id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.732 Rolnummer: A. 233933/IX-9905 Zaak: Arrest 253732 - Tucht (openbaar ambt) - 13/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-23 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-10 06:53 Fiche Arrest nr 253.732 van 13 mei 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.732 van 13 mei 2022 in de zaak A. é.933/IX-9905 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Tijs Lust kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep 21 Vlaamse Ardennen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Marc Stommels en Jan Fransen kantoor houdend te 2630 Aartselaar Groenenhoek 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de kamer van beroep voor het IX-9905-1/31 Gemeenschapsonderwijs van 30 maart 2021, waarbij XXXX een tuchtstraf van drie dagen schorsing wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het Gemeenschapsonderwijs, vertegenwoordigd door scholengroep 21 Vlaamse Ardennen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 21 september
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de IXe kamer bij beschikking van 7 maart 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 25 april
- IX-9905-2/31 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is vast benoemd leraar lichamelijke opvoeding in het Da Vinci atheneum te Ronse. 3.
- In de bestreden beslissing zijn de “relevante gegevens van de zaak” door de kamer van beroep samengevat: “Op 17 februari 2020 vergadert een klassenraad over de klas 3Kantoor. De verzoeker is er aanwezig en volgens de verwerende partij heeft hij tijdens de vergadering op onheuse manier aangedrongen op de verwijdering van leerling [A]. Op 18 februari 2020 vergadert een klassenraad over de klas 5Kantoor. De verzoeker is er aanwezig en volgens de verwerende partij heeft hij tijdens de vergadering op onheuse manier aangedrongen op de verwijdering van leerling [H]. Op 2 maart 2020 doet zich een incident voor tussen [verzoeker] en leerling [A]: Wanneer de leerling op het einde van de les zijn leerlingvolgkaart bij de verzoeker afhaalt en ziet dat de verzoeker hem een score ‘2’ gegeven heeft voor de rubriek ‘Ik ga niet in discussie’ met daarbij een opmerking waarin verwezen wordt naar een eerder incident die dag met leraar [D] – ‘ik let op met de bal niet tegen andere personen te shotten’ – rukt hij de volgkaart uit de handen van de verzoeker en ontstaat tumult tussen beiden, waarna de verzoeker op de leerlingvolgkaart een nieuwe melding schrijft: ‘Je snokt jou contract uit mijn handen. Gebruikt zeer dreigende taal. Je slaat op de handen van mijn collega. Je krijgt drie slagen op jou tanden zei je tegen mijn collega. Je komt met jou neus tegen mij staan’. Nog dezelfde dag voert schooldirecteur […] en leerlingenbegeleidster […] een intern onderzoek over de twee incidenten. Zij verhoren de verzoeker, [A] en een aantal medeleerlingen. De leerlingen verklaren dat de verzoeker en [A] dreigend in een hevige discussie neus aan neus tegenover elkaar stonden terwijl leraar [D] het voorval gefilmd zou hebben. De verzoeker plaatst op 4 maart 2020 zijn versie van het tweede incident op Smartschool. Hij stelt dat [A], nadat hij zijn contract uit de handen van IX-9905-3/31 [verzoeker] had getrokken en daarover aangesproken werd, zich dreigend tegen hem heeft opgesteld, hem geïntimideerd heeft en belaagd. Op 6 maart 2020 vraagt schooldirecteur […] aan de Algemeen Directeur om [verzoeker] preventief te schorsen. De Algemeen Directeur voert op 12 maart 2020 een gesprek met de verzoeker naar aanleiding van het incident van 2 maart 2020 en beslist om hem niet preventief te schorsen, maar om een onderzoek over de feiten te vragen. Op 17 maart 2020 schrijft de Algemeen Directeur aan de verzoeker dat hij ‘besliste bij hoogdringendheid om een tuchtonderzoek op te starten conform artikel 13, § 2 en artikel 19, § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991’ en om de Onderzoekscel GO! met dat onderzoek te gelasten. Op 23 maart 2020 reageert de verzoeker op het verslag van het gesprek van 12 maart
- Hij kadert de algemene situatie waarin hij zich als leraar bevindt en wijst erop dat ‘enkele leerlingen een situatie creëren waarin het zeer moeilijk is om normaal en rustig les te geven’, dat dit zijn geduld af en toe op de proef stelt, hem alerteert om gedurende bepaalde lessen ‘op zijn hoede’ te zijn en onder permanente stress te werken, hetgeen nog versterkt wordt door zijn indruk dat hij en niet de leerlingen verantwoordelijk zouden zijn, wat een compleet verkeerde attitude opwekt. Op 24 maart 2020 vraagt de Algemeen Directeur een onderzoek aan bij de Onderzoekscel GO!. Hij zet uiteen: ‘Recent vond een ernstig incident plaats tussen een leerling en twee leerkrachten LO, [verzoeker] en zijn collega [D]. Voor [verzoeker] is het het zoveelste incident waarbij hij de voorbije jaren betrokken was. Telkens legt [verzoeker] de verantwoordelijkheid elders en nooit bij zichzelf. De scholengroep wil daarom klaarheid krijgen over zijn rol bij dit recente incident. Het lijkt er sterk op dat er een verband is tussen dit incident en de klassenraden van februari 2020 in 6 kantoor en vooral in 3 kantoor waarop [verzoeker] verbaal stevig zou uitgehaald hebben. Daarom wil de scholengroep ook klaarheid over het gedrag van [verzoeker] tijdens deze klassenraden.’ De Algemeen Directeur brengt zijn beslissing met een brief van 1 april 2020 ter kennis van de verzoeker. Op 23 mei 2020 neemt de raad van bestuur kennis van ‘het dossier van [verzoeker], naar aanleiding van een incident dat zich voordeed in het GO! atheneum Da Vinci op 2 maart 2020 en waaruit blijkt dat [verzoeker] niet aan zijn proefstuk toe is’ en van de beslissing van ‘de Algemeen Directeur om bij hoogdringendheid een tuchtonderzoek op te starten conform artikel 19, § l van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991.’ Hij ‘bevestigt en bekrachtigt’ op 25 mei 2020 laatstgenoemde beslissing evenals de beslissing om een onderzoek bij de Onderzoekscel GO! aan te vragen. De Onderzoekscel GO! finaliseert haar verslag op 14 oktober
