorie van wederantwoord onderstreept verzoeker dat de schooldirecteur onmiddellijk een intern onderzoek heeft gestart. Zij heeft dan leerling A preventief geschorst. Aldus kan niet worden aangenomen dat zij de ernst van de feiten niet voldoende kende, vermits zij een leerling schorst op basis van die feiten. Bovendien was collega G ook bij het feit aanwezig en werd hij terstond voorwerp van tuchtonderzoek. Alle verklaringen van alle betrokkenen – verzoeker, collega G en de leerlingen – omtrent het feit ten aanzien van verzoeker waren gekend aan de schooldirecteur “vanaf dag 1 van het feit (2/03/2020)”. Zij had vanaf de dag zelf van het incident voldoende gegevens, na intern onderzoek, om al dan niet een tuchtonderzoek te starten, maar zij blijft stilzitten. Anders dan over collega G meldt zij over verzoeker niets aan de algemeen directeur. Laatstgenoemde heeft de onderzoekscel pas een opdracht gegeven na een eigen initiatief van verzoeker, namelijk zijn verzoek om een herstelgesprek op 23 maart 2020. Verzoeker merkt op dat de verwerende partij na het onderzoek door de onderzoekscel niet méér ter beschikking had, dan tegenstrijdige verklaringen. Logisch kon dan ook geen onderzoek worden opgestart op basis van de gegevens van de onderzoekscel. De stelling dat de tuchtoverheid eerst nadere informatie nodig had om toch niet lichtzinnig een tuchtprocedure te starten, gaat niet op. 6. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat de schooldirecteur en de algemeen schooldirecteur “zijn blijven stil zitten tot wanneer verzoeker zelf terug het initiatief nam met zijn brief van 23/03/2020”: “Ofwel waren de feiten ernstig genoeg en dan had de directie terstond een bijkomend onderzoek gestart; de schooldirecteur had immers vanaf dag 1, op 2/03/20, kennis van de feiten; ze had immers samen met een andere IX-9891-8/38 leerkracht informatie verzameld en zelfs de vader van de betrokken leerling ontvangen. Ze wist waarover het ging. Ofwel is de directie blijven stilzitten omdat de feiten helemaal niet ernstig genoeg werden geacht. Zo niet was men geen drie weken blijven stil zitten. Bovendien was het de algemeen directeur en niet de schooldirecteur die het bijkomend onderzoek vorderde.” Beoordeling 7. De tuchtoverheid mag overeenkomstig artikel 19, § 5, derde lid, van het tuchtbesluit “geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten”. 8. Dat de tuchtprocedure is gestart op 18 november 2020 staat buiten betwisting. Dit betekent dat verzoeker enkel tuchtrechtelijk kan worden gestraft voor feiten waarvan de raad van bestuur pas na 18 mei 2020 kennis heeft genomen of feiten die pas na 18 mei 2020 door de raad van bestuur werden vastgesteld. 9. Volgens de kamer van beroep is het eerste tuchtfeit verjaard. Verzoeker betwist dit uiteraard niet, zodat dit aspect van de verjaring niet nader moet worden onderzocht. Niet wordt beweerd, voorts, dat de derde tenlastelegging verjaard is. Het middel heeft dan ook enkel betrekking op het al dan niet verjaard zijn van de feiten van 2 maart 2020, namelijk het gedrag van verzoeker bij het conflict met leerling A. IX-9891-9/38 10. De kamer van beroep verwerpt de verjaring van die tweede tenlastelegging om volgende redenen: “4.3.4. De feiten van […] 2 maart 2020 […] vergen nader onderzoek, inzonderheid met betrekking tot de toepassing van enerzijds het begrip ‘de vaststelling of kennisneming’ van feiten en anderzijds het begrip ‘tuchtoverheid’. 4.3.4.1. Het begrip ‘vaststelling of kennisneming’ wordt in de reglementering niet nader gedefinieerd. Deze Kamer heeft zich steeds gealigneerd op de unanieme rechtsleer en rechtspraak waarin gesteld wordt dat, zo het zeker niet betekent dat er een duidelijk bewijs voorligt zoals dat bij de definitieve beslissing over een tuchtzaak vereist wordt, er toch voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens moeten voorliggen die toelaten om met kennis van zaken een tuchtonderzoek op te starten. Dit om te vermijden dat al te lichtzinnig, louter op basis van geruchten, speculaties of onzekere gegevens, een tuchtprocedure wordt aangevat. Is een aangelegenheid onmiddellijk waarneembaar als tuchtfeit, dan valt de kennisneming samen met de vaststelling; in het andere geval zullen de gegevens van het dossier moeten uitwijzen wanneer er voldoende kennis was om een tuchtzaak op te starten. In laatstgenoemd geval mag het bestuur zich, vooraleer het standpunt inneemt over het opstarten van een tuchtvordering, informeren; de verjaringstermijn loopt dan vanaf het ogenblik dat het over voldoende informatie beschikt. 4.3.4.2. Artikel 19, § 1, van het besluit van 22 maart 1991 spreekt van de vaststelling of kennisneming van een tuchtfeit ‘door de tuchtoverheid’. Hier is dit de raad van bestuur, een orgaan dat collegiaal beraadslaagt en beslissingen neemt. Bij uitbreiding wordt wel aangenomen dat de vaststelling of de kennisneming van strafbare feiten door één lid van een tuchtorgaan kan gelden als een kennisneming door het hele orgaan. Dit wordt verantwoord door de overweging dat van de leden van een collegiale vergadering uit hoofde van hun functie mag verwacht worden dat zij feiten, die zij persoonlijk als tuchtfeiten beschouwen, zo snel mogelijk ter kennis brengen van het collegiaal orgaan (I. Opdebeek: Algemene beginselen van het tuchtrecht, Hfdst VII, §3, rubriek IV, c). 4.3.4.3. Betrokken op de feiten van 2 maart 2020, waarbij de schooldirectie kennis kreeg van een veelheid van informatie met verschillende standpunten, was het verantwoord dat een informeel onderzoek werd opgestart om de waarheid te achterhalen. Dat onderzoek werd pas afgesloten met het verslag van 14 oktober 2020 van de Onderzoekscel GO! aan de Algemeen Directeur. Op dat ogenblik was hij in staat de opportuniteit en het nut van een tuchtvervolging te beoordelen. Dit is dan het startpunt van de verjaringstermijn. Het feit is niet verjaard.” 