← België

Arrest 253747 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 13/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.747 Rolnummer: Zaak: Arrest 253747 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 13/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-18 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-10 06:52 Fiche Arrest nr 253.747 van 13 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Bevolen Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 253.747 van 13 mei 2022 in de zaken A. 235.663/X-18.090 (I) A.235.681/X-18.092 (II) In zake: I. de NV PROXIMUS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Laure Proost kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen II. de CVBA TUSSENGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ DER VLAANDEREN VOOR WATERVOORZIENING (TMVW) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Devers en John Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: I. + II. de NV VAN PUBLIEK RECHT DE WERKVENNOOTSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser, Sietse Wils en Gauthier Vlassenbroeck kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1.

  1. De vordering, ingesteld op 11 februari 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Werkvennootschap van 13 december 2021, waarbij aan de nv Proximus een “verplaatsingsbevel” wordt gegeven “ten behoeve van de geplande wegenis- en constructiewerken voor het X-18.090-18.092-1/25 DBFM-gedeelte van het project ‘Ombouwen R4 West en Oost tot primaire wegen’, verkort project R4WO” (zaak sub I). 1.
  2. De vordering, ingesteld op 14 februari 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Werkvennootschap van 13 december 2021, gericht aan de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening, opdrachthoudende vereniging, (hierna: de TMVW), houdende “bijsturing van het verplaatsingsbevel dd 22 juli 2020 ten behoeve van de geplande wegenis- en constructiewerken voor het DBFM-gedeelte van het project ‘Ombouwen R4 West en Oost tot primaire wegen’, verkort project R4WO” (zaak sub II). II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft in beide zaken een nota ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft in beide zaken een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 mei
  4. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaten Frank Judo en Laura Proost, die verschijnen voor de nv Proximus, en advocaat John Devers, die verschijnt voor de TMWV en advocaat Sietse Wils, die in eigen naam en loco advocaten Barteld Schutyser en Gauthier Vlassenbroeck verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. X-18.090-18.092-2/25 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verwerende partij schrijft in mei 2019 een overheidsopdracht uit voor werken, met als voorwerp het project publiek-private samenwerking ‘Ombouwen R4 West en Oost tot primaire wegen’ (hierna: het project R4WO). Het betreft een zogenaamd “DBFM”-dossier (Design, Build, Finance, Maintain), zijnde een opdracht waarbij zowel het ontwerp, de bouw als de financiering en het onderhoud van de projectinfrastructuur aan een ondernemer wordt toevertrouwd. Voor het opstellen van het referentieontwerp van de werken heeft de verwerende partij een beroep gedaan op de THV Arcadis Belgium - SBE. Ter illustratie volgt hierna een afbeelding met de “knooppunten” die zullen worden aangepakt: X-18.090-18.092-3/25 3.
  7. Voorafgaand aan de werken van het project R4WO dienen de aanwezige nutsleidingen verplaatst te worden. Daartoe beschikt de verwerende partij over de mogelijkheid om zogenaamde verplaatsingsbevelen uit te vaardigen, waarbij zij aan de nutsmaatschappijen, zoals onder anderen de verzoekende partijen, opdraagt om de nutsleidingen die op het openbaar domein gelegen zijn, op hun eigen kosten, tegen een bepaalde datum, te verplaatsen. 3.
  8. De verzoekende partij sub I en de verzoekende partij sub II, met als commerciële naam Farys, hebben zich met het oog op de realisatie van de verplaatsingswerken, samen met de nutsmaatschappijen De Watergroep en X-18.090-18.092-4/25 Fluvius, verenigd in de cv Synductis (hierna: Synductis), waarvan het doel er volgens de verzoekende partij sub II in bestaat de infrastructuurwerken van de verschillende nutsbedrijven te “poolen, op elkaar af te stemmen en in synergie uit te voeren in een streven naar minder hinder, tijdsefficiëntie en kostenefficiëntie”. Als verantwoording om de werken aldus in synergie uit te voeren, wordt verwezen naar het decreet van 4 april 2014 ‘houdende de uitwisseling van informatie over een inname van het openbaar domein in het Vlaamse Gewest’, en naar de maatschappelijke wenselijkheid om bij een project als R4WO als nutsmaatschappijen samen te werken. 3.
  9. Alvorens de eigenlijke verplaatsingsbevelen uit te vaardigen, heeft de verwerende partij met de nutsmaatschappijen, waaronder de verzoekende partijen, meerdere coördinatievergaderingen georganiseerd, zo op 15 mei en 19 juni
  10. 3.
  11. Op 26 juni 2019 worden de plannen van het referentieontwerp in een “DWG”-bestandsformaat, dat wordt gebruikt voor het opslaan van twee- en driedimensionele ontwerp- en metagegevens, gedeeld met de nutsmaatschappijen, waaronder de verzoekende partijen. Daarbij wordt onder meer vermeld: “Gelieve in het achterhoofd te houden dat dit het referentieontwerp betreft, dat i.f.v. de projectvergaderingen en bijkomende inzichten mogelijks nog hier en daar zal wijzigen. Daarnaast kunnen wijzi[gi]ngen door de Opdrachtnemer (aannemer) nog aangebracht worden. De concepten liggen natuurlijk wel vast.” 3.