- Op 16 november 2020 bespreekt de raad van bestuur het verslag van onderzoek. Hij beslist de verzoeker op te roepen voor een hoorzitting in IX-9905-4/31 het kader van een tuchtprocedure met het oogmerk om hem een tuchtstraf op te leggen van één maand schorsing voor volgende tenlasteleggingen: - Uw niet-constructieve, zelfs negatieve houding op de klassenraad van 3Kantoor op 17 februari 2020 en van 6Kantoor op 18 februari 2020, zoals beschreven in het onderzoeksrapport van 14 oktober 2020, waarbij u hevig te keer ging over leerling [A] (op 17 februari 2020) en leerling [H] (op 18 februari 2020), in die mate dat verschillende collega’s zich bedreigd en geïntimideerd voelden; - Uw provocatieve houding tijdens het incident met leerling [A] van 2 maart 2020, zoals beschreven in het onderzoeksrapport van 14 oktober 2020, waarbij u via uw agressieve lichaamstaal mede aanleiding gaf tot escalatie van dit in se banaal incident tot een scheldpartij, terwijl u het incident middels een pedagogisch verantwoorde aanpak in de kiem had kunnen smoren en het nu een leerling was die moest tussenkomen om te vermijden dat het tot een handgemeen kwam tussen u en [A]. De hoorzitting vindt plaats op 14 december
- Dezelfde dag beslist de raad van bestuur dat de twee tenlasteleggingen bewezen zijn, dat het om tuchtfeiten gaat en dat de verzoeker gestraft [wordt] met een schorsing voor één week.” 3.
- Op 30 maart 2021 oordeelt de kamer van beroep dat de tenlastelegging met betrekking tot het verloop van de klassenraden van 17 en 18 februari 2020 verjaard is en hervormt zij de tuchtstraf tot ‘schorsing voor drie dagen’. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), evenals de schending van de IX-9905-5/31 algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer bepaald” de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. De kamer van beroep heeft volgens verzoeker niet gestemd over de motieven van de bestreden beslissing. Hieruit leidt verzoeker af dat de kamer van beroep niet met kennis van zaken heeft beslist. De kamer van beroep kan volgens verzoeker niet op basis van een (gedeeltelijke) stemming een tuchtstraf opleggen en de verantwoording daarvoor later (laten) uitschrijven. De geheime stemming dient evenzeer betrekking te hebben op de motieven van de bestreden beslissing. Verzoeker merkt op “dat zelfs geen enkele stemming heeft plaatsgevonden over de verjaring van de tuchtvordering en het bewezen zijn van de feiten en hun tuchtrechtelijk karakter”. Hij wijst ook op de “zeer nipte stemming” over het opleggen van de tuchtstraf ‘schorsing voor drie dagen’ (4 stemmen voor en 3 stemmen tegen).
- In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat de beslissing is genomen op 30 maart 2021 en “opgemaakt op 22 april 2021 (digitale handtekening voorzitter en secretaris)”. Het is hem een raadsel hoe de kamer van beroep op 30 maart 2021 zou hebben kunnen stemmen over de motivering van de bestreden beslissing. Er is enkel gestemd over de op te leggen straf. Evenmin worden andere stukken voorgelegd waaruit enig akkoord met de motivering die achteraf is opgemaakt, is voorgelegd aan de leden van de kamer van beroep, laat staan dat deze er zich akkoord mee hebben verklaard – onverminderd de onmogelijkheid om zulks laattijdig te doen zonder enige vorm van geheime stemming.
- Verzoeker blijft in zijn laatste memorie van mening dat de kamer van beroep niet heeft beraadslaagd en gestemd over het al dan niet bewezen zijn van de feiten, maar enkel over de straftoemeting. In geen geval is gestemd over de formele motivering van de bestreden beslissing. IX-9905-6/31 Dat geen enkel lid van de kamer van beroep achteraf de beslissing van valsheid heeft beticht of anderszins heeft geprotesteerd, vormt voor verzoeker niet het bewijs dat is beraadslaagd over de motieven van de bestreden beslissing, laat staan dat erover gestemd zou zijn geweest. Het kan er bij verzoeker niet in “dat het volstaat dat over de principes wordt gestemd – welke dan?!? – en carte blanche wordt gegeven aan één of meerdere leden van het collegiaal orgaan om de motivering te schrijven”. Beoordeling 7.
- Volgens verzoeker is de bestreden beslissing onwettig omdat de kamer van beroep niet over de motivering ervan heeft gestemd. 7.
- Een bepaling die dergelijke afzonderlijke stemming uitdrukkelijk voorschrijft, voert verzoeker in het middel niet aan. Wel ziet hij zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht geschonden en het zorgvuldigheidsbeginsel. In de toelichting bij het middel verduidelijkt verzoeker niet – of toch niet op een voor de Raad van State voldoende inzichtelijke wijze – waarom dit euvel een schending is, hetzij van de formelemotiveringsplicht, hetzij van de materiëlemotiveringsplicht. Te begrijpen valt wel dat verzoeker, die betoogt dat de kamer van beroep niet “met kennis van zaken” beslist, daarmee aan de zorgvuldigheidsplicht refereert.