11. De Raad van State kan met deze overwegingen instemmen. IX-9891-10/38 12. De kamer van beroep beoordeelt de verjaring van de feiten van 17 februari 2020 anders, omdat de schooldirecteur persoonlijk aanwezig was op de vergadering van de klassenraad waar verzoeker is tussengekomen en omdat zij die tussenkomsten dus zelf heeft gehoord en “op grond van de eigen vaststellingen” heeft kunnen beoordelen. Bovendien behoeft het gebeuren tijdens die klassenraad volgens de kamer van beroep geen “nader onderzoek” en was het dus “onmiddellijk waarneembaar als tuchtfeit”, in tegenstelling tot wat zich heeft afgespeeld op 2 maart 2020. Volgens de kamer van beroep had de schooldirecteur in die specifieke omstandigheden de plicht om de feiten dadelijk aan de tuchtoverheid te rapporteren: “De schooldirecteur was op de vergadering van 17 februari 2020 aanwezig; zij heeft daar de tussenkomsten van de verzoeker gehoord en kunnen beoordelen. Zij heeft de feiten en alle omstandigheden waarin zij zich voordeden mee beleefd en dus op grond van de eigen vaststellingen en zonder nader onderzoek op dat ogenblik kunnen uitmaken of een tuchtprocedure aangewezen was. Uit hoofde van haar functie had de schooldirectrice de verplichting om de feiten die zij mogelijks als een tuchtinbreuk beschouwde, aan de raad van bestuur te signaleren. Zou aangenomen worden dat deze vaststelling door de schooldirecteur niet doorwerkt naar het optreden van de raad van bestuur, dan gaat dit in tegen de basisgedachte van elke verjaring, te weten dat de betrokkene niet te lang onzeker blijft over het gevolg dat aan zijn daden wordt gegeven en zou dit een vrijgeleide zijn aan het schoolbestuur om op een bepaald feit terug te komen op het ogenblik dat dit hem past, wat niet te verzoenen is met de ratio van de verjaring.” 13. Of de kamer van beroep terecht tot de verjaring heeft besloten van die feiten van 17 februari 2020, staat thans niet ter beoordeling van de Raad van State. Het volstaat om vast te stellen dat de kamer van beroep gepast heeft besloten tot de niet-verjaring van de feiten van 2 maart 2020. Bij dat incident met leerling A was in elk geval sprake “van een veelheid van informatie met verschillende standpunten”, die aan de kant van de tuchtoverheid – dat is: de raad van bestuur – nader onderzoek rechtvaardigt “om de waarheid te achterhalen”. IX-9891-11/38 14. Als, zoals verzoeker betoogt, de redenering over het incident met leerling A haaks staat op de redenering die is gevolgd voor de feiten van 17 februari 2020, dan betekent dit ten hoogste dat de oudste feiten ten onrechte verjaard zijn verklaard. In het kader van het besproken middel moet de Raad, als gezegd, zich hierover niet uitspreken. Hij moet ter beoordeling van het middel evenmin nagaan of de kamer van beroep zich tegenspreekt; enkel is te onderzoeken of de feiten van 2 maart 2020 zijn verjaard. 15. De Raad merkt daarom ten overvloede op dat verzoeker met zijn zienswijze over de chronologie aan enkele feiten voorbijgaat. Uit een bericht van de schooldirecteur van 6 maart 2020 blijkt dat leerling A na afloop van zijn preventieve schorsing voorlopig wordt vrijgesteld van de lessen LO, wat “werd beslist door de algemeen directeur”. Dit betekent dat de schooldirecteur de algemeen directeur effectief heeft verwittigd van het incident. Zelfs als, zoals verzoeker betoogt, ook over dit incident voor “de schooldirectrice de verplichting [geldt] om de feiten die zij mogelijks als een tuchtinbreuk beschouwde, aan de raad van bestuur te signaleren”, dan blijkt zij zulks ook te hebben gedaan. Voorts was ook collega G bij het incident van 2 maart 2020 betrokken. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de algemeen directeur op 6 maart 2020 door de schooldirecteur is gevraagd om G preventief te schorsen – opnieuw een aanwijzing dat de schooldirecteur inderdaad het incident “hogerop” aan de tuchtoverheid heeft gerapporteerd. In elke verklaring die tussen 2 en 6 maart 2020 over het incident in de kleedkamer is opgetekend door de schooldirecteur en de leerlingbegeleider komt – gezien de aristotelische eenheid van handeling, tijd en plaats van het drama noodzakelijk – telkens het optreden van zowel verzoeker als van leraar G aan bod; het is dus uitgesloten dat de algemeen directeur door de IX-9891-12/38 schooldirecteur enkel over het gedrag van leraar G zou zijn geïnformeerd zonder iets te vernemen over het optreden van verzoeker. De bewering dat de schooldirecteur is blijven stilzitten, mist feitelijke grond. 16. De algemeen directeur heeft dan op 12 maart 2020 leraar G gesproken naar aanleiding van het incident, met het oog op een eventuele preventieve schorsing. Hij beslist om leraar G niet preventief te schorsen, maar om een onderzoek over de feiten te vragen. Op 24 maart 2020 heeft de algemeen directeur vervolgens de onderzoekscel een dubbele onderzoeksopdracht gegeven, namelijk, eensdeels, een onderzoek over het gedrag van verzoeker en, anderdeels, een onderzoek over het gedrag van G. 17. Uit die opeenvolging en samenhang van feiten blijkt dat niet, zoals verzoeker denkt, zijn brief van 23 maart 2020 de opdracht aan de onderzoekscel heeft uitgelokt. 18. Of dat onderzoek de waarheid achterhaalt, is voor de voorliggende verjaringsvraag niet ter zake: de tuchtoverheid kan vooraf niet weten wat de uitkomst van een onderzoek zal zijn. 19. Besluitend, herhaalt de Raad van State dat de schooldirecteur kort na de feiten en alleszins vóór 6 maart 2020 de algemeen directeur over het incident van 2 maart 2020 heeft geïnformeerd. Zoals de kamer van beroep schrijft, mag een tuchtprocedure niet lichtzinnig worden gestart, mag het bestuur zich, vooraleer het standpunt inneemt over het opstarten van een tuchtvordering, informeren en loopt de verjaringstermijn dan in beginsel vanaf het ogenblik dat het over voldoende informatie beschikt. De algemeen directeur heeft, gelet op de tegenstrijdige verklaringen van de betrokkenen, niet onzorgvuldig gehandeld door zich hierover IX-9891-13/38 middels een opdracht aan de onderzoekscel nader te willen informeren. De algemeen directeur heeft die opdracht op 24 maart 2020 gegeven en hiertoe niet nodeloos getreuzeld. Evenmin wordt beweerd dat het onderzoek door de onderzoekscel onverantwoord lang heeft aangesleept. De verjaringstermijn neemt dan een aanvang bij de mededeling van het onderzoeksrapport op 14 oktober 2020. Op 18 november 2020 is de verjaring dus nog niet ingetreden. 