  12. Op 28 juni 2019 wordt het project R4WO aan de nutsmaatschappijen toegelicht. Het verslag van die vergadering vermeldt onder meer: “- Het project betreft een DBFM-dossier (Design, Build, Finance, Maintain) : een bestek dat opgebouwd is uit eisen en ontwerphandboeken met toevoeging van het referentieontwerp als mogelijke oplossing. De finale uitwerking gebeurt door de aannemer. Vermoed wordt dat een 3 à 5-tal consortia zullen meedingen. - Timing DBFM: • Juli 2019 : ontvangst Kandidatuurstellingen • November 2019 : Opstart concurrentiegerichte dialoog X-18.090-18.092-5/25 • In 2021 : omgevingsvergunningsaanvraag • Eind 2021 : einde offertefase en contract-close • 2022 start werken - Een referentieontwerp als mogelijk[e] oplossing wordt aangeboden door de DWV. Optimalisatie naar bv. fasering-minder hinder is mogelijk door de aannemer. Op basis van het referentieontwerp en overleg met de betrokken actoren worden randvoorwaarden opgelegd aan de aannemer die worden vertaald in een programma van eisen en ontwerphandboeken.” En verder: “- Op de nutsleidingenplannen ontworpen toestand en de nota nutsleidingen, opgemaakt op basis van de informatie waarover de THV beschikt, is reeds aangeduid (d.m.v. tracks) welke leidingen dienen verplaatst te worden i.f.v. referentieontwerp en concepten (o.m. onderdoorgangen…). Afhankelijk van het definitieve ontwerp van de aannemer zullen mogelijks nog andere leidingen verplaatst moeten worden. Doelstelling is dat aannemer het referentieontwerp optimaliseert. - Bij voorkeur wordt zoveel mogelijk op voorhand verplaatst. - Doelstelling is om in synergie te gaan. o Maatschappijen dienen hier zelf voor te zorgen. THV/DWV zal hier geen voortrekkersrol in nemen. - Een zone waar leidingen kunnen komen te liggen en R4 kruisen (t.h.v. onderdoorgangen) is zoveel als mogelijk reeds voorzien op plannen. Op basis van input maatschappijen zal deze aangepast en aangevuld worden (o.m. verbreden, versmallen…). - Gecombineerde verplaatsingszones voor pijpleidingen en andere leidingen zullen voorvallen. Dit dient bekeken te worden naar de geëiste tussenafstanden. ➔ Initiatief moet komen vanuit synergie om voorstel verplaatsingen te laten nazien door THV, met nadruk op de benodigde ruimte noodzakelijk bevonden door maatschappijen. […] - Voor een overzicht van de te verplaatsen leidingen wordt verwezen naar de reeds bezorgde nota en plannen. Dit verslag heeft als doelstelling om aanvullingen en de te ondernemen acties te benadrukken.” 3.
  13. Op 22 juli 2020 richt de verwerende partij aan elk van de nutsmaatschappijen, waaronder de verzoekende partijen, het volgende plaatsingsbevel: “In het kader van de bovenvermelde werken geef ik u opdracht tot het verplaatsen van uw leidingen en installaties en tot het wegnemen van de verlaten leidingen in de projectzone. Ik verwijs hiervoor naar de coördinatievergaderingen van 15/05/2019 (zone W1-W7), 12/06/2019 (zone O4bis – O9), 19/06/2019 (zone W8-N9) en 28/06/2019 (zone X-18.090-18.092-6/25 NL-O4bis), alsook naar de plannen welke digitaal werden overgemaakt ter voorbereiding van deze vergaderingen. De verslagen van deze coördinatie[vergaderingen], de meest recente versie van de plannen, overzichtsplan segmenten en knopen (zie ook bijlage bij dit schrijven) alsook een overzichtsmatrix van de raakvlakken, zijn terug te vinden op onze sharepoint via onderstaande link: [...]. Algemene info over het project is ook terug te vinden op on[z]e projectwebsite www.R4WO.be. Uitgangspunt is dat de nutsmaatschappijen maximaal op voorhand, voor de start van de werken van de aannemer van de infrastructuurwerken, verplaatsen. Wij voorzien de start van de infrastructuurwerken in 4de kwartaal
  14. Gezien de doorlooptijd voor het verplaatsen/verwijderen van uw leidingen en installaties vragen wij u de nodige stappen te ondernemen teneinde tegen 1 september 2022 de uitvoering van de verplaatsing/verwijdering gerealiseerd te hebben. Bij een eventuele verzwaring of uitbreiding van de leidingen dient u dit aan te geven aan de leidend ambtenaar van het project en dient u hiervoor een vergunning aan te vragen bij het bevoegde district van het Agentschap Wegen en Verkeer. De veiligheidscoördinator voor uw werken dient u zelf aan te stellen tenzij er een gelijktijdige uitvoering van werken in opdracht van De Werkvennootschap zou zijn. In dat geval voorziet De Werkvennootschap NV een veiligheidscoördinator. Gelieve mij na uw werkzaamheden de aangepaste plannen digitaal en in drievoud per post te bezorgen. In toepassing van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt u ervan op de hoogte gesteld dat een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden ingediend tegen dit verplaatsingsbevel. Het verzoekschrift moet, gedateerd en ondertekend, vergezeld worden van het vereiste aantal eensluidend verklaarde afschriften en van een afschrift van de bestreden beslissing. De termijn voor het indienen van een beroep bij de Raad van State bedraagt 60 dagen vanaf deze kennisgeving. Op hetzelfde ogenblik als zij haar verzoekschrift indient, stuurt de verzoekende partij een kopie daarvan ter informatie aan de verwerende partij. De verzoekende partij mag zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat. De verzending naar de Raad van State gebeurt bij ter post aangetekende brief naar het volgende adres: Wetenschapsstraat 33 – 1040 Brussel. Meer informatie vindt u op http://www.raadvst-consetat.be/, doorklikken naar ‘procedure’ en vervolgens naar ‘bestuursrechtspraak’. Voor meer informatie of vragen kan u contact opnemen met […].” 3.
  15. Er vinden vervolgens meerdere coördinatievergaderingen plaats, zo op 11 september 2020 en 18 september 2020, waarbij de nutsmaatschappijen er door de verwerende partij op gewezen worden dat zij hun “huiswerk” moeten maken. X-18.090-18.092-7/25 3.
  16. Met een mailbericht van 14 december 2020 laat Synductis aan de verwerende partij weten dat er slechts gestart kan worden met het opmaken van een studie/ontwerp wanneer het definitief ontwerp van de aannemer gekend zal zijn. 3.
  17. In november 2020 worden de nutsmaatschappijen verzocht om mede op basis van het referentieontwerp een voorontwerp uit te werken, dat volgens de verwerende partij “dan op basis van het ontwerp van de voorkeursbieder verfijnd kon worden”. 3.