- In de bestreden beslissing is onder meer het volgende te lezen: “Gelet op de hoorzitting van 30 maart 2021; Na beraadslaging; Na geheime stemming over de vraag of het opstarten van het tuchtonderzoek door de Algemeen Directeur hoogdringend was met unanimiteit tegen; IX-9905-7/31 Na geheime stemming over de vraag of de tuchtstraf ‘schorsing voor één week’ bevestigd wordt met unanimiteit tegen; Na geheime stemming over de vraag of de tuchtstraf ‘schorsing voor 3 dagen’ opgelegd wordt met 4 stemmen voor en 3 stemmen tegen.”
- De kamer van beroep beschrijft in de bestreden beslissing zelf haar wijze van besluitvorming als volgt: “De Kamer van beroep hanteert […] het systeem dat na de beraadslaging en de geheime stemming die over de decisieve punten wordt gehouden, een synthese wordt gemaakt van de dienende motieven, die vervolgens voor de ondertekening ter amendering aan de individuele leden worden voorgelegd.”
- Na de collegiale beraadslaging en de geheime stemming krijgen de individuele leden van de kamer het ontwerp van beslissing dus vóór de ondertekening nog “ter amendering” voorgelegd. De bestreden beslissing is ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de kamer van beroep die, met het plaatsen van hun handtekening, de authenticiteit waarborgen van de vaststellingen en overwegingen welke zijn opgenomen in het instrumentum dat de beslissing formaliseert. Noch verzoeker, noch enig lid van de kamer van beroep heeft die beslissing van valsheid beschuldigd.
- Aangenomen moet worden, dat onder de leden een voldoende meerderheid voorhanden was om de verjaring van de eerste tenlastelegging vast te stellen, om het tweede tuchtfeit bewezen te achten, om de initieel opgelegde tuchtstraf te hervormen en om aan verzoeker de tuchtstraf van drie dagen schorsing op te leggen en dat die meerderheid daartoe steunt op de motieven die in de beslissing te lezen zijn en die tot uitdrukking zijn gekomen tijdens de “beraadslaging” waaraan de beslissing refereert. IX-9905-8/31 Dat over die motivering niet afzonderlijk is gestemd of dat ze niet onmiddellijk op papier is gezet, vormt geen onwettigheid en schendt alleszins niet de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen. Het toont niet aan dat de kamer van beroep zou hebben beslist zonder kennis van zaken.
- Het middel is ongegrond. IX-9905-9/31 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is geput uit de schending van artikel 19, §§ 1 en 5, van het besluit van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 ‘omtrent de evaluatie, maatregelen van orde en de tucht in het gemeenschapsonderwijs’ (“tuchtbesluit”), de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer bepaald” de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens verzoeker is het tweede tuchtfeit verjaard. De kamer van beroep aanvaardt de verjaring van de eerste tenlastelegging en handelt niet consequent. De raad van bestuur heeft “reeds op 25 maart 2020” (lees: 25 mei 2020) kennisgenomen van de feiten en de beslissing van de algemeen directeur bevestigd en bekrachtigd. De bestreden beslissing kan dan ook niet dienstig verwijzen naar het gegeven dat het onderzoek pas is afgerond met het onderzoeksverslag van 14 oktober 2020, aldus verzoeker. De tuchtvordering is dan ook in zijn geheel verjaard.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de raad van bestuur “op 25 mei 2020” kennis heeft genomen van de feiten, toen “geen enkel voorbehoud [heeft] gemaakt met betrekking tot de kennisname en de verantwoordelijkheid van de verzoekende partij” en op geen enkele wijze in “de beslissing van 25 mei 2020” heeft verwezen naar een veelheid aan informatie, laat staan dat de veelheid aan informatie zou verschillen voor het ene tuchtfeit ten opzichte van het andere tuchtfeit.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de tuchtoverheid de verjaring niet kan uitstellen naar eigen goeddunken, door van de opstart van de tuchtvervolging kennis te geven op 18 november
- Er waren volgens IX-9905-10/31 verzoeker voldoende duidelijke gegevens inzake het tweede feit op grond waarvan binnen zes maanden daarna de tuchtvordering zou moeten zijn opgestart. Het ontgaat verzoeker hoe, op basis van de motivering waarbij de kamer van beroep de verjaring aanvaardt voor het ene feit, ze niet evenzeer moet worden aanvaard voor het andere feit. Beoordeling
- Louter ten overvloede vooraf dit. De kamer van beroep heeft op grond van haar inschatting van de feitelijke omstandigheden van het eerste tuchtfeit besloten dat dit tuchtfeit verjaard is. Dit staat thans niet ter beoordeling van de Raad van State. De Raad moet enkel antwoorden op de grief van verzoeker, dat het tweede tuchtfeit verjaard is. Of de redenering van de kamer van beroep wel of niet getuigt van een “gebrek aan consequente houding”, doet daarbij niet ter zake.
- Overeenkomstig artikel 19, § 5, derde lid, van het tuchtbesluit mag de tuchtoverheid geen tuchtvervolging instellen “na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname van de strafbare feiten”.
- In de bestreden beslissing oordeelt de kamer van beroep over de verjaring van het tweede tuchtfeit als volgt: “Betrokken op het feit van 2 maart 2020, waarbij de schooldirectie kennis kreeg van een veelheid aan informatie met verschillende standpunten, was het verantwoord dat een informeel onderzoek werd opgestart om de waarheid te achterhalen. Dat onderzoek werd pas afgesloten met het verslag van 14 oktober 2020 van de Onderzoekscel GO! aan de Algemeen Directeur. Op dat ogenblik was hij in staat de opportuniteit en het nut van een tuchtvervolging te beoordelen. Dit is dan het startpunt van verjaringstermijn. Het feit is niet verjaard.” 19.