20. Het middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 21. In een tweede middel voert verzoeker aan dat het tweede tuchtfeit niet bewezen is. Hij wijst op de tegenstrijdige verklaringen van partijen over dit feit. Zijn verklaringen worden bevestigd door zijn collega G en door de preventieve schorsing van leerling A van 2 tot 6 maart 2020. Verzoeker leest in het onderzoeksrapport bovendien dat het onmogelijk is vast te stellen wat er effectief is gebeurd op 2 maart 2020. Enkel zou leerling A “het gevoel hebben gehad dat hij werd gefilmd”. Hierbij stelt verzoeker de vraag hoe de onderzoekscel een gevoel heeft kunnen vaststellen. Maar zelfs dan nog is het subjectieve gevoel dat men gefilmd wordt geen vaststelling dat verzoeker enig feit heeft gepleegd, laat staan een tuchtfeit. 22. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker dat hij de feiten heeft erkend. Enkel heeft hij “het dreigen met een klassenraad” erkend. Dat “dreigen” is volgens verzoeker ook geen laakbaar gedrag, “want het is niet [verzoeker] zelf, die een gebeurlijke sanctie zal opleggen, maar een geheel team [dat] de zaak bespreekt om de meest aangepaste maatregel te treffen, waarbij de leerling zelf wordt betrokken”. IX-9891-14/38 Bovendien zijn de getuigenverklaringen van de leerlingen volgens verzoeker niet betrouwbaar. Zij willen de medeleerling vrijpleiten of verzoeker te grazen nemen. De verwerende partij heeft deze mogelijke collusie niet onder ogen genomen. 23. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat de feiten onbewezen zijn en dat enkel “bewezen en zekere feiten” tot een tuchtsanctie kunnen leiden. Beoordeling 24. Het is verre van uitzonderlijk dat bij een incident meerdere betrokkenen zich meer of min onbetamelijk gedragen. Dat leerling A preventief geschorst is, volstaat dus niet om de tenlastelegging aan het adres van verzoeker tegen te spreken. 25. De kamer van beroep heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, op het stuk zowel van de feitenvinding als van de bewezenverklaring van de feiten. De kamer van beroep die zich als tuchtoverheid over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Nu de op verzoeker toepasselijke tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt die tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. IX-9891-15/38 26. Als eerste tuchtoverheid acht de raad van bestuur de tweede tenlastelegging bewezen: “Om het incident van 2 maart 2020 te reconstrueren moesten de onderzoekers zich noodgedwongen volledig baseren op getuigenissen, enerzijds op schriftelijke getuigenissen die genoteerd zijn kort na het incident, anderzijds op de getuigenissen tegenover de onderzoekers zelf, genoteerd enkele maanden na de feiten. Een dergelijke reconstructie van de feiten is dus per definitie nooit perfect vermits de onderzoekers onvermijdelijk geconfronteerd worden met tegenstrijdige verklaringen. Dat neemt niet weg dat er over een aantal elementen van wat zich op 2 maart 2020 heeft voorgedaan weinig of geen discussie is. Zo blijkt uit het onderzoek overduidelijk dat de heer Demets – tijdens het voetbalspel van de klas die op dat ogenblik les had van de heer [G] – dwars over het veld liep, aangeschoten werd en daarop in een woedebui losbarstte en krachttermen naar het hoofd van [A] slingerde, waaronder ‘kl[*]’. Een dergelijke impulsieve reactie mag dan misschien al menselijk zijn, ze was niettemin misplaatst, zeker omdat de heer Demets zelf aanleiding had gegeven voor het incident door dwars over het veld te lopen. Bovendien mag van een leerkracht verwacht worden dat hij zijn impulsieve reacties onder controle weet te houden. Erger is dat deze impulsieve reactie de katalysator was van een groter incident tussen [A, G en verzoeker], terwijl dit in se banaal incident, mits een diplomatische benadering, zeker had kunnen vermeden worden. Hoewel de heer Demets dat blijft ontkennen, blijkt uit het onderzoek tevens dat er sterke aanwijzingen zijn dat de heer Demets, op het moment van de escalatie, ook nog eens [leerling A] filmde met zijn gsm, wat nóg eens olie op het vuur was. De raad van bestuur wil niet blind zijn voor de alles behalve vlekkeloze schoolloopbaan van [A]. Die kan op zich echter geen excuus zijn voor de handelwijze van de heer Demets zoals die beschreven is in het onderzoeksrapport. Het is niet omdat [leerling A] zich niet correct gedraagt dat dit de heer Demets een vrijgeleide geeft om het incident op een dergelijke wijze aan te pakken.” 27. De kamer van beroep sluit zich hier ten dele bij aan: “4.6.2. Over de tweede tenlastelegging: Deze tenlastelegging beslaat twee afzonderlijke feiten:
- a)de buitensporige reactie tegenover de leerlingen – gebruik van de krachtterm ‘kl[*]’ en dreigen met een klassenraad – toen hij een bal op de rug kreeg en
- b)het aannemen van een provocatieve houding door [leerling A] te filmen tijdens dezes discussie met collega [G]. 4.6.2.1. Terecht heeft de raad van bestuur op grond van het verslag van onderzoek aangenomen – zie de samenvatting van de verklaringen in het verslag, pag. 32-33 en 42 – dat de verzoeker de leerlingen toegeroepen IX-9891-16/38 heeft met de term ‘kl[*]’ en het dreigement ‘wacht maar bij de klassenraad’. Met de raad van bestuur klassificeert de Kamer van beroep dit als een impulsieve en verkeerde reactie op een banaal incident, ongepast voor een leraar en tuchtrechtelijk strafbaar. 