  18. Er volgen bijkomende coördinatievergaderingen, zo onder meer op 15 december 2020 en 17 december
  19. In het verslag van deze vergaderingen wordt het volgende vermeld: “Door de THV wordt expliciet erop gewezen dat om de timing te halen er maximaal [moet] ingezet worden om proactief de nodige en mogelijke voorbereidende studies toch reeds uit te voeren. Heel wat is namelijk onafhankelijk van het ontwerp van de Voorkeursbieder: cfr. knelpuntenmatrix. Als er gewacht wordt tot als de Voorkeursbieder gekend is, dan komt de vooropgestelde timing sowieso in het gedrang […]. De verwachting is dat er vanaf het begin op héél veel knopen gelijktijdig zal gestart worden, vandaar de reeds lang gecommuniceerde boodschap om maximaal verplaatst te zijn vóór de Aanvangsdatum. De THV zal met DWV alsnog bekijken of er op basis van de Referentiefasering en de in september 2020 ontvangen ‘draftoffertes’ een richtinggevende chronologie op hoofdlijnen kan samengesteld worden.” 3.
  20. Tijdens de coördinatievergaderingen van 25 februari 2021 en 2 maart 2021 deelt Fluvius mee dat er voor bepaalde beperkte delen een gedetailleerde studie opgestart werd, maar dat zij voor de overige zones op het ontwerp van de voorkeursbieder wacht. Vanaf het moment dat dit ontwerp bezorgd wordt, zal Fluvius “aan maximale capaciteit […] werken voor studie en uitvoeringswerk om maximaal de nodige verplaatsing gedaan te hebben tegen [de aanvangsdatum van het PPS-project]”, maar er kan “evenwel nog niet gegarandeerd worden dat dit zal lukken”. X-18.090-18.092-8/25 3.
  21. Nadat het consortium BRAVO-4 als voorkeursbieder aangeduid werd, worden coördinatievergaderingen tussen de nutsmaatschappijen, de verwerende partij en BRAVO-4 georganiseerd, meer bepaald op 8 september 2021 (voor het gedeelte R4 West) en op 15 september 2021 (voor het gedeelte R4 Oost). Er vindt ook bilateraal overleg tussen de verzoekende partijen en BRAVO-4 plaats, zo op 16 september 2021 tussen de verzoekende partij sub II en BRAVO-
  22. 3.
  23. Eind september 2021 stelt BRAVO-4 uitvoeringsplannen van het project ter beschikking op het documentbeheersysteem van de verwerende partij, “Bricsys”. 3.
  24. De verzoekende partij sub II stuurt op 29 september 2021, namens zichzelf en namens haar partners binnen Syndictus, het volgende mailbericht naar de verwerende partij: “Sinds gisteren kunnen we de bestaande plannen van BRAVO4 consulteren en kunnen we binnen alle nutsmaatschappen de definitieve ontwerpen voor de verplaatsingswerken beginnen opmaken. Gisteren werd in een bespreking binnen Synductis tussen Fluvius, Proximus en FARYS afgesproken dat op basis van hogergenoemde plannen wordt gestart met de opmaak van de definitieve plannen voor de velplaatsingswerken. Deze plannen zullen in een overleg eind oktober tussen de voornoemde maatschappijen op elkaar afgestemd worden. BRAVO4 en De Watergroep zullen hier ook op uitgenodigd worden. Op dit overleg zal ook moeten duidelijk worden voor welke vakken/ knopen er nog aparte marktconsultaties (niet uit te voeren binnen bestaande raamcontracten) zullen moeten opgestart worden. De teneur in het overleg van gisteren was dat door de omvang van de werken het twijfelachtig is dat alle verplaatsingswerken voor 05 /12/2022 zullen uitgevoerd zijn. Daarom vragen wij vanuit de nutsmaatschappijen dat BRAVO4 tegen eind oktober ook oplijst welke knopen/vakken prioritair moeten aangepakt worden. Dit kan dan voorgelegd en besproken worden in dit overleg van eind oktober. Dit per maatschappij bespreken met BRAVO4 lijkt mij niet opportuun. Kan dit teruggekoppeld worden naar BRAVO4 toe. Alvast bedankt. PS. Deze mail werd verstuurd na goedkeuring door Fluvius, Proximus en De Watergroep.” 3.
  25. Er volgen nog meerdere coördinatievergaderingen. Op de coördinatievergadering van 17 november 2021 geeft de verzoekende partij sub I X-18.090-18.092-9/25 aan dat zij het niet mogelijk acht om alle verplaatsingen tijdig uit te voeren. Door de nutsmaatschappijen wordt ook gevraagd om “na te gaan of het mogelijk is om de planning van Bravo/4 bij te stellen zodat er meer tijd gewonnen wordt op [het] segment met zware verplaatsingswerken”. 3.
  26. Op een overlegvergadering van 23 november 2021 met BRAVO-4, de verwerende partij en Connectimmo, dit is een dochteronderneming van de verzoekende partij sub I met als taak het beheren van haar vastgoed, geeft de verzoekende partij sub I opnieuw aan dat zij het “[g]ezien de hoeveelheid leidingen die moeten verplaatst worden […] niet realistisch [acht] om alles verplaatst te hebben tegen het einde van 2022”. Zij wijst erop dat “het ontwerp nog niet definitief is en [dat] ook de nutsleidingenstrook nog aanpassingen vergt”, alsook dat de timing “voor vergunningsaanvragen en aanbestedingen, overkoppelingen (ca. 4 maand werk) en uitblazen van de bestaande leidingen (ca. 4 maand werk) […] in rekening [moeten] gebracht worden”. Zij stelt dat het “werk normaal gezien 3 jaar in beslag zou nemen”, dat zij er alles aan doet om de termijn te beperken, maar dat de plannen “niet concreet [waren] op het moment van [de] verplaatsingsbevelen”. De verzoekende partij sub I wijst tevens op het “Service Node”-gebouw, alwaar de trillingen ingevolge de verankering – bij het plaatsen van de diepwanden voor de ondertunneling door BRAVO-4 – moeten in kaart gebracht worden. Zij wijst erop dat dit gebouw de “omstreken” van Gent “voedt”, en vraagt om de impact van de innames te beperken, gezien het strategisch belang van de site. De verwerende partij van haar kant vraagt “om bijkomende zone te kunnen innemen aan zijde R4”. De verzoekende partij sub I stelt zich met betrekking tot de innames “vragen bij [de] timing wanneer alles rond zal zijn”. 3.