- De Raad van State sluit zich aan bij die zienswijze, die verzoeker in zijn summiere toelichting bij het middel overigens inhoudelijk niet IX-9905-11/31 bespreekt. Verzoeker onderneemt daartoe pas een eerste poging in de memorie van wederantwoord, wat te laat is. Overigens spreekt verzoeker ook dan niet tegen dat over het bedoelde tuchtfeit tegenstrijdige verklaringen bestonden. 19.
- Aangenomen wordt dat een tuchtprocedure niet lichtzinnig mag worden opgestart. In de voorliggende zaak zag de tuchtoverheid zich geconfronteerd met tegenstrijdige verklaringen, zodat zij in redelijkheid een informatief vooronderzoek mocht laten uitvoeren naar de toedracht van het incident van 2 maart
- De verjaringstermijn loopt dan in beginsel vanaf het ogenblik dat de tuchtoverheid over voldoende informatie beschikt – ongeacht de datum waarop zij een eerste maal over het incident wordt geïnformeerd. Verzoeker wordt niet bijgevallen als hij beweert dat de raad van bestuur op 25 mei 2020 al over voldoende duidelijke gegevens beschikte. Zoals de verwerende partij het schrijft: “Het kan niet de bedoeling zijn om op basis van een loutere klacht van een leerling, die manifest wordt tegengesproken door het personeelslid, in casu verzoeker, een tuchtprocedure op te starten ten aanzien van het personeelslid. Dit heeft men juist willen verhinderen. Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat op grond van geruchten, speculaties en onzekere gegevens geen tuchtprocedure mag gestart worden.” 19.
- Verzoeker voert niet aan dat bij dit onderzoek nodeloos is getreuzeld. De kennisneming van het onderzoeksverslag op 14 oktober 2020 is door de kamer van beroep dan ook terecht in aanmerking genomen als datum van “kennisname van de strafbare feiten” en de brief van 18 november 2020 aan verzoeker als startdatum van de tuchtrechtelijke vervolging, waaraan de verjaring moet worden afgemeten. 20.
- Bovendien moet ook het volgende worden opgemerkt. Volgens verzoeker heeft de raad van bestuur kennisgenomen van de feiten op 25 mei 2020 en moet die datum als start voor de verjaringstermijn worden aangenomen. In het middel schrijft hij wel 25 “maart” 2020, maar hij verbetert zichzelf in de memorie IX-9905-12/31 van wederantwoord en ook uit stuk 3.15 van het administratief dossier blijkt dat het om een beraadslaging gaat van 25 mei 2020 (en niet 23 mei 2020, zoals de kamer van beroep schrijft) over “een incident dat zich voordeed […] op 2 maart 2020 en waaruit blijkt dat [verzoeker] niet aan zijn proefstuk toe is”. Zelfs als, louter voor het debat, die zienswijze wordt bijgevallen, is het tweede tuchtfeit niet verjaard en heeft verzoeker geen belang bij het middel in zoverre het de motivering van de beslissing op dit punt aanvecht. De tuchtvervolging is immers opgestart met een brief van 18 november 2020, dat is hoe dan ook binnen de verjaringstermijn van zes maanden vanaf de kennisname van de strafbare feiten – óók als die geteld wordt vanaf 25 mei 2020 en niet zoals de kamer van beroep aanneemt vanaf de neerlegging van het onderzoeksverslag op 14 oktober
- Het tweede tuchtfeit is niet verjaard. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is geput uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van “het fair play beginsel” en het recht van verdediging. Verzoeker geeft aan dat hem geen inzage werd verleend in de stukken van het tuchtdossier van collega D. Nochtans waren ook deze stukken van belang met het oog op zijn verdediging en kon de verwerende partij wel kennisnemen van deze stukken, zodat de wapengelijkheid tussen de tuchtoverheid en het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid is geschonden. De tuchtoverheid IX-9905-13/31 heeft kennis van beide dossiers en betrekt de informatie ervan in haar beraadslaging en besluitvorming. Dat tuchtzaken individueel moeten worden behandeld, vormt geen weerlegging van zijn kritiek om de wapengelijkheid te respecteren. Hij moet over dezelfde informatie beschikken als de tuchtoverheid. Voorts kaart verzoeker aan dat hij bij de reconstructie van de feiten van 2 maart 2020 met leerling A niet aanwezig was, zodat hij niet in de mogelijkheid is geweest om te tonen wat er die dag is gebeurd. Het recht van verdediging noopt tot deze reconstructie gezien het onderzoeksverslag – waarnaar in de tenlastelegging wordt verwezen – steunt op de verklaringen en reconstructie met leerling A om beschuldigingen te uiten ten aanzien van hemzelf. De bestreden beslissing kan niet ernstig voorbijgaan aan deze kritiek door de stelling dat het niet gaat om een gerechtelijke reconstructie van de feiten. Het is net de bewijswaarde die wordt gekleefd aan de reconstructie welke door verzoeker wordt gelaakt, gezien hij niet in de mogelijkheid is geweest om te tonen wat er is gebeurd.
- Op het verweer dat hij zijn collega niet als getuige heeft opgeroepen, repliceert verzoeker in de memorie van wederantwoord dat hij een getuige bezwaarlijk kan ondervragen over hetgeen waarvan hij geen kennis heeft. Hij heeft voorts geen enkel zicht op hoe de vermeende respectievelijke verantwoordelijkheden zijn beoordeeld. Een zorgvuldig en grondig onderzoek waarbij de wapengelijkheid wordt gerespecteerd, vereist volgens verzoeker ook dat niet enkel de leerling, maar ook de leerkracht een gelijke kans heeft om aan de hand van een reconstructie de gebeurtenissen te duiden. Zulks geldt des te meer nu meer geloof wordt gehecht aan de verklaring van de leerling op grond van de reconstructie. IX-9905-14/31
- In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat hij de gelegenheid om zijn verklaring te verduidelijken middels een visueel duidelijkere reconstructie helemaal niet heeft gekregen. IX-9905-15/31 Beoordeling 25.