4.6.2.2. Uit de verklaring van leerlingen die om of bij de discussie tussen [A], [G] en de verzoeker waren (samenvatting in het verslag, pag. 41-43) blijkt in ieder geval dat X. Demets zich heeft laten betrekken in een confrontatie tussen [A en G], in de zin dat hij zeer nabij was en zijn gsm in de aanslag hield, zodat de omstaanders zagen (zie verklaring [leerling X en leerling Y]) dat hij aan het filmen was. Met recht heeft de raad van bestuur dit als een provocatieve houding aangemerkt. Of hij nu daadwerkelijk gefilmd heeft – stelling getuigen – of niet – stelling van de verzoeker – is niet bepalend om de aangelegenheid als een tuchtfeit te kwalificeren, aangezien buiten betwisting staat dat hij tijdens de discussie zijn gsm gebruiksklaar gehouden heeft, waardoor hij bij de omstaanders de indruk gewekt heeft dat hij filmde en zijn provocatieve houding bewezen wordt.” 28. Verzoeker verliest zich in de toelichting bij het middel in een betoog over het al dan niet bewezen zijn van het gebruik van deze of gene krachtterm en, vooral, van het gebruik van zijn gsm om een filmopname te maken. Dat alles is, zo blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing, naast de kwestie of “niet bepalend om de aangelegenheid als een tuchtfeit te kwalificeren”. De kamer van beroep merkt het gedrag van verzoeker op het sportterrein aan als “een impulsieve en verkeerde reactie op een banaal incident, ongepast voor een leraar”. Dat verzoeker gedreigd heeft met de klassenraad erkent verzoeker zelf. Zijn uitleg in de memorie van wederantwoord, dat dit in het belang van de leerling is, komt geheel ongeloofwaardig over. Alle getuigenissen over dit gebeuren stellen dat verzoeker buitenzinnig kwaad was. De verwijzing naar “wacht maar bij de klassenraad” kan niet anders zijn bedoeld – noch begrepen door de leerling – dan als een dreigement om het niet daarbij te laten. Verzoeker ontkent voorts het scheldwoord ‘kl*’ in de mond te hebben genomen. Gelet op de verklaringen van de omstaanders, mocht de kamer van beroep in redelijkheid er geloof aan hechten dat verzoeker deze krachtterm heeft IX-9891-17/38 gebruikt. Als er al “tegenstrijdigheid” is tussen de diverse getuigenissen is het overigens niet over de vraag of verzoeker gevloekt en getierd heeft, maar wel of hij naast “kl*” ook “mietjes” en “kleine piemels” heeft geroepen. Wat dan weer het gedrag in de kleedkamer betreft, komt de kamer van beroep tot de conclusie dat verzoekers gedrag laakbaar is, ongeacht of verzoeker effectief heeft gefilmd. Of het effectief filmen dus voor bewezen beschouwd kan worden, is niet ter zake aangezien de kamer van beroep – in tegenstelling tot de raad van bestuur – abstractie heeft gemaakt daarvan voor het bewijs van de tenlastelegging ‘provocatieve houding’. 29. Het klopt dat verzoeker en zijn collega G een andere kijk hebben op het verloop van de gebeurtenissen dan de ondervraagde leerlingen. De tuchtoverheid ontkent ook niet dat hun verklaringen op sommige punten tegenstrijdig zijn. De gevolgtrekking daaruit is dat de tuchtoverheid binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid tot een eigen overtuiging over die feiten komt. Zij is daarbij niet verplicht de conclusies van de onderzoekscel te volgen, noch moet zij automatisch verzoeker het voordeel van de twijfel gunnen, als zij meent niet te moeten twijfelen en tussen die tegenstrijdige verklaringen een keuze te kunnen maken. 30. Louter ten overvloede merkt de Raad op dat de onderzoekscel uit de verklaringen “onthoudt” dat verzoeker boos reageert, vloekt en scheldt waarbij hij volgens enkele leerlingen “kl*” roept en dreigt met de klassenraad en voorts besluit dat niet kan worden uitgesloten dat verzoeker door zijn woordgebruik tijdens de les, maar vooral door zijn houding aan de kleedkamers een bepaalde grensoverschrijdende reactie van leerling A wou uitlokken. Die conclusie is bijgevolg niet in tegenstrijd met het finaal bewezen achten van de tenlastelegging, zoals aangepast, door de kamer van beroep. 31. Verzoeker beweert dat de getuigenverklaringen van de leerlingen onbetrouwbaar zijn. De kamer van beroep is het daarmee niet eens, IX-9891-18/38 maakt zoals gezien abstractie van enkele niet precies te achterhalen gegevens – inzonderheid het al dan niet filmen met de gsm – maar distilleert uit de verklaringen van de omstaanders wel een minimaal beeld van wat zich volgens haar alleszins moet hebben afgespeeld. Aangestipt mag worden dat de verklaringen waarop de tuchtoverheid steunt, afkomstig zijn van leerlingen die hetzij enkel op het sportveld aanwezig waren, hetzij enkel in de kleedkamers. Het blijkt ook dat bijzondere geloofwaardigheid wordt gehecht aan de verklaring van een oudere leerling, omdat hij leerling A niet persoonlijk kent noch van verzoeker les krijgt en om die redenen alleszins meer onbevangen tegen het gebeuren aankijkt. Verzoeker ziet het anders. Dat de tuchtoverheid – de raad van bestuur, daarin bijgevallen door de kamer van beroep – in redelijkheid geloof mocht hechten aan de grotendeels met elkaar overeenstemmende verklaringen van de ooggetuigen die alleszins observatie van het uitdagend gedrag van verzoeker gemeen hebben, ontkracht hij alzo niet. 32. Het valt de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om een eigen onderzoek in te stellen betreffende het zich al dan niet hebben voorgedaan van gebeurtenissen en om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is geen hogere beroepsinstantie. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens – meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering – of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, mag verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de IX-9891-19/38 kamer van beroep berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. De uiteenzetting van verzoeker overtuigt niet dat de kamer van beroep het tweede feit, zoals zij het omschrijft, ten onrechte voor bewezen hield. 33. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 34. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van “het vertrouwensbeginsel” en van artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit. Hij argumenteert dat in het schrijven van de algemeen directeur van 18 november 2020 niet wordt meegedeeld dat de tuchtoverheid lastens verzoeker een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daartoe aanleiding geeft. Volgens verzoeker heeft de tuchtoverheid zelfs helemaal geen tuchtonderzoek gevoerd. Er is immers niets anders dan het onderzoek en het verslag van de onderzoekscel, dat enkel kan worden beschouwd “als informatief”, niet “als tuchtonderzoek”. 