  27. Op 13 december 2021 verstuurt de verwerende partij wijzigende verplaatsingsbevelen naar de nutsmaatschappijen. Deze verplaatsingsbevelen aan de verzoekende partijen sub I en II maken de bestreden besluiten in respectievelijk de zaken sub I en II uit. Ze luiden: X-18.090-18.092-10/25 “In het kader van de bovenvermelde werken ontving u op 22 juli 2020 al een eerste verplaatsingsbevel. Via dit schrijven wordt dit verplaatsingsbevel hernomen met beperking van de projectzone én wijziging van de timing. Middels huidig schrijven geef ik u de opdracht tot het verplaatsen van uw leidingen en installaties binnen de projectzone zoals destijds overgemaakt exclusief het gedeelte zoals aangeduid op bijgevoegde figuur (zone ten noorden van knoop O4 met uitzondering van de oprit richting E34), teneinde de door De Werkvennootschap voorziene infrastructuurwerken te kunnen uitvoeren. Uitgangspunt is dat de nutsmaatschappijen maximaal op voorhand, voor de start van de werken van de aannemer van de infrastructuurwerken, verplaatsen. Middels dit schrijven wensen wij u mee te delen dat deze start der werken niet zal plaatsvinden in het 4de kwartaal van 2022 maar in het eerste kwartaal van
  28. Wij vragen u dan ook de nodige stappen te ondernemen teneinde tegen 1 januari 2023 de uitvoering van de verplaatsing/verwijdering gerealiseerd te hebben. Voor deze werken zijn intussen verscheidene coördinatievergaderingen en meer bilaterale overleggen doorgegaan. De nodige documenten (knelpuntenlijst en grondplannen) werden u intussen ter beschikking gesteld via ons documentbeheerssysteem Bricsys. De meest recente plannen van de Voorkeursbieder zijn daarbij terug te vinden op volgende locatie: https://my.bricsys247.com/web/#/14540/3163371/. De verslagen van de vergaderingen, de resultaten van proefsleuven e.d. zijn ook terug te vinden op de Bricsysomgeving. Bij een eventuele verzwaring of uitbreiding van de leidingen dient u dit aan te geven aan de leidend ambtenaar van het Agentschap Wegen en Verkeer en dient u hiervoor een vergunning aan te vragen bij het bevoegde district. Voor deze werken werd enerzijds de Maatschap Arcadis-SBE als ontwerper aangesteld, en anderzijds is ook al de Voorkeursbieder voor de uitvoering van de werken bekend, zijnde BRAVO
  29. De veiligheidscoördinator voor uw werken dient u zelf aan te stellen tenzij er een gelijktijdige uitvoering van werken in opdracht van De Werkvennootschap zou zijn. In dat geval voorziet De Werkvennootschap NV een veiligheidscoördinator. Gelieve een gemachtigd persoon op de komende coördinatievergaderingen af te vaardigen en mij na uw werkzaamheden de aangepaste plannen digitaal te bezorgen. In toepassing van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt u ervan op de hoogte gesteld dat een verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden ingediend tegen dit verplaatsingsbevel. Het verzoekschrift moet, gedateerd en ondertekend, vergezeld worden van het vereiste aantal eensluidend verklaarde afschriften en van een afschrift van de bestreden beslissing. De termijn voor het indienen van een beroep bij de Raad van State bedraagt 60 dagen vanaf deze kennisgeving. Op hetzelfde ogenblik als zij haar verzoekschrift indient, stuurt de verzoekende partij een kopie daarvan ter informatie aan de verwerende partij. De verzoekende partij mag zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een advocaat. De verzending naar de X-18.090-18.092-11/25 Raad van State gebeurd bij ter post aangetekende brief naar het volgende adres: Wetenschapsstraat 33 – 1040 Brussel. Voor meer informatie of vragen kan u contact opnemen met […]. ” IV. Samenvoeging
  30. De verzoekende partijen richten hun vorderingen tegen inhoudelijk dezelfde verplaatsingsbevelen. De middelen die zij tegen deze bevelen aanvoeren zijn gelijkaardig. Een goede rechtsbedeling vereist de samenvoeging van de zaken A. 235.663/X-18.090 en A. 235.681/X-18.
  31. X-18.090-18.092-12/25 V. Ontvankelijkheid van de beroepen De aangevoerde excepties
  32. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vorderingen ratione personae. Zij werpt de verzoekende partijen in beide zaken tegen dat zij hun belang bij de vorderingen niet aantonen. De verwerende partij betoogt tevens dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden verplaatsingsbevelen zal inhouden dat voor de verzoekende partijen de minder gunstige verplaatsingsbevelen van 22 juli 2020 herleven. Het betreft bevelen die de verplaatsing van de nutsleidingen voor een groter gebied opleggen tegen 1 september
  33. Beoordeling 6.
  34. Een schorsingsarrest zet de verwerende partij ertoe aan de problematiek betreffende de timing voor de verplaatsing van hun nutsleidingen te heroverwegen, en verschaft de verzoekende partij de kans op een gunstiger verplaatsingsbevel. Dat de verwerende partij daarbij haar eerdere verplaatsingsbevelen van 22 juli 2020 zou handhaven, komt de Raad van State op het eerste gezicht als niet-realistisch voor. De huidige verplaatsingsbevelen houden immers een “bijsturing” in van die eerdere verplaatsingsbevelen, die een ruimer gebied omvatten en een inmiddels prima facie onmogelijke verplaatsingstermijn tot 1 september 2022 opleggen. 6.
  35. De excepties worden verworpen. VI. Schorsingsvoorwaarden
  36. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel X-18.090-18.092-13/25 wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII. Ernst van het tweede middel in de zaak sub I en het eerste middel in de zaak sub II Standpunt van de partijen A. Zaak sub I 8.1.