- Verzoeker noemt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden, maar verzuimt in de toelichting bij het middel om deze grondwetsbepalingen nog ter sprake te brengen, laat staan om toe te lichten hoe de tuchtoverheid met de bestreden beslissing deze bepalingen heeft geschonden. In die mate is het middel onontvankelijk. 25.
- Hetzelfde moet worden vastgesteld over de schending van het “fairplaybeginsel”, daargelaten of dit gerekend kan worden tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of tot de algemene rechtsbeginselen. 25.
- Het middel wordt bijgevolg enkel onderzocht onder het oogpunt van de rechten van verdediging en de wapengelijkheid, die daarin is besloten.
- De kamer van beroep heeft het verzoek om inzage van het dossier over collega D aldus verworpen: “Tuchtzaken moeten individueel behandeld worden en dit is te dezen ook gebeurd. Alle gegevens die in deze zaak in aanmerking genomen worden gaan terug op stukken die in het dossier aanwezig zijn en waarover de verzoeker zich heeft kunnen verdedigen.”
- Verzoeker weerlegt dit niet in de toelichting bij het middel. Hij wijst niet op een motief dat zou teruggaan op een stuk dat niet in zijn tuchtdossier berust. Hij wijst niet op een stuk waarover hij niet in staat is geweest zijn middelen van verdediging naar voor te dragen. Hij wijst niet op onderzoeksmaatregelen die hij gevraagd heeft en die hem ten onrechte zouden zijn geweigerd. Meer bepaald heeft hij geen gebruik gemaakt van het hem bij artikel 19, § 7, van het tuchtbesluit geboden recht om getuigen, zoals collega D, te doen horen in zijn aanwezigheid. IX-9905-16/31
- Dat verzoeker met ongelijke wapens zou hebben gestreden, omdat hij geen inzage had van het andere tuchtdossier, wordt niet aangetoond. In zoverre is het middel ongegrond.
- Het onderzoek dat de onderzoekscel van het Gemeenschapsonderwijs voert, is een aan de tuchtprocedure voorafgaand informatief onderzoek. De rechten van verdediging zijn dan (nog) niet van toepassing. Het middelonderdeel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht.
- Ten overvloede wordt opgemerkt dat verzoeker in de toelichting bij het middel niet beweert dat hij de kamer van beroep vergeefs om een nieuwe reconstructie in zijn aanwezigheid heeft gevraagd. Hij beweert niet dat hij welbepaalde concrete opmerkingen heeft gemaakt over de reconstructie waarop geen of geen afdoende antwoord is gekomen. Hij wijst niet op twijfelachtige vaststellingen die aan de reconstructie worden ontleend. Verzoeker heeft, als gezien, geen gebruik gemaakt van zijn recht om getuigen te doen horen in zijn aanwezigheid. Voorts is het niet correct te stellen dat enkel geloof gehecht wordt aan de verklaring van leerling A tijdens de bedoelde reconstructie; hiervoor wordt verwezen naar de beoordeling van het vijfde middel.
- Het middel wordt verworpen. IX-9905-17/31 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van de hervormingsbevoegdheid van de kamer van beroep. Het lijkt hem immers méér dan opportuun om de feiten die hem worden verweten niet op een tuchtrechtelijke manier af te handelen maar door overleg, dialoog en gesprek. Hij argumenteert dit omstandig. De kamer van beroep meent dat het een autonome beslissing is van de raad van bestuur om te kiezen voor een tuchtrechtelijke afhandeling en dat zij deze opportuniteitsbeoordeling niet kan veranderen, behoudens onrechtstreeks door uitspraak te doen over het tuchtrechtelijk karakter van de feiten die aan de tenlastelegging ten grondslag liggen. Verzoeker betoogt dat de kamer van beroep zich over de opportuniteit van de tuchtvervolging had moeten uitspreken. Aangezien zij dit niet heeft gedaan, miskent zij “haar eigen integrale hervormingsbevoegdheid”.
- In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat de vernietiging van de oorspronkelijke tuchtstraf evenzeer kan steunen op een eigen opportuniteitsbeoordeling, in het kader van de volwaardige hervormingsbevoegdheid waarover de kamer van beroep beschikt, om de zaak niet tuchtrechtelijk af te handelen. IX-9905-18/31 Beoordeling
- Met toepassing van het principe van de toegewezen aard van de administratieve macht beschikt een bestuurlijk orgaan zoals de kamer van beroep slechts over de bevoegdheden die de decreetgever haar heeft toegewezen.
- In de voorliggende zaak is de kamer van beroep geroepen om “in laatste aanleg uitspraak [te doen] over het beroep dat een personeelslid heeft ingesteld tegen de tuchtstraf”, zo is te lezen in artikel 71, tweede lid, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs. Zij “heeft de bevoegdheid om de tuchtstraf te bevestigen of te vernietigen, of om een lichtere tuchtstraf uit te spreken”.
- De kamer van beroep heeft dan ook enkel een bevoegdheid om te oordelen over de tuchtstraf die finaal als resultaat van de tuchtvervolging is opgelegd.