35. In de memorie van wederantwoord preciseert verzoeker de schending van het vertrouwensbeginsel “in die zin dat [hij] geconfronteerd wordt met een tuchtoverheid die de schijn wekt dat de loutere kennisname van de feiten voldoende is om hem te verhoren en ook reeds te sanctioneren, zonder dat, minstens, voorafgaande verdere onderzoeksdaden vereist zouden zijn vanuit de tuchtoverheid”. Het onderzoek van de onderzoekscel was naar zijn mening “eerder een louter informatief onderzoek” en hij “is dan ook verschalkt door de IX-9891-20/38 Algemeen Directeur […] en door de manier waarop de tuchtoverheid het dossier heeft behandeld”. Verzoeker wijst erop dat hij de feiten die de derde tenlastelegging vormen zelf heeft meegedeeld. Er is geen onderzoek naar gevoerd. Hij heeft zichzelf beschuldigd en is dus verschalkt. Indien een daadwerkelijk tuchtonderzoek ware gevoerd waarbij hij erop was gewezen dat het een tuchtonderzoek was waarop mogelijk een tuchtsanctie kon volgen, dan had hij dit “feit 3” niet medegedeeld. IX-9891-21/38 Beoordeling 36. Artikel 19, § 1, van het tuchtbesluit luidt: “De bevoegde tuchtoverheid gaat over tot de nodige vaststellingen en verhoren zodra de feiten, die de toepassing van een tuchtmaatregel kunnen verantwoorden, haar ter kennis worden gebracht. Wanneer meerdere feiten die verband hebben met elkaar ten laste van het personeelslid worden gelegd, kan dit slechts aanleiding geven tot één tuchtprocedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf. Wanneer in de loop van de tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd dat geen verband heeft met de lopende tuchtprocedure kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven. De tuchtoverheid deelt onmiddellijk per aangetekende brief aan het personeelslid mee dat ze een tuchtonderzoek instelt, alsook de reden die daartoe aanleiding geeft. De tuchtrechtelijke vervolging begint op de datum van verzending van de aangetekende brief.” 37. Zoals hiervóór al is opgemerkt, is er geen betwisting over dat de tuchtprocedure is gestart op 18 november 2020. De brief die op die datum aan verzoeker is geschreven, heeft als “hoofding” de vermelding ‘tuchtprocedure in toepassing van artikel 61 en 64 van het decreet rechtspositie Uitnodiging hoorzitting in het kader van de tuchtmaatregel ‘schorsing voor één maand’’. Aan verzoeker wordt onder meer meegedeeld dat de raad van bestuur na kennisname van het verslag van de onderzoekscel “besliste om een tuchtprocedure te starten”. In de brief worden de drie tenlasteleggingen vermeld. Verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. 38. Aldus heeft de tuchtoverheid overeenkomstig artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit verzoeker meegedeeld dat hij aan een tuchtprocedure is onderworpen en “de reden die daartoe aanleiding geeft”. Die bepaling verplicht de tuchtoverheid niet om de bedoelde mededeling in bepaalde sacrale, op straffe van nietigheid voorgeschreven bewoordingen te stellen. De strekking van de brief van 18 november 2020 is naar IX-9891-22/38 het oordeel van de Raad van State duidelijk en het ontbreken van het woord ‘tuchtonderzoek’ heeft verzoeker niet in zijn rechten geschaad. In zoverre is het middel ongegrond. 39. De in het middel ingeroepen bepaling onderwerpt voorts het tuchtonderzoek aan geen bijzondere vormvereisten. Zo de raad van bestuur na een informatief onderzoek meent over voldoende gegevens te beschikken, handelt zij niet in strijd met deze bepaling door af te zien van bijkomende onderzoeksmaatregelen en verzoeker terstond op te roepen voor de hoorzitting, die overigens deel uitmaakt van het tuchtonderzoek en bij artikel 19, § 2, van het tuchtbesluit is voorgeschreven. Artikel 19, § 1, vierde lid, van het tuchtbesluit verbiedt niet dat het tuchtonderzoek tot dit horen beperkt blijft. Voor zover het middel uitgaat van een andere opvatting, faalt het naar recht. 40. In de toelichting bij het middel legt verzoeker niet uit hoe de bestreden beslissing volgens hem het vertrouwensbeginsel schendt. Dit beginsel komt er zelfs niet meer ter sprake. In zoverre is het middel onontvankelijk. Dit euvel kan niet worden verholpen in latere procedurestukken. 41. Verzoeker gaat in de memorie van wederantwoord specifiek in op “feit 3”. Over dat “feit 3” heeft hij in de toelichting van het derde middel in het inleidend verzoekschrift niets geschreven. Daargelaten of verzoeker met zijn betoog hierover enkel het vertrouwensbeginsel viseert, of méér, is dit dus ook een laattijdige uitbreiding van het middel. Ook in die mate is het middel niet ontvankelijk. 42. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-9891-23/38 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 43. Het vierde middel is geput uit de schending van het vertrouwensbeginsel en van artikel 19, § 1, eerste lid, van het tuchtbesluit. Verzoeker argumenteert dat er na de kennisgeving van de opstart van de tuchtprocedure geen enkele vaststelling of verhoor wordt georganiseerd door de tuchtoverheid. Er gebeurt volgens verzoeker na 18 november 2020 “niets meer”, geen verhoor, geen vaststelling. Er is geen tuchtdossier waarbij tuchtfeiten zijn vastgesteld conform de wettelijke bepalingen. De tuchtoverheid steunt enkel op het verslag van de onderzoekscel, dat geen tuchtonderzoek is en enkel kan worden beschouwd als een document met inlichtingen. Dit betekent ook dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, doordat bij verzoeker de indruk is gewekt dat het om een louter informatief onderzoek ging. Zonder het respecteren van de wettelijke formele plicht tot het verwittigen van betrokkenen dat een tuchtonderzoek was gestart. Beoordeling 44. Het is geenszins ongebruikelijk dat een informatief onderzoek voorafgaat aan de tuchtprocedure, met als doel na te gaan hoe de feiten zich precies hebben voorgedaan en of het opstarten van