  37. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van onder meer het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 8.1.
  38. Zij betoogt dat zij als nutsmaatschappij onmogelijk de nutsleidingen kan verplaatsen zonder eerst over de definitieve ontwerpen te beschikken; zij heeft er aldus geen kennis van welke kabels in conflict liggen met de nieuwe wegenis. Ook vandaag is er nog geen definitief ontwerp voorgelegd. Evenmin is duidelijk naar waar de kabels verplaatst moeten worden, en zijn de nodige onteigeningen nog niet gebeurd. De verzoekende partij stelt zelf geen ontwerpen te kunnen opstellen, ook al omdat er “een conflict [is] tussen de paalfundering van het gebouw en de grondankers van de tunnel”, waarbij met “het gebouw” wordt bedoeld het “service node”-datacenter van de verzoekende partij, dat het grootste deel van het telecomverkeer in Oost- en West-Vlaanderen stuurt. In de mate dat het bestreden bevel geen rekening houdt met deze elementen, is het op onzorgvuldige wijze genomen. 8.1.
  39. De verzoekende partij stelt dat zij tot op heden niet over de volgende informatie beschikt: een definitief wegen- en rioleringsplan, de zone voor de aanleg van nieuwe nutsleidingen, de bevestiging van de verwerving van de percelen die noodzakelijk zijn voor de nieuwe aanleg van de nutsleidingen, de resultaten van de gemaakte proefsleuven, de bevestiging of het “Service Node”-gebouw al dan niet kan behouden blijven. X-18.090-18.092-14/25 8.1.
  40. Zij stelt verder: “Vanaf het moment dat Proximus beschikt over de definitieve plannen, dient zij, in eerste instantie, het volgende te doen: de studie te vervolledigen en legplannen opmaken, waarvoor het zeker twee maanden nodig zal hebben, gelet op de complexiteit van dit dossier [...]. Dit wil zeggen dat, mocht Proximus als het ware op maandag 14 februari 2022 de definitieve plannen ontvangen, zij haar legplannen op 14 april 2022 klaar zal hebben. Zodra de legplannen zijn opgesteld, kan Proximus de nodige vergunningen aanvragen bij de volgende instanties: AWV, Stad Gent, Gemeente Evergem, De Vlaamse Waterweg en Infrabel. Dit duurt ongeveer twee tot drie maanden. Dit wil zeggen dat de vergunningen ten vroegste op 14 juni 2022 verworven kunnen zijn. Zodra Proximus deze vergunningen heeft ontvangen, kan zij de werken laten inplannen met de aannemer en de nodige materialen bestellen. Voor de werken zelf voorziet Proximus ongeveer 20km aanleg in open sleuf, dit neemt minimum 250 werkdagen in beslag. Omgerekend zou dit ongeveer 50 weken in beslag nemen, wat wil zeggen dat deze werken ten vroegste op 30 mei 2023 klaar kunnen zijn. Dat is trouwens alleen zo in de hypothese dat Proximus alleen handelt en niet in synergie met de overige nutsmaatschappijen. Zo niet, dan dienen de nutsmaatschappijen op elkaar te wachten, wat de tijdspanne alleen maar verlengt. Er dienen ook 28 gestuurde boringen, met een totaal lengte van ongeveer 3km, te worden uitgevoerd voor Proximus. Dit zal zeker 60 werkdagen, omgerekend twaalf weken, in beslag nemen, ook onder voorbehoud van welke nutsmaatschappijen mee in synergie gaan met deze boringen. De termijn verschuift hierbij op naar 22 augustus
  41. Na het aanleggen van de nieuwe kabels, dienen deze ook nog te worden gelast op de bestaande om deze over te nemen. Voor de optische glasvezelkabels voorziet Proximus 60 nachtwerken. Doordat tijdens die laswerken de telecomverbinding met de geïmplanteerde klanten tijdelijk wordt verbroken, is Proximus genoodzaakt dit tijdens de nacht uit te voeren. Voor de koperkabels voorziet Proximus 40 werkdagen laswerk. Samen zijn dit nogmaals 20 weken, de termijn schuift dus op naar 9 januari
  42. Er dienen bij 754 klanten ook een nieuwe aansluiting te worden gerealiseerd. De timing hiervoor is moeilijk te bepalen doordat dit sterk afhankelijk is van de werken die nodig zijn bij de klant zelf, hoeveel graaf- en breekwerken er nodig zijn om een nieuwe aansluitkabel te realiseren vanaf de rooilijn, tot bij de klant binnen. Hiervoor zijn de nodige site surveys en gesprekken al opgestart.” 8.1.
  43. De verzoekende partij wijst er voorts op dat er ook nog onteigeningen moeten gebeuren. Deze dienen nog over de volledige zone W9 te worden uitgevoerd. Zij betoogt dat zij ook niet kan starten met het opstellen van haar studies en legplannen, zolang er geen duidelijkheid is over het “service node”-gebouw in de Zeeschipstraat, waar de grondankers voor de diepwanden van X-18.090-18.092-15/25 de ondertunneling in conflict komen met de paalfundering van dat gebouw. Er is ook geen duidelijkheid omtrent het mogelijke effect van trillingen wegens de uit te voeren werken op de telecominfrastructuur in het gebouw. Indien het gebouw kan worden behouden, kan zij ten vroegste op 1 maart 2022 beginnen haar studies uit te voeren. Dit betekent dat de termijn minstens met twee weken opschuift naar 23 januari
  44. Indien het “service node”-gebouw niet kan worden behouden, vergt het verplaatsen daarvan bovendien een uitvoeringstermijn van “minimum 5 jaar”. 8.2.
  45. De verwerende partij repliceert in haar nota dat uit artikel 98, § 3, van de wet van 21 maart 1991 ‘betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven’ (hierna: de wet van 21 maart 1991) voortvloeit dat zij aan de verzoekende partij een verplaatsingsbevel kan opleggen dat tenminste twee maand vóór de geplande datum van de werken moet worden betekend. In casu heeft zij de verzoekende partij meer dan een jaar gelaten om de nodige verplaatsingen uit te voeren. Deze laatste partij beschikt reeds sedert 2019 over de nodige plannen om de verplaatsingswerken te kunnen voorbereiden. De omstandigheid dat die plannen nog deels werden gewijzigd of maar recent definitief zijn geworden, neemt niet weg dat de meeste delen niet werden gewijzigd, terwijl de overige delen maar beperkt werden gewijzigd. 8.2.