- Op dat ogenblik beschikt de kamer van beroep inderdaad over een hervormingsbevoegdheid, in die zin dat zij oordeelt als tuchtoverheid over de opportuniteit en de wettigheid om een tuchtsanctie op te leggen. De kamer van beroep verwerft immers de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf, op dezelfde wijze als de raad van bestuur, en zij stelt haar beslissing in de plaats van die van de laatstgenoemde overheid. Dit houdt in dat de kamer van beroep – uitgezonderd op het vlak van de straftoemeting die zij niet mag verzwaren – over dezelfde ruime discretionaire bevoegdheid beschikt als de raad van bestuur om te oordelen over de bij haar aanhangig gemaakte tuchtzaak en om tegen de aan een personeelslid toegeschreven feiten tuchtrechtelijk op te treden. De kamer van beroep spreekt zich uit op grond van een eigen beoordeling, zowel in rechte als in feite. De kamer van beroep mag een andere kwalificatie aan de feiten geven en een andere tuchtstraf opleggen. Zij is niet beperkt tot het IX-9905-19/31 hanteren van louter wettigheidsargumenten en zij mag in voorkomend geval haar eigen opportuniteitsoordeel over wat in de concrete omstandigheden van de zaak als een aangepaste tuchtmaatregel te beschouwen is, in de plaats stellen van de zienswijze die de raad van bestuur erop nahield. Dit kan eventueel inhouden dat de kamer van beroep de beroepen tuchtstraf vernietigt en beslist om géén tuchtstraf op te leggen, zelfs op grond van loutere opportuniteitsredenen.
- De opportuniteitstoets van de kamer van beroep ziet dus enkel op de vraag of en hoe zwaar het personeelslid gestraft moet worden of niet. De kamer van beroep kan noch mag zich over andere herstelmaatregelen uitspreken.
- In de voorliggende zaak heeft de kamer van beroep reden gezien om de straf te hervormen en heeft zij grotere mildheid getoond in vergelijking met de raad van bestuur. Zij blijft evenwel van oordeel dat verzoeker zich niet pedagogisch verantwoord gedragen heeft en dat dit vergrijp “niet door de beugel kan”. Om verzoeker aan te sporen “zich in de toekomst verantwoordelijker te gedragen” acht de kamer “het gepast om hem een schorsing op te leggen”. Daarin kan verzoeker lezen waarom de kamer van beroep het niét opportuun heeft gevonden om de feiten niet aan een tuchtmaatregel te onderwerpen.
- De kamer heeft de haar toegewezen hervormingsbevoegdheid niet geschonden. Het middel is niet gegrond. IX-9905-20/31 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vijfde middel is geput uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van “het fair play beginsel”, van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “meer bepaald” de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker argumenteert dat de enige in aanmerking genomen tenlastelegging niet op een eigen onderzoek van de raad van bestuur berust, maar steunt op “een loutere verwijzing naar het onderzoeksrapport van 14 oktober 2020”. Het gebrek aan eigen beoordeling en de loutere verwijzing naar het onderzoeksverslag zorgen ervoor dat de bestreden beslissing is aangetast door dezelfde onregelmatigheden en tekortkomingen als dit onderzoeksverslag. Het bewijs van de tenlastelegging kan volgens verzoeker niet worden teruggevonden in het onderzoeksverslag. Zonder in te gaan op het verweer van het personeelslid wordt louter verwijzend naar de conclusies ervan, geoordeeld dat de tenlastelegging bewezen voorkomt. Enkel de verklaringen van leerling A worden voor waar aangenomen. Uit het onderzoeksverslag blijkt dat de verklaring van verzoeker over het trappen van de bal door leerling A op collega D overeenstemt met de verklaringen van de leerlingen: collega D bevindt zich op het midden van het speelveld. Verzoeker stelt zich dus objectief en correct op, in tegenstelling tot wat hem wordt verweten in de bestreden beslissing. Niettemin wordt vanuit het niets de subjectieve en partijdige suggestie gedaan dat hij zou hebben samengespannen met collega D om een incident uit te lokken met leerling A. De leerlingen verklaren bovendien dat verzoeker rustig is gebleven. Hij volhardt in zijn verklaringen voor wat het verloop van de gebeurtenissen betreft. IX-9905-21/31 Het onderzoeksverslag besluit dat het incident niet helemaal te objectiveren is, maar niettemin wordt – met verwijzing naar dit verslag – een tenlastelegging geformuleerd ten aanzien van het personeelslid. Het is verzoeker die ondanks de volstrekt ontoelaatbare gedragingen van A wordt geconfronteerd met de loutere bewering dat zijn taalgebruik en non-verbale houding A bijna zover hebben gebracht dat deze niet bij verbale agressie zou blijven. In de beslissing wordt nagenoeg geen rekening gehouden met het gevoerde verweer. De bestreden beslissing heeft het uitgebreid over de eerste – verjaarde – tenlastelegging, maar slechts zeer beperkt over de tweede tenlastelegging waarbij het verweer van verzoeker op geen enkele wijze wordt ontmoet. Het valt niet in te zien hoe hem een provocatieve houding kan worden verweten. Het zogenaamd verlies van zelfbeheersing wordt zelfs op geen enkele wijze gelinkt aan de voorgeschiedenis van verzoeker, enerzijds, en de leerling, anderzijds, en de wijze waarop door de directie en scholengroep daarop wordt gereageerd. Beoordeling
- De kamer van beroep heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de feitenvinding en de bewezenverklaring van de feiten, als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, als op het vlak van de straftoemeting – zo te verstaan dat de kamer van beroep de uitgesproken tuchtstraf niet mag verzwaren. De kamer van beroep die zich als tuchtoverheid over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag IX-9905-22/31 daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen en vermoedens. Nu de op verzoeker toepasselijke tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt die tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.