een tuchtprocedure aangewezen is. In de voorliggende zaak is dat vooronderzoek ook gebeurd. Zoals hiervóór al is opgemerkt, beslist de tuchtoverheid vrij over de noodzaak of de wenselijkheid van bijkomende onderzoeksmaatregelen na de opstart van de tuchtvervolging. In de voorliggende zaak volstond voor de tuchtoverheid het “document met inlichtingen”, zoals verzoeker het onderzoeksrapport noemt, om IX-9891-24/38 verzoeker dadelijk op te roepen om hem te horen in zijn verdediging. Dat verhoor heeft plaatsgevonden op 14 december 2020. Overigens is verzoeker ook gehoord door de kamer van beroep op 30 maart 2021. De bewering dat er na 18 november 2020 “geen verhoor” is geweest, mist feitelijke grondslag. De tuchtoverheid mag steunen op het informatief onderzoek van de onderzoekscel, zonder dat zij zelf die verhoren of het onderzoek van de “plaats delict” moet overdoen. Zij beoordeelt de bewijswaarde van het gevoerde onderzoek op het ogenblik van haar beslissing. Zo verzoeker voorts van oordeel is dat de informatie in het onderzoeksverslag onvolledig is, dan stond het hem vrij bijkomend onderzoek te suggereren en bijvoorbeeld te vragen om getuigen op te roepen. Dat heeft hij niet gedaan. Voor zover het middel de schending van artikel 19, § 1, eerste lid, van het tuchtbesluit aanvoert, is het ongegrond. 45. Zoals verzoeker opmerkt, heeft de onderzoekscel een informatief onderzoek gevoerd. Bij verzoeker is daarover geen verkeerde indruk gewekt. Het vertrouwensbeginsel is dan ook niet geschonden. Voorts heeft de algemeen directeur in zijn brief van 31 maart 2020 aan verzoeker niet enkel meegedeeld dat de onderzoekscel met een onderzoeksopdracht is belast. Hij wees er ook op dat de onderzoekers verzoeker “formeel [zullen] interviewen”, dat verzoeker “recht op bijstand van een raadsman” heeft en dat de algemeen directeur het eindrapport zal voorleggen aan de raad van bestuur “die zich zal beraden over de verdere stappen die nodig zijn”. Dat de raad van bestuur nog “verdere stappen” zou kunnen nemen – in casu, een tuchtprocedure opstarten – mocht verzoeker dan ook niet verrassen. Alleszins is hem door de algemeen directeur niet het tegenovergestelde in het vooruitzicht gesteld. Ook zo beschouwd is geen vertrouwen gewekt, zodat het evenmin geschonden kan zijn. IX-9891-25/38 Ook in die mate is het middel niet gegrond. 46. Verzoeker argumenteert in de memorie van wederantwoord voor het eerst, en opnieuw in zijn laatste memorie, over “feit 3”. Dat is laattijdig en dus niet ontvankelijk. 47. Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 48. In het vijfde middel voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van artikel 19, § 1, derde lid, van het tuchtbesluit. Verzoeker argumenteert dat voor het derde tuchtfeit een aparte tuchtprocedure had moeten worden opgestart, aangezien dit feit pas lopende de tuchtprocedure over het eerste en tweede tuchtfeit aan het licht is gekomen. Verzoeker ontkent dat hij niet bereid was tot een herstelgesprek. Hij merkt op dat hij daar uitdrukkelijk om had verzocht bij smartschoolbericht van 23 maart 2020. Indien een degelijk tuchtonderzoek conform de wettelijke vereisten ware gevoerd, had hij dit kunnen uitklaren vooraleer een beslissing ware genomen. Beoordeling 49. Verzoeker betwist niet dat de tuchtrechtelijke vervolging is gestart bij de aangetekende brief van 18 november 2020. Die brief vermeldt de drie tenlasteleggingen, dus ook het derde tuchtfeit. Het is dan ook geen “nieuw feit” dat verzoeker ten laste wordt gelegd. IX-9891-26/38 Het middel mist feitelijke grondslag. 50. Ten overvloede mag hieraan worden toegevoegd dat de derde tenlastelegging een smartschoolbericht van verzoeker betreft over het uitblijven van een herstelgesprek met leerling A. Het houdt bijgevolg vanzelfsprekend verband met de tweede tenlastelegging. Het is net naar aanleiding van het incident waarop die tweede tenlastelegging betrekking heeft, dat verzoeker om een herstelgesprek vraagt en zich afreageert omdat het er niet van komt. Luidens artikel 19, § 1, tweede lid, van het tuchtbesluit, waarvan verzoeker terecht niet de schending aanvoert, was de tuchtoverheid dan verplicht om hierover slechts één tuchtprocedure te voeren, zoals zij het ook heeft gedaan. En zou dat verband er niet zijn geweest, dan leest verzoeker nog steeds artikel 19, § 1, derde lid, van het tuchtbesluit verkeerd door er een verplichting in te lezen, waar het slechts een mogelijkheid betreft. 51. Eveneens ten overvloede mag nogmaals worden opgemerkt dat verzoeker is gehoord door zowel de raad van bestuur als de kamer van beroep, zodat hij de gelegenheid heeft gekregen om in de fase van het tuchtonderzoek – waar dat verhoor deel van uitmaakt – uit te klaren wat hij wou uitklaren over het smartschoolbericht van 23 maart 2020. Niet valt in te zien, welk belang verzoeker zou hebben bij enig aanvullend tuchtonderzoek; hij heeft overigens daar te gepasten tijde zelf ook niet om gevraagd. Verzoeker heeft de tuchtoverheid bovendien kunnen overtuigen, want de raad van bestuur heeft de omschrijving van de derde tenlastelegging aangepast. De tuchtoverheid legt verzoeker geenszins ten laste dat hij een herstelgesprek zou hebben geweigerd en de kamer van beroep erkent in de bestreden beslissing zelfs dat verzoeker de reactie van de schooldirectie kon ervaren als “eigengereid en onwillig”. Wat verzoeker als enig verwijt treft, is de ongeacht de context hoe dan ook misplaatste toon van zijn bericht, “cynisch en in wezen uitdagend” waardoor verzoeker “zich, en dit wel doordacht want schriftelijk, onrespectvol opgesteld [heeft] tegen zijn hiërarchische meerdere”. IX-9891-27/38 52. Het middel faalt op alle fronten. Het wordt verworpen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 53. In het zesde middel voert verzoeker de schending aan van de rechten van verdediging en van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM). Die schending ziet verzoeker gelegen in het feit dat het tuchtdossier enkel bestaat uit het verslag van de onderzoekscel en dat hem toentertijd niet is gemeld dat het om een tuchtonderzoek gaat. Hij heeft meegewerkt aan een onderzoek waarvan hij helemaal niet wist dat dit als tuchtdossier zou worden gebruikt en heeft hierdoor zelf een feit aangebracht – verzoeker refereert aan “Feit 3, de ‘cynische brief’” – dat hem als tuchtfeit werd ten laste gelegd. Dit betekent dat het tuchtfeit aan het licht is gekomen doordat verzoeker zichzelf heeft beschuldigd. 