  46. De zone waar de nieuwe nutsleidingen moeten komen, werd volgens de verwerende partij wel degelijk “in grote mate reeds vastgelegd” en de onteigeningen zijn in uitvoering en worden “eerstdaags” afgerond. Voor het grootste deel zijn reeds uitvoeringsplannen voorhanden op basis waarvan de verzoekende partij detailplannen kan voorbereiden. Alleszins had de verzoekende partij reeds de technische eigenschappen van de te voorziene kabels kunnen bepalen en had zij al een aannemer kunnen contracteren. Zij heeft evenwel niet de minste vooruitgang geboekt. De verwerende partij wijst er voorts op dat het “service node”-gebouw zelf niet in het gedrang komt, dat de werken geen impact op de bestaande funderingen van het gebouw zullen hebben en dat de ankers trillingsvrij worden ingebracht. De verzoekende partij kon zelfs zonder over de volledige X-18.090-18.092-16/25 informatie te beschikken reeds bepaalde delen van de verplaatsingswerken uitvoeren. Alle voorbereidende werken voor de delen waarvoor de informatie nog niet volledig is, kunnen reeds uitgevoerd worden. De verzoekende partij was reeds sinds 2019 van het referentieontwerp en de bijhorende plannen op de hoogte. Indien zij in 2019 “haar huiswerk” had aangevat, hadden de zaken al veel verder gestaan. Het is voorts een eigen keuze van de verzoekende partij om de verplaatsingswerken te combineren met de uitbouw van een glasvezelnetwerk. Ten slotte hebben de beweerde gevolgen voor het “service node”-gebouw en de problematiek van de onteigeningen in wezen niets te maken met de uitvoering van het bestreden verplaatsingsbevel. B. Zaak sub II 9.1.
  47. De verzoekende partij voert in een eerste middel eveneens de schending aan van onder meer het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 9.1.
  48. Zij betoogt dat het bestreden verplaatsingsbevel niet steunt op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, onderzocht en afgewogen. Meer bepaald wist de verwerende partij op de datum van het uitvaardigen van het bestreden bevel dat er nog steeds geen definitieve uitvoeringsplannen van BRAVO-4 beschikbaar waren, plannen die nochtans cruciaal zijn om aan het bestreden bevel uitvoering te kunnen geven. De verwerende partij kende het standpunt van de nutsmaatschappijen ter zake, maar besliste toch om met hun bezorgdheden geen rekening te houden. De verplaatsingsoperaties zijn, gelet op de omvang van het project, “geen ‘off the shelf’-werken […] die zomaar kunnen worden afgeroepen binnen bestaande raamcontracten [,] zowel naar levering van het benodigde materiaal toe als naar de eigenlijke uitvoering van de verplaatsingswerken”. Meer bepaald moet nog een “marktconsultatie” gebeuren en moet de “overheidsopdrachtenreglementering” worden nageleefd. Het is niet zorgvuldig in hoofde van de verwerende partij om daar geen rekening mee te houden. Evenmin is ingegaan op de vraag van de nutsmaatschappijen om een “prioriteitenlijst” voor de uitwerking van de verplaatsingen op te maken, en er is geen rekening gehouden met de X-18.090-18.092-17/25 omstandigheid dat de nutsmaatschappijen verenigd zijn in Synductis om de verplaatsingen te coördineren. De verzoekende partij merkt op dat in de verplaatsingsbevelen van 22 juli 2020 uitvoeringsplannen werden beloofd tegen februari 2021 en dat haar vanaf dan een uitvoeringstermijn van ongeveer 19 maanden werd gegund. Dit is nu teruggebracht tot amper een jaar. Het bestreden verplaatsingsbevel gaat uit van “een kennelijk onmogelijke uiterlijke datum” voor het uitvoeren van de bevolen verplaatsingen. 9.
  49. De verwerende partij herhaalt in haar nota het gestelde onder randnummer 8.2.
  50. Voorts meent zij dat zij met de bezorgdheden van de nutsmaatschappijen rekening heeft gehouden. De verzoekende partij lijkt ervan uit te gaan dat zij haar standpunt aan haar mag opdringen. De werken zijn niet uitermate complex of technisch en vereisen niet noodzakelijk een “eigen plaatsingsprocedure”. Het kan bijvoorbeeld ook een optie zijn om de verplaatsingswerken gefaseerd uit te voeren, en die dan binnen bestaande raamovereenkomsten te plaatsen. Het gaat niet op dat de verzoekende partij zich achter de duurtijd van overheidsopdrachtenprocedures verschuilt om haar stilzitten te verantwoorden. Het verstrekken van een prioriteitenlijst vertoont geen relevantie, nu sowieso alle nodige verplaatsingen moeten gebeuren, en de wijze waarop de nutsmaatschappijen hun verplaatsingswerken wensen uit te voeren is voor haar zonder belang. De verwerende partij acht het onbegrijpelijk dat de nutsmaatschappijen niet zorgvuldiger en sneller tot het opstellen van hun verplaatsingsplannen zijn overgegaan. De verzoekende partij had alleszins al stappen kunnen zetten, zoals onderzoeken op welke manier de bestaande leidingen moeten worden vervangen en daar de technische modaliteiten voor vastleggen, aannemers contacteren en vastleggen, en minstens de werken uitvoeren waarvoor wel reeds definitieve plannen beschikbaar zijn. De verzoekende partij voldoet ten slotte niet aan haar stelplicht om duidelijk te maken waarom het halen van de in het bestreden besluit vastgelegde datum onmogelijk zou zijn. Beoordeling 10.
  51. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de X-18.090-18.092-18/25 relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit. Het redelijkheidsbeginsel verplicht er het bestuur onder meer toe de rechtsonderhorige een redelijke termijn toe te kennen voor het uitvoeren van een aan hem opgelegd bevel. 10.