- Het valt de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om een onderzoek in te stellen betreffende het zich al dan niet hebben voorgedaan van gebeurtenissen en om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is geen hogere beroepsinstantie. Hij is enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens – meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering – of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, mag een verzoekende partij niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de kamer van beroep berust. Het is zaak van de verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
- Dat in de voorliggende zaak na het informatief vooronderzoek door de onderzoekscel geen bijkomende onderzoeksdaden zijn gesteld, betekent geenszins dat de tuchtoverheid geen “eigen beoordelingsbevoegdheid” heeft uitgeoefend. De kamer van beroep beoordeelt soeverein de bewijswaarde van de IX-9905-23/31 gegevens die de onderzoekscel heeft vergaard en de eventuele besluiten die de onderzoekers daaraan hebben gekoppeld.
- Het tweede tuchtfeit wordt als volgt omschreven: “Zijn provocatieve houding tijdens het incident met leerling [A] van 2 maart 2020, zoals beschreven in het onderzoeksrapport van 14 oktober 2020, waarbij hij via zijn agressieve lichaamstaal mede aanleiding gaf tot escalatie van dit in se banaal incident tot een scheldpartij, terwijl hij het incident middels een pedagogisch verantwoorde aanpak in de kiem had kunnen smoren en het nu een leerling was die moest tussenkomen om te vermijden dat het tot een handgemeen kwam tussen hem en [A].” In de bestreden beslissing stelt de kamer van beroep over die tweede tenlastelegging het volgende: “Uit de verklaring van leerlingen die om of bij de discussie tussen [A, D] en de verzoeker waren (samenvatting in het verslag, pag. 53-55) blijkt in ieder geval dat in een verhitte discussie de verzoeker ‘neus aan neus’ stond met leerling [A] en dat leerlingen hen uit elkaar hebben moeten halen (zie verklaring [leerlingen X en Y]) dat de heer [D] aan het filmen was. Met recht heeft de raad van bestuur dit als een provocatieve houding aangemerkt. En in tegenstelling tot de raad van bestuur vindt de Kamer van beroep dit geen ‘banaal incident’, maar vindt hij het verlies van zijn zelfbeheersing een ernstige tekortkoming, ook al gaat men mee in zijn redenering dat het feit te wijten is aan de persistent arrogante houding van de leerling. Het tweede tuchtfeit is bewezen.”
- Dat er op 2 maart 2020 in de kleedkamer een voorval was tussen verzoeker en leerling A, betwist verzoeker niet. Hij betwist wel de beoordeling van de tuchtoverheid over zijn rol in dat conflict en hij zet vooral het gedrag van de leerling in de verf.
- De kamer van beroep acht het evenwel bewezen dat (ook) verzoeker “een provocatieve houding” heeft aangenomen bij het incident tussen hem en leerling A. IX-9905-24/31 Zij ontkent niet dat ook leerling A de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden, maar wat verzoeker betreft, acht zij “het verlies van zijn zelfbeheersing” een ernstige tekortkoming “ook al gaat men mee in zijn redenering dat het feit te wijten is aan de persistent arrogante houding van de leerling”. Dat de kamer van beroep de context van het incident buiten beschouwing laat, klopt dus geenszins. Een suggestie dat verzoeker met collega D heeft samengespannen om het incident uit te lokken, valt in de aangehaalde motivering van de kamer van beroep nergens te lezen. Voorts houdt de kamer van beroep het niet, zoals verzoeker stelt, bij een loutere referentie aan het verslag van de onderzoekscel. Zij steunt evenmin op de verklaring van leerling A, zoals verzoeker beweert. De kamer van beroep steunt op twee verklaringen van andere leerlingen “die om of bij de discussie […] waren”. Van belang is voorts ook dat één van die andere leerlingen, “een oudere leerling uit een andere klas die [A] niet echt goed kent”, volgens de onderzoekscel “een rustige en volwassen kijk op de zaak had”, wat verzoeker niet weerspreekt. Die leerling, nog steeds volgens de onderzoekscel, “stelde vast dat [A en verzoeker] elkaar aan het uitdagen waren op verschillende manieren”. Om de houding van verzoeker in te schatten, houdt de kamer van beroep ten slotte ook rekening met het feit dat de confrontatie tussen de “neus aan neus” staande verzoeker en leerling A in die mate escaleerde – of dreigde te escaleren – dat die oudere leerling het nodig vond te interveniëren om de beide protagonisten uit elkaar te halen. Verzoeker gaat op die verklaringen en die vaststellingen niet in, minstens toont hij niet aan waarom ze ongeloofwaardig zouden zijn.
- Verzoeker mag het oneens zijn met de beoordeling die de kamer van beroep erop nahoudt en zijn gedrag niet als een deontologische tekortkoming bestempelen, maar zijn persoonlijke overtuiging toont niet de IX-9905-25/31 onwettigheid van de beslissing aan. Verzoeker verwijt de kamer van beroep “selectief” te zijn, terwijl zij enkel heeft gemotiveerd aan welke verklaringen zij de grootste geloofwaardigheid hecht. Dat niet de verklaring en zienswijze van verzoeker is bijgevallen, mag hij betreuren maar verzoeker toont niet aan dat de kamer van beroep daarbij onzorgvuldig is geweest.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de schending van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen niet is aangetoond – noch daargelaten of ze wel alle ontvankelijk zijn toegelicht. Het middel wordt verworpen. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
- Het zesde middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en van de beginselen van behoorlijk bestuur, “meer bepaald” de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Leerling A heeft geen enkele tuchtstraf gekregen voor zijn zoveelste misdraging. Wel integendeel, hij mag eenzijdig zijn versie van de feiten geven bij de vermeende reconstructie van de feiten bij de onderzoekscel. Hij wordt bovendien op zijn woord geloofd. De bestreden beslissing betrekt onvoldoende de door verzoeker aangevoerde omstandigheden die een invloed hebben gehad op de gebeurtenissen, toont er geen interesse in, heeft er minstens te weinig begrip voor en blijft bij de eenzijdige benadering om één schuldige aan te duiden, namelijk verzoeker. IX-9905-26/31 Over de rol die de schooldirecteur in dit alles heeft gespeeld, wordt in de bestreden beslissing niets gezegd. Het stoot verzoeker tegen de borst dat de verklaringen van leerling A voor waar worden aangenomen en dat deze leerling voor de gebeurtenissen van 2 maart 2020 niet wordt gestraft.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker er aanstoot aan te nemen hoe de directie en de raad van bestuur verschillend omgaan met leerlingen en leerkrachten. In plaats van het probleem ten gronde aan te pakken en de dialoog te herstellen, geldt straffeloosheid ten aanzien van de leerling, minstens nagenoeg grenzeloze mildheid terwijl de leerkrachten worden gezocht en bestraft.