54. In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat artikel 6 EVRM van toepassing is in tuchtzaken. Volgens verzoeker is een “loutere hoorzitting” niet voldoende om te besluiten dat hij zich naar behoren heeft kunnen verdedigen. Hij schrijft: “Minstens: - heeft concluant niet voldoende tijd van verdedigen gehad. - werd hij niet conform de bepalingen van art Tuchtbesluit op de hoogte gebracht dat het informatief onderzoek de facto een tuchtonderzoek was - heeft hij hierdoor zichzelf in beschuldiging gesteld - werd ook geen onderzoek à décharge gevoerd bvb wat is er gebeurd na de mail van 4/09/20, quid met het herstelgesprek,….) - ook staat in de oproepingsbrief dat men een sanctie overweegt, dus is reeds een beslissing genomen, vooraf aan de hoorzitting; dit is uiteraard schending van de schijn van onpartijdigheid, zie ook hierna.” IX-9891-28/38 IX-9891-29/38 Beoordeling 55. Anders dan verzoeker meent, wordt de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM op zich in de huidige zaak niet in vraag gesteld. Zoals hij het al deed in menig arrest, herhaalt de Raad van State dat de waarborgen die verzoeker ontleent aan artikel 6, lid 1, EVRM voor een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige “rechterlijke instantie” evenwel van toepassing zijn op gerechtelijke beslissingen en niet betrokken kunnen worden op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur. Het is voldoende, uit het oogpunt van de vereisten die gesteld zijn bij artikel 6 EVRM, dat uiteindelijk een beroep mogelijk is bij een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht die aan de bij artikel 6 EVRM gestelde vereisten voldoet. Niet blijkt noch beweert verzoeker zelfs maar dat daar door de Raad van State niet aan voldaan zou zijn zodat het middelonderdeel, gesteund op artikel 6, lid 1, EVRM, faalt in rechte. Zo ook zijn de waarborgen in artikel 6, lid 3, EVRM voor eenieder “die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd” niet van toepassing op tuchtorganen van het actief bestuur. 56. In tuchtzaken moet het recht van verdediging als algemeen rechtsbeginsel in acht worden genomen. 57. Tijdens het vooronderzoek dat aan de eigenlijke tuchtprocedure voorafgaat, zijn de rechten van verdediging niet van toepassing. Overigens is verzoeker, hoewel dat niet hoefde, bij dat vooronderzoek het recht op bijstand van een raadsman geboden door de algemeen directeur (zie sub 45). IX-9891-30/38 Verzoeker heeft zich bij de tuchtoverheid – zowel de raad van bestuur als de kamer van beroep – kunnen verdedigen. 58. Aangenomen ten slotte dat het recht van verdediging, als algemeen rechtsbeginsel, het recht inhoudt om zichzelf niet in beschuldiging te stellen, dan nog kan de stelling van verzoeker inzake de derde tenlastelegging niet worden bijgevallen. Zoals de tussenkomende partij opmerkt, verwart verzoeker bewijsgaring met zelfincriminatie. Door een e-mailbericht aan de onderzoekscel te overhandigen heeft verzoeker niet zelf vastgesteld een tuchtrechtelijk feit gepleegd te hebben. Die handeling dateert, als gezien, vóór de tuchtprocedure werd opgestart. Verzoeker stelt voorts zelf dat hij het bericht vrijwillig heeft overhandigd, zodat van gedwongen zelfincriminatie of uitlokking geen sprake kan zijn. Bovendien betreft het een smartschoolbericht dat hij heeft gestuurd aan de schooldirecteur en is het dus geen persoonlijke informatie die aan de tuchtoverheid enkel bekend kan zijn omdat verzoeker het aan de onderzoekscel heeft gegeven. 59. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker voor het eerst, en dus laattijdig, dat hij niet over voldoende tijd kon beschikken voor zijn verdediging. Bovendien werkt hij die bewering niet uit. Ze is onontvankelijk. Ook voor zover hij een schending van het onpartijdigheidsbeginsel ziet in de wijze waarop de oproepingsbrief is gesteld, is deze grief nieuw en onontvankelijk. 60. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-9891-31/38 G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel 61. In een zevende middel voert verzoeker de schending aan van het onpartijdigheidsbeginsel, alsook van artikel 6 EVRM. Verzoeker leest het aangetekend schrijven van de algemeen directeur van 18 november 2020 als een schrijven waarin de tuchtbeslissing reeds werd genomen, zonder tuchtdossier en vooraleer hij door de tuchtoverheid werd gehoord. De tuchtoverheid zou om die reden vooringenomen zijn want zij geeft zelf aan van plan te zijn een sanctie op te leggen. Beoordeling 62. Voor zover het middel refereert aan een schending van artikel 6 EVRM, is het niet ontvankelijk. Hiervóór is uitgelegd waarom. 63. Luidens artikel 19, § 5, tweede lid, inleidende zin en 2°, van het tuchtbesluit moet de oproeping van het personeelslid om voor de tuchtoverheid te verschijnen “op straffe van nietigheid” melding maken van “het voorstel van tuchtsanctie”. 64. Zou de algemeen directeur hebben nagelaten te doen wat verzoeker hem verwijt, dan zou de gehele tuchtprocedure nietig zijn. De algemeen directeur heeft zich dus enkel van zijn reglementair op straffe van nietigheid opgelegde opdracht gekweten. Dat bewijst geen vooringenomenheid – daargelaten nog dat het bestaan van eventuele partijdigheid ondervangen wordt door de zogenaamde devolutieve werking van het beroep bij de kamer van beroep. IX-9891-32/38 65. Uit niets blijkt ten slotte dat de beslissing al vooraf vaststond. Integendeel zelfs, want de finale tuchtstraf die de raad van bestuur oplegt is lichter dan wat initieel werd overwogen. En ook dan blijft de vaststelling dat elk eventueel falen wordt opgevangen door de procedure bij de kamer van beroep. 