  52. Waar de verwerende partij erop wijst dat artikel 98, § 3, van de wet van 21 maart 1991 het bestuur verplicht om de operator van het betrokken openbaar elektronische-communicatienetwerk kennis te geven van het verplaatsingsbevel “ten minste twee maanden vóór de uitvoering van de werken wordt aangevat”, verhindert dit op het eerste gezicht niet dat bij het bepalen van de verplaatsingstermijn de voormelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht genomen moeten worden. 10.
  53. De plannen van het referentieontwerp met betrekking tot het kwestieuze R4WO-project, zoals gezien een DBFM-dossier (randnummer 3.1) waarbij de aannemer ook het ontwerp bepaalt, lijken enkel als een “mogelijke oplossing” te gelden. De finale uitwerking van de plannen dient door de aannemer, te dezen BRAVO-4 te gebeuren. Dit blijkt met zoveel woorden uit het verslag dat naar aanleiding van de vergadering van 28 juni 2019 werd opgesteld (zie randnummer 3.6). Bij het overmaken aan de nutsmaatschappijen, op 26 juni 2019, van de plannen van het referentieontwerp in een “DWG”-bestandsformaat, wordt in dat verband uitdrukkelijk vermeld dat “in het achterhoofd” moet worden gehouden dat dit ontwerp in functie van “de projectvergaderingen en bijkomende inzichten mogelijks nog hier en daar zal wijzigen”, en dat “[d]aarnaast wijzingen door de Opdrachtnemer (aannemer) nog [kunnen] aangebracht worden” (zie randnummer 3.5). Mede gelet op het voormelde, is de Raad van State er in de huidige stand van de rechtspleging niet van overtuigd dat de plannen van het referentieontwerp waarover de verzoekende partijen medio 2019 konden beschikken, volstonden om een plan voor de herplaatsing van hun nutsleidingen op te stellen. Prima facie waren daartoe de door de voorkeursbieder BRAVO-4 in september 2021 ter beschikking gestelde plannen vereist. De verzoekende partijen, X-18.090-18.092-19/25 alsook de andere nutsmaatschappijen binnen Synductis, hebben daar in een mailbericht van 14 december 2020 reeds uitdrukkelijk op gewezen (zie randnummer 3.9). Blijkens een verslag van de coördinatievergaderingen van 20 en 28 oktober 2021, werden op die vergaderingen door BRAVO-4 de belangrijkste wijzigingen ten aanzien van het referentieontwerp toegelicht. Het standpunt van de verwerende partij dat de vrijheid van BRAVO-4 om bepaalde aanpassingen aan de plannen aan te brengen “niet onbeperkt” was, en dat de meeste delen van de plannen door de voorkeursbieder niet gewijzigd werden, doet op het eerste gezicht niet anders besluiten. 10.
  54. Daarenboven moet worden opgemerkt dat de verzoekende partijen, samen met De Watergroep en Fluvius, voor de realisatie van de verplaatsingswerken binnen Synductis opereren. Met de verzoekende partij sub I moet prima facie aangenomen worden dat de betrokken nutsmaatschappijen “op elkaar [dienen] te wachten, wat de tijdspanne alleen maar verlengt”. De verwerende partij diende daar bij het bepalen van de bevolen verplaatsingstermijn prima facie evenzeer rekening mee te houden. Waar de verwerende partij in haar nota aanvoert dat blijkens het verslag van het bilateraal overleg van 14 oktober 2021 de verzoekende partij sub I zich het doel stelde om “de studie” nog dat jaar af te ronden, dient opgemerkt te worden dat deze verzoekende partij er daarbij uitdrukkelijk op heeft gewezen “dat de globale planning beïnvloed wordt door de synergie tussen de verschillende nutsmaatschappijen en beschikbaarheid aannemers”. 10.
  55. Wat de verzoekende partij sub I betreft, wordt het halen van de opgelegde timing prima facie nog bemoeilijkt door de op de overlegvergadering van 23 november 2021 aangekaarte onzekerheid met betrekking het “Service Node”-gebouw, en de vrees voor beschadigingen door trillingen bij het plaatsen van de diepwanden voor de ondertunneling (zie randnummer 3.17). Het betoog in de nota van de verwerende partij dat BRAVO-4 die bezorgdheden van de verzoekende partij nader heeft onderzocht en “op korte termijn” via een technisch overleg met de verzoekende partij “hierover [zal] terugkoppelen”, en dat thans “uit het eerste onderzoek” geen problemen zouden blijken, maakt op het eerste gezicht de op 23 november 2021 geuite vrees en onzekerheid vanwege de verzoekende X-18.090-18.092-20/25 partij sub I niet minder terecht. Dat de onzekerheden met betrekking tot het “Service Node”-gebouw volgens de verwerende partij geen enkel verband houden met het bestreden verplaatsingsbevel en niet van aard zouden zijn enige onzorgvuldigheid of onredelijkheid met betrekking tot het bestreden besluit aan te tonen, kan in de huidige stand van de rechtspleging geen bijval vinden. Voorshands wordt het standpunt van de verzoekende partij sub I bijgetreden dat het van cruciaal belang was en is voor de studie van haar verplaatsingswerken om te weten of dit gebouw kan behouden blijven. 10.
  56. Het betoog van de verwerende partij dat de verzoekende partij sub I de bevolen verplaatsingswerken combineert met “het hernieuwen van haar netwerk en het uitfaseren van koperkabels door ze te vervangen door glasvezelkabels”, waarbij ook het “Service Node”-gebouw “intern grondig naar deze uitfasering wordt aangepast”, en dat een en ander een langere duurtijd voor de verplaatsingswerken met zich zou meebrengen, wordt, wat dit laatste betreft, op het eerste gezicht niet aangetoond. Overigens maakt de Raad van State zich de prima facie-bedenking dat een zorgvuldig handelende overheid er niet zomaar ontslagen kan van worden geacht om bij het bepalen van de verplaatsingstermijn rekening te houden met het gegeven van de overstap naar glasvezelkabels, waarvan de onderhandelende partijen blijkens de stukken van het dossier op het eerste gezicht op de hoogte waren. 10.