- In zijn laatste memorie werpt verzoeker nog op dat één enkel zinnetje in de bestreden beslissing over beweerd formeel begrip voor de moeilijke situatie niet kan worden aanvaard als het afdoende rekening houden met de context die volkomen wordt genegeerd én door de raad van bestuur én door de kamer van beroep. Het gebrek aan daadwerkelijk begrip en ernst waarmee naar zijn bekommernissen wordt gekeken is bijzonder ontmoedigend. Beoordeling
- Waarin de schending van de formelemotiveringsplicht, van de materiëlemotiveringsplicht of van het zorgvuldigheidsbeginsel bestaat, verduide- lijkt verzoeker niet nader in de toelichting bij het middel. Die bepalingen en beginselen komen er zelfs niet meer ter sprake. Te begrijpen valt, dat verzoeker de hem opgelegde straf disproportioneel vindt. Het middel wordt uit dat oogpunt onderzocht. Voor het overige is het middel niet ontvankelijk. IX-9905-27/31
- Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Die discretionaire bevoegdheid is begrensd door het redelijkheidsbeginsel, wat inzake tucht impliceert dat een tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid moet staan tot de tuchtfeiten. De Raad van State is geen beroepsinstantie die, opnieuw oordelend in de plaats van het bestuur, de naar zijn oordeel meest passende tuchtsanctie oplegt. Als wettigheidsrechter mag de Raad van State zelfs niet de door het bestuur opgelegde straf toetsen aan zijn eigen opvattingen ter zake. Dat zou de Raad doen als hij de opgelegde tuchtstraf zou afmeten aan wat hij zelf als de ene meest evenredige straf beschouwt en ze zou vernietigen indien ze daarvan afwijkt. Enkel mag de Raad van State in het kader van zijn wettigheidscontrole nagaan of het oordeel van de verwerende partij binnen de grenzen is gebleven van wat nog als redelijk kan worden aangezien. Er kan dan slechts sprake zijn van schending van het evenredigheidsbeginsel, wanneer de beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldige overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. De vraag of er door de overheid binnen de perken van de redelijkheid mogelijk een andere – lichtere – straf kon zijn opgelegd, doet niet ter zake.
- Of leerling A, die niet is onderworpen aan enige ambtelijke plichten zoals verzoeker, voor diens gedrag wel of geen straf heeft gekregen of moest krijgen – hij is een week preventief geschorst maar dat noemt verzoeker geen straf – is niet relevant om te beoordelen of de kamer van beroep verzoeker als leerkracht al dan niet een disproportionele straf heeft opgelegd voor de door hem in de uitoefening van zijn ambt gepleegde tuchtfeiten. IX-9905-28/31
- Zoals hiervóór al is opgemerkt, wordt niet zozeer de “eenzijdige versie van de feiten” van leerling A “voor waar” aangenomen, maar wel de getuigenis van andere leerlingen die het conflict hebben meegemaakt.
- De kamer van beroep geeft voor de strafmaat de volgende verantwoording: “De Kamer van beroep is van oordeel dat de verzoeker zich niet pedagogisch verantwoord gedragen heeft in de woordenwisseling met leerling [A]. Dit is een vergrijp dat niet door de beugel kan. Om de verzoeker aan te sporen zich in de toekomst verantwoordelijker te gedragen en de omwereld duidelijk te maken dat het foutief gedrag van de verzoeker effectief gestraft wordt, acht de Kamer van beroep het gepast hem een schorsing op te leggen. Door de duur ervan te beperkten tot drie dagen, wenst de Kamer van beroep aan te geven dat zij begrip heeft voor de moeilijkheden die de verzoeker ervaren heeft bij de opvoeding van moeilijke leerlingen, in de hoop dat hij zich in de toekomst professioneler zal gedragen wanneer hij door leerlingen uitgedaagd wordt.”
- De kamer van beroep was misschien streng. Zij was alleszins minder streng dan de raad van bestuur die een schorsing voor een week had opgelegd. Ook hield de kamer van beroep, méér dan de raad van bestuur vóór haar, rekening met de context van de feiten en het gedrag van leerling A. Zij stelt uitdrukkelijk “dat zij begrip heeft voor de moeilijkheden die de verzoeker ervaren heeft bij de opvoeding van moeilijke leerlingen”. Niettemin vindt de kamer van beroep, als gezien, “het verlies van [verzoekers] zelfbeheersing een ernstige tekortkoming, ook al gaat men mee in zijn redenering dat het feit te wijten is aan de persistent arrogante houding van de leerling”.
- Mogelijk was een andere tuchtoverheid (nog) minder streng. Verzoeker maakt evenwel niet aannemelijk dat geen enkele andere zorgvuldige overheid, gesteld tegenover dezelfde tuchtfeiten, hieraan de tuchtstraf van de schorsing van drie dagen zou verbinden.
- Het evenredigheidsbeginsel is niet geschonden. IX-9905-29/31
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter IX-9905-30/31 Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9905-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div