66. Het middel is gericht tegen de algemeen directeur en de raad van bestuur en ook zo toegelicht in het inleidend verzoekschrift. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord als repliek op het verweer inzake de volheid van bevoegdheid van de kamer van beroep in enkele zinnen ook de “partijdigheid en willekeur” van dit beroepsorgaan ter sprake brengt, geeft hij een nieuwe en onontvankelijke grondslag aan het middel. 67. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. H. Achtste middel Uiteenzetting van het middel 68. In een achtste middel voert verzoeker aan dat de strafmaat “buiten proportie” is, omdat er – volgens hem – uiteindelijk slechts één tuchtfeit in aanmerking kan worden genomen, namelijk het derde tuchtfeit. Verzoeker somt de elementen op die het onevenredig karakter van de straf volgens hem aantonen: hij heeft een onberispelijke staat van dienst van 22 jaar met een blanco tuchtverleden; het tuchtfeit is een reactie op het gebrek aan respons van de schooldirecteur tot het organiseren van een herstelgesprek; de leerling werd zelf preventief geschorst gedurende een drietal dagen; de schooldirecteur is de enige die van het “cynisch bericht” van 4 september 2020 kennis heeft genomen en zijzelf reageerde er niet op; er wordt geen rekening gehouden met de medische toestand van verzoeker op dat ogenblik; verzoeker is cartoonist en deze cartoons hebben meestal een sarcastisch karakter. IX-9891-33/38 IX-9891-34/38 69. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat de kamer van beroep de straf heeft verzwaard: “Immers, dezelfde sanctie wordt opgelegd in graad van beroep als in eerste aanleg. Maar voor minder feiten (Feit 2 en 3 i.p.v. Feiten 1,2 en 3).” 70. In zijn laatste memorie merkt verzoeker op dat zelfs voor de gecombineerde feiten 2 en 3 geen enkele andere schooldirectie een sanctie had opgelegd in de individuele omstandigheden die hij heeft uiteengezet. Beoordeling 71. Het uitgangspunt dat de tuchtmaatregel enkel betrekking heeft op het derde tuchtfeit mist feitelijke grondslag. 72. Over de strafmaat overweegt de kamer van beroep: “4.7.1. De raad van bestuur heeft beslist om de verzoeker de tuchtstraf ‘schorsing voor drie dagen’ op te leggen. Hij heeft overwogen dat hij clement wil zijn maar de handelwijze van de verzoeker toch niet voor herhaling vatbaar vindt. Hij vindt een schorsing gepast omdat die tuchtstraf gedurende vijf jaar in het dossier van de betrokkene blijft. Voor de duur van de schorsing houdt hij rekening met het blanco tuchtverleden van de verzoeker, het feit dat er inmiddels een herstelgesprek is gebeurd tussen de verzoeker en [leerling A] en de hoop dat de verzoeker zich in de toekomst constructief zal opstellen. 4.7.2. De Kamer van beroep is van oordeel dat de verzoeker, inzonderheid wat betreft de feiten opgenomen in de tweede tenlastelegging, blijk gegeven heeft van onprofessioneel en laakbaar gedrag. Gewis kan aangenomen worden dat, wanneer een leerling het klimaat verzuurt – ten bewijze waarvan het feit dat leerling [A] een tuchtstraf heeft opgelopen – een leraar corrigerend optreedt, maar in dit geval heeft de verzoeker zich onmiskenbaar aan een overreactie schuldig gemaakt. Zijn mail van 4 september 2020 aan de schooldirectrice en de algemeen directeur gaat in dezelfde richting, al kan men daarbij de – enigszins vergoelijkende – bedenking maken dat de tekst mogelijks geïnspireerd is door een als eigengereid en onwillig ervaren houding van de schooldirectie. 4.7.3. De Kamer van beroep is van oordeel dat de bewezen feiten een schorsing rechtvaardigen. Zij ziet, uitgaand van de ernst van de aangehouden inbreuken, geen reden om de duur van de schorsing te verminderen.” IX-9891-35/38 73. Aan de kamer van beroep kan enkel worden verweten dat zij met bepaalde omstandigheden geen rekening houdt, voor zover haar die omstandigheden ook zijn voorgelegd. Verzoeker is in zijn beroepschrift waarmee hij de zaak bij de kamer van beroep heeft ingeleid, in het geheel niet ingegaan op de strafmaat of de proportionaliteit ervan. Hij beweert niet zijn medische toestand en zijn activiteiten als cartoonist op de hoorzitting ter sprake te hebben gebracht, of op andere wijze de disproportionaliteit van de straf te hebben aangekaart. 74. Uit de aangehaalde motivering van de strafmaat blijkt dat de kamer van beroep de raad van bestuur bijvalt, die rekening hield met het blanco tuchtverleden van verzoeker en het feit dat inmiddels een herstelgesprek is gebeurd. De kamer van beroep houdt ook rekening met het feit dat ook leerling A het klimaat verzuurt en dat de directie niet van alle blaam is vrij te spreken. Anderzijds geeft de kamer van beroep aan vooral aan het laakbaar karakter van het tweede tuchtfeit te tillen en ziet zij geen reden om de duur van de schorsing te verminderen. 75. Met de gegevens die de kamer van beroep dus wel bekend waren uit het dossier, zoals het vlekkeloze tuchtverleden van verzoeker en de context van de feiten, heeft zij bij de afweging van de strafmaat rekening gehouden. 76. Verzoeker overtuigt niet dat geen enkele andere tuchtoverheid, gesteld tegenover dezelfde gegevens, tot eenzelfde tuchtstraf zou besluiten. De feiten gesteld tegenover de straf, is een schending van het evenredigheidsbeginsel niet aangetoond. IX-9891-36/38 77. In de memorie van wederantwoord neemt verzoeker op de korrel dat de kamer van beroep de straf zou hebben verzwaard. Hij voert daarbij geen bepaling of beginsel aan dat geschonden is. Hoe dan ook is deze grief nieuw en dus onontvankelijk. Ze faalt daarenboven in feite, want de tuchtstraf ‘drie dagen schorsing’ is in beroep dezelfde gebleven. Dat de kamer van beroep één van de feiten heeft verworpen, maakt de straf zelf niet zwaarder dan wat in eerste aanleg is uitgesproken. 78. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. IX-9891-37/38 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9891-38/38 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.731 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div