  57. Voorts kan het door de verzoekende partij sub I onder randnummer 8.1.4 geschetste tijdsverloop van zowat twee jaar prima facie overtuigen. De verwerende partij spreekt deze timing in de huidige stand van de rechtspleging niet overtuigend tegen. 10.
  58. Gelet op wat voorafgaat, maakt de verzoekende partij sub I prima facie aannemelijk dat het bestreden bevel om tegen 1 januari 2023 reeds haar nutsleidingen te verplaatsen, met miskenning van het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel is genomen. Dit alles nog daargelaten de vraag naar de tijdigheid van de uit te voeren onteigeningen, waarvan de verwerende partij beweert dat die “op heden [worden] uitgevoerd en […] eerstdaags [zullen] worden X-18.090-18.092-21/25 afgerond”, en het betoog van de verzoekende partijen dat tot op heden geen definitieve plannen beschikbaar zijn. 10.
  59. Ook voor de verzoekende partij sub II wordt in de huidige stand van het geding aangenomen dat de mededeling van het referentieontwerp medio 2019 niet volstond om een definitief plan voor de verplaatsing van de nutsleidingen te kunnen opstellen. In een mailbericht van 29 september 2021 heeft deze partij nogmaals doen verstaan dat pas na kennisname van het plan van de voorkeursbieder R4WO tot de opmaak van een definitief verplaatsingsplan kon worden overgegaan (zie randnummer 3.15). Voor de verzoekende partij sub II lijkt evenzeer, mutatis mutandis, te moeten worden aangenomen dat door de samenwerking binnen Synductis de betrokken nutsmaatschappijen op elkaar dienen te wachten, wat van aard is de tijdspanne te verlengen, en dat daar bij het bepalen van de verplaatsingstermijn rekening diende mee te worden gehouden. Waar de verwerende partij aanvoert dat de verzoekende partij sub II op het bilateraal overleg met BRAVO-4 van 16 september 2021 heeft aangegeven dat voor haar de verplaatsingsdatum “haalbaar lijkt”, blijkt uit nazicht van het verslag van die vergadering dat de verzoekende partij sub II daarbij uitdrukkelijk het volgende voorbehoud heeft gemaakt: “[…] Voor kleinere leidingen en de omlegging van de Ø300 zijn de voorbereidingen reeds opgestart. Voor grotere leidingen vallen zij onder het raamcontract van Synductis en wordt er voorbehoud gemaakt wegens de afhankelijkheid van andere belanghebbenden.” 10.
  60. In de huidige stand van de rechtspleging wordt aangenomen dat de miskenning van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel evenzeer voor het door de verzoekende partij sub II bestreden verplaatsingsbevel geldt. 10.
  61. De middelen zijn in de aangegeven mate ernstig. VIII. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen X-18.090-18.092-22/25 11.
  62. In de verzoekschriften betogen de verzoekende partijen, wat de spoedeisendheid van hun vorderingen betreft, dat een uitspraak over het annulatieberoep onherroepelijk te laat zou komen, nu de bestreden beslissingen erin voorzien dat de leidingen verplaatst moeten zijn tegen 1 januari
  63. Bij de aanvang van de werken op die datum kunnen de nog aanwezige kabels en drinkwaterleidingen beschadigd worden. Gewezen wordt ook op het risico op schadeclaims. 11.
  64. In haar nota werpt de verwerende partij tegen dat de vorderingen pas zijn ingesteld op de laatst nuttige dag van de beroepstermijn, wat een “negatie” inhoudt van de beweerde spoedeisendheid van die vorderingen. De verzoekende partijen hebben zo de termijn om de verplaatsingswerken uit te voeren zelf ingekort met ongeveer twee maanden. Dat het resultaat van de annulatieprocedure moet worden afgewacht, is voorts overeenkomstig een vaste rechtspraak “het onvermijdelijke lot dat iedere verzoekende partij bij [de] Raad ondergaat”. De verzoekende partijen schieten volgens de verwerende partij tekort in hun stelplicht om voldoende ernstige gegevens aan te brengen die de spoedeisendheid kunnen aantonen. Zij verliezen zich in een aantal vage, al te algemene stellingen. Tevens herhaalt de verwerende partij haar standpunt dat een schorsing enkel tot gevolg kan hebben dat de eerdere verplaatsingsbevelen zullen herleven. Beoordeling
  65. Aangenomen wordt dat het aanvatten van de werken voor het project R4WO na het verstrijken van de door de bestreden besluiten bevolen verplaatsingstermijn op 1 januari 2023, een ernstig risico op beschadiging van de niet tijdig verplaatste kabels en waterleidingen van de respectieve verzoekende partijen kan inhouden, minstens dat de niet-tijdige uitvoering van de bestreden bevelen schadeclaims lastens verzoeksters meebrengen. Het verantwoordt afdoende de spoedeisendheid van hun vorderingen. Dat de verzoekende partijen tot het einde van de beroepstermijn gewacht hebben om die vorderingen in te stellen, vermag aan de spoedeisendheid geen afbreuk te doen. Gezien het gestelde onder randnummer 6.1, kan het betoog van de verwerende partij dat een schorsing enkel X-18.090-18.092-23/25 tot gevolg zou hebben dat de eerdere verplaatsingsbevelen zullen herleven, prima facie geen bijval vinden. IX. Besluit
  66. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de vorderingen tot schorsing in te willigen. BESLISSING
  67. De zaken A. 235.663/X-18.090 en A. 235.681/X-18.092 worden samengevoegd.
  68. De Raad van State schorst de tenuitvoerlegging van de bevelen die De Werkvennootschap op 13 december 2021 aan de nv Proximus en de Tussengemeentelijke Maatschappij der Vlaanderen voor Watervoorziening heeft gegeven om hun nutsleidingen, in het kader van het PPS-project ‘Ombouwen R4 West en Oost tot primaire wegen’, tegen 1 januari 2023 te verplaatsen. X-18.090-18.092-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Stephan De Taeye X-18.090-18.092-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.